En, Sheriff, mijn woord van eer verpand ik u,
Dat ik hem morgen, vóor het middaguur,
Zal zenden om u – of wien ge wilt –
Op alles wat men vraagt te antwoorden.
Hendrik IV. 1ste deel.
Toen de in het vorige hoofdstuk verhaalde tusschenspelen, zoo als men
ze noemen kan, onder de verscheidene te Woodbourne aanwezige personen
afgeloopen waren, werd eindelijk het gezelschap aan de ontbijttafel
voltallig, met uitzondering van Dinmont, die zijn smaak, zoowel wat
voedsel als gezelschap betreft, gehuldigd had door zijn kopje thee met
een paar lepels cognac er in te gebruiken bij de huishoudster, terwijl
hij zijn maag versterkte met eenige flinke sneden koud rundvleesch. Hij
was ook van gevoelen, dat hij tweemaal zoo veel eten en praten kon met
Barnes en de huishoudster, als met de „groote lui” in de zaal. En
inderdaad heerschte er een veel opgeruimder toon onder dit minder
aanzienlijk gezelschap dan onder hunne meerderen, daar er blijkbaar
iets gedwongens was in de houding van alle aanwezigen. Julia’s stem was
nauwelijks hoorbaar, als zij Bertram vroeg, of hij nog een kopje thee
verlangde. Bertram was even verlegen, terwijl hij zijn broodje onder
Mannering’s oog at. Lucie begon, terwijl zij zich geheel aan hare
teedere genegenheid voor den wedergevonden broeder overgaf, aan zijn
twist met Hazlewood te denken. De kolonel gevoelde de pijnlijke
ongerustheid, welke een trotschen geest eigen is, wanneer hij meent,
dat anderen een waakzaam oog zelfs op zijne geringste handelingen
vestigen. De rechtsgeleerde zag er, onder het smeeren van zijn brood,
ongemeen ernstig uit. Slechts Sampson scheen in verrukking. Dan eens
keek hij Bertram, dan weder Lucie aan. Hij grijnsde, hij lachte en
beging allerhande misslagen tegen de welvoegelijkheid. Hij goot al den
room (geene ongelukkige vergissing) in den schotel brei, welke, als
zijn gewoon ontbijt, voor hem bestemd was; goot het onderste uit het
kopje thee, waarmede hij steeds zijn ontbijt besloot, in den suikerpot,
in plaats van in de daartoe bestemde kom, en stortte eindelijk het
heete vocht op den ouden Plato, des kolonels lievelingshond, die dit
drankoffer met een gehuil ontving, dat zijner wijsbegeerte weinig eer
aandeed.
Bij dezen laatsten misslag verloor de kolonel eenigszins zijne
bedaardheid. „Waarlijk, mijn beste Sampson,” zeide hij, „gij schijnt
het onderscheid tusschen Plato en Zenocrates te vergeten.”
„De eerste was het hoofd der Platonisten, de laatste dat van de
Stoïcijnen,” antwoordde Sampson, eenigszins gebelgd over deze
veronderstelling.
„O ja, mijn vriend; maar het was Zenocrates, en niet Plato, die
beweerde, dat men gevoelloos voor pijn moest zijn.”
„Ik zou denken,” hernam Pleydell, „dat deze eerbiedwaardige viervoeter,
die nu op drie beenen uit de kamer hinkt, eerder als een aanhanger der
Cynikers moest beschouwd worden”
„Goed gevonden,” hernam de kolonel. – „Maar hier komt reeds antwoord
van Mac-Morlan.”
Dit antwoord was niet naar wensch. Mevrouw Mac-Morlan berichtte dat
haar echtgenoot zich te Portanferry bevond, om de gevaarlijke
ongeregeldheden, welke daar plaats gehad hadden, te onderzoeken.
„Wat moet er nu gedaan worden, Mijnheer Pleydell?” vroeg de kolonel.
„Het spijt mij, den bijstand van den heer Mac-Morlan, zonder twijfel
een zeer verstandig man, vooreerst te moeten missen. Maar dat is van
geen overwegend belang. Onze jonge vriend moet in de eerste plaats sui
juris [32] verklaard worden. Hij is thans een ontvluchte gevangene, op
wien de wet nog eenige aanspraak heeft. Hij moet rectus in curia [33]
kunnen verschijnen; dat is het voornaamste. Om dit te bewerken, zal ik
met u naar Hazlewood-house rijden, kolonel. De afstand is niet groot.
Wij bieden onzen borgtocht aan en ik vertrouw, dat ik Mijnheer – ik
vergis mij, – sir Robert Hazlewood gemakkelijk bewijzen zal, dat hij
dien aannemen moet.”
„Zeer gaarne,” antwoordde de kolonel en schelde, om de noodige bevelen
te geven. „En wat moet er dan gedaan worden?”
„Dan moeten wij de komst van Mac-Morlan afwachten en meer bewijzen
verzamelen.”
„Bewijzen! de zaak is immers zoo klaar als de dag. De heer Sampson,
Lucie Bertram en gij zelf, gij allen erkent onzen gast als het sprekend
evenbeeld van zijn vader, en hij zelf herinnert zich zoo vele
bijzonderheden, welke vóor en bij zijne verwijdering uit Schotland
plaats gehad hebben. Wat kan er meer tot overtuiging noodig zijn?”
„Tot eene zedelijke overtuiging misschien niets; maar tot een bewijs in
rechten ontbreekt er nog veel. Bertram’s herinneringen zijn zijne
eigene herinneringen en kunnen dus niet als bewijzen te zijnen
voordeele gelden. Juffrouw Bertram, de heer Sampson en ik kunnen enkel
zeggen, wat een ieder, die wijlen den heer van Ellangowan gekend heeft,
toestemmen zal, dat deze jonge man zijn levend evenbeeld is; – maar dit
maakt hem niet tot den zoon van Ellangowan en geeft hem diens
bezittingen niet terug.”
„En wat wordt daartoe gevorderd?”
„Klare en zekere bewijzen. Hiertoe waren misschien de Heidenen te
gebruiken; maar deze zijn, helaas, in het oog der wet bijna eerloos,
zoodat hunne getuigenis bezwaarlijk wordt aangenomen. En dit is bovenal
het geval met Meg Merrilies, omdat zij voorheen zulke verschillende
verklaringen omtrent dit geval heeft afgelegd en zij, toen ik haar
dienaangaande verhoorde, onbeschaamd loochende, dat zij eenige kennis
van de zaak droeg.”
„Maar wat moet er dan gedaan worden?”
„Wij moeten beproeven welke bewijzen wij in Holland van de menschen,
welke onzen jongen vriend opgevoed hebben, verkrijgen kunnen. Maar de
vrees, dat er misschien rekenschap omtrent den moord van Kennedy van
hen gevorderd kon worden, zal hen wellicht doen zwijgen, en als zij ook
al spreken, dan blijven zij toch vreemdelingen, of buiten de wet
gestelde smokkelaars. Met één woord, ik zie overal bezwaren.”
„Onder uw welnemen, zeer geleerde en geëerde heer,” hernam Sampson, „ik
vertrouw dat Hij, die den kleinen Hendrik Bertram aan zijne vrienden
heeft wedergegeven, zijn werk niet onvoltooid zal laten.”
„Dat vertrouw ik ook Sampson, maar wij moeten de middelen daartoe in
het werk stellen, en ik vrees dat het moeielijker zal zijn om ze te
vinden, dan ik in het eerst dacht. Maar – „die niet waagt, die niet
wint.” – en (ter zijde tot Julia Mannering, terwijl Bertram zich met
zijne zuster onderhield) – „laat mij in het voorbijgaan aanmerken –
hier ziet gij nu een levendig bewijs, om de eer van Holland tegen u op
te houden. Want denk eens welke knappe mannen Leiden en Utrecht moeten
opleveren, als er reeds zulk een hupsch en beschaafd jonkman uit de
scholen van Middelburg komt!”
„Dat is wel zoo,” hernam Sampson, naijverig op den’ roem der
Hollandsche scholen, „dat is wel zoo, Mijnheer Pleydell maar ik moet u
zeggen, dat ik zelf den grond tot zijne opvoeding gelegd heb.”
„Juist, mijn waarde Sampson! en dat geeft de beste verklaring van zijne
bevallige manieren. – Maar het rijtuig is gereed kolonel! – Tot
wederziens dames! Juffrouw Julia, pas goed op uw hart tot ik wederkom,
opdat mijne rechten gedurende mijne afwezigheid niet benadeeld worden.”
Ofschoon de baronet den kolonel Mannering over het algemeen veel
hoogachting betoonde en de heer Pleydell een oud vriend van hem was,
werden zij thans buitengemeen koel en plechtig te Hazlewood-House
ontvangen. Sir Robert’s houding was stijf en verlegen. „Ik zou anders
gaarne uw borgtocht aannemen,” zeide hij, „niettegenstaande de
beleediging den jongen Hazlewood van Hazlewood onmiddellijk betreft en
hem aangedaan is; maar de dader heeft zich een verdichten rang
aangematigd, en is een mensch, dien men niet zonder gevaar in vrijheid
stellen, loslaten of aan de samenleving wedergeven kan; en derhalve –”
„Ik hoop, Sir Robert Hazlewood,” hernam de kolonel, „dat gij niet aan
mijn woord zult willen twijfelen, als ik u verzeker dat hij als kadet
in Indië onder mij gediend heeft.”
„Geenszins, in het geheel niet. Maar gij spreekt van kadet en hij zegt,
verzekert en houdt staande, dat hij ritmeester bij uw regiment is.”
„Hij is zeker bevorderd, sedert ik het bevel nedergelegd heb.”
„Maar dan moest gij er toch van gehoord hebben.”
„O neen. Ik heb Indië om familiezaken verlaten en heb mij, sedert mijne
terugkomst in het vaderland, zeer weinig om hetgeen mijn regiment
betrof bekommerd. Buitendien is Brown zulk een algemeene naam, dat ik
zijne bevordering in de nieuwsbladen heb kunnen lezen, zonder er
bijzonder acht op te slaan. Maar na een paar dagen verwacht hij brieven
van zijn kolonel.”
„Ik heb gehoord en vernomen, Mijnheer Pleydell!” hernam Sir Robert
weder, „dat hij zich niet bij dezen naam van Brown zal houden, maar
onder den naam van Bertram aanspraak op de heerlijkheid Ellangowan
denkt te maken.”
„En wie zegt dat?” vroeg Pleydell.
„En, wie dit ook zeggen moge,” hervatte Mannering, „geeft dit recht, om
hem gevangen te houden?”
„Stil kolonel!” zei Pleydell, „ik ben overtuigd dat gij u even weinig
voor hem in de bres zoudt willen stellen als ik, indien hij als een
bedrieger ontmaskerd werd. – Maar in vertrouwen, Sir Robert, wie heeft
u hiervan onderricht?”
„Een man, Mijnheer Pleydell, wien er bijzonder veel aan gelegen ligt,
om deze zaak grondig te onderzoeken, uit te vorschen en op te helderen.
Gij zult mij, hoop ik, wel verschoonen als ik mij niet nader verklaar.”
„O, zonder twijfel. En hij zegt?”
„Hij zegt dat er onder de ketellappers, Heidenen en andere landloopers
gemompeld wordt dat er zulk een plan bestaat, en dat deze jonge man,
een natuurlijke of onechte zoon van den laatsten heer van Ellangowan,
deze rol zal spelen, omdat hij zoo sprekend op den overledene gelijkt.”
„En was er dan zulk een onechte zoon, Sir Robert?”
„Zonder twijfel, dat weet ik zeker. Ellangowan heeft hem, door
tusschenkomst van een zijner bloedverwanten, wijlen den
Rijks-commissaris Bertram, als kajuitsjongen op een gewapend tolschip
geplaatst.”
„Wel, gij verhaalt mij daar iets nieuws, Sir Robert!” hernam Pleydell,
den ongeduldigen kolonel het woord uit den mond nemende. „Ik zal dit
nader onderzoeken, en als ik bevind, dat het waarheid is, dan trekken
wij, de kolonel en ik, de handen van dezen jongen man af. Daar wij
intusschen bereid zijn, hem te allen tijde voor het gerecht te doen
verschijnen om op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen te
antwoorden, zoo verzeker ik u, dat gij tegen de wet handelt en u aan
eene zware verantwoordelijkheid blootstelt, als gij onzen borgtocht
weigert.”
„Wel nu, Mijnheer Pleydell,” hernam de Baronet, die veel ontzag had
voor diens rechtsgeleerde kennis, „daar gij dit het best weet en
belooft den jongen man uit te leveren –”
„Als het blijkt dat hij een bedrieger is.”
„Wel zeker; en op deze voorwaarde zal ik uw borgtocht aannemen,
niettegenstaande ik u kan verzekeren, dat éen mijner buren, een
verplichtend, welgezind en vriendelijk man, die ook veel rechtskennis
bezit, mij nog heden morgen een wenk gegeven heeft, dat niet te doen.
Van hem heb ik ook vernomen, dat het jonge mensch in vrijheid gesteld
en uit de gevangenis gekomen, of liever gebroken was. – Maar waar
vinden wij iemand om den borgtocht op te stellen?”
„Daarvoor is reeds gezorgd,” hernam Pleydell en trok aan de schel. „Ik
heb mijn klerk Driver medegebracht en reken het niet beneden mij, hem
het stuk in de pen te geven.”
De borgtocht werd dus geschreven en onderteekend, en Sir Robert
teekende een bevel tot loslating van Bertram, anders Brown genaamd.
Hierop namen Mannering en Pleydell afscheid van den baronet. Zij
plaatsten zich elk in een hoek van het rijtuig en spraken in het begin
geen woord. Eindelijk brak de kolonel het stilzwijgen af en zeide: „Gij
wilt dus dezen armen jongen, bij het eerste bezwaar dat gij ontmoet, in
den steek laten?”
„Wie? ik? – Daar kan geen sprake van zijn, al moest ik zijne
tegenstanders tot voor het hoogste gerechtshof vervolgen. Maar waarom
zou ik met dien ouden gek twisten en hem omtrent mijn voornemen
inlichten? Het is veel beter, dat hij zijn raadsman, Glossin, meldt,
dat wij onverschillig en lauw in de zaak zijn. En buitendien wilde ik
den vijand gaarne eens in de kaart kijken.”
„Zoo? Gij, heeren rechtsgeleerden, gebruikt dus uwe krijgslisten, even
als wij dat in den oorlog doen. En wat zegt gij van de vijandelijke
stelling?”
„Kunstmatig, maar ook zeer gewaagd, naar mijn gevoelen. Zij willen het
(eene gewone fout bij zulke gelegenheden) al te listig aanleggen.”
Onder dit gesprek rolde het rijtuig snel voort. Vóor dat de kolonel en
zijn vriend Woodbourne bereikten, ontmoetten zij echter den jongen
Hazlewood. Mannering verhaalde hem, op welke wonderbaarlijke wijze de
jonge Bertram wedergevonden was. Hazlewood luisterde met levendige
deelneming naar dit bericht, gaf hierop zijn paard de sporen en snelde
vooruit, om Lucie Bertram met deze blijde gebeurtenis geluk te
wenschen.
Wij moeten thans ook naar het te Woodbourne gebleven gezelschap terug
keeren. Na het vertrek van Mannering en zijn vriend Pleydell naar
Hazlewood-house, bleven de drie jonge lieden met Sampson en Dinmont bij
elkander. Hun gesprek liep hoofdzakelijk over de lotgevallen en
voormalige grootheid van het geslacht Ellangowan. „Het was dus onder de
muren van den burcht mijner vaderen,” zei Bertram, „dat ik vóor eenige
dagen als een voortvluchtige geland ben. De vervallen torens en donkere
boogen wekten toen reeds belangstelling en herinneringen in mij op, die
ik niet ontraadselen kon. Ik zal ze nu met andere aandoeningen en, naar
ik vertrouw, met gunstiger vooruitzichten weder bezoeken.”
„Ga daar nu niet heen,” hernam zijne zuster. „Het huis onzer vaderen is
thans de woning van een listigen en gevaarlijken ellendige, wiens
kunstgrepen en laaghartige handelingen den ondergang van onzen
ongelukkigen vader voltooid en hem het hart gebroken hebben.”
„Gij maakt mij slechts te begeeriger om den nietswaardigen, zelfs in
den schuilhoek, waarin hij zich verbergt, onder het oog te treden. Ik
heb hem reeds gezien, geloof ik.”
„Vergeet niet,” hernam Julia, „dat gij onder opzicht van Lucie en mij
staat, en dat wij verantwoordelijk zijn voor al uw doen en laten. Ik
ben niet te vergeefsch, twaalf uren lang, de uitverkorene van een
rechtsgeleerde geweest; en ik verzeker u, dat het de grootste dwaasheid
zou zijn, op dit oogenblik naar Ellangowan te gaan. Op zijn best kan ik
toestaan, dat wij te zamen naar het eind van de laan wandelen. Dan
zullen wij u misschien nog tot op de nabij gelegen hoogte op de
heivlakte vergezellen, opdat gij van daar uw oog met het verwijderde
gezicht van die donkere torens, welke een zoo sterken indruk op uwe
verbeeldingskracht hebben gemaakt, kunt verkwikken.”
Dit voorstel werd spoedig aangenomen. De dames hulden zich in hare
mantels en begaven zich, onder geleide van kapitein Bertram, op weg.
Het was een heerlijke wintermorgen. Een zacht windje kleurde de
bloeiende wangen der schoone wandelaarsters met een hooger rood. Een
geheime band verbond de beide meisjes innig aan elkander, en Bertram
vergold het genot, hetwelk hare verhalen over zijne familie hem
veroorzaakten, door het vertellen van zijne avonturen in Europa en
Indië. Lucie was trotsch op haren broeder, die zulke stoute, manhaftige
gevoelens aan den dag legde en zoo vele gevaren met dapperen moed
doorstaan had. Julia dacht over haars vaders woorden na en waagde het,
zich met de hoop te vleien, dat deze den trotschen geest, welken hij in
den onbekenden, onaanzienlijken Brown voor verwaande aanmatiging
gehouden had, in den afstammeling en erfgenaam van Ellangowan als
gepasten moed en een edel besef van eigenwaarde zou beschouwen.
Eindelijk bereikten onze wandelaars de bedoelde, reeds meermalen
genoemde hoogte, Gibbie’s-knowe genaamd, reeds meermalen in dit verhaal
vermeld, aan de grenzen van het grondgebied van Ellangowan gelegen. Van
hier hadden zij een ruim uitzicht op een uitgestrekt, bekoorlijk met
heuvelen en dalen afgewisseld landschap, met wilde bosschen omzoomd,
die in dit jaargetijde eene donkerpurpere tint vertoonden; terwijl het
uitzicht op sommige plaatsen door plantsoen, waarin de Schotsche dennen
hunne menigvuldige schakeeringen van donkergroen ten toon spreidden,
nauwer beperkt werd. Op den afstand van omstreeks een half uur
vertoonde zich de baai van Ellangowan, welker golven door het koele
windje zacht bewogen werden. De oude torens van het vervallen slot
staken, helder verlicht door de stralen der onbewolkte winterzon, hoog
hoven alle omringende voorwerpen uit.
„Dáar,” zeide Lucie Bertram, op de bouwvallen wijzende, „dáar ligt de
zetel onzer voorvaderen. God weet het, waarde broeder, dat ik voor u
niet naar de uitgestrekte macht wensch, die de Heeren van dit oude
slot, naar men zegt, zoo lang bezeten en soms zoo kwalijk gebruikt
hebben. Maar mocht slechts zoo veel van hun vermogen het uwe worden,
dat gij onafhankelijk leven en uwe hand hulpvaardig aan de oude,
verlatene dienaren van ons geslacht kondt reiken, die door den dood van
onzen armen vader –”
„Gij hebt gelijk, lieve Lucie,” hernam de jonge erfgenaam van
Ellangowan, „en ik vertrouw dat deze hoop, door den bijstand des
Hemels, die ons tot dus ver geleid heeft, en met de hulp van de wakkere
vrienden, welke mij zoo edelmoedig hunne deelneming betoonen, eindelijk
na zoo vele zware beproevingen vervuld zal worden. – Maar als soldaat
moet ik dezen ouden vervallen steenklomp met belangstelling beschouwen;
en indien de knaap die dit alles thans bezit, er een enkelen steen van
verplaatst –”
Hier werd hij door Dinmont gestoord, die haastig naar hem toe kwam
loopen en riep: „Kapitein, kapitein! men vraagt naar u! Zij vraagt naar
u! gij weet wel wie ik bedoel.”
En plotseling kwam Meg Merrilies, alsof zij uit de aarde opsteeg, uit
den hollen weg te voorschijn en stond vóór hem. „Ik zocht u in huis,”
zeide zij, „en vond, (op Dinmont wijzende) niemand dan dezen. Maar gij
hebt gelijk en ik heb ongelijk. Hier moest ik u vinden, hier op deze
plaats. Gedenk uwe belofte en volg mij!”