Wij beukten op de sloten,
Wij hamerden aan de deuren,
Toen wij de cel bereikten
Waar Willem lag te treuren.
Oude Ballade.
Wij snellen de ruiters vooruit naar het vertrek, waar wij Bertram en
zijn braven vriend, de onschuldige bewoners van eene voor de misdaad
gebouwde plaats verlieten.
De eerlijke pachter sliep nog zeer vast, maar Bertram was reeds voor
middernacht uit zijnen eersten, diepen slaap ontwaakt en kon niet weder
insluimeren. Zijne ziel bevond zich in een onaangenamen, onrustigen
toestand, en eene koortsachtige hitte, het gevolg van de benauwde lucht
in het kleine slaapvertrek, joeg hem het bloed met versnelden en
ongeregelden loop door de aderen. Na een tijd lang dezen hoogst
onaangenamen toestand verduurd te hebben, stond hij op en wilde het
venster openen, om versche lucht in het vertrek te verkrijgen; maar
ach! zijne eerste poging herinnerde hem, dat hij in eene gevangenis was
en dat in dit gebouw, hetwelk tot veiligheid, en geenszins tot gemak
ingericht was, de middelen, om zich versche lucht te verschaffen, niet
ter beschikking van de ongelukkige bewoners stonden. In zijne pogingen
te leur gesteld, bleef hij eenigen tijd voor het vastgesloten venster
staan. Zijn kleine hond, hoe vermoeid ook nog door de verre reis van
den vorigen dag, volgde hem uit het bed, wreef zich tegen zijne beenen
en scheen zijne vreugde over het wederzien van zijn meester door een
zacht gejank te willen uitdrukken. Bertram vertoefde hier eene geruime
poos, om te zien of de koortshitte hem zoude verlaten, en vestigde
intusschen zijn oog op de zee. De vloed was bijna op het hoogst en de
golven rolden met een dof geraas over den zandigen oever tot dicht aan
den voet van het gebouw. Nu en dan bereikte zelfs eene groote golf de
steenen borstwering achter het huis en brak met hevig geweld tegen den
muur. Bij het onzekere licht der dikwijls achter de wolken verborgen
maan, wentelde de oceaan zijne ontelbare golven tot in de onafzienbare
verte wild en woest schuimend door elkander.
„Een woest en treurig schouwspel,” sprak Bertram bij zich zelven; „het
evenbeeld van het onstuimige noodlot, dat mij, van mijne kindsheid af,
door de wereld gejaagd heeft! Wanneer zal deze onzekerheid ophouden?
Wanneer zal het mij vergund zijn, naar eene geruste en stille woning
uit te zien, waar ìk mij ongestoord en ongehinderd aan die vreedzame
kunsten kan toewijden, welker beoefening mij tot hiertoe door zorgen en
beslommeringen onmogelijk gemaakt is? Mocht het waar zijn dat, zoo als
men zegt, het oor der verbeelding de stem van zeenimfen en Tritons
onder het geklots der golven kan onderscheiden! o, mocht ik daartoe in
staat zijn en eene Sirene of een Proteus uit de diepte opstijgen, om
het raadsel van het zeldzame lot, waarin ik verward ben, voor mij te
ontknoopen!.... Gelukkige vriend!” vervolgde hij, zijn oog op den
gerust slapenden Dinmont vestigende, „uwe zorgen zijn tot den nauwen
kring van eene gezonde en zich zelve loonende werkzaamheid bepaald! Gij
kunt ze gemakkelijk afschudden en de diepe rust van lichaam en ziel
genieten, welke een gezonde arbeid voor u bereid heeft!”
Hier werd hij in zijne overdenkingen door den kleinen Wesp gestoord,
die woedend begon te blaffen en tegen het venster poogde op te
springen. Dit geluid drong in Dinmont’s oor door, maar zonder de
begoocheling te doen ophouden, welke hem uit dit ellendig vertrek op
zijne groene bergen verplaatste, en eenige woorden, die hij tusschen de
tanden mompelde: „hier, Mosterd, hier!” verrieden, dat hij zich
verbeeldde zijn hond toe te roepen. Het onophoudelijk geblaf van Wesp
werd door den hofhond op de plaats beantwoord, die langen tijd stil
gezwegen en zich slechts nu en dan, wanneer de maan plotseling van
achter de wolken te voorschijn kwam, een oogenblik had laten hooren,
maar nu aanhoudend en woedend blafte, alsof hij door iets anders dan
het blaffen van Wesp, dat in een zacht en toornig geknor was
overgegaan, verontrust werd.
Bertram, wiens opmerkzaamheid geheel gespannen was, meende nu eindelijk
eene boot op de zee te zien en menschenstemmen en den slag van riemen
tusschen het geklots der golven te onderscheiden. „Misschien zijn het
visschers, die de nacht overvallen heeft; of sluikhandelaars van het
eiland Man,” dacht hij. „Het is echter zeer vermetel zoo nabij het
tolhuis te komen, waar toch zeker schildwachten moeten zijn. De boot is
zeer groot en vol menschen; misschien zijn het wel tolbedienden.”
Bertram werd in dit denkbeeld bevestigd, toen hij zag dat de boot op
eene kleine kaai, welke achter het tolhuis tot in zee liep, aanhield.
Hier sprong de manschap, twintig in getal, aan wal en verdween in een
klein straatje, dat het tolhuis van de gevangenis scheidde, terwijl er
slechts twee mannen als wachters bij de boot teruggebleven.
De slag der riemen en de gesmoorde stemmen van deze lieden hadden de
woede van den waakzamen hofhond opgewekt, die thans zulk een
verschrikkelijk geblaf en gehuil aanhief, dat zijn meester hierdoor,
bijna even woest als de hond zelf, ontwaakte. Mac-Guffog riep uit het
venster: „Hoe nu, rakkert, wat is er? stil toch, stil, verwenschte
keffer!” Maar de hond zweeg niet en verhinderde daardoor dat zijn
meester het verontrustende geraas hoorde, dat zijne waakzaamheid
opgewekt had. De wederhelft van den tweebeenigen Cerberus, die nu ook
aan het venster kwam, had echter scherpere ooren dan haar man:
„Scheer-je naar beneden en laat den hond los,” riep zij; „de deur van
het tolhuis wordt opengebroken en de oude gek van Hazlewood-house heeft
de wacht laten weghalen. Maar het hart zit je in de schoenen!” Zonder
dralen snelde zij nu zelve heen om dit te bewerkstelligen, terwijl haar
man, die meer voor een opstand in huis dan voor een aanval van buiten
vreesde, van deur tot deur ging, om te onderzoeken of alle gevangenen
behoorlijk opgesloten waren.
Bertram, wiens kamer aan de achterzijde van het gebouw was en op zee
uitzag, kon van het geraas aan de voorzijde van het huis weinig hooren.
Hij vernam evenwel eene beweging en een gewoel in het huis zelf, die
met de ernstige stilte van eene gevangenis in het middernachtsuur
weinig schenen te strooken, en moest natuurlijk veronderstellen, dat er
iets zeer buitengewoons gaande was. Met deze gedachte naderde hij
Dinmont, om hem wakker te schudden. – „Stil, Ailie! wat wilt gij vrouw?
– het is nog geen tijd, om op te staan,” sprak de slaapdronken landman.
Heviger geschud, ontwaakte hij echter geheel, luisterde en vroeg: „Om
’s Hemels wil, wat is er te doen?”
„Dat kan ik u niet zeggen,” hernam Bertram; „maar er moet brand zijn,
of iets anders zeer ongewoons plaats hebben. Hoort gij, hoe men de
deuren hier in huis open- en toewerpt en welk een gewoel en geschreeuw
er daar buiten is? Waarlijk, er moet iets zeer buitengewoons plaats
hebben! Sta op, bid ik u, en laten wij op onze hoede zijn.”
Dinmont stond, bij het denkbeeld van gevaar, even onverschrokken en
onversaagd op, als een van zijne voorouders, toen de seinvuren
ontstoken werden. „Dat is hier eene verwenschte plaats, kapitein!”
zeide hij; „des daags wil men iemand er niet uitlaten en des nachts
gunt men hem geenen gerusten slaap. God beware mij! ìk zou het er geen
veertien dagen uithouden. Maar wat een verschrikkelijk gewoel en geraas
is dat toch? Hadden wij maar licht. – Stil, Wesp! stil toch! men kan
anders niet hooren, wat er gebeurt. Wat drommel, houd je toch stil!” –
Te vergeefs zochten zij onder de asch naar een kooltje, om hunne kaars
aan te steken. Het geraas verminderde niet. Dinmont trad op zijne beurt
aan het venster, en nauwelijks stond hij er voor, of hij riep Bertram
toe: „In ’s Hemels naam, kapitein! kom hier! Men heeft het tolhuis
opengebroken!”
Bertram vloog naar het venster en zag duidelijk een hoop smokkelaars en
andere deugnieten, van wie eenigen brandende toortsen droegen en
anderen bezig waren met balen en vaten in de groote boot, die aan de
kaai lag, te laden. Er lagen nog eenige visschersbooten bij, welke ook
achtereenvolgens geladen werden. Een paar van deze waren reeds in zee
gestoken. „De zaak is duidelijk genoeg” zeide Bertram; „maar ik vrees,
dat er nog iets ergers gebeurd is. Merkt gij ook rook, of is het
verbeelding van mij?”
„Verbeelding?” hernam Dinmont; „het rookt als een kalkoven. Vervloekt!
Als het tolhuis verbrandt, vat dit huis zeker ook vuur en wij moeten
allen als teertonnen verbranden. Het zou toch verschrikkelijk zijn, zoo
maar levend verbrand te worden, als of wij toovenaars waren! –
Mac-Guffog! hoort gij niet,” riep hij, zoo hard hij kon. „Laat ons er
uit, indien gij uwe armen en beenen lief hebt, laat ons er uit, man!
laat ons er uit!”
De vlam begon zich te verheffen en dikke rookwolken dreven voorbij het
venster, waaraan Bertram en Dinmont stonden. Soms verborg de dikke rook
alles voor hun oog; dan weder, als een windvlaag zich verhief,
verlichtte een roode gloed land en zee, en maakte de sombere, woeste
gestalten zichtbaar, welke met driftige gebaren hunne booten laadden.
De brand werd van oogenblik tot oogenblik heviger. De vlam sloeg uit
alle vensters van het brandende gebouw, terwijl brandende stoffen door
den wind naar de belendende gevangenis gedreven werden en dikke
rookwolken den geheelen omtrek bedekten. Heinde en ver klonk het
vereenigde geschreeuw van een woedende volkshoop, daar al het gepeupel
uit het dorp en de buurt, niettegenstaande het nachtelijke uur, op de
been gekomen was en zich bij de zegepralende smokkelaars gevoegd had.
Bertram begon ernstig bezorgd te worden over het lot dat hem en Dinmont
beidde. Er was geene beweging meer in huis. Het scheen, alsof de cipier
van zijn post gevlucht was en de gevangenis met alle hare ongelukkige
bewoners aan de genade van de vlammen, welke ze dreigden te verteren,
overgelaten had. Intusschen werd er een nieuwe, heviger aanval op de
buitendeur van het gebouw gedaan, die spoedig voor het geweld van
hamers en breekijzers moest bezwijken. De cipier, zelf even lafhartig
als brutaal, en zijne meer dappere vrouw waren ontvlucht en de
ondergeschikten leverden gewillig de sleutels over. De losgelatene
gevangen vierden hunne bevrijding met een woest vreugdegeschreeuw en
mengden zich onder het gepeupel, dat hunne boeien verbroken had.
Onder de verwarring, welke hierdoor ontstond, snelden drie of vier van
de voornaamste smokkelaars, met sabels en pistolen gewapend, met
brandende toortsen in het vertrek van Bertram. „De duivel!” riep de
aanvoerder, „hier moeten wij zijn!” Twee van hen grepen Bertram, doch
éen van deze fluisterde hem in het oor: „Bied geen wederstand, voor dat
gij op straat zijt.” Dezelfde man zocht en vond gelegenheid om Dinmont
te zeggen: „Volg uw vriend en help, als gij ziet dat het tijd is.”
Dinmont gehoorzaamde en volgde hen op de hielen. De beide smokkelaars
sleurden Bertram den trap af, over de plaats, die thans door den gloed
van het vuur helder verlicht was, tot in de nauwe straat, waarop de
deur uitkwam. Hier geraakte de troep door de heerschende verwarring
zeer natuurlijk eenigszins uiteen. Een plotseling gedruisch, als van
een snel naderenden troep ruiters, vermeerderde de verwarring. „Alle
duivels!” riep de aanvoerder, „wat is dat? houdt u bij elkander,
kinderen! past op den gevangene.” In weerwil van dit bevel, waren
echter de beiden, die Bertram vasthielden, de achtersten van den troep.
Op dit oogenblik vielen de toegesnelde ruiters de voorste van de
menigte aan. Het gedrang werd hoe langer zoo grooter, daar sommigen
zich zochten te verdedigen en anderen poogden te vluchten. Schoten
vielen en de schitterende zwaarden bliksemden boven de hoofden der
oproerlingen.
„Nu is het tijd,” zei de waarschuwende stem van hem, die Bertram bij
den linkerarm vasthield; „scheur u van dien knaap los en volg mij!”
Plotseling al zijne krachten inspannende, rukte Bertram zich, zonder
veel moeite, van den man, die hem aan de rechterzijde bij den kraag
hield, los. De kerel wilde een pistool grijpen, maar werd door een
vuistslag van den sterken Dinmont, waaronder een os bezweken zou zijn,
ter aarde geveld. „Volgt mij snel,” sprak thans de vriendelijke
raadgever, en sloeg een nauw morsig steegje in, dat hen uit de straat
bracht.
Niemand vervolgde hen, daar de smokkelaars, door de onverwachte
verschijning van Mac-Morlan met de dragonders, op eene andere, hoogst
onaangename wijze beziggehouden werden. Men hoorde ook de krachtige
stem van den magistraat, de menschen, die aldus op onwettige wijze
samenschoolden en de rust verstoorden, vermanen op gevaar van hun leven
uiteen te gaan. Hij zou ook vroeg genoeg gekomen zijn om den aanslag te
verijdelen, indien hij onder weg geen valsch bericht gekregen had, dat
hem moest doen denken, dat de smokkelaars in de baai van Ellangowan
landen wilden, waardoor een paar uren tijds verloren gingen. Zonder
liefdeloos te handelen, mag men gerust veronderstellen, dat dit valsch
bericht van Glossin kwam, voor wien de uitslag van dit nachtelijk
waagstuk van het uiterste belang was, en die, bij zijne angstvallige
waakzaamheid, spoedig vernemen moest, dat de ruiters Hazlewood-house
weder verlaten hadden.
Bertram en zijn vriend Dinmont volgden intusschen hun leidsman. Het
schieten, het geschreeuw van het gepeupel en het getrappel der paarden
klonken hoe langer zoo flauwer in hunne ooren. Eindelijk bereikten zij
het einde van het steegje, waar zij een wagen met vier paarden
bespannen gereed vonden.
„Zijt gij hier, in Gods naam?” vroeg de leidsman den voorrijder.
„Ja, dat ben ik; maar wenschte wel dat ik ergens anders ware,” hernam
Jaap Jabos, want hij was het.
„Doe dan het rijtuig open. – Zet u er in, heeren! gij zult spoedig op
eene veilige plaats zijn – en (tegen Bertram alleen) gedenk de belofte,
welke gij aan de Heidin gedaan hebt!”
Bertram steeg zonder dralen in het rijtuig, vast besloten, zich
lijdelijk aan den man over te geven, die hem zulk een wezenlijken
dienst bewezen had. Dinmont volgde zijn voorbeeld. Wesp, die zijn’
meester niet verliet, sprong er te gelijker tijd in, en pijlsnel rolde
de wagen voort. „Pas op,” zeide Dinmont, „nu komt, vrees ik het ergste
nog! Zoo iets gaat mijn verstand te boven! Men zal ons, hoop ik, niet
schaken! En wat zal er van mijn arm paard worden? – Ik wenschte wel dat
ik er op zat, liever dan in deze koets, al behoorde ze ook aan den
hertog zelven, God zegene hem!”
Bertram antwoordde hierop, dat zij niet lang zoo snel konden
voortrijden zonder van paarden te verwisselen; dat zij bij de eerste
herberg, waar zij stil zouden houden, verlangen konden tot het
aanbreken van den dag te wachten, of ten minste van het doel en oogmerk
hunner reis onderricht te worden, en dat Dinmont dan tevens de noodige
schikkingen omtrent zijn geliefkoosd paard kon maken. „Ja, ja,” hernam
Dandie, „dat komt mij niet onaannemelijk voor. Waren wij maar eerst uit
deze vervloekte rolkast, dan zou het hun, dunkt mij, moeite kosten, ons
een anderen weg te doen volgen dan wij verkozen.”
Onder dit gesprek draaide de wagen plotseling zijwaarts af, zoodat de
beide vrienden het nog steeds brandende dorp van verre weder konden
zien. Het vuur had thans een pakhuis, waarin sterke drank lag, bereikt
en golvend steeg de vlam, als eene schitterende lichtzuil, ten hemel.
Niet lang hadden zij dit ontzettend schoon gezicht bewonderd, of een
andere bocht in den weg bracht hen in een dicht bosch, waarin het
rijtuig, niettegenstaande den zeer donkeren nacht, met onverminderden
spoed voortrolde.