De nacht verliep met luide spel en zang,
En niemand scheen voor volle bekers bang.
Tam O’ Shanter.
Wij moeten thans naar Woodbourne, hetwelk wij op het oogenblik dat
Mannering zijn vertrouwden dienaar eenige geheime bevelen gaf,
verlieten, terugkeeren.
Toen de kolonel weder in het woonvertrek trad, scheen hij in het oog
loopend afgetrokken en in gepeins verzonken. De beide dames zagen hem
met verwondering aan, maar wisten ook, dat hij geen man was, die, zelfs
door haar, die hij het meest beminde, naar de oorzaak van deze
zichtbare ontroering gevraagd wilde zijn. Men zette zich aan de
theetafel en ook hier heerschte een diep stilzwijgen. Onverwachts
echter kwam er een wagen vóor de deur rijden en de schel kondigde een
bezoek aan. Nu zeide Mannering, als tot zich zelven: „Het kan toch niet
zijn! Het is zeker nog eenige uren te vroeg.”
Na eenige oogenblikken opende Barnes de kamerdeur en meldde den heer
Pleydell aan. Deze trad binnen en zijn keurige zwarte rok, zijn netjes
gepoederde pruik, zijne helder witte kanten jabot, zijden kousen,
gladde schoenen en gouden gespen toonden duidelijk aan, hoe zorgvuldig
de oude heer zich tot een bezoek bij de dames voorbereid had. Mannering
verwelkomde hem met een hartelijken handdruk en zeide: „Gij zijt juist
de man, dien ik in dit oogenblik gaarne wenschte te zien.”
„Ik heb u immers gezegd, dat ik de eerste gelegenheid waarnemen zoude.
Ik heb het gewaagd, mij, gedurende de zittingen van het gerechtshof,
voor eene week uit Edinburg te verwijderen, – zeker geene geringe
opoffering – maar ik vermoedde hier nuttig te kunnen zijn, en moest ook
hier in de streek een verhoor bijwonen. – Maar wilt gij mij niet aan de
dames voorstellen? De éene ken ik reeds op het eerste gezicht aan hare
familietrekken! – Mejuffrouw Lucie Bertram, ik ben zeer verheugd u te
zien.” Met deze woorden omhelsde hij haar en drukte een hartelijken kus
op hare wangen, waaraan Lucie zich blozende onderwierp. „On ne s’
arréte pas dans un si beau chemin,” vervolgde de vroolijke oude heer,
toen de kolonel hem aan Julia voorstelde, omarmde ook haar en kuste
haar de bloeiende wangen. Julia lachte, bloosde en maakte zich uit
zijne armen los. „Ik bid u duizendmaal om verschooning,” hernam
Pleydell, met eene bevallige buiging, „ouderdom en oude zeden geven
voorrechten; en ik weet waarlijk niet, of ik er mij meer over bedroef
dat ik met zoo veel recht aanspraak daarop kan maken, dan mij er over
verheug, zulk eene gunstige gelegenheid te hebben, om ze zoo aangenaam
te doen gelden.”
„Waarlijk, Mijnheer,” antwoordde Julia lachende, „wanneer gij zulke
vleiende verontschuldigingen maakt, moeten wij er wel aan beginnen te
twijfelen, of wij u veroorloven kunnen, u op de genoemde eigenschappen
te beroepen.”
„Gij hebt volkomen gelijk, Julia,” hernam de kolonel; „mijn vriend
Pleydell is een gevaarlijk man. De laatste maal, dat ik het genoegen
had hem te bezoeken, vond ik hem, om acht uur des morgens, onder vier
oogen met eene schoone dame.”
„Dat wil ik niet ontkennen, kolonel! maar gij hadt er moeten bijvoegen,
dat ik deze uitstekende gunst van de zoo verstandige en zedige vrouw
Rebekka meer aan mijne chocolade dan aan mijne beminnelijkheid te
danken had.”
„En gij herinnert mij er aan, Mijnheer Pleydell,” hernam Julia, „u een
kopje thee aan te bieden, in de veronderstelling, dat gij u middagmaal
reeds gebruikt hebt.”
„Uit uwe hand is mij alles aangenaam, Juffrouw Mannering! – Ja, ik heb
reeds gegeten, namelijk, zoo als men in eene Schotsche herberg eet.”
„En dat is zeker slecht genoeg,” hernam de kolonel en sloeg de hand aan
de schel; „veroorloof mij, u iets anders voor te zetten.”
„Om de waarheid te zeggen, wilde ik hiervoor liefst bedanken. Ik heb
reeds naar het een en ander dienaangaande onderzocht. Gij moet weten,
dat ik mij eenige oogenblikken beneden opgehouden heb, om mijne
reiskousen, die (met een’ welgevalligen blik op zijne schoon gevormde
beenen) veel te wijd voor mijne spillebeenen zijn, uit te trekken. Toen
heb ik eenige woorden met uwen Barnes en eene zeer verstandige vrouw,
die ik voor uwe huishoudster houd, gesproken: en wij hebben met
elkander bepaald – tota re perspecta [24], ik vraag Juffrouw
Mannering’s verschooning voor mijn Latijn – dat zij een paar wilde
eenden bij uw avondmaaltijd zou voegen. Ik heb haar ook (doch laat dit
gaarne aan haar over) mijne eenvoudige gedachten omtrent de saus
gezegd, en zal, indien gij er niet tegen hebt, met eten wachten tot het
avondmaal gereed is.”
„En wij zullen vroeger eten dan gewoonlijk,” hernam de kolonel.
„Van harte gaarne,” antwoordde Pleydell, „mits dat ik het gezelschap
der dames er geen oogenblik vroeger om mis. Ik ben van hetzelfde
gevoelen, als mijn oude vriend Burnet [25]; ik bemin de coena, den
avondmaaltijd der ouden, het vroolijke maal en het gezellige glas, dat
de muizennesten uit het hoofd spoelt, waarmede bezigheden of zorgen de
hersens dagelijks vervullen.”
De beide dames, en vooral Julia Mannering, schepten vermaak in de
levendigheid van Pleydell en de onbeschroomde vrijmoedigheid, waarmede
hij zijne kleine epicuristische behoeften openbaarde. Julia bewees den
ouden heer eene vleiende oplettendheid en wedijverde, zoo lang het
gezelschap aan de theetafel zat, met hem in het zeggen van aardigheden,
die wij echter niet behoeven te herhalen.
Na de thee bracht Mannering zijn rechtsgeleerden vriend in een aan het
woonvertrek grenzend studeerkamertje, waar des avonds steeds licht en
een goed vuur brandden.
„Ik zie,” zeide Pleydell, „dat gij mij iets over de Ellangowansche zaak
te zeggen hebt. Is het iets aardsch of bovenaardsch? Wat zegt gij, mijn
militaire Albumazar? Hebt gij den loop der toekomst berekend? Uwe
Ephemeriden, uwe Almochoden uwe Almuten geraadpleegd?”
„Neen, waarde Pleydell, gij zijt de eenige Ptolomeus, wien ik in dit
geval wil raadplegen. Als een tweede Prospero heb ik mijn staf
verbroken en mijn boek in de diepte der zee geworpen. Maar ik heb toch
groot nieuws. Meg Merrilies, onze oude Heidin, is heden aan Sampson
verschenen en heeft hem, naar ik veronderstel, niet weinig verschrikt.”
„Waarlijk?”
„Ja! en zij heeft mij de eer aangedaan, eene briefwisseling met mij te
openen, waarbij zij meent dat ik nog even diep in de geheimen der
sterrewichelarij ingewijd ben, als toen zij mij voor de eerste maal
ontmoette. Hier is haar geschrift, dat Sampson mij gebracht heeft.”
Pleydell zette den bril op. „Welk een gekrabbel!” zeide hij. „De
letters zijn zoo groot en staan zoo recht op, als de ribben van een
gebraden speenvarken. Ik kan er nauwelijks wijs uit worden.”
„Lees hard op, bid ik u!” hernam Mannering.
„Ik zal het beproeven,” hernam de advokaat – „Gij zijt een goede
zoeker, maar een slechte vinder. Gij doet uw best om een vallend huis
te schragen, maar hadt geen sterk vermoeden, dat het zich weder
verheffen zou. Leen uwe hand aan het werk dat nabij is, zoo als gij uw
oog aan het noodlot geleend hebt, dat ver af was. Laat heden avond te
tien ure een rijtuig aan het eind van den krommen dijk te Portanferry
wachten en de menschen, die vragen zullen: „Zijt gij hier, in Gods
naam?” naar Woodbourne brengen.” Wacht, nu komen er ook verzen:
„Wat donker is zal licht
En ’t onrecht worden recht,
Als Bertrams recht en Bertrams macht
Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”
Waarlijk een zeer geheimzinnige brief en het slot eene poëzie, de
Cumæische Sybille volkomen waardig! – En wat hebt gij gedaan?”
„Wel,” antwoordde Mannering, „ik wilde niet gaarne eene gelegenheid, om
licht over deze zaak te verspreiden, laten voorbijgaan. Misschien is de
vrouw krankzinnig en alles wat zij zegt de vrucht van hare verbijsterde
verbeeldingskracht; – maar gij waart zelf van gevoelen, dat zij meer
van deze vreemde zaak wist, dan zij ooit gezegd heeft.”
„Gij hebt dus een’ rijtuig naar de bepaalde plaats gezonden?”
„Gij zult mij uitlachen, als ik beken dat ik dit gedaan heb.”
„Uitlachen? neen zeker niet! Ik denk dat dit het verstandigste was, dat
gij doen kondt.”
„Ja,” hernam Mannering, van harte blijde dat hij zich niet belachelijk
aangesteld had in het oog van zijn vriend, „en het ergste dat er van
komen kan is, dat ik den wagen te vergeefs betalen moet. Ik heb een’
rijtuig met vier paarden van Kippletringan er heen gezonden en den
voerman de noodige bevelen gegeven. Het zal een koude en vervelende
post zijn, als ons bericht valsch is en hij te vergeefs dáar moet
blijven wachten.”
„Ik denk dat het anders uitkomen zal. Deze vrouw heeft hare rol zoo
lang gespeeld, dat zij aan hare voorspellingen gelooft; of als zij eene
doortrapte bedriegster is, zonder een enkel greintje zelfmisleiding om
hare bedriegerij te verontschuldigen, dan denkt zij misschien in den
geest van hare rol te moeten blijven handelen. Zoo veel weet ik ten
minste, dat ik langs den gewonen weg bij het verhoor niets uit haar kon
krijgen: en het verstandigste dat wij doen kunnen is, haar gelegenheid
te geven, om de zaak op hare eigene wijze aan het licht te brengen. En
hebt gij nu nog meer te zeggen, of zullen wij weder bij de dames gaan?”
„Ik ben zeer ontroerd en – maar ik heb waarlijk niets meer te zeggen.
Ik kan mij met niets bezig houden, dan de minuten te tellen, tot het
rijtuig komt, maar kan niet verwachten dat gij even ongerust zoudt
zijn.”
„Ja – daarin hebt gij gelijk! De gewoonte doet veel af. Ik stel zonder
twijfel veel belang in deze zaak, maar zal den afloop best kunnen
afwachten, als de dames ons op een weinig muziek willen vergasten.”
„En met behulp van de wilde eenden, niet waar?”
„Ook al, kolonel! Ongerustheid over den uitslag, zelfs van de
belangrijkste zaak, heeft een rechtsgeleerde zelden zijn slaap en zijn
eetlust bedorven [26]. Met dat al ben ik zeer verlangend, het geraas
van den terugkeerenden wagen te hooren.”
Met deze woorden stond hij op en ging in de woonkamer, waar Julia
Mannering zich op zijn verzoek aan het klavier zette. Lucie Bertram
zong zeer aardig hare Schotsche volksliederen en begeleidde met hare
stem het spel van Julia, die naderhand eenige sonates van Scarlatti
zeer schitterend uitvoerde. De oude heer, die een weinig op de bas
kraste en een groot beminnaar van de toonkunst was, bracht den avond
zoo aangenaam door, dat hij misschien niet eenmaal aan de wilde eenden
dacht, vóor dat Barnes het gezelschap aankondigde dat het avondmaal
gereed was.
„Zeg aan Juffrouw Allan dat zij iets gereed houdt,” sprak de kolonel;
„ik verwacht – ik hoop – misschien krijgen wij heden avond nog bezoek.
De bedienden moeten opblijven en het hek niet sluiten, vóor dat ik het
beveel.”
„Mijn hemel! wie kunt gij zoo laat nog verwachten, vader?” vroeg Julia.
„Eenige vreemdelingen, die mij misschien heden nog over zaken moeten
spreken: het is echter zeer onzeker;” hernam haar vader niet zonder
verlegenheid, want eene teleurstelling, die zijn scherpzinnigheid in
een belachelijk licht gesteld zou hebben, zou ook voor hem zeer
pijnlijk geweest zijn.
„Nu, wij zullen het hun niet vergeven, indien zij ons storen, tenzij
zij eene even vroolijke luim en een even gevoelig hart medebrengen als
Mijnheer Pleydell, mijn vriend en aanbidder, zoo als hij zich zelf
gelieft te noemen.”
„O, Juffrouw Julia,” hernam Pleydell en bood haar op hoffelijke wijze
den arm, om haar naar de eetzaal te geleiden, „er is een tijd geweest –
toen ik in het jaar 1738 van Utrecht terugkwam –”
„Ik bid u, spreek daar niet van! Wij hebben u liever, zoo als gij zijt.
– Utrecht, om ’s Hemels wil! – Ik denk wel, dat gij al de sedert dien
tijd verloopen jaren besteed hebt, om u zoo geheel en al van de
gevolgen uwer Hollandsche opvoeding te ontdoen.”
„Vergeef mij, Juffrouw Mannering! De Hollanders hebben het in het punt
van galanterie veel verder gebracht, dan hunne wufte naburen
toestemmen. Zij zijn stipt en bestendig in hunne hulde, als een
uurwerk.”
„Dat zou mij vervelen.”
„Zij hebben een onverstoorbaren goeden luim.”
„Nog al erger en erger!”
„En dan,” ging de oude vrijer voort, „kunt gij, ofschoon uw aanbidder u
gedurende zesmaal drie honderd vijfen zestig dagen den mantel
omgehangen, de stoof onder de voeten gezet en u, niettegenstaande de
strengste koude in den winter, of de drukkendste hitte in den zomer,
altijd en overal op uwe wenken vergezeld heeft, – dan kunt gij hem, zeg
ik, eensklaps, op den twee duizend een honderd en negentiende dag (zoo
veel zal, naar mijne vluchtige berekening, de schrikkeljaren niet mede
gerekend, het tijdvak der veronderstelde aanbidding bedragen), zonder
reden of verontschuldiging zijn ontslag geven, zonder dat uw teeder
hart de minste zorg over de gevolgen, welke dit voor Mijnheer zal
hebben, behoeft te gevoelen.”
„Dit laatste is inderdaad een echt Hollandsche aanbeveling, Mijnheer
Pleydell! Glazen en harten zouden hunne grootste waarde verliezen,
indien zij niet breekbaar waren.”
„Het is misschien even moeielijk, Juffrouw Mannering, een hart te
vinden dat breekt, als een glas dat onbreekbaar is; en uit dien hoofde
zou ik de waarde van mijn eigen hart nog meer aanprijzen, – als ik niet
zag, dat Mijnheer Sampson de handen gevouwen en de oogen gesloten
heeft, en op het einde van ons gesprek wacht, om het gebed te beginnen;
en, om de waarheid te zeggen, die eenden doen mij watertanden.”
Met deze woorden zette Pleydell zich aan tafel en vergat eene poos
zijne hoffelijkheid om den goeden dingen, die vóor hem stonden, de
behoorlijke eer te bewijzen. Hij liet eerst niets van zich hooren, dan
alleen de aanmerking, dat de eenden voortreffelijk gebraden waren en de
saus boven allen lof verheven was.
„Ik zie, Mijnheer Pleydell,” zei Julia, „dat ik reeds op den eersten
avond, dat gij u voor mijn aanbidder verklaart, een gevaarlijken
mededinger in uwe gunst heb.”
„Vergeef mij, schoone dame! uwe wreedheid draagt alleen de schuld, dat
ik de onwelvoegelijkheid bega, mij in uwe tegenwoordigheid een goeden
maaltijd te laten smaken. Hoe zou ik uwe strengheid kunnen verdragen,
zonder mijne krachten te versterken? Op denzelfden grond, en om geene
andere reden, verzoek ik verlof, een glas wijn met u te drinken.”
„Dit is misschien ook het gebruik te Utrecht, Mijnheer Pleydell?”
„Met uw verlof! De Franschen zelven, die voorbeelden van galanterie,
noemen hunne gaarkoks restaurateurs; hierdoor zonder twijfel op de
ondersteuning en verlichting zinspelende, welke de wanhopige minnaar
bij hen vindt, als de wreedheid zijner uitverkorene hem diep ter neder
slaat. Mijn eigen toestand vordert zoo veel versterking, dat ik u om
dien anderen vleugel moet verzoeken, Mijnheer Sampson, zonder dat mij
dit beletten zal, Juffrouw Mannering straks om een stukje taart lastig
te vallen. – Ik dank u, Mijnheer Sampson! – Wees zoo goed mij een glas
bier te geven, Barnes!”
Terwijl de oude heer, ingenomen door de levendigheid en oplettendheden
van Julia Mannering, op dezen schertsenden, opgeruimden toon
voortpraatte, kon Mannering zijn ongeduld niet langer beteugelen. Hij
stond van de tafel op, onder voorwendsel dat hij des avonds nooit iets
at, ging met rassche schreden in het vertrek op en neder en schoof
meermalen het venster op, om te zien of hij niettegenstaande de
duisternis ook iets ontdekken of van verre het geratel van een rijtuig
hooren kon. Eindelijk steeg zijn ongeduld ten top. Hij verliet het
vertrek, nam hoed en mantel en wandelde de laan op, alsof hij hierdoor
de aankomst van het met smart verwachte rijtuig kon bespoedigen.
„Ik wenschte wel,” zei Lucie Bertram hierop, „dat de kolonel zich niet
zoo laat naar buiten waagde. Gij hebt zeker reeds gehoord, Mijnheer
Pleydell, welk eén schrik wij hier uitgestaan hebben?”
„Met de smokkelaars? Dat zijn mijne oude vrienden. Ik heb langen tijd
geleden eenigen van hen aan hunne rechtmatige straf overgeleverd.”
„En welk een verschrikkelijken angst één dezer ellendelingen, die zich
wilde wreken, ons kort daarna veroorzaakt heeft?”
„Toen de jonge Hazlewood gekwetst werd? Ja, daarvan heb ik ook
gehoord.”
„Verbeeld u, waarde Mijnheer Pleydell hoe verschrikt Julia Mannering en
ik zijn moesten, toen een woestaard, even vreeslijk door zijne
buitengewone sterkte als door zijne barsche gelaatstrekken, plotseling
op ons aanviel!”
„Gij moet weten, Mijnheer Pleydell,”, hernam Julia, niet in staat hare
gevoeligheid over deze onschuldige lastering van haren minnaar te
onderdrukken, „dat de jonge Hazlewood in de oogen der hier wonende
jonge dames zoo schoon is, dat zij iedereen, bij hem vergeleken,
afschuwelijk vinden.”
„Aha!” dacht Pleydell, een geoefend waarnemer van toon en gebaren, „er
moet zeker iets tusschen de beide vriendinnen schuilen.” – „Wel,
Juffrouw Mannering,” vervolgde hij, „ik heb den jongen Hazlewood sedert
zijne kindsche jaren niet gezien; dus moet ik de dames wel gelijk
geven; maar ik kan u, in weerwil van uwe spotternij, verzekeren, dat
gij, als gij schoone mannen wilt zien, naar Holland moet gaan. De
schoonste man, dien ik ooit gezien heb, was een Hollander, die Van
Beest, Van Buster of zoo iets, heette. Hij zal nu misschien zoo schoon
niet meer zijn.”
Nu was het Julia’s beurt, een weinig verlegen te worden; maar juist op
dit oogenblik trad de kolonel weder in de kamer en zeide: „Ik hoor nog
niets van hen; maar wij zullen nog eene poos hier bij elkander blijven.
Waar is dominé Sampson?”
„Hier ben ik, Mijnheer!”
„Welk boek hebt gij daar vóor u, Mijnheer Sampson?”
„Het is de geleerde De Lyra, kolonel. Ik wilde den heer Pleydell,
indien het hem gelegen kwam, naar zijn gevoelen over eene duistere
plaats daarin vragen.”
„Daartoe heb ik thans in het geheel geen lust, Mijnheer Sampson!”
antwoordde Pleydell; „hier is aantrekkelijkers. Ik hoop deze beide
jonge dames te bewegen, een liedje met mij aan te heffen, waarbij ik de
basstem zal zingen. Berg De Lyra maar weer weg, man! die moet een
gelegener tijdstip afwachten.”
De teleurgestelde Sampson sloeg het zware boekdeel toe en kon volstrekt
niet begrijpen, hoe zulk een geleerd man, als de heer Pleydell, zich
met zulke zotternijen kon bezig houden. De oude heer echter,
onbekommerd dat hij zijn goeden naam bij Sampson op het spel zette,
schonk zich weder een glas Bourgogner in, hief met eene niet meer zeer
schoone stem een bekend lied aan, verzocht de dames het met hem te
zingen, en kweet zich uitmuntend van de op zich genomen baspartij.
„Maar zullen uwe rozen door het laat opblijven niet verwelken,
meisjes?” vroeg de kolonel eindelijk.
„Geenszins, waarde vader!” antwoordde Julia; „uw vriend, de heer
Pleydell, dreigt morgen een scholier van Mijnheer Sampson te worden;
dus moeten wij heden avond zoo veel mogelijk partij van onze verovering
zoeken te trekken.”
Men zong dus nog een stukje en hierop volgde weder een gesprek, dat hoe
langer zoo levendiger werd. Eindelijk, nadat de klok reeds lang geleden
één uur geslagen had en op het punt stond om den snellen voortgang des
tijds weer aan te kondigen, zag Mannering, wiens ongeduld reeds lang in
teleurstelling overgegaan was, op zijn horologie en zeide: „Er is geen
denken meer aan; wij moeten hen opgeven,” toen plotseling – maar wat
toen plaats had, vordert een afzonderlijk hoofdstuk.