DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

– Hij was het,

Die het vuur ontstak, waardoor hij zelf

Gekwetst werd, – naar ik hoop

Gevaarlijk noch onherstelbaar.

De schoone uit de herberg.

De gevangene werd voor de beide waardige rechters gebracht. Glossin,

wiens geweten in deze oogenblikken niet geheel zweeg, en die volgens

zijn plan het geheele verhoor schijnbaar aan sir Robert Hazlewood

overliet, keek voor zich op de tafel. Hij hield zich schijnbaar bezig

met het lezen en schikken der papieren betrekkelijk de zaak, en sprak

slechts nu en dan een enkel woord, wanneer hij zag, dat de edele

rechter, in schijn de hoofdpersoon, een wenk noodig had. Sir Robert

poogde in zijn geheele gedrag den strengen ernst van den rechter met de

waardigheid, die hem als baronet van oude afkomst toekwam, te

vereenigen.

„Plaats hem dáar onder aan de tafel,” sprak hij tot de

gerechtsdienaren, en vervolgens tot den gevangene: „Zie mij aan en

verhef uwe stem, als gij antwoordt op de vragen, die ik u doen zal.”

„Mag ik eerst weten,” hernam Bertram, „wie het is, die zich de moeite

geeft om mij te ondervragen? De mannen, die mij hier gebracht hebben,

hebben mij op dit punt geene opheldering willen geven.”

„En wat heeft mijn naam of stand met mijne vragen te doen?”

„Misschien niets, Mijnheer, maar beide kunnen grooten invloed hebben op

mijn wil, om ze te beantwoorden, of niet.”

„Nu, dan verklaar ik u, dat gij voor sir Robert Hazlewood van Hazlewood

en een anderen vrederechter van dit graafschap staat. Meer heb ik u

niet te zeggen.”

Daar deze verklaring geenszins den indruk scheen te maken, welken sir

Robert verwacht had, zette deze het verhoor met een klimmend misnoegen

tegen den gevangene voort, en vroeg:

„Is uw naam Van Beest Brown?”

„Ja.”

„Goed. En verder uw stand, uw beroep?”

„Ritmeester bij het ** regiment koninklijke dragonders.”

Bij het hooren van dit antwoord zweeg de baronet een oogenblik uit

verbazing, maar herstelde spoedig, doordien Glossin hem een

ongeloovigen blik vergezeld van een zacht gefluit, die verachting en

ongeloof uitdrukten, toewierp. Sir Robert vervolgde: „Ik geloof,

vriend, dat wij, voor dat wij van elkander scheiden, wel een nederiger

titel voor u zullen vinden.”

„Indien gij dit kunt, Mijnheer, dan zal ik mij gewillig aan elke straf

onderwerpen, die zulk een bedrog verdiende.”

„Welnu, wij zullen zien. – Kent gij den jongen Hazlewood van

Hazlewood?”

„Ik heb den heer, die, zoo als ik hoor, dezen naam draagt, slechts

éenmaal gezien en, helaas, onder zeer onaangename omstandigheden.”

„Gij erkent dus, dat gij den jongen Hazlewood van Hazlewood de wond

hebt toegebracht, waardoor zijn leven in gevaar gebracht, het

sleutelbeen van zijn rechterschouder aanmerkelijk beschadigd is en

tevens, volgens de verklaring van den wondarts, verscheidene groote

hagels in den vooruitstekenden knobbel van het acromion gedrongen

zijn?”

„Het is mij onbewust hoedanig en hoe gevaarlijk de wond was, welke de

jonge heer, tot mijn groot leedwezen, ontvangen heeft. Ik ontmoette hem

op een smal voetpad, waar hij met twee dames en een knecht wandelde; en

vóor dat ik hen voorbijgaan, of spreken kon, nam deze jonge Hazlewood

zijn knecht het geweer af, legde op mij aan en beval mij op zeer hoogen

trotschen toon, mij te verwijderen. Ik had even weinig lust om aan zijn

bevel te gehoorzamen, als hem in het bezit van een wapen te laten,

waarvan hij zoo onbezonnen gebruik scheen te willen maken. Ik begon dus

met hem te worstelen, om hem te ontwapenen, en had mijn doel bijna

bereikt, toen het geweer toevallig afging en den jongen heer, tot mijn

diep leedwezen, eene hardere tuchtiging deed ondergaan, dan ik

wenschte, ofschoon de gevolgen, zoo als ik met genoegen hoor, niet

erger schijnen dan zijne dwaasheid verdiende.”

„En dus,” vervolgde de baronet met een gelaat, dat van het gevoel van

beleedigde waardigheid gloeide, „dus bekent gij, dat het uw voornemen

en opzet, en het ware oogmerk en doel van uw aanval was, om den jongen

Hazlewood van Hazlewood zijn geweer, jacht- of vogelroer, of hoe gij

het gelieft te noemen, op den openbaren weg te ontnemen? – Ik denk dat

dit voldoende is, geachte buurman! Ik denk, dat wij hem in hechtenis

kunnen houden!”

„Gij kunt dit zeker verre weg het best beoordeelen, sir Robert; maar

mag ìk u herinneren, dat er ook iets omtrent de smokkelaars aan te

merken was.”

„Zeer waar, beste Mijnheer Glossin!” antwoordde de baronet en wendde

zich hierop weder tot den gevangene: „en buitendien zijt gij, Van Beest

Brown, die u ritmeester in dienst des konings noemt, niets meer en

niets minder dan een ellendige stuurman op een smokkelschip!”

„Inderdaad, Mijnheer gij zijt een oud man en verkeert in eene zeldzame

dwaling; anders zou ik zeer boos op u worden.”

„Een oud man! eene zeldzame dwaling!” riep sir Robert rood van toorn,

„ik betuig en verklaar – Hoe! hebt gij papieren of brieven, waardoor

gij uw voorgewenden rang, stand of waardigheid bewijzen kunt?”

„Op dit oogenblik niet, Mijnheer, maar binnen een paar dagen” –

„En hoe komt het, dat gij, indien gij werkelijk een officier in dienst

des konings zijt, in Schotland reist zonder aanbevelingsbrieven, zonder

reisgoed of iets anders, dat aan uw rang of stand past, of waarmede gij

dezen kunt bewijzen, zoo als ik reeds gezegd heb?”

„Ik heb het ongeluk gehad, Mijnheer, van mijne kleederen en reisgoed

beroofd te worden.”

„Aha! dan zijt gij de man, die een reiswagen van ** naar Kippletringan

heeft genomen, den voerman op den weg heeft laten staan en twee van

zijne medeplichtigen afgezonden, om den armen knaap te overvallen en de

koffers weg te nemen.”

„Ik was in een rijtuig, zoo als gij beschrijft, Mijnheer, en verdwaalde

terwijl ik den weg naar Kippletringan zocht. De waardin, bij wie ik den

volgenden dag bij mijne aankomst aldaar mijn intrek nam, kan getuigen

dat mijne eerste vraag was naar het lot van den voerman.”

„Dan moet ik u nog vragen waar gij den nacht doorgebracht hebt? niet in

de sneeuw denk ik. Gij veronderstelt toch niet dat wij zoo iets voor

goede munt aannemen, gelden laten en gelooven zullen?”

„Verschoon mij,” antwoordde Bertram, daar hij zich de Heidin en de

belofte welke hij haar gedaan had, herinnerde, „houd het mij te goed,

Mijnheer; het antwoord op deze vraag moet ik u schuldig blijven.”

„Dat dacht ik wel! Waart gij dien nacht niet in de bouwvallen van

Derncleugh? In Derncleugh niet waar?”

„Ik heb u gezegd, dat ik op deze vraag niet verkies te antwoorden.”

„Best! dan blijft gij in hechtenis en wordt naar de gevangenis

gebracht. Zie deze stukken in en antwoord of gij de daarin genoemde van

Beest Brown zijt?”

Glossin had eenige papieren daaronder geschoven, welke Bertram

werkelijk toebehoorden en door de gerechtsdienaren in het oude gewelf,

waar de roovers zijn valies uitgeplunderd hadden, gevonden waren.

„Eenige van deze papieren,” hernam Bertram, terwijl hij ze doorzag,

„behooren mij inderdaad toe, en lagen in mijne brieventasch toen die

uit den wagen gestolen werd. Dit zijn aanteekeningen van weinige waarde

en ik zie dat ze als geen bewijs voor mijn rang of stand, welken vele

der overige papieren voldoende gestaafd zouden hebben, opleveren,

zorgvuldig uitgezocht zijn. De overige stukken, scheepsrekeningen en

dergelijken, behooren waarschijnlijk aan iemand anders, die denzelfden

naam voert.”

„En wilt gij mij zoeken wijs te maken, dat zich hier op denzelfden tijd

twee personen met denzelfden ongewonen wanklinkenden naam bevinden?”

„Ik zie niet in, Mijnheer, waarom er niet even goed een oude en jonge

van Beest Brown zouden wezen, als er een oude en jonge Hazlewood zijn.

En, ernstig gesproken, ik ben in Holland opgevoed en weet dat deze

naam, hoe vreemd en onaangenaam die in Britsche ooren moge klinken –”

Toen Glossin bemerkte dat de gevangene eene gevaarlijke snaar begon te

roeren, mengde hij zich, ofschoon geheel noodeloos, in het gesprek om

de aandacht van sir Robert af te leiden: want deze was door

verontwaardiging over de vermetele vergelijking en het laatste antwoord

van Bertram spraaken bewegingloos geworden. Zijn hals- en hoofdaderen

waren inderdaad tot barstens toe gezwollen en hij geleek op iemand, die

zich doodelijk beleedigd acht door eenen persoon, van wien hij, naar

zijne begrippen van eer, geene voldoening kan vorderen. Met een

gefronsd voorhoofd en toornigen blik haalde hij langzaam en diep adem

en scheen naar lucht te snakken. Nu kwam Glossin hem te hulp en zeide:

„Mij dunkt, sir Robert, indien ik zoo vrij mag zijn, mijn gevoelen te

zeggen dat de zaak nu als afgedaan kan worden beschouwd. Behalve de

gewichtige bewijzen, die wij reeds hebben, biedt een der

gerechtsdienaren aan bij eede te bevestigen, dat het zwaard, hetwelk

den gevangene heden morgen ontnomen werd (terwijl hij het gebruikte, om

zich tegen de wettige macht te verzetten) een houwer is, welken hij in

een gevecht met de smokkelaars, kort voor hun aanval op Woodbourne,

verloren heeft. Ik wil u met dat al niet tot eene overijlde

gevolgtrekking uit deze omstandigheid verleiden; misschien kan deze

persoon ophelderen, hoe hij aan dat wapen gekomen is.”

„Deze vraag moet ik mede onbeantwoord laten, Mijnheer!”

„Er is nog eene andere omstandigheid welke opgehelderd moet worden.

Deze gevangene heeft een pakje, waarin een menigte gouden muntstukken

en andere zaken van waarde, aan vrouw Mac-Candlish te Kippletringan in

bewaring gegeven. Misschien zult gij het gepast oordeelen, sir Robert,

om te vragen, hoe deze zeldzaam voorkomende voorwerpen in zijne handen

gekomen zijn.”

„Van Beest Brown, – hoe heet ge ook – gij hoort de vraag die deze heer

u doet.”

„Ik heb bijzondere redenen het antwoord op deze vraag schuldig te

blijven.”

„Dan is het onze plicht, een hevel van voorloopige aanhouding tegen u

uit te vaardigen.”

„Zoo als het u gelieft, Mijnheer! bedenk echter wel wat gij doet.

Overweeg het wel! Ik ben, zoo als ik u reeds gezegd heb, ritmeester bij

het koninklijke regiment **, voor korten tijd uit Indië teruggekomen,

en kan dus onmogelijk met de smokkelaars van wie gij spreekt, in

betrekking staan. Mijn luitenant-kolonel is tegenwoordig te Nottingham,

de majoor en andere officieren bevinden zich te Kingston aan den

Theems, en ik zal mij gewillig aan iedere onteerende straf onderwerpen,

indien ik deze beide punten, na aankomst der posten uit Kingston en

Nottingham, niet met voldoende bewijzen kan staven. Ook kunt gij wel

aan den betaalmeester van het regiment schrijven, indien gij verkiest

en –”

„Dit is alles goed en wel,” hernam Glossin, die begon te vreezen dat

deze krachtige en standvastige verklaring van Bertram eenigen indruk

zou maken op sir Robert, die bijna van schaamte sterven zou, als hij de

onwelvoeglijkheid beging van een dragonder-officier in de gevangenis te

zetten „Dit is goed en wel, maar woont hier niemand naderbij, tot wien

gij ons verwijzen kunt?”

„Hier te lande zijn slechts twee personen, die iets van mij weten. De

eene is een eenvoudige pachter in het Liddesdal, met name Dinmont van

Charlies-hope; hij weet echter niets meer van mij, dan ik hem gezegd

heb en nu ook zeg.”

„Al fraaier en fraaier, sir Robert! Ik denk dat hij ons dien dommen

landman op den hals wil schuiven, opdat deze bezweren mag, dat hij

gelooft wat men hem verhaald heeft, ha, ha, ha!”

„En wie is uw andere getuige, vriend?” vroeg de baronet.

„Een heer, dien ik om bijzondere redenen niet gaarne wil noemen, maar

onder wiens bevel ik eenigen tijd in Indië gediend heb en die al te

zeer man van eer is, om mij de getuigenis te weigeren dat ik officier

en eerlijk man ben.”

„Maar wie is toch die gewichtige getuige? waarschijnlijk een

gepensioneerde wachtmeester of korporaal?”

„De kolonel Guy Mannering, vroeger bevelhebber van het regiment **,

waarbij ik, zoo als ik u zeide, een escadron kommandeer.”

„De kolonel Guy Mannering,” dacht Glossin, „wie drommel kon dat raden?”

„De kolonel Guy Mannering!” herhaalde de baronet, niet weinig aan het

wankelen gebracht. „Waarde buurman!” (fluisterde hij Glossin in) „dit

jonge mensch, met zijn verschrikkelijk gemeenen naam en zijne zedige

vrijmoedigheid, heeft met dat al iets van den toon, de manieren en

gevoelens van een fatsoenlijk man, of schijnt ten minste in goed

gezelschap verkeerd te hebben. – In Indië gaat men dikwijls heel

lichtzinnig, onnauwkeurig en achteloos te werk met het begeven van

ambten. – Mij dunkt het was best, dat wij de terugkomst van den kolonel

Mannering, die thans, geloof ik, te Edinburg is, afwachten.”

„Gij kunt dit zeker het best beoordeelen,” hernam Glossin, „in alle

opzichten het best beoordeelen.” Ik wilde u enkel met allen eerbied

onder het oog brengen, of wij recht hebben om dezen man op eene

verklaring, welke hij met geene bewijzen staven kan, te ontslaan; en

dat wij ons aan eene zware verantwoordelijkheid zullen blootstellen,

indien wij hem in onze bijzondere bewaring houden en hem niet in eene

openbare gevangenis doen brengen. Gij kunt dit zonder twijfel het best

beoordeelen, Sir Robert, en ik wilde stechts zeggen, dat ik nog zeer

onlangs een scherpe berisping ondergaan heb, omdat ik een persoon,

ofschoon onder behoorlijk opzicht van gerechtsdienaren, op eene

bijzondere plaats, welke ik voor volkomen veilig hield, in hechtenis

gezet heb. De man ontvluchtte, en ik twijfel er niet aan of mijn goede

naam als waakzaam en voorzichtig ambtenaar heeft eenigszins hierdoor

geleden. Ik wilde dit slechts ter loops aanhalen; doch zal mij met

elken maatregel, welken gij het voegzaamst oordeelt, vereenigen.”

Glossin was echter wel overtuigd dat deze wenk voldoende was om het

besluit van zijn ambtgenoot, die wel een hoog denkbeeld van zijn

gewicht maar weinig zelfvertrouwen had, te bepalen.

De uitkomst beantwoordde ook inderdaad aan Glossin’s verwachting, want

sir Robert sloot de zitting met de volgende aanspraak, die ten deele op

de veronderstelling dat de gevangene werkelijk een fatsoenlijk man, en

ten deele op het tegenovergestelde gevoelen, dat hij namelijk een

booswicht en moordenaar moest zijn, gegrond was:

„Mijnheer Van Beest Brown – ik zou u kapitein Brown noemen, indien er

de minste grond, reden of oorzaak was, te veronderstellen dat gij

kapitein zijt of een escadron bij het door u genoemde, zeer

achtenswaardig regiment, of bij eenig ander regiment in dienst van

Zijne Majesteit kommandeert, over welk punt ik, zoo als gij wel behoort

op te merken, thans geene stellige verklaring, bepaald gevoelen of

beslissend oordeel wil uitspreken. Ik zeg u dus, Mijnheer Brown, dat

wij, in aanmerking nemende den onaangenamen en bedenkelijken toestand,

waarin gij u op dit oogenblik bevindt, als zijnde, volgens uw zeggen,

van alles beroofd (eene verklaring, waarover ik echter mijn oordeel

opschort), doch tevens in het bezit van een aanzienlijken schat en van

een houwer met een koperen gevest, en gij ons geene opheldering gelieft

te geven, waar of hoe gij deze voorwerpen verkregen hebt – dat wij, zeg

ik, alles wel overwogen hebbende, besluiten en concludeeren, u in de

gevangenis te doen brengen, of liever, u een vertrek daarin aan te

wijzen, tot dat gij, na de terugkomst van den kolonel Mannering, weder

voor het gerecht zult kunnen verschijnen.”

„Mag ik met allen eerbied vragen, Sir Robert,” viel Glossin in, „of het

uw voornemen is, dezen jongen man naar de algemeene gevangenis van het

graafschap te doen brengen? Indien gij hierop niet gesteld zijt, wilde

ik de vrijheid nemen, u, onder verbetering, voor te stellen, dat het

minder hard zou zijn hem naar het huis van arrest te Portanferry te

zenden, waar hij veilig bewaard kan worden zonder opzien te verwekken;

eene omstandigheid die, om de bloote mogelijkheid dat zijn verhaal waar

zou kunnen zijn, vooral in aanmerking behoort te worden genomen.”

„Wel nu, er is eene militaire wacht ter beveiliging der goederen in het

tolhuis te Portanferry; en alles wel overwogen, en in aanmerking

genomen dat het bedoelde huis voor zulk eene plaats nog al gemakkelijk

ingericht is, zoo willen wij, alles wel overwogen zeg ik, dezen persoon

in het huis van arrest te Portanferry doen zetten, of liever, hem

machtigen, om aldaar voorloopig in bewaring te blijven.”

Het bevelschrift werd diensvolgens uitgevaardigd en den gevangene

aangezegd, dat hij den volgenden morgen naar Portanferry gebracht zou

worden, daar sir Robert besloten had, dat hij, uit vrees voor

ontsnapping of gewelddadige bevrijding, niet gedurende den avond of

nacht vervoerd zou worden. Tot zoo lang zou hij op Hazlewood-house

bewaakt worden.

„Ik zal het daar toch wel beter hebben dan gedurende mijne

gevangenschap bij de Looties in Indië,” dacht Bertram; „ten minste kan

deze zoo lang niet duren. Maar de drommel hale den ouden domkop met

alle zijne formaliteiten en zijn sluwen, altijd fluisterenden

medehelper! Zij kennen den toon der waarheid niet, waarop een eerlijk

man zijne geschiedenis ronduit verhaalt.”

Intusschen nam Glossin met ontelbare eerbiedige buigingen afscheid van

den baronet en verontschuldigde zich, dat hij de uitnoodiging ter

maaltijd niet kon aannemen, terwijl hij er op kruipenden toon

bijvoegde, dat hij zich met de hoop vleide, bij eene volgende

gelegenheid zijne opwachting bij den baronet zelven, bij lady Hazlewood

en den jongen heer Hazlewood te mogen maken.

„Zonder twijfel, Mijnheer!” antwoordde de baronet zeer vriendelijk.

„Onze familie heeft zich, hoop ik, nooit aan gebrek aan beleefdheid en

vriendschapsbetooning jegens onze buren schuldig gemaakt, en zoodra ik

in de nabijheid uwer woning kom, beste Mijnheer Glossin, zal ik u dat

bewijzen door een zoo gemeenzaam bezoek, als bestaanbaar is (dat is als

gehoopt of verwacht kan worden), bij u af te leggen.”

„En nu,” sprak Glossin tot zich zelven, „nu naar Dirk Hatteraick en

zijn volk; nu middelen in het werk gesteld, om de wacht van het tolhuis

weg te zenden en dan de groote zet gewaagd. Maar haast gemaakt, vooral

haast! Van den spoed hangt alles af. Hoe gelukkig dat Mannering te

Edinburg is! Zijne bekendheid met dezen jongen man vergroot mijn

gevaar.” (Hier liet hij zijn paard stappen). „Maar hoe, indien ik mij

met den erfgenaam kon verstaan? Misschien zou hij mij voor de teruggave

van zijn eigendom eene zware som willen afstaan, en ik kon Hatteraick

uitleveren. Maar neen, neen! er zijn te veel oogen op mij gericht –

Hatteraick zelf, de Heidensche matroos en die oude heks. Neen, neen! ik

moet bij mijn eerste plan blijven.” Hierop zette hij zijn paard de

sporen in de ribben en reed op snellen draf naar huis, om zijne streken

uit te gaan voeren.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 57 / 75 题