– Zegt van waar
Gij deze vreemd’ berichten hebt ontleend?
Waarom houdt ge ons staande op deze dorre hei?
Waarom begroet gij ons met voorspellingen?
Spreekt, ik beveel het u!
Shakspeare.
Op den avond van denzelfden dag, waarop Bertram’s verhoor plaats had
gehad, kwam Mannering van Edinburg te Woodbourne terug. Hij vond zijne
huisgenooten in hun gewonen toestand, wat ten minste ten opzichte van
Julia waarschijnlijk het geval niet zou zijn geweest, als zij iets van
Bertram’s gevangenneming geweten had. Maar daar de beide jonge dames
gedurende de afwezigheid van den kolonel zeer stil en eenzaam geleefd
hadden, was dit bericht gelukkig nog niet tot Woodbourne doorgedrongen.
Lucie Bertram was reeds vroeger door een brief van de verijdeling harer
hoop op de nalatenschap van hare nicht onderricht. Deze teleurstelling,
welke verwachtingen hierdoor ook vernietigd mochten zijn, belette haar
evenwel niet, den kolonel met dezelfde opgeruimdheid en blijmoedigheid
te ontvangen, als hare vriendin. Zij wilde hem hier bewijzen, hoe diep
zij zijne vaderlijke genegenheid gevoelde, en betuigde hem haar oprecht
leedwezen, dat hij in dit jaargetijde om harentwil eene zoo vergeefsche
reis ondernomen had.
„Dat ze voor u vruchteloos geweest is, mijne waarde, spijt mij zeer,”
antwoordde de kolonel: „maar ik heb zulke uitnemende kennissen gemaakt
en mijn tijd in Edinburg zoo aangenaam doorgebracht, dat er in dit
opzicht niets te betreuren valt. Zelfs onze vriend Sampson is een
geheel ander man geworden, sedert hij zijn geest door het strijden
tegen de grootste vernuften van de noordsche hoofdstad geslepen heeft.”
„Zeker,” zei de dominé met een innig zelfbehagen, „ik heb gestreden en
ben niet overwonnen, hoe listig mijne tegenpartij ook was.”
„De strijd zal misschien wel wat hachelijk geweest zijn, Mijnheer
Sampson!” merkte Julia Mannering op.
„Zeer hachelijk, jonge dame! – hoewel ik mijne lendenen omgordde en
alle mijne krachten inspande.”
„Ik kan getuigen,” hernam de kolonel, „dat ik nooit een gevecht gezien
heb, waarin van weerskanten beter gevochten werd. De vijand was als de
ruiterij der Mahratten; hij viel aan alle zijden aan en gaf geen enkel
zwak punt aan het geschut bloot; maar Mijnheer Sampson hield toch stand
bij zijn geschut en vuurde er frisch op los, nu op den vijand en dan op
de stofwolken, welke hij verwekt had. Voor heden avond zullen wij onze
gevechten echter staken; morgen, bij het ontbijt, zullen wij u alles
uitvoerig verhalen.”
Den volgenden morgen verscheen echter Sampson niet bij het ontbijt. Een
bediende zeide, dat hij des morgens zeer vroeg uitgegaan was. Men was
er reeds zoozeer aan gewoon dat hij eten en drinken vergat, dat zijne
afwezigheid geene stoornis in de huishouding te weeg bracht. De oude,
deftige, presbteriaanschgezinde huishoudster, die den diepsten eerbied
voor den geleerden geestelijke koesterde, moest er bij zulke
gelegenheden voor zorgen, dat hij door zijne afgetrokkenheid niet te
kort kwam, en paste er bij zijne terugkomst gewoonlijk op, hem aan
zijne aardsche behoeften te herinneren en daarin te voorzien. Het
gebeurde echter zelden, dat hij, zoo als heden het geval was, twee
maaltijden achtereen verzuimde. Wij moeten dit vreemde geval nader
verklaren.
Het gesprek van Pleydell met Mannering over het verdwijnen van Hendrik
Bertram, had bij Sampson de diepen smart, welke dit ongeluk hem
veroorzaakt had, weder levendig opgewekt. Zijn eigen liefderijk hart
beschuldigde hem nog altijd, dat zijne onachtzaamheid, toen hij den
knaap aan de zorg van Frans Kennedy overgaf, de naaste oorzaak was van
het vermoorden van den éen, van het verdwijnen van den ander, van den
dood van Mevrouw Bertram en van het verval van de familie van zijn
beschermer. Nooit sprak hij over deze zaak (indien men de wijze, waarop
hij zich gewoonlijk uitdrukte, spreken noemen kan), maar hield zich in
zijn gemoed dikwijls daarmede bezig. De hoop, welke de oude Juffrouw
Bertram in haar uitersten wil zoo bepaald en stellig uitgedrukt had,
wekte een soortgelijk gevoel bij Sampson op, dat door de minachting
waarmede Pleydell er over sprak, en het ongeloof, hetwelk hij
dienaangaande aan den dag legde, in angstige beklemdheid overging. „Hij
is zeker een geleerd en in de gewichtige kennis van het recht zeer
ervaren man,” dacht Sampson, „maar tevens een luimige zonderling en
zeer lichtvaardig in het spreken. En hoe kan hij zoo beslissend en uit
de hoogte over de door de waardige Margaretha Bertram van Singleside
uitgedrukte hoop oordeelen?”
Dit alles, herhaal ik, dacht de Dominé in zijn hart, want had hij
slechts de helft der opgeschreven woorden uitgesproken, zouden hem de
kaken wekenlang zeer gedaan hebben na de vermoeienis van zulk een
ongewone inspanning.
De uitkomst van zijne overpeinzingen echter was het besluit, om de
schouwplaats van het treurspel bij kaap Warroch, waar hij in vele
jaren, en wel in het geheel niet sedert die ongelukkige gebeurtenis,
geweest was, te bezoeken. De weg was vrij ver, daar kaap Warroch aan
het uiterste einde van het grondgebied van Ellangowan, dat aan
Woodbourne grensde, gelegen was. Bovendien verdwaalde de goede Sampson
meer dan eenmaal, en kwam hij beken, die door het smelten der sneeuw
woedende stroomen geworden waren, waar de goede man, daar hij deze
plaats nooit in den zomer bezocht had, slechts zachtvlietende beekjes
dacht te vinden.
Eindelijk bereikte hij het bosch, het doel zijner wandeling, en dwaalde
er in rond, terwijl hij zich iedere omstandigheid van het ongelukkige
voorval, met inspanning van zijn geheel denkvermogen, trachtte te
herinneren. Men zal gereedelijk gelooven, dat de beschouwing van het
treurtooneel en de herinneringen, welke zich hier aan hem opdrongen,
geene andere aandoeningen in hem opwekten, dan hem bij het ongeval zelf
overstelpten. Onder zware en diepe zuchten keerde hij eindelijk,
vermoeid van zijne vergeefsche bedevaart, naar Woodbourne terug. Door
een scherpen honger gekweld, kwam ook soms de vraag bij hem op, of hij
dien morgen ontbeten had, of niet? Onder zulke afwisselende
aandoeningen, nu aan het verlies van het kind en dan weder
onwillekeurig aan koud vleesch en warme, dikgesmeerde broodjes
denkende, kwam hij langs een anderen weg, dan hij des morgens gevolgd
had, voorbij den kleinen vervallen toren, door de landlieden gewoonlijk
de Kaim van Derncleugh genoemd. De lezer zal zich wellicht uit het
zeven en twintigste hoofdstuk van dit werk de beschrijving van het
gewelf in deze ruïne herinneren, waarin de jonge Bertram onder de
bescherming van Meg Merrilies, getuige was geweest van den dood van
Hatteraick’s luitenant.
Het huiveringwekkende gevoel, dat deze plaats reeds op zich zelve
inboezemde, werd nog zeer vermeerderd door allerhande geest- en
spookvertellingen, die onder de landlieden in omloop waren en door de
Heidenen, die zoo lang hier in de streek gewoond hadden, tot hun eigen
voordeel verzonnen, of ten minste verspreid waren. In de oude duistere
tijden der Schotsche onafhankelijkheid, dus luidde het volksverhaal,
had zekere Hanlon Mac-Dingawaie zijn broeder Knarth Mac-Dingawaie,
regeerend opperhoofd, vermoord ten einde de opperheerschappij, welke
hierdoor in handen van zijn onmondigen neef kwam, te overweldigen. Daar
echter de getrouwe aanhangers en bondgenooten van het geslacht zich de
zaak van den rechtmatigen erfgenaam aantrokken en den moordenaar, om
diens euveldaad te wreken, hevig vervolgden, zag hij zich gedwongen,
met eenige weinige medeplichtigen in dezen onneembaren toren te
vluchten. Hier verdedigden zij zich hardnekkig, tot zij eindelijk door
hongersnood tot het uiterste gebracht, het gebouw in brand staken en
zich allen wanhopig met hunne eigene zwaarden van het leven beroofden,
ten einde niet in handen van hunne verbitterde vijanden te vallen. Dit
verhaal, dat misschien eene geschiedkundige waarheid uit die woeste
tijden ten grondslag had, was met zoo vele verschrikkelijke
spookvertellingen versierd, dat de meeste landlieden uit de nabuurschap
liever een grooten omweg maakten, dan dezen beruchten spooktoren
voorbij te gaan, als zij in dit oord door den nacht overvallen werden.
De lichten, welke dikwijls bij den toren gezien werden, wanneer
landloopers eene schuilplaats daar zochten, werden, ten gevolge van
deze spookvertellingen, gewoonlijk op eene voor de belanghebbenden zeer
gunstige en tevens voor het algemeen voldoende wijze verklaard.
De eerlijke Sampson was, bij al zijne geleerdheid en diepe kennis der
wiskunst, evenwel geen zoo groot wijsgeer, dat hij aan de waarheid van
spookerij en geestverschijningen twijfelde. In een tijd geboren, waarin
het twijfelen aan het bestaan van heksen als een bewijs voor hare
helsche practijken aangemerkt werd, was hem het geloof aan zulke
sprookjes, onafscheidbaar verbonden met zijn godsdienstig geloof
ingeprent; en het zou misschien even moeielijk geweest zijn, hem aan
het een als aan het ander te doen twijfelen. Met deze gevoelens kon de
goede Sampson den ouden toren van Derncleugh bij het vallen van den
avond van een donkeren neveligen dag niet zonder huivering voorbijgaan.
Volgens een oud volksverhaal had een der latere heeren van Ellangowan,
om vermetele vreemdelingen voor de gevaren van dit toovergewelf te
bewaren, hier eene deur laten maken, welke altijd gesloten moest zijn
en waarvan de sleutel bij den geestelijke moest berusten. Hoe groot was
dus de verbazing van den goeden Sampson toen, terwijl hij den toren
naderde, deze deur eensklaps geopend werd en de hem wel bekende,
ofschoon in vele jaren niet door hem geziene Meg Merrilies zich
plotseling aan hem vertoonde! Zij bleef vlak vóor hem op het voetpad
staan, zoo dat hij haar niet ontwijken kon zonder terug te keeren, en
daarvan hield zijn mannelijke moed hem terug.
„Ik wist dat gij hier zoudt komen,” zeide zij met hare ruwe, holle
stem; „ik weet, wien gij zoekt; maar gij moet doen wat ik u zeg.”
„Verwijder u,” riep Sampson onthutst, „verdwijn! Conjuro te,
scelestissima, nequissima, spurcissima, iniquissima, atque miserrima –
Conjuro te!!!” [21].
Meg week niet voor deze verschrikkelijke hagelbui van fraaie namen,
welke Sampson diep uit de borst ophaalde en haar met eene donderende
stem toevoegde. „Is de vent gek, met zijn geschreeuw?” zeide zij.
„Conjuro,” vervolgde Sampson, „adjuro, contestor, atque viriliter
impero tibi!” – [22].
„Waar, in den naam des satans, waar vreest gij toch voor, met uwe
Fransche brabbeltaal, die iemand dol zou maken? Luister naar hetgeen ik
u zeg, of het zal u berouwen, zoo lang uwe dorre beenderen aan elkaâr
hangen! – Zeg den kolonel Mannering, dat ik wel weet dat hij mij zoekt.
Hij weet en ik weet, dat het bloed gewroken, de verlorene gevonden zal
worden,
„En Bertram’s recht en Bertram’s macht
Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”
„Hoor! hier is een brief voor hem. Ik wilde het schrijven eerst langs
een anderen weg zenden. Ik kan zelve niet schrijven, maar er zijn er,
die even goed voor mij schrijven en lezen, als loopen en rijden. Zeg
hem, dat de tijd nu komt; het woord wordt vervuld en het rad draait.
Zeg hem, dat hij naar de sterren ziet evenals hij voorheen gedaan
heeft. Zult gij dit alles onthouden?”
„Zeker!” antwoordde Sampson, „maar ik weet niet – want, vrouw, ik ben
ontzet over uwe woorden en mijn knieën knikken, als ik u hoor.”
„Ze zullen u geen kwaad doen en misschien veel goeds.”
„Laat af van mij! ik begeer geen goeds, dat langs ongeoorloofde wegen
komt.”
„Dwaas die gij zijt!” riep Meg Merrilies met een toornig gelaat,
waarbij hare zwarte oogen als vlammen onder het gefronsde voorhoofd
schitterden, terwijl zij nader naar hem toetrad; „dwaas, die gij zijt!
Als ik u kwaad wilde doen, kon ik uw dan niet van gindsche rots werpen?
en zou iemand er meer van weten, hoe gij om het leven gekomen waart,
dan men het van Frans Kennedy weet? Hoort gij dit, gij schrikvogel?”
„In den naam van al wat goed is,” riep Sampson, terwijl hij achteruit
trad en zijn langen wandelstok met een zwaren tinnen knop als eene
speer tegen de vermeende tooveres ophief, „in den naam van al wat goed
is, laat af van mij! Ik wil niet door u aangeroerd worden. Vrouw,
verwijder u om uw eigen wil! Laat af, zeg ik u. Zie toe, ik ben sterk
en zal u weerstaan!”– Hier werd hij in zijne rede gestoord, doordien
Meg hem, na een mislukten stoot, dien hij haar toebrengen wilde (zoo
als hij naderhand zelf verhaalde), met bovenmenschelijke kracht
aangreep en hem als een kind in het gewelf droeg.
„Ga daar zitten,” zeide zij, en duwde den half onmachtigen dominé vrij
onzacht op een gebroken stoel neder; „blijf daar zitten, gij magere
kerkrot! schep weder adem en zoek uwe zinnen bij elkander! – Hebt gij
gegeten of zijt gij nog nuchter?”
„Nog geheel nuchter, behalve van zonden,” antwoordde Sampson, die nu
weder geheel tot zich zelven kwam, en, daar hij vond dat zijne
bezweringen de onbuigzame heks slechts nog meer verbitterden, het
raadzaam oordeelde, haar eene onderworpene vriendelijkheid te betoonen.
Bij zich zelven herhaalde hij evenwel de heilzame bezweringen, welke
hij niet langer overluid durfde uitspreken. Daar echter de hersenen van
den goeden man in het geheel niet geschikt waren, om twee
onderscheidene denkbeelden te gelijker tijd te bevatten en te
vervolgen, zoo gebeurde het soms, dat hem een paar woorden van zijne
inwendige alleenspraak ontsnapten en zich al zeer koddig in zijn
gesprek met Meg Merrilies mengden, te meer daar de arme man bij iedere
uitdrukking, die hem ontglipte, als van schrik ineenkromp, dewijl hij
vreesde de gevoeligheid van de heks op nieuw te prikkelen.
Meg ging intusschen naar een grooten zwarten ketel, die over een vuur,
dat op den vloer brandde, hing. Toen zij het deksel er afnam,
verspreidde zich een geur door het gewelf, welke, indien men een
heksenketel vertrouwen kon, betere dingen beloofde, dan de helsche
brij, welke gewoonlijk in zulke ketels gekookt wordt. Het was de geur
van hazen, patrijzen en ander wild, behoorlijk met aardappelen, uien en
preien gestoofd, en, naar de grootte van den ketel te oordeelen was dit
gerecht ten minste voor een half dozijn menschen gereed gemaakt. „Gij
hebt dus heden nog niets gegeten?” vroeg Meg, terwijl zij een’ bruinen
schotel met dit gerecht vulde en er zout en peper op strooide [23].
„Niets,” antwoordde Sampson, – „Scelestissima! – dat is, – goede
vrouw!”
„Nu, neem dit dan,” zeide zij en plaatste den schotel vóor hem; „dat
zal u het hart versterken.”
„Ik heb geen honger, – Malefica! – dat is te zeggen, – vrouw
Merrilies!” „De reuk is wel lekker,” zeide hij bij zich zelven, „maar
het is door eene Canidia of Ericthoe gekookt.”
„Indien gij niet dadelijk eet en op die wijze wat leven in u brengt,
dan zal ik u het, willens of onwillens, dit zweer ik bij het brood en
het zout, zoo kokend heet, als het is, met den lepel in de keel
schuiven. Den mond open, zondaar! en ingeslikt.”
Sampson, die voor salamanderoogen, kikvorschteenen, tijgeringewanden en
wie weet waar meer voor, vreesde, had besloten niet te eten, maar de
lekkere geur overwon bijna zijne hardnekkigheid, die als sneeuw voor de
zon begon te smelten, en de bedreigingen van de heks haalden hem geheel
en al over. Honger en vrees zijn uitmuntende casuïsten.
„Saul,” zei de Honger „spijsde met de heks van Endor.” „En het zout,
dat zij op de spijs gestrooid heeft,” voegde de Vrees er bij, „bewijst
duidelijk, dat het geen toovermaaltijd is: want daarbij kan geen zout
gebruikt worden.” „En buitendien,” zei de Honger, na den eersten
lepelvol, „is het immers goed, lekker vleesch.”
„Smaakt het goed?” vroeg zijne gastvrouw.
„Ja”, antwoordde Sampson, „en ik bedank u – Sceleratissima! – dat wil
zeggen – vrouw Margareta!”
„Nu, eet dan maar volop. Als gij echter wist, hoe het verkregen was,
zou het u misschien zoo goed niet smaken.”
Sampson liet den lepel, dien hij naar den mond bracht, weder vallen.
„Veel waken bij het licht der maan heeft het gekost,” vervolgde Meg,
„om dit alles bij elkaâr te krijgen, en de lieden, die dit eten zullen,
dachten weinig aan uwe jachtwetten.”
„Is het anders niet?” dacht Sampson en vulde zijn lepel weder, „daar
zal ik het eten niet om laten staan.”
„Nu moet gij ook een slokje nemen.”
„Zeer gaarne,” antwoordde hij, – „conjuro te – dat is – hartelijk
dank:” want, dacht hij bij zich zelven, of ik nu veel of weinig
gebruik, de zonde blijft toch even groot, en hij ledigde, zonder verder
bedenken, den beker op de gezondheid van de heks. Toen hij deze
versterking bij den lekkeren maaltijd gevoegd had, gevoelde hij zich,
zoo als hij zeide, machtig gesterkt en bemoedigd, en vreesde hij voor
geen kwaad meer, dat hem overkomen kon.
„Wilt gij nu mijne boodschap onthouden – en uitvoeren?” vroeg Meg
Merrilies. „Ik zie aan uwe oogen, dat gij een geheel ander mensch zijt,
dan toen gij hier kwaamt.”
„O ja, vrouw Margareta!” antwoordde Sampson op vasten toon; „ik zal hem
den verzegelden brief overhandigen en alles, wat gij hem door mijn mond
nog wilt laten zeggen, getrouw overbrengen.”
„Dan zal ik het kort maken,” hernam Meg. „Zeg hem, dat hij zonder
mankeeren heden nacht naar de sterren moet zien en doen, wat ik in
dezen brief van hem verlang, als hij wenscht
„Dat Bertram’s recht en Bertram’s macht
Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”
„Ik heb hem tweemalen gezien, dat hij mij niet gezien heeft. Ik weet,
wanneer hij voor het eerst in dit oord geweest is, en ik weet, wat hem
weder hierheen brengt. Nu opgestaan en u op weg begeven! Gij hebt hier
reeds te lang getalmd. Volg mij!”
Sampson volgde zijne gastvrouw, die hem omstreeks een kwartiertje langs
een veel korter pad, dan hij zelf gevonden zou hebben, door het bosch
naar de heivlakte leidde, waar zij nog steeds met groote schreden voor
hem uit ging, tot dat zij den top van eene kleine hoogte aan den kant
van den weg bereikte.
„Hier,” zeide zij, „sta hier stil! Zie, hoe de ondergaande zon door
gindsche wolk breekt, welke den geheelen dag de lucht verdonkerd heeft.
Zie, waarop de eerste lichtstraal valt; – op Donagild’s ronden toren,
den oudsten toren van het slot Ellangowan; – dat is niet zonder
beteekenis! Zie, hoe de lucht ginds, boven dat schip in de baai, weder
betrekt, – dat is ook niet zonder beteekenis. – Hier, op deze plaats
stond ik,” vervolgde zij, terwijl zij hare buitengewoon lange gestalte
zoo hoog mogelijk oprichtte en haren gespierden arm en gesloten vuist
uitstrekte, – „hier stond ik, toen ik den heer van Ellangowan zeide,
wat over zijn huis komen zou. – En is mijne voorzegging valsch geweest?
– Neen, het is maar al te nauwkeurig zoo uitgekomen! – En hier, waar ik
den vredestaf over hem gebroken heb, sta ik nu weder en bid God om
zegen en voorspoed voor den rechtmatigen erfgenaam van Ellangowan, die
spoedig weder in zijn eigendom hersteld worden en de beste heer zijn
zal, dien Ellangowan in drie eeuwen gehad heeft. – Misschien beleef ik
het niet; maar menig gelukkig oog zal het zien, ofschoon het mijne
reeds gesloten is. En nu, Abel Sampson! Als gij het huis van Ellangowan
ooit lief gehad hebt, dan voortgemaakt met mijne boodschap aan den
Engelschen kolonel, alsof leven en dood van uwen spoed afhingen.”
Met deze woorden verliet zij plotseling den verbaasden Sampson en begaf
zich met groote en snelle schreden weder op dezelfde plaats in het
bosch, waar zij er uitgekomen was en waar de boomen het verst op
heivlakte vooruitsprongen. Sampson staarde haar eene poos in de
uiterste verbazing na, en snelde vervolgens, gehoorzaam aan hare
bevelen, met ongewonen spoed naar Woodbourne, terwijl hij driemalen
uitriep: „Ver–ba–zend! Ver– ba–zend! Ver–ba–zend!”