– Mijne verbeelding
Is geheel met hem vervuld,
Ik ben te grond gericht, ik sterf terstond,
Als Bertram wegblijft.
Einde goed alles goed.
Op het bepaalde uur zat de onvermoeide Pleydell reeds in een gestikten
zijden slaaprok, met eene fluweelen muts op het hoofd, bij een goed
vuur, met een paar waskaarsen vóor zich op de tafel, en was ijverig
bezig zijne papieren, betrekkelijk den moord van Frans Kennedy, na te
zien. Er was ook reeds een renbode naar Mac-Morlan gezonden, om dezen
te verzoeken, zoo spoedig mogelijk te Woodbourne te komen, waar eene
gewichtige zaak zijne tegenwoordigheid vorderde. Dinmont, die door de
gebeurtenissen van den vorigen avond zeer vermoeid was, en het onthaal
te Woodbourne oneindig beter vond dan zijn verblijf bij Mac-Guffog,
maakte volstrekt geene haast om op te staan. Bertram zou, bij zijn
brandend ongeduld, wel vroeger zijne slaapkamer verlaten hebben; maar
de kolonel had hem bij het naar bed gaan beloofd, hem op zijne kamer
een bezoek te brengen, dat hij dus moest afwachten. Hij was, op bevel
van den kolonel, door Barnes van al het noodige tot eene behoorlijke
kleeding voorzien en reeds lang klaar, vóor dat zijn gastheer, wien hij
met ongeduld wachtte, zich bij hem liet aanmelden.
Eindelijk verscheen de kolonel en had een langdurig en openhartig
gesprek met Bertram. Zij hielden evenwel ieder elk eene zaak geheim.
Mannering kon het niet over zich verkrijgen, van zijne sterrewichelarij
te spreken, en Bertram zweeg, om gemakkelijk te raden redenen, over
zijne liefde tot Julia. In alle andere opzichten was hun onderhoud
openhartig en aangenaam voor beiden, en de toon van den kolonel werd op
het laatst zelfs hartelijk. Bertram mat zijn gedrag zorgvuldig naar dat
van zijn gastheer af, en scheen de aangeboden vriendelijkheid eer met
dank en voldoening aan te nemen dan daarom te smeeken.
Lucie Bertram zat reeds in de ontbijtkamer, toen Sampson, met een
opgeruimden glimlach op het gelaat, binnentrad. Dit was eene zoo groote
zeldzaamheid, dat Lucie in het eerst dacht, dat iemand den goeden man
iets op de mouw gespeld en hem daardoor in deze verrukking gebracht
had. Nadat hij eenigen tijd met rollende oogen en gapenden mond gezeten
had, brak hij eindelijk het stilzwijgen af en zeide: „En wat denkt gij
van hem, Juffrouw Lucie?”
„Van wien toch, Mijnheer Sampson?”
„Van Hend – neen – van hem, dien gij reeds kent.”
„Dien ik reeds ken?”
„Ja, gij hebt hem reeds gezien – van den vreemdeling, die gisteren
avond met het rijtuig gekomen is, die den jongen Hazlewood gekwetst
heeft – ha, ha, ha!” barstte de dominé uit met een schaterlach, die op
een paardengehinnik geleek.
„Waarlijk, Mijnheer Sampson, gij hebt een vreemd onderwerp voor uwe
scherts gekozen! – Ik denk niets van dezen man; ìk hoop slechts, dat de
verwonding toevallig geweest is en dat wij niet voor eene herhaling
behoeven te vreezen.”
„Toevallig! ha, ha, ha!” brulde weêr Sampson.
„Wezenlijk, Mijnheer Sampson,” zeide Lucie eenigszins geraakt, „gij
zijt heden morgen buitengewoon vroolijk.”
„Ja zeker, dat ben ik, ha, ha, ha! en grappig er bij, ha, ha, ha!”
„Zoo ongemeen grappig, dat ik liever de oorzaak van uwe vroolijkheid
kennen, dan enkel getuige van de uitwerkselen van uwe opgeruimdheid
wilde zijn.”
„Gij zult alles weten, Lucie! Herinnert gij u uw broeder nog?”
„Goede Hemel! hoe kunt gij mij dit vragen? Niemand weet beter dan gij,
dat hij op den dag, waarop ik geboren ben, verdwenen is.”
„Zeer waar, zeer waar,” antwoordde Sampson en werd treurig bij deze
gedachte, „Hoe kon ik dit ook vergeten? ja, ja! maar al te waar! Maar
herinnert gij u uwen waardigen vader nog?”
„Zoudt gij daaraan twijfelen, Mijnheer Sampson? Er zijn nog niet zeer
vele weken verloopen, sedert –”
„Waar, waar – ja, maar al te waar. Ik zal bij deze herinneringen niet
meer schertsen. – Maar zie dezen jongen man aan!” – Bertram trad op dit
oogenblik de kamer binnen. – „Ja, zie hem goed aan. Hij is uws vaders
levend evenbeeld; en daar de hemel u uwe beste ouders ontnomen heeft –
o mijne kinderen, hebt elkander lief.”
„Ja, het zijn mijns vaders trekken; het is zijne gestalte,” riep Lucie,
verbleekende. Bertram sprong toe, om haar te ondersteunen. Sampson
haalde water, dat hij, in zijne haast, uit de kokende theeketel kreeg,
om haar in het gezicht te sprengen. Maar gelukkig kwam Lucie vroeg
genoeg weder bij en werd dus voor de aanwending van dit kwalijk gekozen
middel bewaard.
„Ik bezweer u, Mijnheer Sampson,” sprak zij met eene bevende, doch
plechtige stem, „is dit mijn broeder?”
„Ja, dat is hij, dat is hij. Het is mijn kleine Hendrik Bertram, zoo
zeker als Gods zon aan den hemel staat.”
„En dit is mijne zuster?” riep Bertram met verrukking uit, en gaf zich
geheel aan het gevoel van broederlijke genegenheid over, dat, bij
gebrek van een voorwerp waarop het zich vestigen kon, zoo lang in zijn
hart gesluimerd had.
„Ja, zij is uwe zuster, Juffrouw Lucie Bertram, die gij, door mijne
geringe pogingen, volkomen bedreven zult vinden in de talen van
Frankrijk, van Italië en zelfs van Spanje, als mede in het lezen en
schrijven van hare moedertaal, in het rekenen en in het gewone
Italiaansche boekhouden. Van hare bekwaamheden in vrouwelijke
handwerken en het bestuur der huishouding (die zij nochtans, ik moet
dit zeggen, om een’ ieder’ het zijne te geven, niet van mij, maar van
de huishoudster geleerd heeft) wil ik niet spreken. Ook beroem ik mij
niet op hare vlugheid in het bespelen der muziekinstrumenten, daar zij
dit grootendeels aan het onderricht van eene achtenswaardige,
deugdzame, zedige, doch met dat al zeer levenslustige jonge dame,
Mejuffrouw Julia Mannering, te danken heeft. Suum cuique tribuito.”
[31]
„Gij zijt dan de eenige, die mij overblijft,” sprak Bertram ontroerd
tot zijne zuster, „De kolonel heeft mij uitvoerig de ongelukken van
onze familie verhaald; maar mij niet gezegd, dat ik hier mijne zuster
zoude vinden.”
„Dat liet hij aan dezen braven man over; aan dezen goeden en getrouwen
vriend, die mijn vader in zijne langdurige ziekte oppaste en
vertroostte, die hem zag sterven en mij, arme wees, zelfs onder de
hardste slagen van het noodlot niet wilde verlaten.”
„God zegene u daarvoor!” zeide Bertram bewogen en drukte Sampson de
hand. „Gij verdient de liefde, waarmede ik altijd zelfs het
schaduwbeeld, dat mij uit mijne kindsheid van u bijgebleven is, vereerd
heb.”
„En God zegene u beiden, mijne waarde kinderen!” hernam Sampson. „Ware
het niet om u geweest, ik zou gaarne (indien het den Hemel behaagd had)
mijn hoofd naast mijn weldoener in het stille graf nedergelegd hebben.”
„Maar ik hoop, en heb grond te hopen,” vervolgde Bertram, „dat wij
betere dagen beleven zullen. Al ons geleden onrecht zal hersteld
worden, nu de Hemel mij vrienden en middelen gegeven heeft, om mijne
rechten te doen gelden.”
„Ja, ware vrienden,” herhaalde Sampson, „en, zoo als gij wel zegt,
gezonden door Hem, tot wien ik u vroegtijdig, als tot de bron van al
het goede, leerde opzien. Vooreerst de groote kolonel Mannering uit
Oost-Indië, een geleerd man, als men de weinige gelegenheid, welke hij
gehad heeft om kunde te verzamelen, in aanmerking neemt; vervolgens de
beroemde rechtsgeleerde de heer Pleydell, ook een zeer geleerd man, die
zich soms met beuzelingen, hem onwaardig, bezig houdt; en dan de heer
Andrew Dinmont, van wiens geleerdheid ik nooit gehoord heb, maar die,
even als eertijds de aartsvaders, zeer bedreven is in alles, wat tot de
veeteelt behoort. Eindelijk ben ik zelf er ook nog. Ik heb meer
gelegenheid gehad om kennis te verzamelen, dan genoemde achtenswaardige
mannen, en heb ze, indien het mij past te zeggen, niet verwaarloosd, in
zoo verre namelijk mijne geringe vermogens mij in staat gesteld hebben,
daarvan partij te trekken. – Zeker, lieve Hendrik! wij moeten onze
lessen spoedig ervatten. Ik zal met de beginselen aanvangen – ja, wij
zullen met de ware kennis der Engelsche spraakkunde beginnen om zelfs
tot de Hebreeuwsche of Chaldeeuwsche taal op te klimmen.”
Sampson was bij deze gelegenheid oneindig woordenrijker, dan ooit te
voren, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben. De reden hiervan was, dat
hij zich, bij het wedervinden van den geliefden kweekeling, met zijn
geest dadelijk weder in de dagen van Bertrams kindschheid verplaatste,
en hij gevoelde bij de verwarring, welke er in zijne denkbeelden
heerschte, grooten lust, om met den jongen Bertram zijn onderwijs in
het lezen en schrijven weder aan te vangen. Dit was nog belachelijker,
omdat hij zich dit gezag van voogd en leermeester geenszins jegens
Lucie aanmatigde. Maar zij was onder zijn oog opgewassen en had zich
langzamerhand, bij het vermeerderen van kennis en jaren, aan zijne
heerschappij onttrokken; en bij Bertram wilde hij in zijn geest zijn
post als leermeester dáar weder opvatten, waar hij dien bij den kleinen
Hendrik nedergelegd had. Dit gevoel van herlevend gezag bracht deze
voor hem buitengewone woordenrijkheid bij Sampson te weeg; en het ging
hem, zoo als bijna alle menschen, die meer dan gewoonlijk spreken: hij
liet ook hierbij zijne zwakke zijde zien. Hij gaf namelijk duidelijk te
verstaan, dat hij, ofschoon zich blindelings aan de meeningen en
bevelen van bijna allen, met wie hij in aanraking kwam, onderwerpende,
nochtans bij zich zelven overtuigd was, dat hij, als het op geleerdheid
aankwam, hen allen bij elkander genomen oneindig ver overtrof. Dit werd
thans echter niet opgemerkt, daar broeder en zuster veel te diep in een
voor hen belangrijk gesprek over hunne vroegere lotgevallen gewikkeld
waren, om acht te slaan op zijne woorden.
Toen Mannering Bertram verliet, begaf hij zich naar de kamer van Julia
en beval hare kamenier zich te verwijderen, „Lieve vader,” sprak zij,
„hebt gij vergeten, dat wij zoo lang gewaakt hebben? Gij gunt mij
nauwelijks tijd, om mijn haar in orde te brengen, en moet toch gezien
hebben, hoe het mij, bij alle wonderen die wij heden nacht beleefd
hebben, te berge was gerezen.”
„Ik heb thans alleen iets met het binnenste van uw hoofd te doen,
Julia. Na weinige minuten kan uwe kamenier weder voor het uitwendige
zorgen.”
„Maar, lieve vader, bedenk, hoe verward mijne gedachten zijn; en gij
wilt ze in weinige minuten in orde brengen! Als mijne kamenier in haar
vak ook zoo handelen wilde, zou zij mij de helft mijner haren uit het
hoofd scheuren.”
„Zeg mij maar, waardoor die verwarring in uw hoofd heerscht, en ik zal
ze, zoo zacht mogelijk, trachten te ontwarren.”
„O! door alles. Al het gebeurde komt mij als een wilde droom voor,”
hernam de jonge dame.
„Welnu, ik zal beproeven of ik dezen droom kan uitleggen,” hernam de
kolonel, en verhaalde haar met korte woorden het lot en de uitzichten
van Bertram. Julia luisterde met eene deelneming, welke zij te vergeefs
poogde te verbergen. „Zijn uwe denkbeelden omtrent dit onderwerp nu
helderder geworden?” vroeg hij haar eindelijk.
„Verwarder dan ooit, lieve vader! – Hier komt een jongman, die voor
dood gehouden werd, uit Indië terug, even als de groote reiziger
Aboulfouaris bij zijne zuster Banzade en zijn broeder Hour. Neen, ik
vergis mij, geloof ik, in de geschiedenis – Banzade was zijne vrouw. –
Nu, Lucie kan de eerste en Sampson den tweeden voorstellen. Dan
verschijnt deze vroolijke, geestige rechtsgeleerde als een pantomime
achter een treurspel. – En hoe wonderbaar en gelukkig is het verder dat
Lucie haar vermogen wederkrijgt!”
„Mij schijnt het meest onverklaarbare bij de geheele zaak,” hernam de
kolonel, „dat Julia Mannering, die toch zeer goed wist hoe ongerust
haar vader was over het lot van dezen Brown, of Bertram zoo als wij hem
thans moeten noemen, – dat deze hem bij het ongeval met den jongen
Hazlewood gezien, en daarvan nooit éen enkel woord gesproken heeft,
maar integendeel gerust toezag, dat deze jonge man als een van moord
verdachte booswicht vervolgd werd.”
Julia, die al haren moed verzameld had, om dit gesprek met haren vader
vol te houden, verloor al hare gevatheid bij deze woorden. Zij liet het
hoofd hangen en keek zwijgend voor zich neer, nadat zij te vergeefs
gepoogd had te stamelen, dat zij Brown bij die gelegenheid niet herkend
had.
„Geen antwoord!” vervolgde Mannering, „vergun mij u dan te vragen, of
dit de eenige keer is dat gij Brown sedert zijne terugkomst uit Indië
gezien hebt? – Nog geen antwoord? Julia Mannering, wilt gij de goedheid
hebben mij te antwoorden? Was het deze man, die gedurende uw verblijf
te Mervyn-Hall onder uw venster kwam en met u sprak? Julia, ik beveel –
ik bid u, wees oprecht!”
Julia Mannering hief het hoofd weder op. „Vader,” sprak zij, „ik was en
ben geloof ik nog eene groote zottin. – Het is zeer hard voor mij, dat
ik dezen heer, die wel niet geheelenal de oorzaak maar toch de
medeplichtige van mijne dwaasheid geweest is, in uwe tegenwoordigheid
moet ontmoeten.”– Hier brak zij af.
„Ik moet hieruit dan besluiten, dat hij u die nachtelijke muziek
gebracht heeft?”
In deze woorden lag iets dat Julia’s moed een weinig opwekte. „Ja
vader, hij was het,” antwoordde zij; „en indien ik, zoo als ik dikwijls
dacht, zeer verkeerd gehandeld heb, zoo kan ik toch iets tot mijne
verontschuldiging bijbrengen.”
„En wat is dat?” hernam de kolonel driftig, op een strengen toon.
„Ik durf het u niet zeggen, vader! maar” – (met deze woorden opende zij
een klein kistje en overhandigde haren vader eenige brieven) „ik geef u
deze opdat gij zien moogt hoe deze vriendschap begon en door wie ze
aangemoedigd werd.”
Mannering trad met de brieven aan het venster, te trotsch om zich
verder te verwijderen. Met een onrustig oog en steeds vermeerderende
ontroering doorliep hij eenige daarvan; maar zijn stoïcismus, die op
trotschheid gegronde gemoedsstandvastigheid, welke dikwijls deugdzame
vruchten voortbrengt, kwam hem nog te rechter tijd te hulp. Zoo bedaard
als het hem wegens zijne aandoeningen mogelijk was, wendde hij zich
weder tot zijne dochter en zeide: „Voor zoo ver als ik uit een
vluchtigen blik in deze brieven kan oordeelen, bevatten zij eene groote
verontschuldiging voor u, Julia! Gij hebt ten minste aan één uwer
ouders gehoorzaamd. Laat ons een Schotsch spreekwoord, dat Sampson
onlangs aanhaalde, als het onze aannemen: „Wat voorbij is, zij
voorbij.” – Ik zal u uw gebrek aan vertrouwen nooit verwijten, en
beoordeel gij mijne bedoelingen naar mijne daden, waarover gij u tot
hiertoe zeker niet met reden hebt kunnen beklagen. Behoud deze brieven
– zij waren nooit voor mijn oog bestemd en ik wilde er niet gaarne meer
van lezen, dan ik nu op uw verlangen en tot uwe rechtvaardiging gedaan
heb. – En nu, zijn wij vrienden? of liever verstaat gij mij?”
„O mijn beste, edele vader!” riep Julia bewogen uit en wierp zich in
zijne armen, „waarom heb ik u ooit een oogenblik miskend?”
„Niets meer daarvan, Julia! Wie te trotsch is om de liefde en het
vertrouwen te winnen, waarop hij buitendien aanspraak meent te hebben,
moet zich dikwijls teleurgesteld vinden en verdient dat misschien ook.
Het is reeds genoeg dat mijne geliefde en innig betreurde vrouw in het
graf gedaald is zonder mij te kennen. Laat mij ten minste het
vertrouwen van mijne dochter niet verliezen, die mij beminnen moet,
indien zij zich zelve waarlijk bemint.”
„O, vrees daarvoor niet! Geen uwer bevelen zal mij ooit te zwaar
schijnen, als slechts uwe goedkeuring en mijne eigene het loon mijner
gehoorzaamheid zijn.”
„Lieve Julia,” hernam Mannering en kuste haar op het voorhoofd, „ik
vertrouw, dat ik niet te veel van uw heldenmoed zat vergen. – Ik
verwacht in de eerste plaats, dat gij alle geheime verstandhouding,
welke geen meisje zich slechts éen oogenblik kan veroorloven zonder
zich in hare eigene oogen en in die van haren minnaar te vernederen –
ik verzoek, zeg ik, dat gij alle geheime verstandhouding met dezen
jongen man afbreekt en dat gij hem, als hij naar de reden mocht vragen,
aan mij verwijst. Gij zult ook natuurlijk gaarne willen weten wat ik
van plan ben. Vooreerst wensch ik het karakter van dezen jongen man
nauwkeuriger gade te slaan, dan de omstandigheden, en misschien mijne
eigene vooringenomenheid, mij vroeger veroorloofd hebben. Ook wensch
ik, dat zijne geboorte bewezen en hij in zijn rang hersteld moge
worden. Ik bekommer er mij juist niet zoo zeer om, of hij weder in het
bezit van de heerlijkheid Ellangowan gesteld wordt of niet, ofschoon
dit eene omstandigheid is, die nergens dan in een roman voor
onbelangrijk gehouden wordt; maar Hendrik Bertram, de erfgenaam van
Ellangowan, is, hetzij hij de goederen zijner voorouders bezit of niet,
een geheel ander man dan Van Beest Brown, de zoon van niemand. Zijne
voorouders zijn, zoo als de heer Pleydell mij zegt, met roem in de
geschiedenis van dit land bekend en volgden de banieren hunner vorsten,
terwijl onze eigene voorouders bij Cressy en Poitiers vochten. In het
kort, ik geef noch weiger mijne toestemming; maar ik verwacht dat gij
voormalige dwalingen weder goed zult willen maken, en mij uw vader, tot
wien gij thans, helaas, alléen uwe toevlucht kunt nemen, dat vertrouwen
schenken zult, hetwelk mijn wensch om u gelukkig te maken, reeds als
heiligen kinderplicht van u mag eischen.
Het eerste gedeelte van dit gesprek ontroerde Julia niet weinig; de
vergelijking tusschen den roem van de Bertrams en de Mannerings dwong
haar een heimelijken glimlach af, maar het slot trof haar hart, dat zoo
bijzonder vatbaar was voor edelmoedige aandoeningen. „Neen, lieve
vader!” riep zij uit en reikte hem de hand, „geloof maar dat gij van
dit oogenblik af de eerste zult zijn, dien ik in alles, wat in het
vervolg tusschen Brown – ik bedoel Bertram – en mij mag voorvallen, zal
raadplegen, en dat ik zonder uwe voorkennis en goedkeuring volstrekt
geene verbintenis zal aangaan. Maar – mag ik vragen of Mijnheer Bertram
nog langer als gast te Woodbourne blijft?”
„Zonder twijfel,” hernam de kolonel, „zoo lang zijne omstandigheden dit
vereischen.”
„Dan moet gij, als gij alles, wat er reeds voorgevallen is, in
aanmerking neemt, ook zelf gevoelen, vader, dat hij de reden zal willen
weten, waarom ik hem de – ik geloof dat ik moet zeggen – de
aanmoediging niet meer geef, welke hij misschien denkt tot hiertoe van
mij gekregen te hebben.”
„Ik verwacht, Julia, dat hij de rechten der gastvrijheid zal
eerbiedigen en bedenken welke gewichtige diensten ik hem kan en wil
bewijzen. Hij zal zich dus zeker gedragen op eene wijze, dat ik geene
redenen heb om mij over hem te beklagen; en ik verwacht van u, dat gij
hem zult toonen, wat uw beider plicht is.”
„Ik versta u, vader, en beloof u in alles te gehoorzamen!”
„Ik dank u, lieve Julia!” hernam Mannering en drukte een vaderlijken
kus op hare wangen. „Ik bedoel niets, dan uw geluk. – Wisch nu deze
verraderlijke tranen uit uwe oogen en kom aan het ontbijt.”