– Sterf profect! – En juist terwijl
Uw mond voorspelt. – Ook dit moest ik volbrengen.
Shakspeare.
Terwijl Dinmont met alle inspanning door den lagen en nauwen ingang van
het hol kroop, werd hij plotseling bij één zijner beenen vastgehouden.
Het stalen hart van den dapperen landman begon te kloppen en met moeite
onderdrukte hij een kreet, welke hen allen, in den weerloozen toestand
waarin zij zich bevonden, misschien het leven had kunnen kosten. Hij
verloor echter zijne tegenwoordigheid van geest niet en vergenoegde
zich, met zijn voet uit de hand van zijn onverwachten navolger los te
rukken. „Wees gerust,” fluisterde hierop eene stem achter hem; „ik hen
een vriend, Karel Hazlewood.”
Hoewel Meg reeds de plaats bereikt had, waar het hol hooger werd, en
zich reeds opgericht had, hoorde zij toch iets van deze woorden, hoe
zacht ook gesproken, en schrikte hevig. Maar dadelijk herstelde zij
zich en begon, alsof zij een luisterend oor verbijsteren wilde, te
mompelen, te zingen en in het brandhout, dat in het hol opgestapeld
lag, te roeren.
„Hier, oude heks, duivelskind!” brulde Dirk Hatteraick uit zijn
schuilhoek; „wat doet gij daar?”
„Ik leg het hout te recht, om u voor den kouden wind te beschutten, gij
deugniet! – Gij komt er maar al te wel af en wilt het niet weten; maar
het zal weldra anders zijn.”
„Hebt gij mij brandewijn en tijding van mijn volk medegebracht?”
„Hier is de flesch. Uw volk is geslagen – verstrooid, gevlucht of door
de roodrokken in de pan gehakt.”
„De duivel! dit is eene noodlottige kust voor mij!”
„Gij kant wel eens meer reden hebben, om zoo te spreken.”
Onder dit gesprek hadden Bertram en Dinmont ook het eigenlijke hol
bereikt en waren overeind gaan staan. Het ruwe gewelf werd enkel door
het schijnsel van gloeiende houtskolen verlicht, welke op een ijzeren
rooster of bekken, zoo als de visschers des nachts bij de zalmvangst
gebruiken, brandden. Hatteraick wierp van tijd tot tijd eene handvol
takjes of andere stukjes hout er bij; maar zelfs de vlam, die dan
helder ofschoon slechts voor een oogenblik fikkerde, verspreidde geen
licht genoeg, om het geheele uitgestrekte hol te verlichten. Daar
bovendien de smokkelaar, van den ingang af gezien, achter het vuur lag,
zoo kon hij niet licht de voorwerpen onderscheiden, welke zich aan deze
zijde bevonden. De in het hol gedrongen mannen, wier getal zoo
onverwacht tot drie geklommen was, liepen dus achter het los
opgestapelde brandhout weinig gevaar van ontdekt te worden, en Dinmont
had de voorzichtigheid, Hazlewood met de eene hand zoo lang terug te
houden, tot hij Bertram kon toefluisteren: „Een vriend – de jonge
Hazlewood.”
Het was niet raadzaam, op dit oogenblik het gesprek verder voort te
zetten en allen stonden stil, als de rotsen rondom hen, verscholen
achter het hout, hetwelk daar waarschijnlijk nedergelegd was, om den
kouden zeewind te breken, zonder den toevloed van versche lucht geheel
te verhinderen. De takjes waren zoo los op elkander gestapeld, dat zij
daartusschen gemakkelijk zien konden wat er bij het vuur gebeurde,
ofschoon de personen, die achter in het hol waren, hen zelfs bij een
veel sterker licht niet in hunne schuilplaats konden ontdekken.
Het geheele tooneel leverde, zonder het belang en het persoonlijk
gevaar waarmede het gepaard ging in aanmerking te nemen, door de
werking van licht en schaduw op de vreemdsoortige voorwerpen, die zich
aan het oog vertoonden, een indrukwekkend gezicht op. De gloeiende
houtskolen verspreidden een donkerrooden gloed, die van tijd tot tijd
door eene vluchtige, meer of minder helder flikkerende vlam versterkt
werd, al naar de brandstof, waarmede Dirk Hatteraick zijn vuur voedde,
hiertoe beter of minder geschikt was. Nu steeg eene donkere rookwolk
tot aan de zoldering van het hol omhoog; dan flikkerde door de rookzuil
heen een flauwe, matte gloed, die dan plotseling weder tot eene
heldere, levendige vlam werd, als er droge takjes of dunne stukjes
dennenhout op het vuur geworpen werden. Bij deze afwisselende
verlichting konden Bertram en zijne vrienden de gestalte van Hatteraick
meer of minder onderscheiden, wiens woeste en barsche trekken, welke in
zijn tegenwoordigen toestand en bij zijne sombere stemming nog scherper
uitkwamen, zeer goed bij de ruwe rotsen pasten, die een onregelmatig
gewelf over en rondom hem heen vormden. De gestalte van Meg Merrilies,
die langzaam bij hem heen en weder wandelde, nu eens zichtbaar bij den
gloed van het vuur, dan weder verborgen door den rook of de duisternis,
stak sterk tegen de zittende, bijna onbewegelijk naar het vuur gebogene
houding van Hatteraick af, die voor het oog der aanschouwers steeds
zichtbaar bleef, terwijl de op en nedergaande Heidin, als eene
spookgestalte, soms verscheen en dan plotseling weder verdween.
Bij het gezicht van Hatteraick voelde Bertram zijn bloed koken. Hij
herkende hem oogenblikkelijk als den scheepskapitein Janson, zooals
Hatteraick zich na den dood van Kennedy genoemd had, en herinnerde zich
nog even goed, dat deze Janson en zijn stuurman Brown, die te
Woodbourne doodgeschoten werd, de tirannen zijner jeugd geweest waren.
Bertram wist ook, deels uit zijne eigene donkere herinneringen, deels
uit de verhalen van Mannering en Pleydell, dat deze man op den
verschrikkelijken dag, waarop hij aan zijn ouders en zijn vaderland
ontrukt en daardoor aan zoo vele ongemakken en gevaren bloodgesteld
was, de hoofdrol gespeeld had. Duizenderlei verbitterende gedachten
ontwaakten in zijn boezem en nauwelijks kon hij zich weerhouden van
Dirk Hatteraick dadelijk aan te vallen en hem een kogel door het hoofd
te jagen. Dit zou echter in de tegenwoordige omstandigheden een zeer
gevaarlijk waagstuk geweest zijn. Bij het schijnsel der flikkerende
vlam, hetwelk de sterke, gespierde en forsche gestalte van den
booswicht deed uitkomen, ontdekte Bertram ook twee paar pistolen
benevens een houwer in zijn gordel; en het was te verwachten, dat zijne
woede en wanhoop even geducht zouden zijn, als zijne lichaamskracht en
verdedigingsmiddelen. De booswicht kon, wel is waar, onmogelijk de
vereenigde krachten van twee mannen, als Bertram en zijn vriend
Dinmont, weerstaan, zonder hun onverwachten bondgenoot, Hazlewood, die
ongewapend en minder gespierd was, te rekenen, maar Bertram gevoelde,
dat het verstandig noch roemrijk zijn zou, den scherprechter vooruit te
loopen, en dat het tevens van het uiterste belang was, Hatteraick
levend gevangen te nemen. Hij bedwong dus zijne verontwaardiging en
wachtte geduldig af, wat er verder tusschen den booswicht en de Heidin
gebeuren zou.
„En wat is er nu van u geworden?” vroeg Meg met hare schorre
onaangename stem. „Heb ik u niet gezegd, dat het u overkomen zoude? –
ja en juist in dit zelfde hol, waar gij u, na het plegen van de daad
verscholen hebt.”
„Storm en onweer! houd uwe zedepreken voor je, oude heks, tot men er u
om vraagt! Hebt gij Glossin gesproken?”
„Neen. Gij hebt uw slag gemist, gij bloedvergieter! en hebt niets van
den verleider te wachten.”
„Wat drommel! had ik hem maar bij de keel! – En wat moet ik nu doen?”
„Doen?” hernam de Heidin; „sterven als een man, of gehangen worden als
een hond!”
„Gehangen, gij satansche oude heks? – De hennip, waaraan ik zal hangen,
is nog niet gezaaid.”
„Ze is reeds gezaaid, gegroeid, gehekeld en gesponnen. Heb ik u niet
gezegd, toen gij den kleinen Hendrik Bertram, in weerwil van mijne
beden, wegvoeren wildet – heb ik u toen niet gezegd, dat hij
terugkeeren zou, als hij zijn noodlot, tot zijn éen en twintigste jaar,
in vreemde landen vervuld had? Heb ik u niet gezegd, dat het oude vuur
tot op een vonkje na uitbranden, maar toch weder opleven zoude?”
„Ja, moedertje! dat hebt gij gezegd; en, voor den duivel, ik geloof,
dat gij waarheid gesproken hebt! Die jonker van Ellangowan is mijn
geheele leven een steen des aanstoots voor mij geweest! – En nu heb ik,
door Glossin’s vervloekte kunstjes, mijn volk en alles verloren. Mijne
booten zijn vernield en ik denk wel het schip zelf ook genomen. Er was
geen volk genoeg op om het te besturen, nog veel minder om het te
verdedigen, – eene ellendige sloep kon het wel overmeesteren. En wat
zullen de eigenaars zeggen? – Hagel en storm! ik durf nooit weder in
Vlissingen komen.”
„Dat zal ook niet noodig zijn.”
„Wat doet gij daar en waarom zegt gij dat?”
Onder dit gesprek had Meg wat vlas los op een hoop gelegd. Vóor dat zij
deze vraag beantwoordde, wierp zij een brandend stuk hout op het vlas,
hetwelk zij eerst in eenig geestrijk vocht gedoopt had. Dadelijk vatte
het vuur, en eene helder schitterende vlam verhief zich tot aan den top
van het gewelf. Op dit oogenblik beantwoordde Meg de haar gedane vraag
en sprak met eene sterke, vaste stem: „Omdat het uur en de man beiden
gekomen zijn.”
Op dit teeken sprongen Bertram en Dinmont uit hunne schuilplaats te
voorschijn en wierpen zich plotseling op Hatteraick. Hazlewood, die
niets van deze afspraak wist, volgde een oogenblik later. De booswicht,
die oogenblikkelijk begreep dat hij verraden was, richtte zijn eerste
wraak tegen Meg Merrilies en schoot een pistool op haar af. Zij zeeg
met een doordringenden, vreeselijken gil neder en zeide: „Ik wist, dat
het zoo eindigen zou!”
Bertram struikelde in zijne drift op den oneffen, rotsachtigen grond
van het hol; een groot geluk voor hem, want op hetzelfde oogenblik
floot Hatteraicks tweede kogel zoo dicht over zijn hoofd heen, dat die
hem zeker getroffen moest hebben, als hij rechtop gestaan had. Vóor dat
Hatteraick eene derde pistool uit zijn gordel kon trekken, greep
Dinmont hem en poogde hem de armen vast te houden. Maar de kracht van
den wanhopigen booswicht was zoo groot, dat hij den reusachtigen
landman, die met hem worstelde, door het brandende vlas heensleepte en
het hem bijna gelukt was – wat den eerlijken Dinmont zeker duur te
staan gekomen zou zijn – eene derde pistool te trekken, toen Bertram en
Hazlewood aansnelden. Met vereenigde krachten wierpen zij den booswicht
op den grond, ontnamen hem zijne wapens en bonden hem. Dit alles was
het werk van eene enkele minuut. Toen Hatteraick nu volkomen
overmeesterd was en zich te vergeefs een paar malen met inspanning van
alle krachten wanhopig had pogen los te maken, lag hij stil en sprak
geen woord. „Hij jankt niet tegen den dood,” sprak Dinmont „en dat is
het beste wat ik van hem weet.”
Met deze aanmerking schudde de eerlijke Dandie het smeulende vlas van
zijn rok en uit zijne gedeeltelijk verzengde zwarte haren.
„Hij is nu stil,” zeide Bertram hierop; „blijf gij bij hem staan en pas
op, dat hij zich niet verroert. Ik moet zien, of de arme vrouw nog
leeft of reeds dood is.” Met behulp van Hazlewood hief hij Meg
Merrilies nu op.
„Ik wist, dat het zoo eindigen zou,” mompelde zij, „en zoo moest het
ook komen.”
De kogel was onder de keel in de borst gedrongen. Uitwendig bloedde de
wond niet sterk; maar Bertram begreep dadelijk, dat ze zeer gevaarlijk
was. „Groote hemel! wat zullen wij voor deze arme vrouw doen?” riep hij
treurig uit.
„Mijn paard staat boven in het bosch aan een boom gebonden,” hernam
Hazlewood. „Ik heb u reeds sedert een paar uren gadegeslagen. Ik zal
mij te paard werpen en eenige vertrouwde lieden te hulp roepen. Bewaak
gij intusschen den ingang van het hol, tot ik terug kom.” Met deze
woorden snelde hij heen. Bertram verbond, zoo goed mogelijk, de wond
van Meg Merrilies en vatte, met een pistool met overgehaalden haan in
de hand, post bij den ingang van het hol. Dinmont bewaakte Hatteraick.
Eene doodsche stilte, slechts nu en dan afgebroken door het zachte en
gesmoorde kermen van de gekwetste Heidin en de zware ademhaling van den
gevangene, heerschte in het hol.