ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Geen taal van een waanzinnige

Heb ik gesproken. Stel me op de proef!

Hamlet.

Zoodra Sampson met verwilderde blikken in huis trad, ijlde de goede

huishoudster, die op zijn terugkomst wachtte, hem te gemoet en zeide:

„Wat is dat, Mijnheer Sampson? Zoo erg is het nog nooit geweest! Dat

lange vasten zal u waarlijk kwaad doen. Niets is zoo nadeelig voor de

maag. Waarom naamt gij niet een weinig pepermuntwater en een paar

boterhammen mede?”

„Verwijder u!” hernam Sampson, nog vervuld met zijne ontmoeting met Meg

Merrilies en snelde, zonder zich langer op te houden, naar de eetzaal.

„Daar behoeft gij niet heen te gaan,” riep de huishoudster weder, „de

tafel is reeds meer dan een uur geleden afgenomen en de kolonel zit bij

zijn wijn. Kom liever op mijne kamer; ik heb nog een lekker stukje, dat

de kok in een oogenblik gereed kan maken.”

„Exorciso te!” antwoordde Sampson, „dat is – ik heb reeds gegeten.”

„Reeds gegeten! Onmogelijk. Bij wien kunt gij gegeten hebben, daar gij

nooit ergens binnen gaat?”

„Bij Beëlzebub, geloof ik,” hernam Sampson.

„Nu is hij zeker behekst!” zei de huishoudster bij zich zelve en liet

hem gaan. „Hij is zeker behekst of gek, en de kolonel moet hem weder

terechtbrengen. Ach, lieve hemel! het is toch ongelukkig dat de

geleerdheid de menschen soms zoo ver brengt!” Na deze ontboezeming van

haar innig medelijden, begaf zij zich weder aan hare bezigheden.

Het voorwerp van haar medelijden was intusschen de eetzaal binnen

getreden en ook hier baarde zijn voorkomen geene geringe verwondering.

Hij was tot aan de schouders met slijk bespat, en schrik, vermoeidheid

en ontroering hadden zijn natuurlijk bleek gelaat met eene doodskleur

bedekt.

„Om ’s Hemels wil, wat beteekent dit alles, Sampson?” riep Mannering

uit, toen hij zag, met welke hevige ontroering Lucie Bertram haren

eenvoudigen, maar getrouwen vriend aanstaarde.

„Exorciso,” antwoordde Sampson.

„Wat zegt gij?”

„Vergeef mij! maar mijn verstand –”

„Is op hol, geloof ik. Ik bid u, Mijnheer Sampson, bedaar en vertel mij

wat dit alles beteekent.”

Sampson wilde antwoorden. Maar daar zijne Latijnsche

bezweringsformulieren hem steeds onwillekeurig op de lippen kwamen, zag

hij voorzichtigheidshalve hiervan af en overhandigde Mannering den

brief van de Heidin. De kolonel brak het schrijven open, las den inhoud

met verwondering en zeide: „Dit schijnt eene scherts te zijn en wel

eene zeer zotte scherts.”

„De brief komt toch van iemand, die niet van schertsen houdt,” hernam

Sampson.

„Van wien komt die dan?”

De dominé, die dikwijls blijken van een fijn en kiesch gevoel met

betrekking tot Lucie Bertram gaf, dacht aan de smartelijke

herinneringen, welke door den naam van Meg Merrilies bij haar opgewekt

moesten worden, keek de jonge dames aan en zweeg.

„Wij zullen spoedig aan de theetafel weder bij u komen Julia!” sprak

Mannering tot haar; „ik zie, dat Mijnheer Sampson mij alleen wenscht te

spreken.”

De dames verlieten het vertrek en de kolonel vervolgde: „Wij zijn nu

alleen; zeg mij nu in ’s Hemels naam toch wat dit beteekent.”

„Het kan eene boodschap van den Hemel zijn,” hernam Sampson, „maar door

eene bodin van Beëlzebub is ze tot mij gekomen. Meg Merrilies, die

reeds voor twintig jaren als eene heks, dievegge, tooveres en Heidin in

eene teerton verbrand had moeten worden, heeft mij den brief gegeven.”

„Zijt gij er zeker van, dat zij het geweest is?” vroeg Mannering met

veel belangstelling.

„Of ik er zeker van ben, kolonel? Haar evenbeeld wordt nergens

gevonden.”

De kolonel wandelde in gepeins de kamer op en neder. „Zal men haar

zoeken te vatten?” sprak hij bij zich zelven; „maar het is te ver, om

naar Mac-Morlan te zenden, en Sir Robert Hazlewood is een verwaande

gek. Misschien zou men haar ook niet meer op die plaats vinden, of zij

kon het in het hoofd krijgen, geen woord te willen zeggen, even als

voor mijne terugkomst. – Neen, men moge mij vrij een dwaas noemen, ik

wil den wenk, dien zij mij geeft, niet in den wind slaan. Velen van

hare soort zijn eerst bedriegers en worden eindelijk geestdrijvers, of

bewandelen een weg, die tusschenbeide ligt, tot dat zij bijna zelf niet

meer weten, of zij anderen of zich zelven misleiden. – Welaan, de weg

dien ik insla, is in elk geval de eenvoudigste; en zijn mijne pogingen

ook vruchteloos, dan zal ten minste geen te groot vertrouwen op mijne

eigene wijsheid de schuld daarvan dragen.”

Hierop schelde hij en beval Barnes, hem in zijn schrijfvertrek te

volgen. Voor dat wij echter het gevolg der bevelen, welke hij dezen

hier in stilte gaf, vernemen, moeten wij ons met eene andere

gebeurtenis van dezen merkwaardigen dag bezig houden.

Karel Hazlewood had het niet gewaagd, gedurende de afwezigheid van den

kolonel een bezoek op Woodbourne af te leggen. Het was hem uit

Mannerings geheele gedrag gebleken, dat deze dit niet gaarne zien zou;

en de invloed, welken de bekwame en hoogst beschaafde krijgsman op het

gedrag van den jongeling verkregen had, was zoo groot, dat deze hem om

niets ter wereld zou willen beledigen. Hij meende wel uit Mannering’s

gedrag te kunnen opmaken, dat deze zijne neiging voor Lucie Bertram

niet afkeurde; doch tevens, hoe onbetamelijk elke poging zou zijn, om

heimelijk eene verstandhouding aan te knoopen, welke zijne ouders, zoo

als hij duidelijk begreep, niet zouden goedkeuren; en hij eerbiedigde

den scheidsmuur, welke tusschen hem en zijne geliefde bestond, beide om

Mannering’s wil en om haar niet van de bescherming van dezen warmen en

belangeloozen vriend te berooven, „Neen,” zeide hij bij zich zelven,

„ik wil mijne Lucie niet aan het gevaar blootstellen, deze schuilplaats

te verliezen, vóor dat ik haar een eigen huis kan aanbieden!”

Hoewel hij den eersten dag Woodbourne tweemalen voorbijreed en zijn

paard uit gewoonte steeds den weg naar het huis insloeg, weerstond hij,

getrouw aan zijn dapper besluit, zijn hevig verlangen om er heen te

rijden, ten einde naar den welstand der jonge dames te vernemen en haar

te vragen, of hij haar gedurende de afwezigheid van den kolonel ook van

eenigen dienst kon zijn. Den volgenden keer vond hij de verzoeking

echter zoo sterk, dat hij er zich niet ten derden male aan wilde

blootstellen. Hij vergenoegde zich dus met zijne hartelijke groeten

naar Woodbourne te zenden en er nu en dan om tijding te laten vragen,

en besloot een reeds lang beloofd bezoek bij eene familie af te leggen,

die op eenigen afstand woonde, en dadelijk na Mannering’s tehuiskomst

terug te keeren, om een der eersten te zijn die den kolonel met zijne

veilige terugkomst uit Edinburg geluk kwamen wenschen. „Hij begaf zich

dus op weg, na de noodige maatregelen genomen te hebben, dat hij

weinige uren na Mannering’s aankomst te Woodbourne bericht daarvan

kreeg. Dan wilde hij afscheid van zijne vrienden nemen bij wie hij zoo

lang vertoeven zou, en het middagmaal te Woodbourne gebruiken, waar hij

als huisvriend verkeerde, en vleide zich (want hij dacht veel ernstiger

over de zaak, dan noodig was), dat dit gedrag natuurlijk en ongezocht

zou schijnen.

Het noodlot, waarover verliefden zoo dikwijls klagen, was Karel

Hazlewood bij deze gelegenheid niet gunstig. Wegens de ingevallen vorst

moest zijn paard op nieuw beslagen worden. Zijne gastvrouw verkoos

juist op den tot zijn vertrek bestemden morgen buitengewoon lang op

hare kamer te blijven, zoodat het met het ontbijt zeer laat werd; en

zijn vriend wilde hem volstrekt nog eerst de jongen laten zien, welke

zijn schoonste hond dien morgen geworpen had. De kleur had eenigen

twijfel over de echtheid van het ras doen ontstaan. Hazlewood moest in

dezen gewichtigen strijd tusschen zijn vriend en diens rijknecht

uitspraak doen, en daardoor de vraag beslissen, welke van de jongen

verdronken en welke in het leven behouden zouden worden. Bovendien

vertraagde zijn gastheer het vertrek van zijn jongen vriend nog

geruimen tijd door eene wijdloopige en sierlijke rede, welke ten doel

had, Sir Robert Hazlewood, door diens zoon, tot zijne eigene

denkbeelden omtrent eenen nieuw aan te leggen weg over te halen. Maar

(tot schande van het verstand des jongen mans moet het bekend worden),

na eene tienmalige herhaling van de geheele zaak, zag hij nog het

voordeel niet in, dat deze weg over Lang-hirst, Windy-knowe,

Goodhouse-park, Hailziecroft, bij Simon’s pool over de rivier, en zoo

naar den weg van Kippletringan, zou opleveren, boven den, door den

Engelschen landmeter voorgestelden, die over het grondgebied van

Hazlewood, op omstreeks een kwartier afstands van het huis loopen, en

dus, zoo als de spreker betoogde, de vrijheid en rust van dit landgoed

benadeelen zou.

Om kort te gaan, het mislukte zijn vriend (wiens doel het eigenlijk

was, de brug zoo dicht mogelijk bij eene van zijne eigene hoeven

geplaatst te hebben) geheel en al, de aandacht van den jongen Hazlewood

te boeien, tot hij zich liet ontvallen, dat het door den landmeter

voorgestelde plan door dien Glossin, dien gelukzoeker, die zich thans

zoo veel gezag wilde aanmatigen, ondersteund werd. Eensklaps werd de

jonge Hazlewood opmerkzaam en scheen hij belang in de zaak te stellen.

Hij vroeg nauwkeurig, hoe Glossin den weg verlangde te hebben, en

verzekerde zijn vriend, dat het zijne schuld niet zou zijn, als zijn

vader niet ieder ander voorstel aangaande dezen weg ondersteunde. Onder

al deze bedrijven was de morgen verloopen. Hazlewood steeg ten minste

drie uren later, dan hij voorgenomen had, te paard, bij zich zelven den

jachthond en den weg verwenschende, waardoor hij zoo lang opgehouden

was, dat hij met welvoegelijkheid geen bezoek meer bij de familie te

Woodbourne kon afleggen.

Hij was dus den weg, die naar dat landhuis leidde, voorbijgereden en

werd alleen gesticht, door van verre den rook te kunnen beschouwen, die

dwarlend in de bleeke avondlucht opsteeg, toen hij onverwachts Sampson

langs een voetpad door het bosch naar huis meende te zien snellen.

Hazlewood riep hem, maar te vergeefs: want de goede man, buitendien

nooit zeer vatbaar voor uiterlijke indrukken, was juist op dat

oogenblik van Meg Merrilies gescheiden, en veel te diep in gedachten

over hare voorspellingen verzonken, om op het geroep te antwoorden.

Hazlewood moest hem dus zijn weg laten vervolgen, zonder hem naar de

gezondheid van de jonge dames te kunnen vragen, of een gesprek met hem

te kunnen beginnen, waarin de goede man den naam van Lucie Bertram

misschien toch genoemd zou hebben. Hazlewood, die nu geen reden meer

had om zich te haasten, legde zijn paard de teugels op en hals en liet

het dier langzaam den steilen zandigen weg opstappen, welke tusschen

twee heuvels doorliep en hem eindelijk op eene aanzienlijke hoogte

bracht, vanwaar hij een ruim uitzicht over het omliggende land had. Hij

bekommerde zich weinig om dit gezicht, niettegenstaande het grootste

gedeelte dier landerijen aan zijn vader behoorde en dus eens zijn

eigendom moest worden, maar hield zijne blikken onafgebroken op de

schoorsteenen van Woodbourne gericht, wat toch bij iedere schrede van

het paard moeielijker voor hem werd. Plotseling werd hij uit de

droomen, waarin hij verzonken was, gewekt door eene stem, welke te ruw

voor eene vrouw, maar ook te schel voor een man was, en hem toeriep:

„Waarom talmt gij zoo lang op den weg? Moeten anderen uw werk doen?”

Hij keek op en ontwaarde eene zeer lange vrouw, die een dikken doek,

waaronder hare grijze haren in verwarde lokken weg hingen, om het hoofd

gewonden had. Zij droeg een langen rooden mantel en had een stok met

eene ijzeren punt in de hand. Met één woord, Meg Merrilies stond voor

hem. Hazlewood had deze merkwaardige vrouw nog nooit gezien. Door haar

voorkomen verrast, trok hij de teugels aan en hield stil. „Mij dunkt,”

vervolgde zij, „dat iedereen, die belang stelt in het huis van

Ellangowan, heden nacht niet slapen zou. Drie mannen hebben u gezocht,

en gij gaat naar huis, om in uw bed te slapen? Denkt gij, dat de zuster

gelukkig kan zijn, als de broeder valt? neen, neen!”

„Ik begrijp u niet, goede vrouw,” antwoordde Hazlewood. „Bedoelt gij

Juffrouw – ik wil zeggen iemand van de voormalige familie van

Ellangowan, zoo zeg mij, wat ik doen kan.”

„Van de voormalige familie van Ellangowan?” antwoordde zij driftig; van

de voormalige familie Ellangowan! En wanneer was er ooit, of wanneer

zal er ooit eene familie van Ellangowan zijn, die den edelen naam van

de dappere Bertram’s niet draagt?”

„Maar wat wilt gij toch, goede vrouw?”

„Ik ben geene goede vrouw: het geheele land weet, dat ik boos genoeg

ben, en menigeen doet het even als mij zelve leed genoeg, dat ik niet

beter ben. Maar ik kan doen, wat brave vrouwen niet kunnen en niet

durven. Ik kan dingen doen, waarbij andere vrouwen, die binnen hare

vier muren opgegroeid zijn en nergens toe deugen dan om hare kinderen

te kleeden en in de wieg te schommelen, het bloed in de aderen zou doen

stollen. Hoor naar mij! – De wacht heeft, op uws vaders bevel, het

tolhuis te Portanferry verlaten en zich naar Hazlewood-house begeven.

Hij denkt, dat zijn huis heden nacht door de smokkelaars aangevallen

zal worden; maar daaraan denkt niemand: hij heeft goed en edel bloed.

Ik wil niet veel van hem zeggen, maar men oordeelt hem niet waard, zich

met hem te bemoeien. Zend de ruiters, zonder dralen, gerust naar hun

post terug. Geef acht, of zij daar heden nacht iets te doen zullen

hebben! Veel hebben zij te doen. De kogels zullen flitteren en de

zwaarden zullen schitteren in het maanlicht.”

„Goede Hemel! wat bedoelt gij? Uit uw gedrag en uwe woorden zou ik

bijna besluiten, dat gij krankzinnig zijt; en toch is er eene

wonderlijke samenhang in alles, wat gij zegt.”

„Ik ben niet krankzinnig! Men heeft mij als eene krankzinnige

opgesloten, geslagen en gebannen – maar krankzinnig ben ik niet.

Luister, Karel Hazlewood van Hazlewood! draagt gij hem, die u gekwetst

heeft, een kwaad hart toe?”

„Neen, vrouw! daarvoor beware mij de hemel! Mijn arm is geheel hersteld

en ik heb altijd gezegd, dat het schot toevallig geweest is. Het zou

mij genoegen doen, den jongen man dit te kunnen zeggen.”

Doe dan, wat ik u zeg; en gij zult hem meer goed doen, dan hij u ooit

kwaad gedaan heeft: want indien hij aan zijne vijanden overgelaten

wordt, zal hij, eer de morgen daagt, een bloedig lijk of een gebannen

man zijn – maar er is Éen boven ons allen! Doe, wat ik u zeg; zend de

soldaten terug. Er is niets voor Hazlewood-house te vreezen.” Na deze

woorden verdween zij met haren gewonen spoed.

Het mislukte deze merkwaardige vrouw door haar geheele voorkomen,

gepaard met hare woorden, welke half uit krankzinnigheid, half uit eene

verhitte verbeelding schenen voort te komen, zeer zelden, den diepsten

indruk op hare hoorders te maken. Hare uitdrukkingen, ofschoon woest en

onbeschaafd, waren te eenvoudig en te verstaanbaar voor dadelijke

krankzinnigheid, maar tevens te hevig en overdreven voor een bedaard

verstand. Zij scheen naar de inspraak van eene, eerder sterk verhitte,

dan verbijsterde verbeeldingskracht te handelen, en het is wonderbaar,

hoe levendig het onderscheid in zulke gevallen door den hoorder gevoeld

wordt. Van daar misschien de opmerkzaamheid, waarmede hare vreemde en

geheimzinnige wenken aangehoord en gevolgd werden. Ook op den jongen

Hazlewood maakten hare plotselinge verschijning en haar gebiedende toon

diepen indruk. Hij reed snel naar huis en vond hier, bij zijne aankomst

in den laten avond, de bevestiging van de woorden der Heidin.

Dertig dragonderspaarden stonden met aan elkander gebondene teugels

onder een afdak bij den stal. Drie of vier ruiters hielden hierbij de

wacht, terwijl anderen met hunne lange sabels en zware laarzen voor het

huis op en neder gingen. Hazlewood vroeg een alleen staanden

onderofficier van waar zij gekomen waren.

„Van Portanferry,” antwoordde hij.

„Hebt gij er eene wacht gelaten?”

„Neen; op bevel van Sir Robert Hazlewood moesten wij die plaats

verlaten en ons hierheen begeven, om zijn huis tegen een gedreigden

aanval van de smokkelaars te beschermen.”

Karel Hazlewood zocht dadelijk zijn vader op en verzocht, na hem

gegroet te hebben, de reden te mogen weten, waarom hij het noodig

geoordeeld had, deze ruiters te laten komen. Sir Robert antwoordde, dat

hij ten gevolge der berichten, boodschappen en tijdingen, welke hij

gekregen en ontvangen had, zeker moest gelooven, vertrouwen en

overtuigd zijn, dat eene bende smokkelaars, Heidenen en andere

booswichten dien nacht een aanval op Hazlewood-House beproeven en

ondernemen zoude.

„En waarom, beste vader, zouden deze lieden het juist op ons huis, en

niet op eenig ander in dezen omtrek, gemunt hebben?”

„Ik zou denken, veronderstellen en van gevoelen zijn,” antwoordde Sir

Robert, „en laat dit aan het oordeel van uw verstand en ondervinding

over, dat de wraak van zulke menschen, in deze tijden en bij zulke

gelegenheden tegen diegenen gericht en opgewekt is, welke door rang,

bekwaamheden, geboorte en omstandigheden het meest uitmunten en zich

onderscheiden, en hunne onwettige, ongeoorloofde en misdadige

handelingen of daden verijdeld, beteugeld en gestraft hebben.”

De jonge Hazlewood, die zijns vaders zwak kende, antwoordde, dat zijne

verwondering een anderen grond had, dan Sir Robert scheen te vermoeden;

maar dat het hem zeer vreemd voorkwam, dat die lieden het in den zin

zouden krijgen een huis aan te vallen, waar zoo vele bedienden waren en

waar men, door een teeken aan de naburige pachters, zulk een sterke

hulp kon roepen. Ook vreesde hij, merkte hij verder aan, dat het voor

het aanzien der familie eenigermate nadeelig zou zijn, de soldaten van

hun post aan het tolhuis tot zich te roepen om Hazlewood-House te

beschermen, even alsof men hier niet sterk genoeg ware om zich bij

gewone gelegenheden zelf te verdedigen. Hij liet zich zelfs ontvallen,

dat er, ingeval deze voorzorg noodeloos werd bevonden, aan de bittere

spotternijen van de vijanden hunner familie geen einde zou zijn.

Sir Robert Hazlewood werd hierdoor eenigszins onthutst: want even als

de meeste onverstandige menschen, haatte en vreesde hij niets zoo zeer,

als voor belachelijk gehouden te worden. Hij bedacht zich evenwel en

zocht den schijn aan te nemen, alsof hij zich niet om het oordeel van

het algemeen, dat hij toch inderdaad vreesde, bekommerde.

„Ik zou waarlijk denken,” zeide hij, „dat de beleediging mijn huis

reeds in uw persoon als den naasten erfgenaam en toekomstigen

vertegenwoordiger van de familie Hazlewood aangedaan – ik zou denken en

van meening zijn, dat dit mij in de oogen van het achtenswaardigste en

grootste gedeelte van het volk voldoende zou rechtvaardigen over het

nemen van de noodige voorzorgen, om eene herhaling der beleediging te

verhinderen en te voorkomen.”

„Ik moet u nog eens herinneren, vader, dat ik, zoo als ik vroeger reeds

meermalen gezegd heb, vast overtuigd ben dat het schot enkel toevallig

was.”

„Neen, het was niet toevallig; maar gij wilt wijzer zijn dan uwe

ouders.”

„Waarlijk, vader, in eene zaak die mij in de eerste plaats aangaat –”

„Zij gaat u geenszins in de eerste plaats aan, – namelijk, zij gaat u

als een lichtzinnigen jongeling, die er vermaak in schept zijn vader

tegen te spreken, niet aan; maar zij gaat het land, het graafschap, het

volk en het koninkrijk Schotland aan, in zoo verre het belang van de

familie Hazlewood in, met en door u bedreigd, aangevallen en in gevaar

gebracht wordt. Maar de knaap is in verzekerde bewaring en Mijnheer

Glossin denkt –”

„Mijnheer Glossin, vader?”

„Ja, mijn zoon, de heer, die Ellangowan gekocht heeft. Mij dunkt, gij

weet wel wien ik bedoel?”

„Ja, vader, maar het verwondert mij, dat gij u op dezen man beroept, op

een man, dien de geheele wereld als een lagen, inhaligen bedrieger kent

en dien ik voor nog erger houd. En wanneer hebt gij ooit te voren zulk

eenen man een’ heer genoemd?”

„Hoor, Karel! ik gebruik dit woord hier niet in den eigenlijken,

juisten en bepaalden zin, waarin het van rechtswege alleen gebruik

moest worden; maar ik gebruik het hier in een algemeenen en onbepaalden

zin en met betrekking tot den stand, waartoe hij zich verheven heeft.

Ik bedoel er mede om kort te gaan, enkel een fatsoenlijk, welgesteld en

achtenswaardig man.”

„Vergun mij, vader, u te vragen of de wacht op het bevel van dezen man

Portanferry verlaten heeft?”

„Ik denk niet, dat de heer Glossin zich aanmatigen zou, ongevraagd

bevelen te geven, of ook slechts zijn gevoelen te zeggen in eene zaak,

welke Hazlewood-House en het huis van Hazlewood – ik bedoel hiermede

dat het éene mijn woonhuis en door het andere zinnebeeldig, oneigenlijk

en figuurlijk gesproken, mijne familie zelve – ik zeg dus, welke

Hazlewood-House en het huis van Hazlewood zoo onmiddellijk aangaat.”

„Vermoedelijk heeft hij echter den maatregel goedgekeurd?”

„Ik oordeelde het betamelijk, rechtmatig en gepast, hem als den

naastbijwonenden overheidspersoon te raadplegen, zoodra het bericht van

den gedreigden aanval tot mij kwam: en ofschoon hij uit rechtmatigen

eerbied en ontzag voor onze wederzijdsche betrekkingen zich

verontschuldigde om tot het geven van bevelen mede te werken, heeft hij

den genomen maatregel volkomen goedgekeurd.”

Op dit oogenblik hoorde men paardengetrappel in de laan en na weinige

minuten ging de kamerdeur open en trad de heer Mac-Morlan het vertrek

binnen. „Verschoon mij, indien ik ongelegen kom, Sir Robert, maar –”

„In geenen deele, Mijnheer Mac-Morlan! Uw post als substituut-sheriff,

legt u den plicht op voor den vrede en de rust in het graafschap te

waken, (en gij gevoelt u zonder twijfel bijzonder geroepen, om

Hazlewood-house te beschermen); dus hebt gij een erkend, onbetwistbaar

en onloochenbaar recht om het huis van den eersten en aanzienlijksten

heer in Schotland binnen te treden, daar men toch altijd

veronderstellen moet, dat gij daar door uw ambtsplicht geroepen wordt.”

„Het is inderdaad uit hoofde van mijn ambtsplicht,” antwoordde

Mac-Morlan, die met ongeduld op eene gelegenheid tot spreken wachtte,

„dat ik mij hier onaangemeld indring.”

„Gij dringt u niet in!” hernam de baronet, genadig met de hand

wuivende.

„Veroorloof mij, Sir Robert, u te zeggen, dat ik niet gekomen ben, om

hier te vertoeven, maar om deze ruiters naar Portanferry terug te

brengen. Ik blijf u borg voor de veiligheid van uw huis.”

„Om de wacht van Hazlewood-house weg te nemen?” riep de eigenaar

evenzeer vertoornd als beleedigd. „En gij wilt er verantwoordelijk voor

zijn! Ik bid u, Mijnheer Mac-Morlan! wie zijt gij, dat ik uwe

persoonlijke of ambtelijke verzekering, verantwoordelijkheid, of

borgtocht, voor de veiligheid van Hazlewood-house zou kunnen aannemen?

Ik denk, geloof en ben van gevoelen, dat het moeielijk voor mij zijn

zou, de geledene schade op den borgtocht, dien gij mij zoo vriendelijk

aanbiedt, te verhalen, wanneer slechts éen van deze familieportretten

beschadigd, geschonden of vernield wierd.”

„Dat zou mij leed doen, Sir Robert, hernam Mac-Morlan kortaf,” maar ik

denk dat ik geen gevaar loop, door mijn gedrag zulk eene onherstelbare

schade te veroorzaken, en kan u verzekeren, dat er volstrekt geen

aanslag hoegenaamd op Hazlewood-house te vreezen is. Ik heb berichten

ontvangen, welke mij doen vermoeden, dat dit gerucht enkel uitgestrooid

is, om de wacht van Portanferry te verwijderen. En in deze vaste

veronderstelling moet ik mijn gezag als sheriff en hoofd der politie

doen gelden, om de dragonders, of ten minste het grootste gedeelte er

van, weder naar hun post te zenden. Het spijt mij zeer, dat er door

mijne toevallige afwezigheid reeds veel tijd verloopen is, zoo dat wij

Portanferry niet dan zeer laat kunnen bereiken.”

Daar Mac-Morlan de opperste overheidspersoon was, en verklaarde dat hij

uit kracht van zijn ambt zoo stellig sprak, kon de baronet, ofschoon

zeer beleedigd, hier niets tegen inbrengen en zeide: „Zeer wel,

Mijnheer Mac-Morlan! zeer wel! Neem ze allen mede: ik verlang geen één

hier te houden. Wij kunnen ons zelven wel verdedigen. Ik verzoek u

echter er om te denken, dat gij op uw eigen gevaar, op uwe eigene

verantwoordelijkheid handelt, in geval mijn huis, zijne bewoners, of

het huisraad en de schilderijen iets overkomen of bejegenen mocht.”

„Ik handel naar mijn beste weten en oordeel, Sir Robert,” hernam

Mac-Morlan, „en ik verzoek u dit te gelooven en mij dus te

verontschuldigen. Maar er is geen tijd om plichtplegingen te maken; het

is reeds zeer laat.”

Sir Robert verwaardigde zich niet naar deze verontschuldigingen te

luisteren, en nam de noodige maatregelen, om zijne talrijke dienstboden

te wapenen. Karel Hazlewood had grooten lust, om de krijgslieden te

vergezellen, die te paard stegen om onder de bevelen van Mac-Morlan

naar Portanferry terug te keeren; maar vreesde met recht zijn vader te

zullen bedroeven en beleedigen, als hij hem op een oogenblik, waarin

deze zich door vijanden omringd waande, verliet. De jongeling keek dus

met innigen spijt en een onderdrukt misnoegen uit het venster, tot hij

het bevel van den officier: „rechts uit de flank, met rotten rechts, in

draf, – marsch!” hoorde. De ruiters reden in snellen draf weg, zoo dat

zij spoedig tusschen de boomen verdwenen en de hoefslag hunner paarden

niet meer gehoord kon worden.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 61 / 75 题