VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

– Sterf profect! – En juist terwijl

Uw mond voorspelt. – Ook dit moest ik volbrengen.

Shakspeare.

Terwijl Dinmont met alle inspanning door den lagen en nauwen ingang van

het hol kroop, werd hij plotseling bij één zijner beenen vastgehouden.

Het stalen hart van den dapperen landman begon te kloppen en met moeite

onderdrukte hij een kreet, welke hen allen, in den weerloozen toestand

waarin zij zich bevonden, misschien het leven had kunnen kosten. Hij

verloor echter zijne tegenwoordigheid van geest niet en vergenoegde

zich, met zijn voet uit de hand van zijn onverwachten navolger los te

rukken. „Wees gerust,” fluisterde hierop eene stem achter hem; „ik hen

een vriend, Karel Hazlewood.”

Hoewel Meg reeds de plaats bereikt had, waar het hol hooger werd, en

zich reeds opgericht had, hoorde zij toch iets van deze woorden, hoe

zacht ook gesproken, en schrikte hevig. Maar dadelijk herstelde zij

zich en begon, alsof zij een luisterend oor verbijsteren wilde, te

mompelen, te zingen en in het brandhout, dat in het hol opgestapeld

lag, te roeren.

„Hier, oude heks, duivelskind!” brulde Dirk Hatteraick uit zijn

schuilhoek; „wat doet gij daar?”

„Ik leg het hout te recht, om u voor den kouden wind te beschutten, gij

deugniet! – Gij komt er maar al te wel af en wilt het niet weten; maar

het zal weldra anders zijn.”

„Hebt gij mij brandewijn en tijding van mijn volk medegebracht?”

„Hier is de flesch. Uw volk is geslagen – verstrooid, gevlucht of door

de roodrokken in de pan gehakt.”

„De duivel! dit is eene noodlottige kust voor mij!”

„Gij kant wel eens meer reden hebben, om zoo te spreken.”

Onder dit gesprek hadden Bertram en Dinmont ook het eigenlijke hol

bereikt en waren overeind gaan staan. Het ruwe gewelf werd enkel door

het schijnsel van gloeiende houtskolen verlicht, welke op een ijzeren

rooster of bekken, zoo als de visschers des nachts bij de zalmvangst

gebruiken, brandden. Hatteraick wierp van tijd tot tijd eene handvol

takjes of andere stukjes hout er bij; maar zelfs de vlam, die dan

helder ofschoon slechts voor een oogenblik fikkerde, verspreidde geen

licht genoeg, om het geheele uitgestrekte hol te verlichten. Daar

bovendien de smokkelaar, van den ingang af gezien, achter het vuur lag,

zoo kon hij niet licht de voorwerpen onderscheiden, welke zich aan deze

zijde bevonden. De in het hol gedrongen mannen, wier getal zoo

onverwacht tot drie geklommen was, liepen dus achter het los

opgestapelde brandhout weinig gevaar van ontdekt te worden, en Dinmont

had de voorzichtigheid, Hazlewood met de eene hand zoo lang terug te

houden, tot hij Bertram kon toefluisteren: „Een vriend – de jonge

Hazlewood.”

Het was niet raadzaam, op dit oogenblik het gesprek verder voort te

zetten en allen stonden stil, als de rotsen rondom hen, verscholen

achter het hout, hetwelk daar waarschijnlijk nedergelegd was, om den

kouden zeewind te breken, zonder den toevloed van versche lucht geheel

te verhinderen. De takjes waren zoo los op elkander gestapeld, dat zij

daartusschen gemakkelijk zien konden wat er bij het vuur gebeurde,

ofschoon de personen, die achter in het hol waren, hen zelfs bij een

veel sterker licht niet in hunne schuilplaats konden ontdekken.

Het geheele tooneel leverde, zonder het belang en het persoonlijk

gevaar waarmede het gepaard ging in aanmerking te nemen, door de

werking van licht en schaduw op de vreemdsoortige voorwerpen, die zich

aan het oog vertoonden, een indrukwekkend gezicht op. De gloeiende

houtskolen verspreidden een donkerrooden gloed, die van tijd tot tijd

door eene vluchtige, meer of minder helder flikkerende vlam versterkt

werd, al naar de brandstof, waarmede Dirk Hatteraick zijn vuur voedde,

hiertoe beter of minder geschikt was. Nu steeg eene donkere rookwolk

tot aan de zoldering van het hol omhoog; dan flikkerde door de rookzuil

heen een flauwe, matte gloed, die dan plotseling weder tot eene

heldere, levendige vlam werd, als er droge takjes of dunne stukjes

dennenhout op het vuur geworpen werden. Bij deze afwisselende

verlichting konden Bertram en zijne vrienden de gestalte van Hatteraick

meer of minder onderscheiden, wiens woeste en barsche trekken, welke in

zijn tegenwoordigen toestand en bij zijne sombere stemming nog scherper

uitkwamen, zeer goed bij de ruwe rotsen pasten, die een onregelmatig

gewelf over en rondom hem heen vormden. De gestalte van Meg Merrilies,

die langzaam bij hem heen en weder wandelde, nu eens zichtbaar bij den

gloed van het vuur, dan weder verborgen door den rook of de duisternis,

stak sterk tegen de zittende, bijna onbewegelijk naar het vuur gebogene

houding van Hatteraick af, die voor het oog der aanschouwers steeds

zichtbaar bleef, terwijl de op en nedergaande Heidin, als eene

spookgestalte, soms verscheen en dan plotseling weder verdween.

Bij het gezicht van Hatteraick voelde Bertram zijn bloed koken. Hij

herkende hem oogenblikkelijk als den scheepskapitein Janson, zooals

Hatteraick zich na den dood van Kennedy genoemd had, en herinnerde zich

nog even goed, dat deze Janson en zijn stuurman Brown, die te

Woodbourne doodgeschoten werd, de tirannen zijner jeugd geweest waren.

Bertram wist ook, deels uit zijne eigene donkere herinneringen, deels

uit de verhalen van Mannering en Pleydell, dat deze man op den

verschrikkelijken dag, waarop hij aan zijn ouders en zijn vaderland

ontrukt en daardoor aan zoo vele ongemakken en gevaren bloodgesteld

was, de hoofdrol gespeeld had. Duizenderlei verbitterende gedachten

ontwaakten in zijn boezem en nauwelijks kon hij zich weerhouden van

Dirk Hatteraick dadelijk aan te vallen en hem een kogel door het hoofd

te jagen. Dit zou echter in de tegenwoordige omstandigheden een zeer

gevaarlijk waagstuk geweest zijn. Bij het schijnsel der flikkerende

vlam, hetwelk de sterke, gespierde en forsche gestalte van den

booswicht deed uitkomen, ontdekte Bertram ook twee paar pistolen

benevens een houwer in zijn gordel; en het was te verwachten, dat zijne

woede en wanhoop even geducht zouden zijn, als zijne lichaamskracht en

verdedigingsmiddelen. De booswicht kon, wel is waar, onmogelijk de

vereenigde krachten van twee mannen, als Bertram en zijn vriend

Dinmont, weerstaan, zonder hun onverwachten bondgenoot, Hazlewood, die

ongewapend en minder gespierd was, te rekenen, maar Bertram gevoelde,

dat het verstandig noch roemrijk zijn zou, den scherprechter vooruit te

loopen, en dat het tevens van het uiterste belang was, Hatteraick

levend gevangen te nemen. Hij bedwong dus zijne verontwaardiging en

wachtte geduldig af, wat er verder tusschen den booswicht en de Heidin

gebeuren zou.

„En wat is er nu van u geworden?” vroeg Meg met hare schorre

onaangename stem. „Heb ik u niet gezegd, dat het u overkomen zoude? –

ja en juist in dit zelfde hol, waar gij u, na het plegen van de daad

verscholen hebt.”

„Storm en onweer! houd uwe zedepreken voor je, oude heks, tot men er u

om vraagt! Hebt gij Glossin gesproken?”

„Neen. Gij hebt uw slag gemist, gij bloedvergieter! en hebt niets van

den verleider te wachten.”

„Wat drommel! had ik hem maar bij de keel! – En wat moet ik nu doen?”

„Doen?” hernam de Heidin; „sterven als een man, of gehangen worden als

een hond!”

„Gehangen, gij satansche oude heks? – De hennip, waaraan ik zal hangen,

is nog niet gezaaid.”

„Ze is reeds gezaaid, gegroeid, gehekeld en gesponnen. Heb ik u niet

gezegd, toen gij den kleinen Hendrik Bertram, in weerwil van mijne

beden, wegvoeren wildet – heb ik u toen niet gezegd, dat hij

terugkeeren zou, als hij zijn noodlot, tot zijn éen en twintigste jaar,

in vreemde landen vervuld had? Heb ik u niet gezegd, dat het oude vuur

tot op een vonkje na uitbranden, maar toch weder opleven zoude?”

„Ja, moedertje! dat hebt gij gezegd; en, voor den duivel, ik geloof,

dat gij waarheid gesproken hebt! Die jonker van Ellangowan is mijn

geheele leven een steen des aanstoots voor mij geweest! – En nu heb ik,

door Glossin’s vervloekte kunstjes, mijn volk en alles verloren. Mijne

booten zijn vernield en ik denk wel het schip zelf ook genomen. Er was

geen volk genoeg op om het te besturen, nog veel minder om het te

verdedigen, – eene ellendige sloep kon het wel overmeesteren. En wat

zullen de eigenaars zeggen? – Hagel en storm! ik durf nooit weder in

Vlissingen komen.”

„Dat zal ook niet noodig zijn.”

„Wat doet gij daar en waarom zegt gij dat?”

Onder dit gesprek had Meg wat vlas los op een hoop gelegd. Vóor dat zij

deze vraag beantwoordde, wierp zij een brandend stuk hout op het vlas,

hetwelk zij eerst in eenig geestrijk vocht gedoopt had. Dadelijk vatte

het vuur, en eene helder schitterende vlam verhief zich tot aan den top

van het gewelf. Op dit oogenblik beantwoordde Meg de haar gedane vraag

en sprak met eene sterke, vaste stem: „Omdat het uur en de man beiden

gekomen zijn.”

Op dit teeken sprongen Bertram en Dinmont uit hunne schuilplaats te

voorschijn en wierpen zich plotseling op Hatteraick. Hazlewood, die

niets van deze afspraak wist, volgde een oogenblik later. De booswicht,

die oogenblikkelijk begreep dat hij verraden was, richtte zijn eerste

wraak tegen Meg Merrilies en schoot een pistool op haar af. Zij zeeg

met een doordringenden, vreeselijken gil neder en zeide: „Ik wist, dat

het zoo eindigen zou!”

Bertram struikelde in zijne drift op den oneffen, rotsachtigen grond

van het hol; een groot geluk voor hem, want op hetzelfde oogenblik

floot Hatteraicks tweede kogel zoo dicht over zijn hoofd heen, dat die

hem zeker getroffen moest hebben, als hij rechtop gestaan had. Vóor dat

Hatteraick eene derde pistool uit zijn gordel kon trekken, greep

Dinmont hem en poogde hem de armen vast te houden. Maar de kracht van

den wanhopigen booswicht was zoo groot, dat hij den reusachtigen

landman, die met hem worstelde, door het brandende vlas heensleepte en

het hem bijna gelukt was – wat den eerlijken Dinmont zeker duur te

staan gekomen zou zijn – eene derde pistool te trekken, toen Bertram en

Hazlewood aansnelden. Met vereenigde krachten wierpen zij den booswicht

op den grond, ontnamen hem zijne wapens en bonden hem. Dit alles was

het werk van eene enkele minuut. Toen Hatteraick nu volkomen

overmeesterd was en zich te vergeefs een paar malen met inspanning van

alle krachten wanhopig had pogen los te maken, lag hij stil en sprak

geen woord. „Hij jankt niet tegen den dood,” sprak Dinmont „en dat is

het beste wat ik van hem weet.”

Met deze aanmerking schudde de eerlijke Dandie het smeulende vlas van

zijn rok en uit zijne gedeeltelijk verzengde zwarte haren.

„Hij is nu stil,” zeide Bertram hierop; „blijf gij bij hem staan en pas

op, dat hij zich niet verroert. Ik moet zien, of de arme vrouw nog

leeft of reeds dood is.” Met behulp van Hazlewood hief hij Meg

Merrilies nu op.

„Ik wist, dat het zoo eindigen zou,” mompelde zij, „en zoo moest het

ook komen.”

De kogel was onder de keel in de borst gedrongen. Uitwendig bloedde de

wond niet sterk; maar Bertram begreep dadelijk, dat ze zeer gevaarlijk

was. „Groote hemel! wat zullen wij voor deze arme vrouw doen?” riep hij

treurig uit.

„Mijn paard staat boven in het bosch aan een boom gebonden,” hernam

Hazlewood. „Ik heb u reeds sedert een paar uren gadegeslagen. Ik zal

mij te paard werpen en eenige vertrouwde lieden te hulp roepen. Bewaak

gij intusschen den ingang van het hol, tot ik terug kom.” Met deze

woorden snelde hij heen. Bertram verbond, zoo goed mogelijk, de wond

van Meg Merrilies en vatte, met een pistool met overgehaalden haan in

de hand, post bij den ingang van het hol. Dinmont bewaakte Hatteraick.

Eene doodsche stilte, slechts nu en dan afgebroken door het zachte en

gesmoorde kermen van de gekwetste Heidin en de zware ademhaling van den

gevangene, heerschte in het hol.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 68 / 75 题