Rechter Dit bevestigt waarlijk alles,
Wat de Heidin vertelde!
Ge zijt geen wees, noch zonder vrienden;
Ik ben uw vader; – hier staat uwe moeder;
Daar uw oom. – Deez’ is uw neef –
En allen hier zijn uwe bloedverwanten.
De Recensent.
Toen Mannering zijn horologie weder in den zak stak, hoorde hij een ver
verwijderd en hol geraas. „Dat is zeker een rijtuig!” zeide hij: – „of
is het niets dan het ruischen van den wind door de bladerlooze boomen?
Kom eens dadelijk aan het venster, Mijnheer Pleydell!”
Pleydell, die in een levendig gesprek met Julia gewikkeld was, voldeed
evenwel oogenblikkelijk aan dit verzoek, nadat hij, om geen koude te
vatten, den grooten zijden zakdoek, welken hij in de hand hield, om den
hals geslagen had. Het geraas van een rijtuig werd intusschen zeer
duidelijk hoorbaar en Pleydell snelde, alsof hij al zijne
nieuwsgierigheid tot op dit oogenblik bewaard had, naar de deur. De
kolonel schelde en beval Barnes de vreemdelingen, die met den wagen
kwamen, in een ander vertrek te brengen, daar men niet wist wie zij
waren Maar vóor dat dit bevel nog uitgesproken was, hield het rijtuig
reeds voor de deur stil, en oogenblikkelijk riep Pleydell: „dat is
immers onze vriend uit het Liddesdal met een tweeden jong mensch van
dezelfde grootte.”
Dinmont herkende hem dadelijk aan de stem en riep uit: „O, als gij het
zijt, Mijnheer Pleydell, dan zijn wij zeker geborgen.”
Terwijl de pachter bleef staan, om Pleydell te begroeten, trad Bertram,
verblind door het schitterende licht en verbijsterd door zijnen
zonderlingen toestand, bijna zonder het te weten in de huiskamer en
stond plotseling voor den kolonel, die hem te gemoet kwam. Bij het
heldere licht in het vertrek was er geen vergissing in den persoon
mogelijk, en hij was zelf even onthutst op het gezicht van hen, die hij
zoo onverwachts voor zich zag, als deze over zijne zoo hoogst
verrassende verschijning waren. Men bedenke, dat ieder der aanwezenden
zijne bijzondere redenen had, om met ontroering den binnentredende te
zien, die hun in het eerst bijna als een spook moest voorkomen.
Mannering zag den man vóor zich staan, dien hij meende in Indië gedood
te hebben; Julia zag haren minnaar in een zeer gevaarlijken toestand,
en Lucie herkende dadelijk den man die op den jongen Hazlewood
geschoten hadt.
Bertram, die in den starenden blik, welken de verbaasde kolonel op hem
vestigde, misnoegen over zijn ongenoodigd bezoek meende te lezen,
haastte zich te zeggen, dat zijn verschijnen op deze plaats
onwillekeurig was, daar men hem hierheen gevoerd had, zonder dat hij
wist waarheen men hem bracht.
„De heer Brown, geloof ik,” hernam Mannering.
„Ja, Mijnheer,” hernam de jongeling bescheiden maar standvastig;
„dezelfde dien gij in Indië gekend hebt, en ik durf hopen dat gij mij
dáar van zulk eene zijde hebt leeren kennen, dat gij mij op mijn
verzoek de getuigenis niet zult weigeren, dat ik fatsoenlijk man en man
van eer ben.”
„Mijnheer Brown, ik ben zelden – ik ben nooit zoo verrast geweest. Gij
hebt, wat er ook tusschen ons voorgevallen is, – zonder twijfel het
recht, u op mij te beroepen.”
Op dit oogenblik trad Pleydell met Dinmont binnen en zag met
verwondering, dat de kolonel zich nauwelijks van zijne eerste verbazing
hersteld had; dat Lucie Bertram van angst en schrik bijna in onmacht
viel en Julia Mannering te vergeefs hare vrees en angst zocht te
verbergen of te onderdrukken. „Wat beteekent dit?” riep hij uit; „heeft
deze jonge man het hoofd van Medusa in de hand? Laat mij hem aanzien. –
Bij den hemel!” sprak hij in zich zelven, „het ware evenbeeld van den
ouden Ellangowan! – Dezelfde krachtige gestalte en schoone trekken; –
maar met veel meer verstand in de uitdrukking! De heks heeft woord
gehouden.” – Plotseling trad hij naar Juffrouw Bertram en zeide: „Zie
dezen man aan, lieve Lucie! hebt gij nooit iemand gezien, die op hem
geleek?”
Lucie had slechts een vluchtigen blik op den bewerker van haren angst
geslagen, dien zij oogenblikkelijk als den man herkende, die het leven
van den jongen Hazlewood in gevaar gebracht had; en deze omstandigheid
verhinderde, dat herinneringen, welke eene nauwkeuriger beschouwing in
hare ziel opgewekt konden hebben, bij haar opkwamen. „Vraag mij niet
naar hem,” riep zij uit. „Zend hem weg, zend hem om Gods wil weg! Hij
zal ons nog vermoorden!”
„Vermoorden!” hernam Pleydell met bevreemding. „Geef mij maar den pook!
– Doch gekheid! Wij zijn immers met ons drie mannen, behalve de
bedienden, en dan is onze eerlijke vriend uit het Liddesdal er ook nog;
die is alleen een half dozijn waard. Wij hebben de major vis [27] op
onze zijde. – Maar hoe dit ook zij, Dandie – Davie – of hoe gij heeten
moogt, stel gij u tusschen dien knaap en ons, om de dames te
beschermen.”
„Mijn hemel, Mijnheer Pleydell! dat is kapitein Brown; kent gij
kapitein Brown niet?”
„Neen, maar als hij uw vriend is, dan zijn wij veilig genoeg; blijf
evenwel bij hem staan.”
Dit alles gebeurde zoo snel, dat het voorbij was, voor dat Sampson uit
de verstrooiing, waarin hij verzonken was, tot zich zelven kwam. Nu
sloeg hij het boek toe, waarin hij, in een hoek van de kamer, gelezen
had en trad nader, om de vreemdelingen te zien. Nauwelijks echter had
hij Bertram aangezien, of hij riep uit: „Indien het graf zijne dooden
kan wedergeven, dan is dit mijn waarde en geëerde meester!”
„Bij den hemel, wij hebben gelijk!” riep Pleydell. „Ik was er zeker van
dat ik gelijk had! Hij is het ware evenbeeld van zijn vader. – Maar wat
scheelt u, kolonel? Waarom heet gij uw gast niet welkom? Ik denk, – ik
geloof – ik vertrouw, dat wij gelijk hebben. – Nog nooit zag ik eene
zoo in het oog loopende gelijkenis. Maar geduld! – Sampson, spreek geen
woord. – Ga zitten, jonge heer!”
„Vergeef mij,” hernam Bertram. „Ik bevind mij, naar ik hoor, in het
huis van den kolonel Mannering en wenschte eerst te weten, of mijne
toevallige verschijning hem onaangenaam is, dan of ik welkom ben.”
Mannering hervatte dadelijk: „Welkom, zonder twijfel welkom, en wel
bijzonder als gij mij kunt zeggen, hoe ik u dienen kan. Ik geloof dat
ik nog eenig onrecht jegens u goed te maken heb; dit heb ik ten minste
dikwijls vermoed. Maar uwe plotselinge en onverwachte verschijning en
de smartelijke herinneringen, welke daardoor bij mij opgewekt werden,
hebben mij in het eerst verhinderd u te zeggen, zoo als ik u nu zeg,
dat uw bezoek, waaraan ik het ook verschuldigd moge zijn, mij zeer
aangenaam is.”
Bertram beantwoordde Mannering’s deftige en ernstige beleefdheid met
eene dankbare, maar afgemetene buiging.
„Lieve Julia,” hervatte de kolonel, „gij zoudt waarlijk best doen, met
ons te verlaten, – Mijnheer Brown, gij zult mijne dochter wel willen
verontschuldigen: ik zie, dat sommige omstandigheden smartelijke
herinneringen bij haar opwekken.”
Julia Mannering stond op en verwijderde zich. Maar toen zij Bertram
voorbij ging, kon zij zich niet weerhouden hem toe te voegen:
„Onbezonnene! ten tweeden male!” Zij sprak echter zoo zacht, dat
niemand dan hij alleen deze woorden hooren kon. Lucie Bertram volgde
hare vriendin vol verwondering, maar zonder dat zij het waagde eenen
tweeden blik op het voorwerp van haren schrik te slaan. Zij zag dat er
een misverstand plaats had, en wilde de verwarring niet vermeerderen
door den vreemdeling een moordenaar te noemen. Zij zag tevens, dat de
kolonel hem kende en als een’ man van stand behandelde; dus moest hij
of de dader niet zijn, of Hazlewood had gelijk en het schot was
toevallig geweest.
Het in de kamer teruggebleven gezelschap zou geen kwade groep voor een’
bekwamen schilder opgeleverd hebben. Ieder der aanwezenden hield zich
te zeer met zijne eigene aandoeningen bezig, om op te merken, wat er
bij de anderen omging. Bertram bevond zich onverwachts in het huis van
den man, voor wien beurtelings de tegenstrijdigste aandoeningen in zijn
boezem opwelden. Op het eene oogenblik gevoelde hij een innigen afkeer
van hem, als zijn persoonlijken vijand, en in het daarop volgende was
hij wederom geneigd, hem, als den vader van zijne beminde Julia, te
eerbiedigen. Mannering was met zich zelven in tweestrijd. Zijne
ridderlijke denkbeelden van beleefdheid en gastvrijheid en zijne
vreugde over de ontdekking, dat hij zich niet langer behoefde te
beschuldigen van een medemensch in een tweegevecht van het even beroofd
te hebben, kampten met de opwellingen van den ouden weerzin en de
vooringenomenheid, welke, op het gezicht van den man tegen wien hij ze
eenmaal gekoesterd had, in zijn trotsch gemoed weder ontwaakten.
Sampson leunde, bevende van aandoening, op een stoel en vestigde zijne
blikken, welke eene angstige bezorgdheid uitdrukten, onbewegelijk op
Bertram. Dinmont staarde, tot aan de kin in zijn ruigen jas gewikkeld,
het geheele tooneel vol verbazing met groote oogen aan.
Pleydell alleen was geheel in zijn element. Hij alleen overlegde en
handelde. Hij dacht reeds vooruit aan eene schitterende zegepraal in
een zonderling, geheimzinnig en ingewikkeld rechtsgeding; en geen jonge
vorst, die, vol opgewekten moed, aan het hoofd van een dapper leger
zijn eersten veldtocht opent, kan ooit eene levendiger vreugde
gevoelen. Hij was dadelijk druk in de weer en nam de leiding van alles
op zich. „Komt, komt, mijne heeren! gaat zitten!” zeide hij; „dit
behoort tot mijn vak: gij moet mij hier alles voor u laten regelen. Ga
zitten, waarde kolonel! en laat mij stil begaan. – Ga zitten, Mijnheer
Brown! aut quocunque alio nomine vocaris. [28] – Neem plaats, dominé. –
Daar is een stoel voor u, eerlijke Dinmont!”
„Ik weet niet, Mijnheer Pleydell,” antwoordde Dinmont, eerst op zijn
grove kleeding en dan op de rijke meubels ziende, „mijne kleederen zijn
niet fraai genoeg; het zou misschien best zijn, als ik ergens anders
heen ging en u alleen liet, tot dat gij uwe zaken –”
De kolonel, die op dit oogenblik eerst den wakkeren Dandie herkende,
ging dadelijk naar hem toe, heette hem hartelijk welkom en betuigde
hem, dat hij na alles wat hij in Edinburg van hem gezien had, overtuigd
was, dat zijn ruwe kleeding en dikbezoolde laarzen zelfs eene
koninklijke gezelschapszaal eer zouden aandoen.
„Neen, neen, kolonel! wij zijn maar eenvoudige landlieden. Ik wilde
evenwel gaarne hooren, dat den kapitein wat goeds te beurt viel, en ik
ben overtuigd dat alles goed zal gaan, als Mijnheer Pleydell de zaak op
zich neemt.”
„Gij hebt gelijk, Dandie,” sprak Pleydell. „Maar zwijg nu stil. –
Welaan, eindelijk zit gij allen. Nu een glas wijn, voor dat ik geregeld
begin te ondervragen. – En nu,” vervolgde hij, zich tot Bertram
wendende, „weet gij, wie of wat gij zijt?”
In spijt van zijne verlegenheid, kon Bertram zich bij deze vraag niet
van lachen onthouden en antwoordde; „waarlijk Mijnheer, vroeger dacht
ik dat ik het wist; maar ik moet bekennen dat sedert kort zekere
omstandigheden twijfelingen in mij opgewekt hebben.”
„Zeg ons dan, waarvoor gij u voorheen gehouden hebt.”
„Ik hield mij voor Van Beest Brown en noemde mij zoo. Ik heb als kadet,
of vrijwillige, onder den kolonel Mannering gediend, toen hij bevel
voerde over het ** regiment dragonders en als zoodanig was ik niet
onbekend hij hem.”
„Deze verklaring moet ik bevestigen” hernam de kolonel, „en voeg er bij
hetgeen zijne bescheidenheid hem verbood te zeggen, dat hij zich als
een bekwaam en moedig mensch onderscheiden heeft.”
„Des te beter, waarde kolonel! maar dit behoort tot de algemeene
eigenschappen. – De heer Brown moet ons zeggen waar hij geboren is.”
„In Schotland geloof ik; maar de plaats kan ik niet bepalen.”
„Waar opgevoed?”
„In Holland.”
„Herinnert gij u ook iets uit uwe vroegste jeugd, vóor dat gij
Schotland verlaten hebt?”
„Zeer onvolkomen. Ik herinner me echter duidelijk, – en deze indruk is
door de daarop volgende harde behandeling misschien des te dieper in
mijne ziel gegrift – dat ik in mijne kindsheid een voorwerp van
liefderijke zorg en toegenegenheid was. Ik heb nog eene flauwe
herinnering aan een vriendelijken, goedaardigen man, dien ik vader
noemde, en aan eene ziekelijke vrouw, die zonder twijfel mijne moeder
was; het zijn evenwel enkel donkere, verwarde beelden, die mij voor den
geest zweven. Ik herinner mij ook nog een lang, mager, in het zwart
gekleed’ man, die mij lezen leerde en met mij ging wandelen, en ik
geloof dat hij juist in de laatste oogenblikken”–
Hier kon Sampson zich niet langer bedwingen. Terwijl ieder woord, dat
Bertram sprak, hem overtuigde dat de zoon van zijn weldoener vóor hem
stond, had hij met de uiterste inspanning zijne hevige aandoeningen
onderdrukt; toen Bertram echter van zijn leidsman en leermeester begon
te spreken, moest hij zijn gevoel lucht geven. Hij stond eensklaps op
en riep, met gevouwene handen, bevende van ontroering en met tranen in
de oogen, uit: „Hendrik Bertram! zie mij aan! was ik die man niet?”
„Ja!” riep Bertram en sprong van zijn stoel op, alsof er plotseling een
licht in zijne ziel opgegaan was; „ja, dat was mijn naam! en dit is de
stem en de gestalte van mijn goeden ouden leermeester!”
„Sampson wierp zich in zijne armen, drukte hem, snikkende van
verrukking, duizend malen aan zijn hart, tot hij eindelijk zijn
overkropt gevoel lucht gaf en luide begon te weenen. Mannering was
hevig aangedaan. Pleydell was niet minder bewogen en wischte de glazen
van zijn bril af, en de goedhartige Dinmont riep snikkende uit: „Dat is
een drommelsche vent; hij maakt waarlijk dat ik doen moet, wat ik
sedert den dood mijner oude moeder niet gedaan heb.”
„Komt, komt!” riep Pleydell eindelijk, „Stilte voor het gerechtshof!
Wij hebben met eene listige tegenpartij te doen. Wij moeten geen tijd
verliezen. Ik vertrouw, dat er voor het aanbreken van den morgen nog
wel iets te doen zal zijn.”
„Ik zal een paard laten zadelen, als gij het verkiest,” hernam de
kolonel.
„Neen, neen! tijds genoeg, tijds genoeg! – Maar hoor, dominé! ik heb u
behoorlijk tijd gegeven om uw gevoel te uiten. De tijd is nu
verstreken; gij moet mij mijn onderzoek ongestoord laten voortzetten.”
Sampson, die gewoon was ieder die hem bevelen verkoos te geven te
gehoorzamen, zonk weder op zijn stoel neder. Hij spreidde zijn zakdoek
over zijn gelaat en scheen, naar zijn gevouwen handen te oordeelen, een
stil dankgebed ten hemel op te zenden. Soms sloeg hij den doek voor de
oogen weg, alsof hij zich overtuigen wilde dat de aangename
verschijning niet verdwenen was, en verzonk dan weder in stille
verzuchtingen, tot dat eenige belangrijke vragen van Pleydell zijne
aandacht weder trokken.
„En nu,” zeide Pleydell, nadat hij Bertram nog verscheidene vragen,
zijne vroegste jeugd betreffende, gedaan had – „en nu Mijnheer Bertram,
want ìk geloof dat wij u in het vervolg bij uw eigen naam moeten
noemen, verhaal ons nu alles wat gij u van de wijze waarop gij
Schotland verlaten hebt, kunt herinneren.”
„Waarlijk, het verschrikkelijke van dien dag is wel onuitwischbaar in
mijn geheugen geprent, maar de angst zelf, welken dit tijdstip zoo diep
in mijne ziel gegrift heeft, is waarschijnlijk oorzaak dat de
bijzonderheden mij slechts duister en verward voor den geest zweven. Ik
herinner mij nochtans dat ik ergens wandelde, ìn een bosch geloof ik –”
„O ja in het bosch van Warroch, mijn zoon!” riep Sampson.
„Stil, Mijnheer Sampson!” hernam Pleydell.
„Ja, het was in een bosch en er was iemand bij mij – deze goedhartige
man, geloof ik.”
„O ja, ja Hendrik! God zegene u! Ik was het zelf.”
„Zwijg toch dominé! en stoor ons niet,” hernam Pleydell. Hierop wendde
hij zich tot Bertram en sprak: „Ga voort, bid ik u!”
„Vervolgens zat ik, even als bij een snelle verandering in een droom,
voor mijn leidsman te paard, geloof ik.”
„Neen, neen!” riep Sampson uit, „nooit heb ik ik mij zelven en veel
minder u aan zulk een gevaar blootgesteld.”
„Op mijn woord, dat is onverdragelijk!” hernam Pleydell. „Hoor, dominé!
als gij nog één woord spreekt, voor dat ik u verlof geef, dan lees ik
drie spreuken uit het Zwarte Boek, zwaai mijn staf driemalen over mijn
hoofd, vernietig het geheele tooverwerk van dezen nacht en verander
Hendrik Bertram weder in Van Beest Brown.”
„Ik verzoek nederig om verschooning, Mijnheer!” hernam Sampson; „het
was slechts verbum volans.” [29]
„Nu, nolens volens, [30] gij moet u stil houden.”
„Wees stil, Mijnheer Sampson! bid ik u,” hernam de kolonel, „het is
voor uw wedergevonden vriend van het uiterste belang, dat gij den heer
Pleydell zijne ondervraging ongehinderd laat voortzetten.”
„Ik zal stom zijn,” antwoordde Sampson onthutst.
„Plotseling,” vervolgde Bertram, „sprongen er twee of drie mannen op
ons los en scheurden ons van het paard. Ik kan mij verder niets
herinneren dan dat ik onder een hevig gevecht poogde te ontvluchten en
eene zeer groote vrouw, die onverwachts uit de struiken te voorschijn
kwam en mij eenigen tijd onder hare bescherming nam, in handen viel. Al
het overige komt mij als, een bange, verwarde droom voor. Ik heb nog
een flauwe en duistere herinnering aan een zeestrand, aan een hol en
aan een sterken drank, die mij in een langen en diepen slaap deed
vallen. Dan is er eene groote gaping in mijne herinneringen, tot dat ik
mij als een mishandelden, half verhongerden kajuitsjongen op een schip,
en vervolgens in Holland als schoolknaap, onder de bescherming van een
koopman, die genegenheid voor mij opgevat had, in mijn geheugen
wedervind.”
„En wat verhaalde deze man u van uwe afkomst?”
„Zeer weinig, en hij beval mij niet verder te vragen. Men gaf mij te
verstaan, dat mijn vader, aan den smokkelhandel op de oostkust van
Schotland deel genomen had en in een gevecht met de tolbedienden
gesneuveld was; dat zijne vrienden in Holland destijds juist een schip
aan de kust gehad hadden, en dat een gedeelte van het scheepsvolk in
hetzelfde gevecht gewikkeld geweest was en mij, daar ik door den dood
van mijn vader ouderloos geworden was, uit medelijden medegenomen had.
Toen ik ouder werd, vond ik in dat verhaal veel, dat ik met mijne
eigene herinneringen niet kon overeenbrengen; maar wat kon ik doen? Ik
had geen middel om zekerheid omtrent mijne twijfelingen te bekomen, en
geen vriend aan wien ik ze mededeelen en met wien ik er over spreken
kon. Het overige van mijne geschiedenis is den kolonel Mannering
bekend. Ik ging naar Indië en werd kantoorbediende bij een Hollandsch
handelshuis, dat spoedig hierop in verval geraakte. Nu ging ik tot den
krijgsdienst over en hoop dezen stand geene oneer aangedaan te hebben.”
„Gij zijt een wakkere jongen, voor wien ik wel borg wil blijven” zeide
Pleydell. „Ik wenschte van harte dat ik zelf bij u aanspraak op den
naam van vader, welke zoo langen tijd vreemd voor u geweest is, kon
maken. Maar die twist met den jongen Hazlewood. –”
„Was enkel toeval,” sprak Bertram. „Ik reisde voor mijn genoegen in
Schotland, en na een verblijf van acht dagen bij mijn vriend Dinmont,
dien ik het geluk had toevallig te leeren kennen –”
„Het was een geluk voor mij,” viel Dinmont hem in de rede. „De drommel!
een paar landloopers hadden mij zonder genade de hersenen ingeslagen,
indien hij hen niet op het lijf gevallen was.”
„Kort nadat wij in het stadje ** van elkander gescheiden waren, werd ik
op den weg naar Kippletringan door roovers van mijn reisgoed beroofd.
Gedurende mijn verblijf in dit dorp ontmoette ik den jongen Hazlewood
toevallig. Ik naderde om Juffrouw Mannering, die ik in Indië gekend
had, te begroeten; maar Mijnheer Hazlewood, die mij waarschijnlijk naar
mijne slechte kleeding beoordeelde, beval mij op hoogen toon mij te
verwijderen, en gaf aanleiding tot den twist, waarbij ik het ongeluk
had de toevallige oorzaak van zijne verwonding te zijn; – En nu,
Mijnheer, – nu ik alle uwe vragen beantwoord heb –”
„Neen, neen, nog niet alle,” hernam Pleydell, listig glimlachende; „ik
heb nog eenige vragen, welke ik tot morgen zal uitstellen: want het is,
geloof ik, tijd de zitting voor heden nacht, of liever dezen morgen, te
sluiten.”
„Ik heb, om mij dan juister uit te drukken, alle vragen, welke gij voor
het tegenwoordige wildet doen, beantwoord, Mijnheer, – wilt gij nu ook
wel de goedheid hebben, mij te zeggen wie gij zijt, waarom gij zoo veel
belang in mijne zaken stelt en voor wien gij mij houdt, daar mijne
aankomst zoo vele beweging veroorzaakt heeft?”
„Wel, Mijnheer, ik ben Paulus Pleydell, een advocaat uit Edinburg. Wie
gij zijt, kan ik op dit oogenblik nog niet zoo bepaald zeggen: maar
binnen korten tijd hoop ik u als Hendrik Bertram, vertegenwoordiger van
een der oudste geslachten in Schotland en erfgenaam van de heerlijkheid
Ellangowan, met alle hare aanhoorigheden, te kunnen geluk wenschen. –
Ja,” vervolgde hij, de oogen sluitende en tot zich zelven sprekende,
„wij moeten zijn vader voorbijgaan en hem als den erfgenaam van zijn
grootvader Lodewijk laten optreden, die de stichter van het fideicommis
en tevens de eenige verstandige man in zijn geslacht was, van wien ik
ooit gehoord heb.”
Allen waren opgestaan om zich ter rust te begeven. Nu trad Mannering
naar Bertram toe, die hoogst verwonderd over Pleydell’s woorden stond
en zeide: „Ik wensch u geluk met de uitzichten, welke het geluk voor u
geopend heeft. Ik was reeds vroeg een vriend van uw vader, en het
toeval bracht mij even onverwachts in den nacht, waarin gij geboren
zijt, in het slot Ellangowan, als gij thans in mijn huis gekomen zijt.
Ik wist hier niets van, – toen, maar ik vertrouw, dat alles wat
tusschen ons voorgevallen is, vergeten en vergeven zal zijn. Geloof
mij, uwe verschijning als de heer Brown heeft mij van het smartelijkste
gevoel, dat onophoudelijk mijn hart bezwaarde, bevrijd, en uw recht op
den naam van een ouden vriend maakt uwe tegenwoordigheid als de heer
Bertram, dubbel aangenaam.”
„En mijne ouders?” vroeg Bertram.
„Zijn beiden dood – en het eigendom van uw geslacht is verkocht, doch
zal, hoop ik, weder te verkrijgen zijn. Alles, wat in mijne macht staat
en dienen kan om uwe rechten te doen gelden, bied ik u van ganscher
harte aan.”
„Neen, dat moet gij aan mij overlaten,” hernam Pleydell; „dat behoort
tot mijn vak. Dat zal een heerlijke zaak voor mij zijn!”
„Ik weet wel,” zei Dinmont nu, „dat het mij en mijns gelijken niet
past, zulke heeren, als gij zijt, in de rede te vallen; maar als geld
den kapitein bij zijne zaak kan helpen, en men zegt immers, dat
processen nooit goed gaan zonder geld –”
„Behalve des Zaterdagsavonds,” merkte Pleydell aan.
„Ja, maar als gij geen geld wilt hebben, dan neemt gij de zaak ook niet
aan; dus zal ik u nooit weder op een Zaterdag lastig vallen; – maar ik
wilde zeggen dat ik geld op zak heb, dat zoo goed als des kapiteins
eigendom is. Mijne Ailie en ik hebben het ten minste altijd zoo
beschouwd.”
„Neen, neen, Liddesdaller! het is volstrekt niet noodig. Bewaar uw geld
en koop vee voor uwe landerijen.”
„Vee voor mijne hoeve? Mijnheer Pleydell! gij hebt kennis van vele
dingen, maar Charlies-hope kent gij niet. Wij zijn zoo ruim van vee
voorzien, dat wij jaarlijks, vel en vleesch te zamen, wel voor zes
honderd pond sterling verkoopen.”.
„Kunt gij dan geene andere hoeve pachten?”
„Dat weet ik haast niet. Er worden niet dikwijls hoeven verpacht en de
hertog wil niet gaarne oude pachters verstooten; en buitendien ben ik
de man niet, om rond te sluipen en mijne buren in hun pachtgeld te
overbieden.”
„Ook uw buurman niet van Dawstoncleugh – Devilstone – of hoe heet de
plaats?”
„Hoe, Jock van Dawstoncleugh? Neen waarlijk niet. Hij is wel een
vervloekte stijfkop, en wij hebben reeds dikwijls over de scheiding van
ons land getwist; maar de duivel zal mij halen, als ik hem onrecht
aandoen wilde.”
„Gij zijt een brave kerel,” hernam Pleydell. „Ga nu naar bed. Ik
verzeker u, dat gij geruster slapen zult dan menig man, die een
geborduurden rok uittrekt en zijn hoofd met eene kostbare slaapmuts
bedekt. – Kolonel, ik zie dat gij met onzen waarden vondeling diep in
gesprek gewikkeld zijt; maar uw Barnes moet mij om zeven uren wekken,
want mijn knecht is een rechte slaapkop en mijn klerk Driver heeft zich
uw bier zonder twijfel maar al te goed laten smaken. Juffrouw Allan
heeft hem beloofd dat zij hem goed zou verzorgen, en zij zal spoedig
genoeg ontdekt hebben, wat hij daaronder verstaat. Goeden nacht,
kolonel – goeden nacht, dominé Sampson – goeden nacht, eerlijke Dinmont
– goeden nacht eindelijk, nieuw gevonden vertegenwoordiger der
Bertrams, der Mac-Dingawaies, der Knarths, der Arths, der Godfrieds en
der Rolands en, wat de laatste en beste naam van allen is, erfgenaam
van de heerlijkheid Ellangowan met alle aanhoorigheden, volgens de
bepalingen van Lodewijk Bertram, wiens vertegenwoordiger gij zijt.”
Met deze woorden nam de oude heer zijn licht en begaf zich naar zijne
slaapkamer. Het overige gezelschap volgde zijn voorbeeld, nadat Sampson
zijn „kleinen Hendrik Bertram,” zoo als hij den zes voet langen jongen
krijgsman noemde, nog eenmaal omhelsd en aan zijn hart gedrukt had.