– Hij was het,
Die het vuur ontstak, waardoor hij zelf
Gekwetst werd, – naar ik hoop
Gevaarlijk noch onherstelbaar.
De schoone uit de herberg.
De gevangene werd voor de beide waardige rechters gebracht. Glossin,
wiens geweten in deze oogenblikken niet geheel zweeg, en die volgens
zijn plan het geheele verhoor schijnbaar aan sir Robert Hazlewood
overliet, keek voor zich op de tafel. Hij hield zich schijnbaar bezig
met het lezen en schikken der papieren betrekkelijk de zaak, en sprak
slechts nu en dan een enkel woord, wanneer hij zag, dat de edele
rechter, in schijn de hoofdpersoon, een wenk noodig had. Sir Robert
poogde in zijn geheele gedrag den strengen ernst van den rechter met de
waardigheid, die hem als baronet van oude afkomst toekwam, te
vereenigen.
„Plaats hem dáar onder aan de tafel,” sprak hij tot de
gerechtsdienaren, en vervolgens tot den gevangene: „Zie mij aan en
verhef uwe stem, als gij antwoordt op de vragen, die ik u doen zal.”
„Mag ik eerst weten,” hernam Bertram, „wie het is, die zich de moeite
geeft om mij te ondervragen? De mannen, die mij hier gebracht hebben,
hebben mij op dit punt geene opheldering willen geven.”
„En wat heeft mijn naam of stand met mijne vragen te doen?”
„Misschien niets, Mijnheer, maar beide kunnen grooten invloed hebben op
mijn wil, om ze te beantwoorden, of niet.”
„Nu, dan verklaar ik u, dat gij voor sir Robert Hazlewood van Hazlewood
en een anderen vrederechter van dit graafschap staat. Meer heb ik u
niet te zeggen.”
Daar deze verklaring geenszins den indruk scheen te maken, welken sir
Robert verwacht had, zette deze het verhoor met een klimmend misnoegen
tegen den gevangene voort, en vroeg:
„Is uw naam Van Beest Brown?”
„Ja.”
„Goed. En verder uw stand, uw beroep?”
„Ritmeester bij het ** regiment koninklijke dragonders.”
Bij het hooren van dit antwoord zweeg de baronet een oogenblik uit
verbazing, maar herstelde spoedig, doordien Glossin hem een
ongeloovigen blik vergezeld van een zacht gefluit, die verachting en
ongeloof uitdrukten, toewierp. Sir Robert vervolgde: „Ik geloof,
vriend, dat wij, voor dat wij van elkander scheiden, wel een nederiger
titel voor u zullen vinden.”
„Indien gij dit kunt, Mijnheer, dan zal ik mij gewillig aan elke straf
onderwerpen, die zulk een bedrog verdiende.”
„Welnu, wij zullen zien. – Kent gij den jongen Hazlewood van
Hazlewood?”
„Ik heb den heer, die, zoo als ik hoor, dezen naam draagt, slechts
éenmaal gezien en, helaas, onder zeer onaangename omstandigheden.”
„Gij erkent dus, dat gij den jongen Hazlewood van Hazlewood de wond
hebt toegebracht, waardoor zijn leven in gevaar gebracht, het
sleutelbeen van zijn rechterschouder aanmerkelijk beschadigd is en
tevens, volgens de verklaring van den wondarts, verscheidene groote
hagels in den vooruitstekenden knobbel van het acromion gedrongen
zijn?”
„Het is mij onbewust hoedanig en hoe gevaarlijk de wond was, welke de
jonge heer, tot mijn groot leedwezen, ontvangen heeft. Ik ontmoette hem
op een smal voetpad, waar hij met twee dames en een knecht wandelde; en
vóor dat ik hen voorbijgaan, of spreken kon, nam deze jonge Hazlewood
zijn knecht het geweer af, legde op mij aan en beval mij op zeer hoogen
trotschen toon, mij te verwijderen. Ik had even weinig lust om aan zijn
bevel te gehoorzamen, als hem in het bezit van een wapen te laten,
waarvan hij zoo onbezonnen gebruik scheen te willen maken. Ik begon dus
met hem te worstelen, om hem te ontwapenen, en had mijn doel bijna
bereikt, toen het geweer toevallig afging en den jongen heer, tot mijn
diep leedwezen, eene hardere tuchtiging deed ondergaan, dan ik
wenschte, ofschoon de gevolgen, zoo als ik met genoegen hoor, niet
erger schijnen dan zijne dwaasheid verdiende.”
„En dus,” vervolgde de baronet met een gelaat, dat van het gevoel van
beleedigde waardigheid gloeide, „dus bekent gij, dat het uw voornemen
en opzet, en het ware oogmerk en doel van uw aanval was, om den jongen
Hazlewood van Hazlewood zijn geweer, jacht- of vogelroer, of hoe gij
het gelieft te noemen, op den openbaren weg te ontnemen? – Ik denk dat
dit voldoende is, geachte buurman! Ik denk, dat wij hem in hechtenis
kunnen houden!”
„Gij kunt dit zeker verre weg het best beoordeelen, sir Robert; maar
mag ìk u herinneren, dat er ook iets omtrent de smokkelaars aan te
merken was.”
„Zeer waar, beste Mijnheer Glossin!” antwoordde de baronet en wendde
zich hierop weder tot den gevangene: „en buitendien zijt gij, Van Beest
Brown, die u ritmeester in dienst des konings noemt, niets meer en
niets minder dan een ellendige stuurman op een smokkelschip!”
„Inderdaad, Mijnheer gij zijt een oud man en verkeert in eene zeldzame
dwaling; anders zou ik zeer boos op u worden.”
„Een oud man! eene zeldzame dwaling!” riep sir Robert rood van toorn,
„ik betuig en verklaar – Hoe! hebt gij papieren of brieven, waardoor
gij uw voorgewenden rang, stand of waardigheid bewijzen kunt?”
„Op dit oogenblik niet, Mijnheer, maar binnen een paar dagen” –
„En hoe komt het, dat gij, indien gij werkelijk een officier in dienst
des konings zijt, in Schotland reist zonder aanbevelingsbrieven, zonder
reisgoed of iets anders, dat aan uw rang of stand past, of waarmede gij
dezen kunt bewijzen, zoo als ik reeds gezegd heb?”
„Ik heb het ongeluk gehad, Mijnheer, van mijne kleederen en reisgoed
beroofd te worden.”
„Aha! dan zijt gij de man, die een reiswagen van ** naar Kippletringan
heeft genomen, den voerman op den weg heeft laten staan en twee van
zijne medeplichtigen afgezonden, om den armen knaap te overvallen en de
koffers weg te nemen.”
„Ik was in een rijtuig, zoo als gij beschrijft, Mijnheer, en verdwaalde
terwijl ik den weg naar Kippletringan zocht. De waardin, bij wie ik den
volgenden dag bij mijne aankomst aldaar mijn intrek nam, kan getuigen
dat mijne eerste vraag was naar het lot van den voerman.”
„Dan moet ik u nog vragen waar gij den nacht doorgebracht hebt? niet in
de sneeuw denk ik. Gij veronderstelt toch niet dat wij zoo iets voor
goede munt aannemen, gelden laten en gelooven zullen?”
„Verschoon mij,” antwoordde Bertram, daar hij zich de Heidin en de
belofte welke hij haar gedaan had, herinnerde, „houd het mij te goed,
Mijnheer; het antwoord op deze vraag moet ik u schuldig blijven.”
„Dat dacht ik wel! Waart gij dien nacht niet in de bouwvallen van
Derncleugh? In Derncleugh niet waar?”
„Ik heb u gezegd, dat ik op deze vraag niet verkies te antwoorden.”
„Best! dan blijft gij in hechtenis en wordt naar de gevangenis
gebracht. Zie deze stukken in en antwoord of gij de daarin genoemde van
Beest Brown zijt?”
Glossin had eenige papieren daaronder geschoven, welke Bertram
werkelijk toebehoorden en door de gerechtsdienaren in het oude gewelf,
waar de roovers zijn valies uitgeplunderd hadden, gevonden waren.
„Eenige van deze papieren,” hernam Bertram, terwijl hij ze doorzag,
„behooren mij inderdaad toe, en lagen in mijne brieventasch toen die
uit den wagen gestolen werd. Dit zijn aanteekeningen van weinige waarde
en ik zie dat ze als geen bewijs voor mijn rang of stand, welken vele
der overige papieren voldoende gestaafd zouden hebben, opleveren,
zorgvuldig uitgezocht zijn. De overige stukken, scheepsrekeningen en
dergelijken, behooren waarschijnlijk aan iemand anders, die denzelfden
naam voert.”
„En wilt gij mij zoeken wijs te maken, dat zich hier op denzelfden tijd
twee personen met denzelfden ongewonen wanklinkenden naam bevinden?”
„Ik zie niet in, Mijnheer, waarom er niet even goed een oude en jonge
van Beest Brown zouden wezen, als er een oude en jonge Hazlewood zijn.
En, ernstig gesproken, ik ben in Holland opgevoed en weet dat deze
naam, hoe vreemd en onaangenaam die in Britsche ooren moge klinken –”
Toen Glossin bemerkte dat de gevangene eene gevaarlijke snaar begon te
roeren, mengde hij zich, ofschoon geheel noodeloos, in het gesprek om
de aandacht van sir Robert af te leiden: want deze was door
verontwaardiging over de vermetele vergelijking en het laatste antwoord
van Bertram spraaken bewegingloos geworden. Zijn hals- en hoofdaderen
waren inderdaad tot barstens toe gezwollen en hij geleek op iemand, die
zich doodelijk beleedigd acht door eenen persoon, van wien hij, naar
zijne begrippen van eer, geene voldoening kan vorderen. Met een
gefronsd voorhoofd en toornigen blik haalde hij langzaam en diep adem
en scheen naar lucht te snakken. Nu kwam Glossin hem te hulp en zeide:
„Mij dunkt, sir Robert, indien ik zoo vrij mag zijn, mijn gevoelen te
zeggen dat de zaak nu als afgedaan kan worden beschouwd. Behalve de
gewichtige bewijzen, die wij reeds hebben, biedt een der
gerechtsdienaren aan bij eede te bevestigen, dat het zwaard, hetwelk
den gevangene heden morgen ontnomen werd (terwijl hij het gebruikte, om
zich tegen de wettige macht te verzetten) een houwer is, welken hij in
een gevecht met de smokkelaars, kort voor hun aanval op Woodbourne,
verloren heeft. Ik wil u met dat al niet tot eene overijlde
gevolgtrekking uit deze omstandigheid verleiden; misschien kan deze
persoon ophelderen, hoe hij aan dat wapen gekomen is.”
„Deze vraag moet ik mede onbeantwoord laten, Mijnheer!”
„Er is nog eene andere omstandigheid welke opgehelderd moet worden.
Deze gevangene heeft een pakje, waarin een menigte gouden muntstukken
en andere zaken van waarde, aan vrouw Mac-Candlish te Kippletringan in
bewaring gegeven. Misschien zult gij het gepast oordeelen, sir Robert,
om te vragen, hoe deze zeldzaam voorkomende voorwerpen in zijne handen
gekomen zijn.”
„Van Beest Brown, – hoe heet ge ook – gij hoort de vraag die deze heer
u doet.”
„Ik heb bijzondere redenen het antwoord op deze vraag schuldig te
blijven.”
„Dan is het onze plicht, een hevel van voorloopige aanhouding tegen u
uit te vaardigen.”
„Zoo als het u gelieft, Mijnheer! bedenk echter wel wat gij doet.
Overweeg het wel! Ik ben, zoo als ik u reeds gezegd heb, ritmeester bij
het koninklijke regiment **, voor korten tijd uit Indië teruggekomen,
en kan dus onmogelijk met de smokkelaars van wie gij spreekt, in
betrekking staan. Mijn luitenant-kolonel is tegenwoordig te Nottingham,
de majoor en andere officieren bevinden zich te Kingston aan den
Theems, en ik zal mij gewillig aan iedere onteerende straf onderwerpen,
indien ik deze beide punten, na aankomst der posten uit Kingston en
Nottingham, niet met voldoende bewijzen kan staven. Ook kunt gij wel
aan den betaalmeester van het regiment schrijven, indien gij verkiest
en –”
„Dit is alles goed en wel,” hernam Glossin, die begon te vreezen dat
deze krachtige en standvastige verklaring van Bertram eenigen indruk
zou maken op sir Robert, die bijna van schaamte sterven zou, als hij de
onwelvoeglijkheid beging van een dragonder-officier in de gevangenis te
zetten „Dit is goed en wel, maar woont hier niemand naderbij, tot wien
gij ons verwijzen kunt?”
„Hier te lande zijn slechts twee personen, die iets van mij weten. De
eene is een eenvoudige pachter in het Liddesdal, met name Dinmont van
Charlies-hope; hij weet echter niets meer van mij, dan ik hem gezegd
heb en nu ook zeg.”
„Al fraaier en fraaier, sir Robert! Ik denk dat hij ons dien dommen
landman op den hals wil schuiven, opdat deze bezweren mag, dat hij
gelooft wat men hem verhaald heeft, ha, ha, ha!”
„En wie is uw andere getuige, vriend?” vroeg de baronet.
„Een heer, dien ik om bijzondere redenen niet gaarne wil noemen, maar
onder wiens bevel ik eenigen tijd in Indië gediend heb en die al te
zeer man van eer is, om mij de getuigenis te weigeren dat ik officier
en eerlijk man ben.”
„Maar wie is toch die gewichtige getuige? waarschijnlijk een
gepensioneerde wachtmeester of korporaal?”
„De kolonel Guy Mannering, vroeger bevelhebber van het regiment **,
waarbij ik, zoo als ik u zeide, een escadron kommandeer.”
„De kolonel Guy Mannering,” dacht Glossin, „wie drommel kon dat raden?”
„De kolonel Guy Mannering!” herhaalde de baronet, niet weinig aan het
wankelen gebracht. „Waarde buurman!” (fluisterde hij Glossin in) „dit
jonge mensch, met zijn verschrikkelijk gemeenen naam en zijne zedige
vrijmoedigheid, heeft met dat al iets van den toon, de manieren en
gevoelens van een fatsoenlijk man, of schijnt ten minste in goed
gezelschap verkeerd te hebben. – In Indië gaat men dikwijls heel
lichtzinnig, onnauwkeurig en achteloos te werk met het begeven van
ambten. – Mij dunkt het was best, dat wij de terugkomst van den kolonel
Mannering, die thans, geloof ik, te Edinburg is, afwachten.”
„Gij kunt dit zeker het best beoordeelen,” hernam Glossin, „in alle
opzichten het best beoordeelen.” Ik wilde u enkel met allen eerbied
onder het oog brengen, of wij recht hebben om dezen man op eene
verklaring, welke hij met geene bewijzen staven kan, te ontslaan; en
dat wij ons aan eene zware verantwoordelijkheid zullen blootstellen,
indien wij hem in onze bijzondere bewaring houden en hem niet in eene
openbare gevangenis doen brengen. Gij kunt dit zonder twijfel het best
beoordeelen, Sir Robert, en ik wilde stechts zeggen, dat ik nog zeer
onlangs een scherpe berisping ondergaan heb, omdat ik een persoon,
ofschoon onder behoorlijk opzicht van gerechtsdienaren, op eene
bijzondere plaats, welke ik voor volkomen veilig hield, in hechtenis
gezet heb. De man ontvluchtte, en ik twijfel er niet aan of mijn goede
naam als waakzaam en voorzichtig ambtenaar heeft eenigszins hierdoor
geleden. Ik wilde dit slechts ter loops aanhalen; doch zal mij met
elken maatregel, welken gij het voegzaamst oordeelt, vereenigen.”
Glossin was echter wel overtuigd dat deze wenk voldoende was om het
besluit van zijn ambtgenoot, die wel een hoog denkbeeld van zijn
gewicht maar weinig zelfvertrouwen had, te bepalen.
De uitkomst beantwoordde ook inderdaad aan Glossin’s verwachting, want
sir Robert sloot de zitting met de volgende aanspraak, die ten deele op
de veronderstelling dat de gevangene werkelijk een fatsoenlijk man, en
ten deele op het tegenovergestelde gevoelen, dat hij namelijk een
booswicht en moordenaar moest zijn, gegrond was:
„Mijnheer Van Beest Brown – ik zou u kapitein Brown noemen, indien er
de minste grond, reden of oorzaak was, te veronderstellen dat gij
kapitein zijt of een escadron bij het door u genoemde, zeer
achtenswaardig regiment, of bij eenig ander regiment in dienst van
Zijne Majesteit kommandeert, over welk punt ik, zoo als gij wel behoort
op te merken, thans geene stellige verklaring, bepaald gevoelen of
beslissend oordeel wil uitspreken. Ik zeg u dus, Mijnheer Brown, dat
wij, in aanmerking nemende den onaangenamen en bedenkelijken toestand,
waarin gij u op dit oogenblik bevindt, als zijnde, volgens uw zeggen,
van alles beroofd (eene verklaring, waarover ik echter mijn oordeel
opschort), doch tevens in het bezit van een aanzienlijken schat en van
een houwer met een koperen gevest, en gij ons geene opheldering gelieft
te geven, waar of hoe gij deze voorwerpen verkregen hebt – dat wij, zeg
ik, alles wel overwogen hebbende, besluiten en concludeeren, u in de
gevangenis te doen brengen, of liever, u een vertrek daarin aan te
wijzen, tot dat gij, na de terugkomst van den kolonel Mannering, weder
voor het gerecht zult kunnen verschijnen.”
„Mag ik met allen eerbied vragen, Sir Robert,” viel Glossin in, „of het
uw voornemen is, dezen jongen man naar de algemeene gevangenis van het
graafschap te doen brengen? Indien gij hierop niet gesteld zijt, wilde
ik de vrijheid nemen, u, onder verbetering, voor te stellen, dat het
minder hard zou zijn hem naar het huis van arrest te Portanferry te
zenden, waar hij veilig bewaard kan worden zonder opzien te verwekken;
eene omstandigheid die, om de bloote mogelijkheid dat zijn verhaal waar
zou kunnen zijn, vooral in aanmerking behoort te worden genomen.”
„Wel nu, er is eene militaire wacht ter beveiliging der goederen in het
tolhuis te Portanferry; en alles wel overwogen, en in aanmerking
genomen dat het bedoelde huis voor zulk eene plaats nog al gemakkelijk
ingericht is, zoo willen wij, alles wel overwogen zeg ik, dezen persoon
in het huis van arrest te Portanferry doen zetten, of liever, hem
machtigen, om aldaar voorloopig in bewaring te blijven.”
Het bevelschrift werd diensvolgens uitgevaardigd en den gevangene
aangezegd, dat hij den volgenden morgen naar Portanferry gebracht zou
worden, daar sir Robert besloten had, dat hij, uit vrees voor
ontsnapping of gewelddadige bevrijding, niet gedurende den avond of
nacht vervoerd zou worden. Tot zoo lang zou hij op Hazlewood-house
bewaakt worden.
„Ik zal het daar toch wel beter hebben dan gedurende mijne
gevangenschap bij de Looties in Indië,” dacht Bertram; „ten minste kan
deze zoo lang niet duren. Maar de drommel hale den ouden domkop met
alle zijne formaliteiten en zijn sluwen, altijd fluisterenden
medehelper! Zij kennen den toon der waarheid niet, waarop een eerlijk
man zijne geschiedenis ronduit verhaalt.”
Intusschen nam Glossin met ontelbare eerbiedige buigingen afscheid van
den baronet en verontschuldigde zich, dat hij de uitnoodiging ter
maaltijd niet kon aannemen, terwijl hij er op kruipenden toon
bijvoegde, dat hij zich met de hoop vleide, bij eene volgende
gelegenheid zijne opwachting bij den baronet zelven, bij lady Hazlewood
en den jongen heer Hazlewood te mogen maken.
„Zonder twijfel, Mijnheer!” antwoordde de baronet zeer vriendelijk.
„Onze familie heeft zich, hoop ik, nooit aan gebrek aan beleefdheid en
vriendschapsbetooning jegens onze buren schuldig gemaakt, en zoodra ik
in de nabijheid uwer woning kom, beste Mijnheer Glossin, zal ik u dat
bewijzen door een zoo gemeenzaam bezoek, als bestaanbaar is (dat is als
gehoopt of verwacht kan worden), bij u af te leggen.”
„En nu,” sprak Glossin tot zich zelven, „nu naar Dirk Hatteraick en
zijn volk; nu middelen in het werk gesteld, om de wacht van het tolhuis
weg te zenden en dan de groote zet gewaagd. Maar haast gemaakt, vooral
haast! Van den spoed hangt alles af. Hoe gelukkig dat Mannering te
Edinburg is! Zijne bekendheid met dezen jongen man vergroot mijn
gevaar.” (Hier liet hij zijn paard stappen). „Maar hoe, indien ik mij
met den erfgenaam kon verstaan? Misschien zou hij mij voor de teruggave
van zijn eigendom eene zware som willen afstaan, en ik kon Hatteraick
uitleveren. Maar neen, neen! er zijn te veel oogen op mij gericht –
Hatteraick zelf, de Heidensche matroos en die oude heks. Neen, neen! ik
moet bij mijn eerste plan blijven.” Hierop zette hij zijn paard de
sporen in de ribben en reed op snellen draf naar huis, om zijne streken
uit te gaan voeren.