Gaarn’ wilde toen de dame
Begroeten den hoogen vorst,
Maar koning Artus weifelend
Geen antwoord geven dorst.
„Wie zijt gij,” sprak de dame,
„Dat gij mij niet wilt zien?
„Hoe gering ik moge schijnen,
„Ik kom u hulpe biên.”
Het Huwelijk van den Ridder Gawaine.
Waarschijnlijk had de betooverde bruid van den ridder Gawaine, zoo lang
zij gebukt ging onder de toovermacht van hare ondeugende stiefmoeder,
een nog, ouder en afzichtelijker voorkomen dan Meg Merrilies; maar zij
bezat zonder twijfel dat woest verhevene niet, hetwelk eene steeds
verhitte en overspannen verbeeldingskracht zoo wel aan de gebaren van
deze reusachtige vrouw als aan haar gelaat bijzette, welks trekken op
zich zelven reeds scherp geteekend en vol uitdrukking waren. Ook
deinsden de ridders van de ronde tafel op de verschijning van die
afschuwelijke dame, welke zich tusschen een eik en een’ groenen hulst
aan hen vertoonde, niet met meer schrik achteruit, dan Lucie Bertram en
Julia Mannering, bij de verschijning van deze Schotsche heks op de
heivlakte van Ellangowan.
„Om Gods wil!” riep Julia en trok hare beurs, „geef deze
verschrikkelijke vrouw iets en zeg haar dat zij heen gaat.”
„Ik kan niet,” hernam Bertram; „ik moet haar niet beleedigen.”
„Waarom talmt gij hier?” sprak Meg Merrilies, de ruwe, holle stem
verheffende, „waarom volgt gij mij niet? Moet uw uur u tweemaal roepen?
Denkt gij niet meer aan uw eed? „het zij in de kerk, of op de markt, op
eene bruiloft of bij eene begrafenis.” – En dreigend hief zij den
dorren wijsvinger op.
Bertram wendde zich tot zijne verschrikte gezellinnen en zeide:
„Verschoon mij, ik moet mij voor een oogenblik verwijderen; ik ben door
eene belofte gebonden, deze vrouw te volgen.”
„Mijn hemel!” riep Julia uit, „gij moet deze krankzinnige vrouw
volgen?”
„Eene Heidin, die misschien hare bende in het bosch heeft om u te
vermoorden!” voegde Lucie er bij.
„Dát zijn geene woorden voor eene dochter van Ellangowan,” hernam Meg,
een toornigen blik op Lucie Bertram werpende. „Wie anderen verdenkt,
voedt kwaad in het hart.”
„Met één woord, ik moet gaan,” hernam Bertram; „het is volstrekt
noodzakelijk! Wacht mij hier slechts vijf minuten.”
„Vijf minuten?” hervatte de Heidin. „In geen vijf uren zijt gij
misschien terug.”
„Hoort gij dit?” zeide Julia; „ga om ’s Hemels wil niet mede!”
„Ik moet, ik moet. – De heer Dinmont zal u wel naar huis geleiden.”
„Neen,” hernam Meg, „hij moet met u gaan; daarom is hij hier. Hij moet
met hart en hand helpen; en dit is hij wel verplicht: want zijne
redding had u duur te staan kunnen komen!”
„Dat is waar!” zei Dinmont, „en ik zal u toonen, kapitein, dat ik het
nog niet vergeten heb.”
„O ja,” riepen de beide dames te gelijk uit, „laat hem met u gaan, als
gij deze vreemde roepstem moet volgen.”
„Ja, ik moet; maar gij ziet, dat ik een goed geleide bij mij heb. –
Keer, zoo ras gij kunt, naar huis en vaarwel tot wederziens!”
Bij deze woorden drukte Bertram zijne zuster de hand en nam met een
teederen blik afscheid van Julia. Stom van schrik en verbazing zagen
deze Bertram, Dinmont en hunne geleidster achterna. Deze buitengewone
vrouw ijlde met zulke snelle, groote en vaste schreden over de
winterachtige heide, dat zij eerder scheen te zweven dan te gaan. Door
hare lange kleeding en hoog hoofddeksel scheen zij Bertram en Dinmont,
beide forsche mannen, nog in grootte te overtreffen. Zij ging steeds
rechtuit, zonder zich om de paden te bekommeren, welke de voetgangers
gemeenlijk volgden, om de oneffenheid van het veld en de kleine
beekjes, welke het in allerlei richtingen doorsneden, te vermijden.
Soms verdwenen dus de steeds kleiner schijnende gestalten uit het
gezicht, als zij in eene laagte afdaalden, en kwamen dan, wanneer zij
de volgende hoogte bereikten, weder te voorschijn. Er was iets
verschrikkelijks en, als het ware bovenaardsch, in de wijze waarop deze
wonderlijke vrouw de beide mannen, bijna met de snelheid van een vogel
die de lucht doorklieft, zonder zich door de hinderpalen, welke gewone
voetgangers tegen houden, te laten afschrikken, dwars over het veld
leidde, tot zij met hen in het dichte bosch, hetwelk zich van de
heivlakte naar het vervallen dorpje Derncleugh uitstrekte, verdween.
„Dit is toch zeer zonderling,” zeide Lucie eindelijk tegen hare
vriendin. „Wat kan hij toch met die oude heks te doen hebben?”
„Het is verschrikkelijk,” antwoordde Julia; „het doet mij bijna aan de
sprookjes van heksen, toovergodinnen en kwade geesten denken, welke ik
in Indië gehoord heb. Dáar gelooft men aan eene betoovering van het
oog, waardoor zij, die zulk eene macht bezitten, den wil en de
bewegingen van hunne slachtoffers naar willekeur kunnen leiden. – Maar
wat kan uw broeder toch met deze verschrikkelijke vrouw te doen hebben,
dat hij ons, zoo oogenschijnlijk tegen zijn wil, verlaat om hare
bevelen te volgen?”
„Wij kunnen ten minste gerust zijn, dat hem geen leed zal geschieden,”
hernam Lucie: „anders zou zij den getrouwen Dinmont, wiens moed en
standvastigheid mijn broeder zoo hoog roemt, niet gelast hebben, hem op
dezen tocht te vergezellen. – Laat ons nu naar huis gaan en de
terugkomst van den kolonel afwachten. Misschien komt Hendrik nog
vroeger te huis, en anders zal uw vader weten, wat er gedaan moet
worden.”
Arm in arm begaven zij zich op weg. Toen zij, angstig naar het minste
gerucht luisterende, den ingang der laan bereikten, hoorden zij een
ruiter achter zich. Verschrikt zagen zij om en herkenden tot hunne
groote blijdschap den jongen Hazlewood.
„De kolonel zal oogenblikkelijk hier zijn,” zeide hij. „Ik ben vooruit
gereden, om juffrouw Bertram een bezoek te brengen en haar geluk te
wenschen met de blijde gebeurtenis, welke in hare familie plaats gehad
heeft. Ik brand van verlangen, om aan den kapitein Bertram voorgesteld
te worden en hem voor de wel verdiende les, welke hij mij voor mijne
overijling en onbezonnenheid gegeven heeft, te danken.”
„Hij heeft ons zoo even verlaten,” antwoordde Lucie „en op eene wijze,
die ons niet weinig angst veroorzaakt heeft.”
Op dit oogenblik naderde het rijtuig. Toen Mannering en zijn geleerde
vriend de beide dames zagen, lieten zij stil houden, stegen uit het
rijtuig en voegden zich bij haar. Dadelijk verhaalde Julia hun het
voorgevallene.
„Al weder Meg Merrilies!” zeide de kolonel. „Zij is inderdaad een zeer
geheimzinnig en onbegrijpelijk wezen; maar ik denk, dat zij Bertram
iets mede te deelen heeft, dat zij voor ons geheim wil houden.”
„De drommel hale die oude zottin!” riep Pleydell uit. „Nooit laat zij
eene zaak haren behoorlijken gang gaan. Altijd wil zij haar eigen zin
volgen! – Naar den weg, dien zij ingeslagen hebben te oordeelen, vrees
ik, dat zij naar Ellangowan gegaan zijn, en die schurk, Glossin, heeft
reeds getoond, welke schelmen hij in dienst heeft. Ik hoop maar, dat de
eerlijke Dinmont hem zal kunnen beschermen.”
„Indien het u genoegen doet, zal ik hen gaarne narijden,” hernam
Hazlewood. „Ik ben in dezen omtrek zoo goed bekend, dat ik nauwelijks
geloof, dat men hem in mijne tegenwoordigheid eenig leed zou doen, en
ik zal mij, voorzichtigheidshalve, zoo ver verwijderd houden, dat het
niet kan schijnen, alsof ik de Heidin in het oog houden, of haar, in
hetgeen zij met Bertram voor heeft, verhinderen wil.”
„Op mijn woord,” sprak Pleydell tot den kolonel, „de jonge Hazlewood,
wien ik nog voor weinige jaren als schoolknaap gekend heb, is een
flinke jongen geworden. Ik vrees evenwel meer voor eene nieuwe poging,
om onzen vriend in rechten te vervolgen, dan voor openbaar geweld, en
van dit laatste zou Hazlewood’s tegenwoordigheid Glossin en zijne
helpers wel terug houden – Spoedig hen na, mijn zoon! Gij zult hen
waarschijnlijk te Derncleugh of in het bosch van Warroch vinden.”
Hazlewood wendde zijn paard. „kom bij ons eten heden namiddag!” riep de
kolonel hem achterna. – Hij boog, gaf zijn paard de sporen en rende
weg.
Keeren wij thans tot Bertram en Dinmont terug, die hunne geheimzinnige
geleidster door bosch en dal, tusschen de heivlakte en het vervallen
dorpje Derncleugh, volgden. Zij ging steeds vooruit en keek nooit naar
hare geleiders om, dan om hen over hun dralen te beknorren,
niettegenstaande beiden, in weerwil van het jaargetijde, het zweet van
het voorhoofd droppelde. Enkel sprak zij in afgebroken woorden bij zich
zelve: „Het oude huis al weder opgebouwd worden – de hoeksteen zal
gelegd worden – en heb ik hem niet gewaarschuwd? – Ik zeide hem, dat ik
geboren was om het te doen, al moest de weg over mijns vaders schedel
heen gaan, en het is slechts de zijne. – Ik werd daartoe bestemd – en
in banden en boeien bleef ik bij mijn voornemen; – ik werd gegeeseld –
ik werd gebrandmerkt – maar het lag dieper dan geeselslagen en een
gloeiend ijzer konden reiken – en nu is het uur gekomen!”
„Kapitein,” sprak Dinmont half fluisterende, „ik hoop, dat zij niet
waanzinnig is! Zij spreekt niet als andere menschen, en hare woorden
schijnen niet van God te komen. Bij ons houdt men staande, dat het met
haar niet is, zoo als het behoort.”
„Wees niet bang, vriend!”
„Bang! zij moge eene heks of zelfs de duivel in persoon zijn; daar
bekommer ik mij in het geheel niet om.”
„Zwijg!” sprak Meg, een donkeren blik op Dinmont werpende, „denkt gij
dat het thans tijd en plaats voor u is, om te spreken?”
„Beste vrouw!” hernam Bertram, „ik twijfel geenszins aan uwe goede
trouw en eerlijke bedoelingen, waarvan gij mij reeds bewijzen genoeg
gegeven hebt; maar gij moest ook eenig vertrouwen in mij stellen. – Ik
wilde gaarne weten waarheen gij mij brengt.”
„Hierop heb ik slechts één antwoord, Hendrik Bertram! – Ik heb
gezworen, dat mijne tong het nooit zeggen zou, maar ìk heb niet
beloofd, dat mijne vinger het nooit wijzen zou. Vervolg uw weg en ga uw
geluk te gemoet, of keer terug en geef het op – dit is alles, wat ik te
zeggen heb.”
„Vooruit dan,” hernam Bertram; „ik zal u niets meer vragen.”
Zij stegen omstreeks dezelfde plaats, waar Meg voorheen van Bertram
gescheiden was, in het dal af. Zij vertoefde een oogenblik aan den voet
van de hooge rots, vanwaar hij destijds de begrafenis van den, in den
vervallen toren van Derncleugh gestorven man aanschouwd had. Hier
stampte zij op den grond, welke, niettegenstaande alle aangewende
moeite, nog zichtbare sporen droeg, dat die kortelings omgewoeld was,
en zeide: „hier rust er één; hij zal misschien spoedig „makkers
hebben.”
Hierop ging zij langs de beek tot aan het verwoeste dorpje, waar zij,
met eene uitdrukking van teedere liefde in het oog, vóor den nog
overeindstaanden gevel van een vervallen hut bleef staan en op een
minder driftigen doch even plechtigen toon zeide: „Ziet gij die zwarte
en verwoeste hut? – Dáar heeft mijn ketel veertig jaren lang gekookt –
dáar heb ik twaalf zonen en dochters gebaard – waar zijn zij nu? – waar
zijn de bladeren, welke op Sint-Maartensdag nog aan dezen boom waren? –
de westewind heeft hem er van beroofd – en ik ben ook van alles
beroofd. – Ziet gij gindschen wilgenboom? – Het is nu slechts een
zwarte, verrotte stomp– Menigen schoonen zomerschen avond heb ik er
onder gezeten, toen de groene takken over het murmelende beekje hingen.
– Daar heb ik gezeten, en” (hier verhief zij de stem) „hield u op mijne
knieën, Hendrik Bertram, en zong u liedjes voor van de oude baronnen en
hunne bloedige oorlogen. – Hij zal nooit weder groen worden en Meg
Merrilies zal nooit weder vroolijke liederen zingen. Maar gij zult haar
niet vergeten en gij zult de oude muren om harentwil weder laten
opbouwen! – en laat er dan iemand wonen, die God vreest en te goed is
om voor de bewoners van de geesten-wereld beangst te zijn. – Want als
de dooden ooit weder onder de levenden verschijnen, dan zal men mij
menigen nacht in dit dal zien, nadat deze broze beenderen tot stof
geworden zijn.”
Bij deze laatste woorden hield zij den blooten rechterarm uitgestrekt,
den linker gebogen en onder de donker roode plooien van haar mantel
verborgen. Hare geheele houding en de toon, waarop zij sprak, drukten
een mengsel van krankzinnigheid en woeste hartstochtelijkheid uit, het
penseel van een schilder overwaardig. „En nu,” vervolgde zij, eensklaps
weder op den korten, driftigen toon, waarop zij gewoonlijk sprak, „nu
aan ons werk, nu aan ons werk!”
Hierop leidde Meg de beide mannen naar de vooruitspringende rots,
waarop de toren van Derncleugh lag. Zij kreeg een’ grooten sleutel uit
den zak en ontsloot de deur. Het inwendige was beter in orde, dan te
voren.
„Ik heb hier alles in orde gebracht, zoo als het behoort,” zeide zij,
„daar ik hier misschien, vóor dat de nacht komt, uitgestrekt zal
liggen. Weinigen, zeer weinigen zullen bij Meg’s lijk waken: want velen
van mijn volk zullen laken wat ik gedaan heb en nog doen zal.”
Nu wees zij naar eene tafel, waarop koude spijzen gereed stonden, welke
er zindelijker uitzagen, dan men van Meg had kunnen verwachten. „Eet,”
zeide zij, „gij zult het heden avond wel noodig hebben.”
Bertram at iets, om haar niet te beleedigen; maar Dinmont bewees, dat
noch verbazing, noch vrees zijn eetlust bedorven had, en liet het zich
goed smaken. Hierop gaf Meg aan ieder een enkel glas sterken drank,
hetwelk Bertram met water verdunde, maar dat Dinmont niet te krachtig
vond.
„Wilt gij zelve niet iets eten of drinken?” vroeg Dinmont.
„Ik zal het niet noodig hebben,” antwoordde de geheimzinnige gastvrouw.
„En nu,” vervolgde zij, „nu moet gij wapens hebben – gij moet niet met
ledige handen gaan – maar gebruikt ze niet overijld. – Neemt gevangen,
maar spaart het leven. – Laat de gerechtigheid haar deel hebben – hij
moet spreken, voor dat hij sterft.”
„Wie moet gevangen genomen worden? wie moet spreken?” riep Bertram, vol
verbazing, terwijl hij een paar pistolen, die zij hem aanbood en welke
hij bij nader onderzoek geladen vond, uit hare handen nam.
„De vuursteenen zijn goed en het kruid is droog,” zeide zij. „Ik versta
mij op dat werk.”
Zonder op zijne vragen te antwoorden, wapende zij Dinmont ook met eene
groote pistool, en verzocht beiden, een stok uit een hoop knuppels te
kiezen, dien zij uit een hoek haalde en die er zeer verdacht uitzagen.
Nu verlieten zij den toren en Bertram maakte van een gunstig oogenblik
gebruik, om Dinmont toe te fluisteren: „Er is iets onverklaarbaars in
dit alles, maar wij behoeven deze wapenen niet dan in geval van nood te
gebruiken, en wanneer wij het met recht mogen doen. Draag zorg te
handelen, zoo als gij mij ziet handelen.”
Dinmont knikte hem zijne toestemming toe. En nu volgden zij door poelen
en moerassen, over heidevelden en braaklanden, de schreden van hunne
geleidster. Deze voerde hen naar het bosch van Warroch op hetzelfde
pad, langs hetwelk de ongelukkige Ellangowan op den verschrikkelijken
avond, toen Kennedy vermoord werd, naar Derncleugh gereden was, om zijn
kind te zoeken.
Toen zij het bosch, waar de winter-zeewind thans ruischte, bereikt
hadden, bleef Meg Merrilies een oogenblik staan, naar het scheen, om
zich op den weg te bezinnen. „Ja, dezen weg moeten wij inslaan,” zeide
zij en ging verder, doch niet meer, zoo als tot hiertoe, recht uit,
maar nu rechts, dan links af, in eene slingerende richting. Eindelijk
bracht zij hen door het dichte bosch op eene opene plaats, omstreeks
een kwart bunder groot, welke woest en onregelmatig door boomen en
struiken omringd was. Zelfs in den winter was het een vreedzaam,
vriendelijk plaatsje; maar in de lente, als het aardrijk met jeugdig
groen en wilde bloemen versierd is, als de heesters hunne veelkleurige
en welriekende bloesems ten toon spreiden en de hooge berken, welke
zich boven de nederige struiken verheffen, hunne lange, bladerrijke
takken, als tot beschutting tegen de zon, uitspreiden, moet het eene
heerlijke plek voor een jeugdigen dichter zijn, die zijn eerste lied
vervaardigt, of voor een minnend paar, hetwelk elkander de eerste
teedere bekentenis van wederzijdsche liefde aflegt. Thans wekte ze
geheel andere aandoeningen op. Bertrams oog werd somber en onrustig,
toen hij hier rondgezien had. Meg mompelde in zich zelve: „Dit is de
plaats!” keek Bertram met een scherpen blik van ter zijde aan en vroeg
hem: „herinnert gij u deze plek?”
„Ja,” antwoordde Bertram, „maar zeer onvolkomen.”
„Op deze plaats,” vervolgde Meg, „viel de man van zijn paard. Ik stond
op dat oogenblik achter gindsche struiken. Hij verdedigde zich dapper
en bad en jammerde om genade; maar hij was in de handen van menschen,
die dat woord nooit gekend hebben! Nu zal ik u het spoor verder toonen.
Toen gij de laatste maal dezen weg gingt, droeg ik u op mijne armen.”
Hierop leidde zij hen op een lang, kronkelend, bijna geheel met
struiken begroeid pad, tot dat zij zich, zonder merkbaar af te dalen,
eensklaps aan den oever der zee bevonden. Met snelle schreden ging Meg
nu langs de rotsen, welke dikwijls door de golven bespoeld werden, tot
zij bij een groot, afgezonderd liggend stuk rots kwam. „Hier,” zeide
zij met zachte, nauwelijks hoorbare stem, „hier werd het lijk
gevonden.”
„En het hol,” hernam Bertram op dezelfden toon, „is hier dicht bij.
Brengt gij ons daarheen?”
„Ja. Verzamelt beiden al uw moed en volgt mij, als ik er inkruip. – Ik
heb het brandhout zoo gelegd, dat gij u verschuilen kunt. Blijft daar
achter, tot dat ik zeg: „het uur en de man zijn beiden gekomen” Werpt u
dan op hem, ontneemt hem zijne wapens en bindt hem, dat het bloed hem
uit de nagelen springt.
„Dat wil ik, als het de man is, dien ik vermoed – Janson!”
„Ja, Janson, Hatteraick, en twintig andere namen draagt hij nog.”
„Dinmont, nu moet gij mij bijstaan,” sprak Bertram tot zijn vriend,
„want die kerel is een duivel.”
„Dat beloof ik u,” antwoorde hij. „Maar ik wenschte wel, dat ik nog
eerst een gebedje kon doen, vóor dat ik de heks in het hol, dat zij
voor ons opent, nakruip. Het zou toch een misselijk ding zijn, de lieve
zon en Gods ruime lucht zoo te verlaten en in zulk een gat, als een
vertrapte pad, te sterven. Maar het moeten kwade honden zijn, die mij
beet nemen. En, zoo als gezegd is, de duivel hale mij, als ik u in den
steek laat.”
Deze laatste woorden sprak hij fluisterende, want de ingang van het hok
was reeds geopend. Meg kroop er op handen en voeten in, Bertram haar
achterna en Dinmont volgde zijn vriend, na nog een treurigen blik op
het heldere zonnelicht, dat hij nu vaarwel moest zeggen, geworpen te
hebben.