ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Wij beukten op de sloten,

Wij hamerden aan de deuren,

Toen wij de cel bereikten

Waar Willem lag te treuren.

Oude Ballade.

Wij snellen de ruiters vooruit naar het vertrek, waar wij Bertram en

zijn braven vriend, de onschuldige bewoners van eene voor de misdaad

gebouwde plaats verlieten.

De eerlijke pachter sliep nog zeer vast, maar Bertram was reeds voor

middernacht uit zijnen eersten, diepen slaap ontwaakt en kon niet weder

insluimeren. Zijne ziel bevond zich in een onaangenamen, onrustigen

toestand, en eene koortsachtige hitte, het gevolg van de benauwde lucht

in het kleine slaapvertrek, joeg hem het bloed met versnelden en

ongeregelden loop door de aderen. Na een tijd lang dezen hoogst

onaangenamen toestand verduurd te hebben, stond hij op en wilde het

venster openen, om versche lucht in het vertrek te verkrijgen; maar

ach! zijne eerste poging herinnerde hem, dat hij in eene gevangenis was

en dat in dit gebouw, hetwelk tot veiligheid, en geenszins tot gemak

ingericht was, de middelen, om zich versche lucht te verschaffen, niet

ter beschikking van de ongelukkige bewoners stonden. In zijne pogingen

te leur gesteld, bleef hij eenigen tijd voor het vastgesloten venster

staan. Zijn kleine hond, hoe vermoeid ook nog door de verre reis van

den vorigen dag, volgde hem uit het bed, wreef zich tegen zijne beenen

en scheen zijne vreugde over het wederzien van zijn meester door een

zacht gejank te willen uitdrukken. Bertram vertoefde hier eene geruime

poos, om te zien of de koortshitte hem zoude verlaten, en vestigde

intusschen zijn oog op de zee. De vloed was bijna op het hoogst en de

golven rolden met een dof geraas over den zandigen oever tot dicht aan

den voet van het gebouw. Nu en dan bereikte zelfs eene groote golf de

steenen borstwering achter het huis en brak met hevig geweld tegen den

muur. Bij het onzekere licht der dikwijls achter de wolken verborgen

maan, wentelde de oceaan zijne ontelbare golven tot in de onafzienbare

verte wild en woest schuimend door elkander.

„Een woest en treurig schouwspel,” sprak Bertram bij zich zelven; „het

evenbeeld van het onstuimige noodlot, dat mij, van mijne kindsheid af,

door de wereld gejaagd heeft! Wanneer zal deze onzekerheid ophouden?

Wanneer zal het mij vergund zijn, naar eene geruste en stille woning

uit te zien, waar ìk mij ongestoord en ongehinderd aan die vreedzame

kunsten kan toewijden, welker beoefening mij tot hiertoe door zorgen en

beslommeringen onmogelijk gemaakt is? Mocht het waar zijn dat, zoo als

men zegt, het oor der verbeelding de stem van zeenimfen en Tritons

onder het geklots der golven kan onderscheiden! o, mocht ik daartoe in

staat zijn en eene Sirene of een Proteus uit de diepte opstijgen, om

het raadsel van het zeldzame lot, waarin ik verward ben, voor mij te

ontknoopen!.... Gelukkige vriend!” vervolgde hij, zijn oog op den

gerust slapenden Dinmont vestigende, „uwe zorgen zijn tot den nauwen

kring van eene gezonde en zich zelve loonende werkzaamheid bepaald! Gij

kunt ze gemakkelijk afschudden en de diepe rust van lichaam en ziel

genieten, welke een gezonde arbeid voor u bereid heeft!”

Hier werd hij in zijne overdenkingen door den kleinen Wesp gestoord,

die woedend begon te blaffen en tegen het venster poogde op te

springen. Dit geluid drong in Dinmont’s oor door, maar zonder de

begoocheling te doen ophouden, welke hem uit dit ellendig vertrek op

zijne groene bergen verplaatste, en eenige woorden, die hij tusschen de

tanden mompelde: „hier, Mosterd, hier!” verrieden, dat hij zich

verbeeldde zijn hond toe te roepen. Het onophoudelijk geblaf van Wesp

werd door den hofhond op de plaats beantwoord, die langen tijd stil

gezwegen en zich slechts nu en dan, wanneer de maan plotseling van

achter de wolken te voorschijn kwam, een oogenblik had laten hooren,

maar nu aanhoudend en woedend blafte, alsof hij door iets anders dan

het blaffen van Wesp, dat in een zacht en toornig geknor was

overgegaan, verontrust werd.

Bertram, wiens opmerkzaamheid geheel gespannen was, meende nu eindelijk

eene boot op de zee te zien en menschenstemmen en den slag van riemen

tusschen het geklots der golven te onderscheiden. „Misschien zijn het

visschers, die de nacht overvallen heeft; of sluikhandelaars van het

eiland Man,” dacht hij. „Het is echter zeer vermetel zoo nabij het

tolhuis te komen, waar toch zeker schildwachten moeten zijn. De boot is

zeer groot en vol menschen; misschien zijn het wel tolbedienden.”

Bertram werd in dit denkbeeld bevestigd, toen hij zag dat de boot op

eene kleine kaai, welke achter het tolhuis tot in zee liep, aanhield.

Hier sprong de manschap, twintig in getal, aan wal en verdween in een

klein straatje, dat het tolhuis van de gevangenis scheidde, terwijl er

slechts twee mannen als wachters bij de boot teruggebleven.

De slag der riemen en de gesmoorde stemmen van deze lieden hadden de

woede van den waakzamen hofhond opgewekt, die thans zulk een

verschrikkelijk geblaf en gehuil aanhief, dat zijn meester hierdoor,

bijna even woest als de hond zelf, ontwaakte. Mac-Guffog riep uit het

venster: „Hoe nu, rakkert, wat is er? stil toch, stil, verwenschte

keffer!” Maar de hond zweeg niet en verhinderde daardoor dat zijn

meester het verontrustende geraas hoorde, dat zijne waakzaamheid

opgewekt had. De wederhelft van den tweebeenigen Cerberus, die nu ook

aan het venster kwam, had echter scherpere ooren dan haar man:

„Scheer-je naar beneden en laat den hond los,” riep zij; „de deur van

het tolhuis wordt opengebroken en de oude gek van Hazlewood-house heeft

de wacht laten weghalen. Maar het hart zit je in de schoenen!” Zonder

dralen snelde zij nu zelve heen om dit te bewerkstelligen, terwijl haar

man, die meer voor een opstand in huis dan voor een aanval van buiten

vreesde, van deur tot deur ging, om te onderzoeken of alle gevangenen

behoorlijk opgesloten waren.

Bertram, wiens kamer aan de achterzijde van het gebouw was en op zee

uitzag, kon van het geraas aan de voorzijde van het huis weinig hooren.

Hij vernam evenwel eene beweging en een gewoel in het huis zelf, die

met de ernstige stilte van eene gevangenis in het middernachtsuur

weinig schenen te strooken, en moest natuurlijk veronderstellen, dat er

iets zeer buitengewoons gaande was. Met deze gedachte naderde hij

Dinmont, om hem wakker te schudden. – „Stil, Ailie! wat wilt gij vrouw?

– het is nog geen tijd, om op te staan,” sprak de slaapdronken landman.

Heviger geschud, ontwaakte hij echter geheel, luisterde en vroeg: „Om

’s Hemels wil, wat is er te doen?”

„Dat kan ik u niet zeggen,” hernam Bertram; „maar er moet brand zijn,

of iets anders zeer ongewoons plaats hebben. Hoort gij, hoe men de

deuren hier in huis open- en toewerpt en welk een gewoel en geschreeuw

er daar buiten is? Waarlijk, er moet iets zeer buitengewoons plaats

hebben! Sta op, bid ik u, en laten wij op onze hoede zijn.”

Dinmont stond, bij het denkbeeld van gevaar, even onverschrokken en

onversaagd op, als een van zijne voorouders, toen de seinvuren

ontstoken werden. „Dat is hier eene verwenschte plaats, kapitein!”

zeide hij; „des daags wil men iemand er niet uitlaten en des nachts

gunt men hem geenen gerusten slaap. God beware mij! ìk zou het er geen

veertien dagen uithouden. Maar wat een verschrikkelijk gewoel en geraas

is dat toch? Hadden wij maar licht. – Stil, Wesp! stil toch! men kan

anders niet hooren, wat er gebeurt. Wat drommel, houd je toch stil!” –

Te vergeefs zochten zij onder de asch naar een kooltje, om hunne kaars

aan te steken. Het geraas verminderde niet. Dinmont trad op zijne beurt

aan het venster, en nauwelijks stond hij er voor, of hij riep Bertram

toe: „In ’s Hemels naam, kapitein! kom hier! Men heeft het tolhuis

opengebroken!”

Bertram vloog naar het venster en zag duidelijk een hoop smokkelaars en

andere deugnieten, van wie eenigen brandende toortsen droegen en

anderen bezig waren met balen en vaten in de groote boot, die aan de

kaai lag, te laden. Er lagen nog eenige visschersbooten bij, welke ook

achtereenvolgens geladen werden. Een paar van deze waren reeds in zee

gestoken. „De zaak is duidelijk genoeg” zeide Bertram; „maar ik vrees,

dat er nog iets ergers gebeurd is. Merkt gij ook rook, of is het

verbeelding van mij?”

„Verbeelding?” hernam Dinmont; „het rookt als een kalkoven. Vervloekt!

Als het tolhuis verbrandt, vat dit huis zeker ook vuur en wij moeten

allen als teertonnen verbranden. Het zou toch verschrikkelijk zijn, zoo

maar levend verbrand te worden, als of wij toovenaars waren! –

Mac-Guffog! hoort gij niet,” riep hij, zoo hard hij kon. „Laat ons er

uit, indien gij uwe armen en beenen lief hebt, laat ons er uit, man!

laat ons er uit!”

De vlam begon zich te verheffen en dikke rookwolken dreven voorbij het

venster, waaraan Bertram en Dinmont stonden. Soms verborg de dikke rook

alles voor hun oog; dan weder, als een windvlaag zich verhief,

verlichtte een roode gloed land en zee, en maakte de sombere, woeste

gestalten zichtbaar, welke met driftige gebaren hunne booten laadden.

De brand werd van oogenblik tot oogenblik heviger. De vlam sloeg uit

alle vensters van het brandende gebouw, terwijl brandende stoffen door

den wind naar de belendende gevangenis gedreven werden en dikke

rookwolken den geheelen omtrek bedekten. Heinde en ver klonk het

vereenigde geschreeuw van een woedende volkshoop, daar al het gepeupel

uit het dorp en de buurt, niettegenstaande het nachtelijke uur, op de

been gekomen was en zich bij de zegepralende smokkelaars gevoegd had.

Bertram begon ernstig bezorgd te worden over het lot dat hem en Dinmont

beidde. Er was geene beweging meer in huis. Het scheen, alsof de cipier

van zijn post gevlucht was en de gevangenis met alle hare ongelukkige

bewoners aan de genade van de vlammen, welke ze dreigden te verteren,

overgelaten had. Intusschen werd er een nieuwe, heviger aanval op de

buitendeur van het gebouw gedaan, die spoedig voor het geweld van

hamers en breekijzers moest bezwijken. De cipier, zelf even lafhartig

als brutaal, en zijne meer dappere vrouw waren ontvlucht en de

ondergeschikten leverden gewillig de sleutels over. De losgelatene

gevangen vierden hunne bevrijding met een woest vreugdegeschreeuw en

mengden zich onder het gepeupel, dat hunne boeien verbroken had.

Onder de verwarring, welke hierdoor ontstond, snelden drie of vier van

de voornaamste smokkelaars, met sabels en pistolen gewapend, met

brandende toortsen in het vertrek van Bertram. „De duivel!” riep de

aanvoerder, „hier moeten wij zijn!” Twee van hen grepen Bertram, doch

éen van deze fluisterde hem in het oor: „Bied geen wederstand, voor dat

gij op straat zijt.” Dezelfde man zocht en vond gelegenheid om Dinmont

te zeggen: „Volg uw vriend en help, als gij ziet dat het tijd is.”

Dinmont gehoorzaamde en volgde hen op de hielen. De beide smokkelaars

sleurden Bertram den trap af, over de plaats, die thans door den gloed

van het vuur helder verlicht was, tot in de nauwe straat, waarop de

deur uitkwam. Hier geraakte de troep door de heerschende verwarring

zeer natuurlijk eenigszins uiteen. Een plotseling gedruisch, als van

een snel naderenden troep ruiters, vermeerderde de verwarring. „Alle

duivels!” riep de aanvoerder, „wat is dat? houdt u bij elkander,

kinderen! past op den gevangene.” In weerwil van dit bevel, waren

echter de beiden, die Bertram vasthielden, de achtersten van den troep.

Op dit oogenblik vielen de toegesnelde ruiters de voorste van de

menigte aan. Het gedrang werd hoe langer zoo grooter, daar sommigen

zich zochten te verdedigen en anderen poogden te vluchten. Schoten

vielen en de schitterende zwaarden bliksemden boven de hoofden der

oproerlingen.

„Nu is het tijd,” zei de waarschuwende stem van hem, die Bertram bij

den linkerarm vasthield; „scheur u van dien knaap los en volg mij!”

Plotseling al zijne krachten inspannende, rukte Bertram zich, zonder

veel moeite, van den man, die hem aan de rechterzijde bij den kraag

hield, los. De kerel wilde een pistool grijpen, maar werd door een

vuistslag van den sterken Dinmont, waaronder een os bezweken zou zijn,

ter aarde geveld. „Volgt mij snel,” sprak thans de vriendelijke

raadgever, en sloeg een nauw morsig steegje in, dat hen uit de straat

bracht.

Niemand vervolgde hen, daar de smokkelaars, door de onverwachte

verschijning van Mac-Morlan met de dragonders, op eene andere, hoogst

onaangename wijze beziggehouden werden. Men hoorde ook de krachtige

stem van den magistraat, de menschen, die aldus op onwettige wijze

samenschoolden en de rust verstoorden, vermanen op gevaar van hun leven

uiteen te gaan. Hij zou ook vroeg genoeg gekomen zijn om den aanslag te

verijdelen, indien hij onder weg geen valsch bericht gekregen had, dat

hem moest doen denken, dat de smokkelaars in de baai van Ellangowan

landen wilden, waardoor een paar uren tijds verloren gingen. Zonder

liefdeloos te handelen, mag men gerust veronderstellen, dat dit valsch

bericht van Glossin kwam, voor wien de uitslag van dit nachtelijk

waagstuk van het uiterste belang was, en die, bij zijne angstvallige

waakzaamheid, spoedig vernemen moest, dat de ruiters Hazlewood-house

weder verlaten hadden.

Bertram en zijn vriend Dinmont volgden intusschen hun leidsman. Het

schieten, het geschreeuw van het gepeupel en het getrappel der paarden

klonken hoe langer zoo flauwer in hunne ooren. Eindelijk bereikten zij

het einde van het steegje, waar zij een wagen met vier paarden

bespannen gereed vonden.

„Zijt gij hier, in Gods naam?” vroeg de leidsman den voorrijder.

„Ja, dat ben ik; maar wenschte wel dat ik ergens anders ware,” hernam

Jaap Jabos, want hij was het.

„Doe dan het rijtuig open. – Zet u er in, heeren! gij zult spoedig op

eene veilige plaats zijn – en (tegen Bertram alleen) gedenk de belofte,

welke gij aan de Heidin gedaan hebt!”

Bertram steeg zonder dralen in het rijtuig, vast besloten, zich

lijdelijk aan den man over te geven, die hem zulk een wezenlijken

dienst bewezen had. Dinmont volgde zijn voorbeeld. Wesp, die zijn’

meester niet verliet, sprong er te gelijker tijd in, en pijlsnel rolde

de wagen voort. „Pas op,” zeide Dinmont, „nu komt, vrees ik het ergste

nog! Zoo iets gaat mijn verstand te boven! Men zal ons, hoop ik, niet

schaken! En wat zal er van mijn arm paard worden? – Ik wenschte wel dat

ik er op zat, liever dan in deze koets, al behoorde ze ook aan den

hertog zelven, God zegene hem!”

Bertram antwoordde hierop, dat zij niet lang zoo snel konden

voortrijden zonder van paarden te verwisselen; dat zij bij de eerste

herberg, waar zij stil zouden houden, verlangen konden tot het

aanbreken van den dag te wachten, of ten minste van het doel en oogmerk

hunner reis onderricht te worden, en dat Dinmont dan tevens de noodige

schikkingen omtrent zijn geliefkoosd paard kon maken. „Ja, ja,” hernam

Dandie, „dat komt mij niet onaannemelijk voor. Waren wij maar eerst uit

deze vervloekte rolkast, dan zou het hun, dunkt mij, moeite kosten, ons

een anderen weg te doen volgen dan wij verkozen.”

Onder dit gesprek draaide de wagen plotseling zijwaarts af, zoodat de

beide vrienden het nog steeds brandende dorp van verre weder konden

zien. Het vuur had thans een pakhuis, waarin sterke drank lag, bereikt

en golvend steeg de vlam, als eene schitterende lichtzuil, ten hemel.

Niet lang hadden zij dit ontzettend schoon gezicht bewonderd, of een

andere bocht in den weg bracht hen in een dicht bosch, waarin het

rijtuig, niettegenstaande den zeer donkeren nacht, met onverminderden

spoed voortrolde.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 62 / 75 题