DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Gaarn’ wilde toen de dame

Begroeten den hoogen vorst,

Maar koning Artus weifelend

Geen antwoord geven dorst.

„Wie zijt gij,” sprak de dame,

„Dat gij mij niet wilt zien?

„Hoe gering ik moge schijnen,

„Ik kom u hulpe biên.”

Het Huwelijk van den Ridder Gawaine.

Waarschijnlijk had de betooverde bruid van den ridder Gawaine, zoo lang

zij gebukt ging onder de toovermacht van hare ondeugende stiefmoeder,

een nog, ouder en afzichtelijker voorkomen dan Meg Merrilies; maar zij

bezat zonder twijfel dat woest verhevene niet, hetwelk eene steeds

verhitte en overspannen verbeeldingskracht zoo wel aan de gebaren van

deze reusachtige vrouw als aan haar gelaat bijzette, welks trekken op

zich zelven reeds scherp geteekend en vol uitdrukking waren. Ook

deinsden de ridders van de ronde tafel op de verschijning van die

afschuwelijke dame, welke zich tusschen een eik en een’ groenen hulst

aan hen vertoonde, niet met meer schrik achteruit, dan Lucie Bertram en

Julia Mannering, bij de verschijning van deze Schotsche heks op de

heivlakte van Ellangowan.

„Om Gods wil!” riep Julia en trok hare beurs, „geef deze

verschrikkelijke vrouw iets en zeg haar dat zij heen gaat.”

„Ik kan niet,” hernam Bertram; „ik moet haar niet beleedigen.”

„Waarom talmt gij hier?” sprak Meg Merrilies, de ruwe, holle stem

verheffende, „waarom volgt gij mij niet? Moet uw uur u tweemaal roepen?

Denkt gij niet meer aan uw eed? „het zij in de kerk, of op de markt, op

eene bruiloft of bij eene begrafenis.” – En dreigend hief zij den

dorren wijsvinger op.

Bertram wendde zich tot zijne verschrikte gezellinnen en zeide:

„Verschoon mij, ik moet mij voor een oogenblik verwijderen; ik ben door

eene belofte gebonden, deze vrouw te volgen.”

„Mijn hemel!” riep Julia uit, „gij moet deze krankzinnige vrouw

volgen?”

„Eene Heidin, die misschien hare bende in het bosch heeft om u te

vermoorden!” voegde Lucie er bij.

„Dát zijn geene woorden voor eene dochter van Ellangowan,” hernam Meg,

een toornigen blik op Lucie Bertram werpende. „Wie anderen verdenkt,

voedt kwaad in het hart.”

„Met één woord, ik moet gaan,” hernam Bertram; „het is volstrekt

noodzakelijk! Wacht mij hier slechts vijf minuten.”

„Vijf minuten?” hervatte de Heidin. „In geen vijf uren zijt gij

misschien terug.”

„Hoort gij dit?” zeide Julia; „ga om ’s Hemels wil niet mede!”

„Ik moet, ik moet. – De heer Dinmont zal u wel naar huis geleiden.”

„Neen,” hernam Meg, „hij moet met u gaan; daarom is hij hier. Hij moet

met hart en hand helpen; en dit is hij wel verplicht: want zijne

redding had u duur te staan kunnen komen!”

„Dat is waar!” zei Dinmont, „en ik zal u toonen, kapitein, dat ik het

nog niet vergeten heb.”

„O ja,” riepen de beide dames te gelijk uit, „laat hem met u gaan, als

gij deze vreemde roepstem moet volgen.”

„Ja, ik moet; maar gij ziet, dat ik een goed geleide bij mij heb. –

Keer, zoo ras gij kunt, naar huis en vaarwel tot wederziens!”

Bij deze woorden drukte Bertram zijne zuster de hand en nam met een

teederen blik afscheid van Julia. Stom van schrik en verbazing zagen

deze Bertram, Dinmont en hunne geleidster achterna. Deze buitengewone

vrouw ijlde met zulke snelle, groote en vaste schreden over de

winterachtige heide, dat zij eerder scheen te zweven dan te gaan. Door

hare lange kleeding en hoog hoofddeksel scheen zij Bertram en Dinmont,

beide forsche mannen, nog in grootte te overtreffen. Zij ging steeds

rechtuit, zonder zich om de paden te bekommeren, welke de voetgangers

gemeenlijk volgden, om de oneffenheid van het veld en de kleine

beekjes, welke het in allerlei richtingen doorsneden, te vermijden.

Soms verdwenen dus de steeds kleiner schijnende gestalten uit het

gezicht, als zij in eene laagte afdaalden, en kwamen dan, wanneer zij

de volgende hoogte bereikten, weder te voorschijn. Er was iets

verschrikkelijks en, als het ware bovenaardsch, in de wijze waarop deze

wonderlijke vrouw de beide mannen, bijna met de snelheid van een vogel

die de lucht doorklieft, zonder zich door de hinderpalen, welke gewone

voetgangers tegen houden, te laten afschrikken, dwars over het veld

leidde, tot zij met hen in het dichte bosch, hetwelk zich van de

heivlakte naar het vervallen dorpje Derncleugh uitstrekte, verdween.

„Dit is toch zeer zonderling,” zeide Lucie eindelijk tegen hare

vriendin. „Wat kan hij toch met die oude heks te doen hebben?”

„Het is verschrikkelijk,” antwoordde Julia; „het doet mij bijna aan de

sprookjes van heksen, toovergodinnen en kwade geesten denken, welke ik

in Indië gehoord heb. Dáar gelooft men aan eene betoovering van het

oog, waardoor zij, die zulk eene macht bezitten, den wil en de

bewegingen van hunne slachtoffers naar willekeur kunnen leiden. – Maar

wat kan uw broeder toch met deze verschrikkelijke vrouw te doen hebben,

dat hij ons, zoo oogenschijnlijk tegen zijn wil, verlaat om hare

bevelen te volgen?”

„Wij kunnen ten minste gerust zijn, dat hem geen leed zal geschieden,”

hernam Lucie: „anders zou zij den getrouwen Dinmont, wiens moed en

standvastigheid mijn broeder zoo hoog roemt, niet gelast hebben, hem op

dezen tocht te vergezellen. – Laat ons nu naar huis gaan en de

terugkomst van den kolonel afwachten. Misschien komt Hendrik nog

vroeger te huis, en anders zal uw vader weten, wat er gedaan moet

worden.”

Arm in arm begaven zij zich op weg. Toen zij, angstig naar het minste

gerucht luisterende, den ingang der laan bereikten, hoorden zij een

ruiter achter zich. Verschrikt zagen zij om en herkenden tot hunne

groote blijdschap den jongen Hazlewood.

„De kolonel zal oogenblikkelijk hier zijn,” zeide hij. „Ik ben vooruit

gereden, om juffrouw Bertram een bezoek te brengen en haar geluk te

wenschen met de blijde gebeurtenis, welke in hare familie plaats gehad

heeft. Ik brand van verlangen, om aan den kapitein Bertram voorgesteld

te worden en hem voor de wel verdiende les, welke hij mij voor mijne

overijling en onbezonnenheid gegeven heeft, te danken.”

„Hij heeft ons zoo even verlaten,” antwoordde Lucie „en op eene wijze,

die ons niet weinig angst veroorzaakt heeft.”

Op dit oogenblik naderde het rijtuig. Toen Mannering en zijn geleerde

vriend de beide dames zagen, lieten zij stil houden, stegen uit het

rijtuig en voegden zich bij haar. Dadelijk verhaalde Julia hun het

voorgevallene.

„Al weder Meg Merrilies!” zeide de kolonel. „Zij is inderdaad een zeer

geheimzinnig en onbegrijpelijk wezen; maar ik denk, dat zij Bertram

iets mede te deelen heeft, dat zij voor ons geheim wil houden.”

„De drommel hale die oude zottin!” riep Pleydell uit. „Nooit laat zij

eene zaak haren behoorlijken gang gaan. Altijd wil zij haar eigen zin

volgen! – Naar den weg, dien zij ingeslagen hebben te oordeelen, vrees

ik, dat zij naar Ellangowan gegaan zijn, en die schurk, Glossin, heeft

reeds getoond, welke schelmen hij in dienst heeft. Ik hoop maar, dat de

eerlijke Dinmont hem zal kunnen beschermen.”

„Indien het u genoegen doet, zal ik hen gaarne narijden,” hernam

Hazlewood. „Ik ben in dezen omtrek zoo goed bekend, dat ik nauwelijks

geloof, dat men hem in mijne tegenwoordigheid eenig leed zou doen, en

ik zal mij, voorzichtigheidshalve, zoo ver verwijderd houden, dat het

niet kan schijnen, alsof ik de Heidin in het oog houden, of haar, in

hetgeen zij met Bertram voor heeft, verhinderen wil.”

„Op mijn woord,” sprak Pleydell tot den kolonel, „de jonge Hazlewood,

wien ik nog voor weinige jaren als schoolknaap gekend heb, is een

flinke jongen geworden. Ik vrees evenwel meer voor eene nieuwe poging,

om onzen vriend in rechten te vervolgen, dan voor openbaar geweld, en

van dit laatste zou Hazlewood’s tegenwoordigheid Glossin en zijne

helpers wel terug houden – Spoedig hen na, mijn zoon! Gij zult hen

waarschijnlijk te Derncleugh of in het bosch van Warroch vinden.”

Hazlewood wendde zijn paard. „kom bij ons eten heden namiddag!” riep de

kolonel hem achterna. – Hij boog, gaf zijn paard de sporen en rende

weg.

Keeren wij thans tot Bertram en Dinmont terug, die hunne geheimzinnige

geleidster door bosch en dal, tusschen de heivlakte en het vervallen

dorpje Derncleugh, volgden. Zij ging steeds vooruit en keek nooit naar

hare geleiders om, dan om hen over hun dralen te beknorren,

niettegenstaande beiden, in weerwil van het jaargetijde, het zweet van

het voorhoofd droppelde. Enkel sprak zij in afgebroken woorden bij zich

zelve: „Het oude huis al weder opgebouwd worden – de hoeksteen zal

gelegd worden – en heb ik hem niet gewaarschuwd? – Ik zeide hem, dat ik

geboren was om het te doen, al moest de weg over mijns vaders schedel

heen gaan, en het is slechts de zijne. – Ik werd daartoe bestemd – en

in banden en boeien bleef ik bij mijn voornemen; – ik werd gegeeseld –

ik werd gebrandmerkt – maar het lag dieper dan geeselslagen en een

gloeiend ijzer konden reiken – en nu is het uur gekomen!”

„Kapitein,” sprak Dinmont half fluisterende, „ik hoop, dat zij niet

waanzinnig is! Zij spreekt niet als andere menschen, en hare woorden

schijnen niet van God te komen. Bij ons houdt men staande, dat het met

haar niet is, zoo als het behoort.”

„Wees niet bang, vriend!”

„Bang! zij moge eene heks of zelfs de duivel in persoon zijn; daar

bekommer ik mij in het geheel niet om.”

„Zwijg!” sprak Meg, een donkeren blik op Dinmont werpende, „denkt gij

dat het thans tijd en plaats voor u is, om te spreken?”

„Beste vrouw!” hernam Bertram, „ik twijfel geenszins aan uwe goede

trouw en eerlijke bedoelingen, waarvan gij mij reeds bewijzen genoeg

gegeven hebt; maar gij moest ook eenig vertrouwen in mij stellen. – Ik

wilde gaarne weten waarheen gij mij brengt.”

„Hierop heb ik slechts één antwoord, Hendrik Bertram! – Ik heb

gezworen, dat mijne tong het nooit zeggen zou, maar ìk heb niet

beloofd, dat mijne vinger het nooit wijzen zou. Vervolg uw weg en ga uw

geluk te gemoet, of keer terug en geef het op – dit is alles, wat ik te

zeggen heb.”

„Vooruit dan,” hernam Bertram; „ik zal u niets meer vragen.”

Zij stegen omstreeks dezelfde plaats, waar Meg voorheen van Bertram

gescheiden was, in het dal af. Zij vertoefde een oogenblik aan den voet

van de hooge rots, vanwaar hij destijds de begrafenis van den, in den

vervallen toren van Derncleugh gestorven man aanschouwd had. Hier

stampte zij op den grond, welke, niettegenstaande alle aangewende

moeite, nog zichtbare sporen droeg, dat die kortelings omgewoeld was,

en zeide: „hier rust er één; hij zal misschien spoedig „makkers

hebben.”

Hierop ging zij langs de beek tot aan het verwoeste dorpje, waar zij,

met eene uitdrukking van teedere liefde in het oog, vóor den nog

overeindstaanden gevel van een vervallen hut bleef staan en op een

minder driftigen doch even plechtigen toon zeide: „Ziet gij die zwarte

en verwoeste hut? – Dáar heeft mijn ketel veertig jaren lang gekookt –

dáar heb ik twaalf zonen en dochters gebaard – waar zijn zij nu? – waar

zijn de bladeren, welke op Sint-Maartensdag nog aan dezen boom waren? –

de westewind heeft hem er van beroofd – en ik ben ook van alles

beroofd. – Ziet gij gindschen wilgenboom? – Het is nu slechts een

zwarte, verrotte stomp– Menigen schoonen zomerschen avond heb ik er

onder gezeten, toen de groene takken over het murmelende beekje hingen.

– Daar heb ik gezeten, en” (hier verhief zij de stem) „hield u op mijne

knieën, Hendrik Bertram, en zong u liedjes voor van de oude baronnen en

hunne bloedige oorlogen. – Hij zal nooit weder groen worden en Meg

Merrilies zal nooit weder vroolijke liederen zingen. Maar gij zult haar

niet vergeten en gij zult de oude muren om harentwil weder laten

opbouwen! – en laat er dan iemand wonen, die God vreest en te goed is

om voor de bewoners van de geesten-wereld beangst te zijn. – Want als

de dooden ooit weder onder de levenden verschijnen, dan zal men mij

menigen nacht in dit dal zien, nadat deze broze beenderen tot stof

geworden zijn.”

Bij deze laatste woorden hield zij den blooten rechterarm uitgestrekt,

den linker gebogen en onder de donker roode plooien van haar mantel

verborgen. Hare geheele houding en de toon, waarop zij sprak, drukten

een mengsel van krankzinnigheid en woeste hartstochtelijkheid uit, het

penseel van een schilder overwaardig. „En nu,” vervolgde zij, eensklaps

weder op den korten, driftigen toon, waarop zij gewoonlijk sprak, „nu

aan ons werk, nu aan ons werk!”

Hierop leidde Meg de beide mannen naar de vooruitspringende rots,

waarop de toren van Derncleugh lag. Zij kreeg een’ grooten sleutel uit

den zak en ontsloot de deur. Het inwendige was beter in orde, dan te

voren.

„Ik heb hier alles in orde gebracht, zoo als het behoort,” zeide zij,

„daar ik hier misschien, vóor dat de nacht komt, uitgestrekt zal

liggen. Weinigen, zeer weinigen zullen bij Meg’s lijk waken: want velen

van mijn volk zullen laken wat ik gedaan heb en nog doen zal.”

Nu wees zij naar eene tafel, waarop koude spijzen gereed stonden, welke

er zindelijker uitzagen, dan men van Meg had kunnen verwachten. „Eet,”

zeide zij, „gij zult het heden avond wel noodig hebben.”

Bertram at iets, om haar niet te beleedigen; maar Dinmont bewees, dat

noch verbazing, noch vrees zijn eetlust bedorven had, en liet het zich

goed smaken. Hierop gaf Meg aan ieder een enkel glas sterken drank,

hetwelk Bertram met water verdunde, maar dat Dinmont niet te krachtig

vond.

„Wilt gij zelve niet iets eten of drinken?” vroeg Dinmont.

„Ik zal het niet noodig hebben,” antwoordde de geheimzinnige gastvrouw.

„En nu,” vervolgde zij, „nu moet gij wapens hebben – gij moet niet met

ledige handen gaan – maar gebruikt ze niet overijld. – Neemt gevangen,

maar spaart het leven. – Laat de gerechtigheid haar deel hebben – hij

moet spreken, voor dat hij sterft.”

„Wie moet gevangen genomen worden? wie moet spreken?” riep Bertram, vol

verbazing, terwijl hij een paar pistolen, die zij hem aanbood en welke

hij bij nader onderzoek geladen vond, uit hare handen nam.

„De vuursteenen zijn goed en het kruid is droog,” zeide zij. „Ik versta

mij op dat werk.”

Zonder op zijne vragen te antwoorden, wapende zij Dinmont ook met eene

groote pistool, en verzocht beiden, een stok uit een hoop knuppels te

kiezen, dien zij uit een hoek haalde en die er zeer verdacht uitzagen.

Nu verlieten zij den toren en Bertram maakte van een gunstig oogenblik

gebruik, om Dinmont toe te fluisteren: „Er is iets onverklaarbaars in

dit alles, maar wij behoeven deze wapenen niet dan in geval van nood te

gebruiken, en wanneer wij het met recht mogen doen. Draag zorg te

handelen, zoo als gij mij ziet handelen.”

Dinmont knikte hem zijne toestemming toe. En nu volgden zij door poelen

en moerassen, over heidevelden en braaklanden, de schreden van hunne

geleidster. Deze voerde hen naar het bosch van Warroch op hetzelfde

pad, langs hetwelk de ongelukkige Ellangowan op den verschrikkelijken

avond, toen Kennedy vermoord werd, naar Derncleugh gereden was, om zijn

kind te zoeken.

Toen zij het bosch, waar de winter-zeewind thans ruischte, bereikt

hadden, bleef Meg Merrilies een oogenblik staan, naar het scheen, om

zich op den weg te bezinnen. „Ja, dezen weg moeten wij inslaan,” zeide

zij en ging verder, doch niet meer, zoo als tot hiertoe, recht uit,

maar nu rechts, dan links af, in eene slingerende richting. Eindelijk

bracht zij hen door het dichte bosch op eene opene plaats, omstreeks

een kwart bunder groot, welke woest en onregelmatig door boomen en

struiken omringd was. Zelfs in den winter was het een vreedzaam,

vriendelijk plaatsje; maar in de lente, als het aardrijk met jeugdig

groen en wilde bloemen versierd is, als de heesters hunne veelkleurige

en welriekende bloesems ten toon spreiden en de hooge berken, welke

zich boven de nederige struiken verheffen, hunne lange, bladerrijke

takken, als tot beschutting tegen de zon, uitspreiden, moet het eene

heerlijke plek voor een jeugdigen dichter zijn, die zijn eerste lied

vervaardigt, of voor een minnend paar, hetwelk elkander de eerste

teedere bekentenis van wederzijdsche liefde aflegt. Thans wekte ze

geheel andere aandoeningen op. Bertrams oog werd somber en onrustig,

toen hij hier rondgezien had. Meg mompelde in zich zelve: „Dit is de

plaats!” keek Bertram met een scherpen blik van ter zijde aan en vroeg

hem: „herinnert gij u deze plek?”

„Ja,” antwoordde Bertram, „maar zeer onvolkomen.”

„Op deze plaats,” vervolgde Meg, „viel de man van zijn paard. Ik stond

op dat oogenblik achter gindsche struiken. Hij verdedigde zich dapper

en bad en jammerde om genade; maar hij was in de handen van menschen,

die dat woord nooit gekend hebben! Nu zal ik u het spoor verder toonen.

Toen gij de laatste maal dezen weg gingt, droeg ik u op mijne armen.”

Hierop leidde zij hen op een lang, kronkelend, bijna geheel met

struiken begroeid pad, tot dat zij zich, zonder merkbaar af te dalen,

eensklaps aan den oever der zee bevonden. Met snelle schreden ging Meg

nu langs de rotsen, welke dikwijls door de golven bespoeld werden, tot

zij bij een groot, afgezonderd liggend stuk rots kwam. „Hier,” zeide

zij met zachte, nauwelijks hoorbare stem, „hier werd het lijk

gevonden.”

„En het hol,” hernam Bertram op dezelfden toon, „is hier dicht bij.

Brengt gij ons daarheen?”

„Ja. Verzamelt beiden al uw moed en volgt mij, als ik er inkruip. – Ik

heb het brandhout zoo gelegd, dat gij u verschuilen kunt. Blijft daar

achter, tot dat ik zeg: „het uur en de man zijn beiden gekomen” Werpt u

dan op hem, ontneemt hem zijne wapens en bindt hem, dat het bloed hem

uit de nagelen springt.

„Dat wil ik, als het de man is, dien ik vermoed – Janson!”

„Ja, Janson, Hatteraick, en twintig andere namen draagt hij nog.”

„Dinmont, nu moet gij mij bijstaan,” sprak Bertram tot zijn vriend,

„want die kerel is een duivel.”

„Dat beloof ik u,” antwoorde hij. „Maar ik wenschte wel, dat ik nog

eerst een gebedje kon doen, vóor dat ik de heks in het hol, dat zij

voor ons opent, nakruip. Het zou toch een misselijk ding zijn, de lieve

zon en Gods ruime lucht zoo te verlaten en in zulk een gat, als een

vertrapte pad, te sterven. Maar het moeten kwade honden zijn, die mij

beet nemen. En, zoo als gezegd is, de duivel hale mij, als ik u in den

steek laat.”

Deze laatste woorden sprak hij fluisterende, want de ingang van het hok

was reeds geopend. Meg kroop er op handen en voeten in, Bertram haar

achterna en Dinmont volgde zijn vriend, na nog een treurigen blik op

het heldere zonnelicht, dat hij nu vaarwel moest zeggen, geworpen te

hebben.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 67 / 75 题