De gevangenis is een treurig oord,
Waar niemand gelukkig leeft.
Men hoort er nooit een vroolijk woord;
Geen vriend, die troost daar geeft.
Soms zijn het boeven die men daar ziet,
Soms wel een eerlijk man;
Soms is het billijk – en soms ook niet,
Dat men niet vluchten kan.
Rijmen op de Gevangenis te Edinburg.
Den volgenden morgen werd Bertram bij het aanbreken van den dag door
zijne beide zwijgende, norsche wachters met hetzelfde rijtuig, waarmede
hij naar Hazlewood-House gevoerd was, naar het huis van arrest te
Portanferry gebracht. Het lag in deze kleine haven naast het tolhuis,
zeer dicht bij het strand, en beide gebouwen waren van achteren door
eene steenen borstwering, die schuins naar den oever af helde, tegen de
woede der baren, die dikwijls zoo hoog klom dat de golven tegen dit
bolwerk braken, beveiligd. Van voren was het door een hoogen muur
omringd, die eene kleine plaats insloot, waar de ongelukkige bewoners
van het huis zich nu en dan in de vrije lucht mochten bewegen. Dit huis
diende tot een verbeterhuis en bij gelegenheid tot eene noodhulp van de
algemeene gevangenis van het graafschap, die oud was en zeer ongelegen
lag voor het distrikt Kippletringan. Mac-Guffog, de gerechtsdienaar die
Bertram het eerst aangehouden had en hem thans ook vergezelde, was
cipier van dit rampzalig paleis. Hij liet het rijtuig bij de deur stil
houden en klom er uit om de bewaarders te roepen. Zijn geklop riep een
twintig of dertig straatjongens, die hunne kleine sloepjes en fregatjes
in de poelen zout water, die bij het afloopen der eb bleven staan,
lieten zeilen, bijeen, en zij kwamen aanloopen en drongen rondom het
rijtuig, om te zien welk ongelukkig wezen in Glossin’s
spiksplinternieuwe wagen naar de gevangenis gebracht werd. De poort
werd na een hevig gerammel van ketenen en grendels door vrouw
Mac-Guffog geopend, eene groote, forsche vrouw die, zoo als het heette,
bij afwezigheid van haren man, of wanneer hij toevallig een glaasje te
veel gedronken had, de goede orde en tucht onder hare oproerige
kostgangers zeer goed wist te handhaven. Hare brommende stem, die met
het gekras der grendels en sluitboomen in welluidendheid wedijverde,
verdreef spoedig de kleine guiten, die zich bij de poort verzameld
hadden, en nu sprak zij tot haren beminnelijken gemaal:
„Pas op, man! en laat den knaap uit het rijtuig komen. Vlug! hoort gij
niet?”
„Houd uw mond en wees vervloekt gij ...,” antwoordde de teedere
echtgenoot met nog een paar zeer krachtige, doch niet zoo fraaie
bijnamen, dat ze verdienen hier herhaald te worden. Hierop wendde hij
zich tot Bertram en zeide:
„Kom, zult gij uitstijgen, mijn lieve jongen! of moeten wij u helpen?”
Bertram steeg uit den wagen. Zoodra hij den voet op den grond zette,
greep Mac-Guffog hem bij den kraag en sleurde hem, die geen wederstand
bood, onder het gejuich der straatjongens, die zoo nabij stonden als de
vrees voor vrouw Mac-Guffog toeliet, over den drempel. Oogenblikkelijk
deed de portierster hare ketenen en grendels weder voor de deur,
draaide den ontzaglijk grooten sleutel met beide handen om en stak dien
daarop in haren rooden zak.
Bertram bevond zich nu op de kleine plaats. Twee of drie gevangenen
slenterden hier heen en weder en schenen, als het ware, verkwikt door
den vluchtigen blik op de overzijde van eene morsige straat, die de
geopende poort hun gedurende eenige oogenblikken vergund had. Dit
behoeft geene verwondering te baren, ais men bedenkt, dat hun uitzicht,
behalve bij zulke gelegenheden, tot den betralieden gevel van hunne
gevangenis, den hoogen, zwarten muur rondom de plaats, den hemel boven
hen en de steenen onder hunne voeten, bepaald was; eene eentoonigheid
van tooneel, die, volgens de uitdrukking eens dichters, „als lood op
het vermoeide oog drukte” en bij sommigen een’ kouden en ongevoeligen
menschenhaat, bij anderen die doffe moedeloosheid voortgebracht had,
welke hem, die reeds in een levendig graf gekerkerd is, naar eene nog
stillere en eenzamere rustplaats doet wenschen.
Mac-Guffog gunde zijn nieuwen kostganger eenige oogenblikken, om zijne
lotgenooten te beschouwen. Toen Bertram zijn oog op deze aangezichten
geslagen had, waarop misdaad, wanhoop en liederlijkheid hun brandmerk
gedrukt hadden, op deze vergadering van verkwisters en lichtzinnigen,
van dieven en bankroetiers, benevens eenige half versufte en
luidruchtige krankzinnigen, wien overdrevene zuinigheid deze treurige
verblijfplaats had aangewezen, gevoelde hij bij het denkbeeld, zelfs
maar korten tijd in dit verachtelijk gezelschap te moeten leven, een
hevigen afkeer.
„Ik hoop toch, dat gij mij een bijzonder verblijf zult aanwijzen,”
zeide hij tegen den cipier.
„En welk voordeel zoude ik daarvan hebben?”
„Ik kan hier onmogelijk langer dan een paar dagen blijven, en het zou
mij hoogst onaangenaam zijn, dezen tijd in het gezelschap, dat ik hier
zie, te moeten doorbrengen.”
„En wat gaat mij dat aan?”
„Ik zal voor deze gunst u ruim beloonen.”
„Ja, maar wanneer, kapitein! wanneer en hoe? dit is de groote vraag.”
„Zoodra ik in vrijheid gesteld word en mijne wissels uit Engeland
ontvang.”
Mac-Guffog schudde ongeloovig het hoofd.
„Hoe, vriend!” hernam Bertram, „gij gelooft toch niet, dat ik werkelijk
een misdadiger ben?”
„Dat kan ik niet beslissen,” antwoordde de cipier; „maar indien het zoo
is, dan zijt gij geen van de slimsten; dat is klaar als de dag.”
„En waarom zegt gij, dat ik geen van de slimsten ben?”
„Wel, wie anders dan een domkop, zou hen het geld hebben laten
inpakken, dat gij in the Gordon Arms gelaten hebt? De drommel hale mij,
ik zou het hun wel uit de klauwen gehaald hebben! Zij hadden geen recht
on u van uw geld te berooven en u, zonder een duit om de onkosten te
betalen, naar de gevangenis te zenden; het overige konden zij als
bewijsstukken houden. Maar waarom, stommerik, vroegt gij niet om uw
geld? Ik heb u ouder het geheele verhoor gewenkt en toegeknikt; maar ja
wel, gij wildet mij net eens aanzien!”
„Indien ik recht heb om dit geld terug te vorderen, dan zal ik het
doen; en er is veel meer dan noodig is, om u alles, wat gij eischen
kunt, te betalen.”
„Daar weet ik niemendal van; maar gij kunt hier misschien lang genoeg
zitten, dat weet ik wel. En als ik krediet geef, moeten de kosten
daarnaar berekend worden. Maar het zij zoo, daar gij mij nog al wat
meer dan een gewone klant schijnt te zijn. Mijne vrouw zegt wel, dat ik
door mijne goedhartigheid te kort kom; maar dat moet ik dragen, als gij
mij voor mijne kosten eene aanwijzing op dat geld geeft. Glossin zal
mij zulk een briefje wel betalen. Ik weet zoo iets van zekeren
gevangene, die van Ellangowan ontsnapt is. Ja, ja, hij zal mij gaarne
helpen en mij dien dienst bewijzen.”
„Wel nu, als ik binnen een paar dagen niet anders geholpen word, zal ik
u de verlangde aanwijzing geven.”
„Goed, goed, dan zult gij het hebben als een prins! Maar eerst moet ik
u zeggen, opdat wij daarover naderhand geen verschil krijgen, hoeveel
ik iemand, die een kooi voor zich alleen wil hebben, altijd in rekening
breng: – des weeks anderhalf pond sterling voor de kamer en eene guinje
voor de meubels en oppassing; voor het volle gebruik van het bed eene
halve guinje – en deze behoud ik niet geheel: want ik moet daarvan aan
Donald Laider afstaan een daalder, die hier zit, om het stelen van
schapen, en naar den regel bij u moest slapen. Die zal dan ook nog
versch stroo en misschien een slok brandewijn er bij verlangen, zoo dat
ik niet veel overhoud.”
„Best, en verder?”
„Dan het eten en drinken. Dit kunt gij zoo goed krijgen, als gij
verkiest. Ik laat het ten behoeve van een fatsoenlijk man, zoo als gij
zijt, uit de herberg halen en neem nooit meer dan twintig percent boven
den prijs, dien ik betalen moet; en dat is weinig genoeg voor het halen
en brengen; het meisje slijt bijna zoo veel aan schoenen En als de tijd
u verveelt, of gij eens in een verdrietige bui zijt, dan wil ik wel een
gedeelte van den avond bij u zitten en u uwe flesch helpen ledigen. (Ik
heb menig glas met Glossin, die u hierheen gezonden heeft, gedronken,
hoewel hij nu vrederechter is) In deze lange koude avonden zult gij ook
wel vuur en licht verlangen, en dat moet goed betaald worden, omdat de
gevangenen eigenlijk zoo iets niet mogen hebben. Nu heb ik u alle
hoofdzaken opgenoemd en denk niet, dat ik veel vergeten heb, ofschoon
er nog wel eenige kleinigheden bij zullen komen.”
„Die moet ik dan aan uw geweten overlaten, als gij weet, wat dat is. Ik
kan niet anders.”
„Neen, neen, Mijnheer, dat wil ik niet gezegd hebben. Ik dring u niets
op. Staat u de prijs van het een en ander niet aan, dan behoeft gij het
niet te nemen. Ik dwing geen mensch: ik wilde u slechts zeggen wat een
fatsoenlijk man hier noodig heeft. Wilt gij het echter met den gewonen
gang van het huis voor lief nemen, het is mij wel; dan bespaar ik mijne
moeite en daarmede afgedaan!”
„Neen, neen, vriend! ik heb, zoo als gij wel begrijpen kunt, geen lust
om op zulk eene straf over uwe voorwaarden te twisten. Kom, breng mij
naar het voor mij bestemde vertrek; ik wilde gaarne een weinig alleen
zijn.”
„Volg mij dan maar,” antwoordde Mac-Guffog, met een grijnzenden
glimlach; „en om u te toonen dat ik een geweten heb, zoo als gij het
straks noemdet, zal ik u, de drommel hale mij! niet meer dan een
schelling daags in rekening brengen voor de vrijheid die ik u geef, om
dagelijks drie uren op de plaats te wandelen en u daar met het balspel
of iets anders te vermaken.”
Onder deze vriendelijke belofte liet hij Bertram een steilen, nauwen,
steenen trap opklimmen, die van boven door eene sterke, dicht met zware
ijzeren spijkers beslagene deur afgesloten was. Deze deur bracht hem op
een nauwen gang met drie ellendige zoogenaamde kamertjes of cellen,
waarin ijzeren kribben met stroozakken waren, aan elke zijde. Aan het
einde van den gang was echter een beter vertrekje, dat, behalve het
zware slot en de keten aan de deur en de ijzeren traliën voor het
venster, niet op een gevangenvertrek, maar veeleer op de slechtste
kamer in de slechtste herberg geleek. Het diende tot eene soort van
ziekenkamer voor gevangenen, wier gezondheidstoestand eenige
toegevendheid vorderde. Op dit oogenblik werd het nog door Donald
Laider, den naar den regel voor Bertram bestemden kamergezel, bewoond,
die juist uit een der beide bedden gesleept was, om te beproeven of
versch stroo en brandewijn zijne koortsen zouden genezen. Deze taak was
met eigene sterke hand door vrouw Mac-Guffog, onder het gesprek van
haren echtgenoot met Bertram, waarvan zij den afloop zeer juist
voorzag, volbracht. Naar alle waarschijnlijkheid was het hierbij niet
zonder geweld toegegaan; ten minste was één der stijlen van eene soort
van ledikant afgebroken, zoo dat het verhemelte met de gordijnen tot
midden in het vertrek, even als de in de verwarring van een gevecht
halfzinkende banier van eenen aanvoerder, naar beneden hing.
„Gij moet u daaraan niet storen, kapitein!” zeide vrouw Mac-Guffog, die
nu bij hen in het vertrek kwam, en den gevangene den rug toekeerende,
gebruikte zij haren kouseband om den gebroken stijl weder vast te
binden. Zij bracht hierop de gordijnen ook weder in de behoorlijke
plooien door middel van de spelden, waarvan zij haar eigen gewaad
roekeloos beroofde, legde de lakens zoo wat te recht, wierp eene
havelooze, met lappen van allerhande kleuren versierde deken over alles
heen, en verklaarde dat alles nu weder behoorlijk in orde was. „Daar is
uw bed, kapitein!” zeide zij en wees naar den zwaren, plompen bak, die
slechts op drie pooten stond, terwijl de vierde door den hellenden
vloer (het huis was, ofschoon nieuw, bij aanbesteding gebouwd) als het
ware in de lucht zweefde even als de poot van een geschilderden olifant
op het paneel eener koets – „daar is uw bed; wilt gij echter schoone
lakens, kussens, tafellinnen of een’ handdoek hebben, dan moet gij dat
met mij afspreken; dat gaat mijn’ man niet aan en hij laat zich er
nooit mede in.”
Mac-Guffog had zich intusschen verwijderd, waarschijnlijk opdat de
gevangene zich bij deze nieuwe afpersing niet op hem zou kunnen
beroepen.
„In ’s Hemels naam,” antwoordde Bertram, „breng alles behoorlijk in
orde, en reken er voor, wat gij verkiest.”
„Goed, goed, dat is vlug afgedaan! Wij rekenen ook niet hoog, ofschoon
wij zoo dicht bij het tolhuis wonen. Ik moet nu ook zorgen dat gij vuur
en een middagmaal krijgt, hoewel dit laatste heden niet uitstekend zal
zijn, daar er geen gezelschap verwacht wordt, dat iets keurigs en
lekkers verlangen zou.”
Met deze woorden liep zij ijlings heen, haalde eenige gloeiende kolen
en legde vuur aan op een ouden, roestigen haard, die sedert maanden
niet warm geweest was. Hierop legde zij het noodige linnen (dat,
helaas! niet weinig van dat van Ailie Dinmont verschilde) met
ongewasschen handen op het bed; en morde – zoo zeer was het morren haar
tot eene tweede natuur geworden – nog over deze moeite, welke haar zoo
ruim beloond zou worden. Eindelijk vertrok zij echter, tusschen de
tanden mompelende, „dat zij liever een geheelen vleugel van de
gevangenis wilde bedienen, dan één zulk heertje, dat haar met zijne
zotte kuren zoo veel werk verschafte.”
Thans bevond Bertram zich alleen. Om zich toch eenigszins bezig te
houden, bleef hem geene andere keuze over, dan in het kleine vertrek op
en neder te wandelen, of door het kleine, door morsigheid en dicht
geplaatste ijzeren staven nog verduisterde venster op de zee uit te
zien, of de proeven van ruwe geestigheid, die uit wanhoop op de half
gewitte muren gekrabbeld waren, te lezen. De tonen, welke in zijn oor
drongen, waren even onaangenaam als alles, wat hij zag. Nu hoorde hij
het doffe geklots der golven, dan het gekras en geknars van grendels en
hengsels, als er eene deur open of toegesloten werd; nu de schorre stem
van den cipier, of de gillende tonen van zijne bijna altijd knorrende,
brommende of scheldende wederhelft, en dan weder het woedende geblaf
van den grooten hond, die op de plaats vast geketend lag en dikwijls
door de lediggangers gekweld werd.
Eindelijk werd Bertram in zijne vervelende eenzaamheid gestoord door de
komst van eene morsige dienstmaagd, die zijn maal gereed zou zetten.
Zij bedekte de morsige houten tafel met een half morsig tafellaken,
legde mes en vork, die niet door te veel schuren afgesleten waren,
naast een gebarsten bord en plaatste een bijna ledigen mosterdpot en
een zoutvat er bij, welks inhoud, in plaats van eene witte, eene grijze
of liever zwartachtige kleur had, en beide sporen van versch gebruik
droegen. Hierop verwijderde deze beminnelijke Hébe zich en kwam spoedig
terug met een schotel in de pan gebakken runderlappen, welke in eene
zee van lauw water zwommen, waarop nauwelijks een greintje vet
zichtbaar was. Bij dezen heerlijken kost voegde zij een grof brood en
vroeg, wat Mijnheer verkoos te drinken. Hij kreeg op zijn verlangen
eene flesch wijn dien hij tamelijk goed vond en deed, daar het
hoofdgerecht van dezen prachtigen disch hem niets minder dan uitlokkend
voorkwam, zijn maaltijd hoofdzakelijk met het grijze brood en een
stukje middelmatige kaas. Na geëindigden maaltijd vroeg de dienstmaagd
hem uit naam haars meesters, of het hem gelegen zou komen, dat deze den
avond bij hem doorbracht. Bertram verontschuldigde zich en verzocht om
licht, papier, pennen en inkt. Het licht, eene gebroken vetkaars op een
met vet bemorsten blikken kandelaar, werd hem gebracht en hem tevens
bericht dat hij het overige wel den volgenden dag kon krijgen, als hij
het zelf wilde laten koopen. Nu verzocht hij de dienstmaagd hem een
boek te bezorgen en zette dit verzoek klem bij door een schelling,
welke hij haar in de hand duwde. Zij bracht eindelijk na lang wachten
twee niet op elkander volgende deelen van den Newgate Kalender, welke
zij van Sam Silverquill, een kantoorbediende die om het vervalschen van
een handschrift gevangen zat, geleend had. Zij legde de boeken voor
Bertram op de tafel en liet hem met deze treurige lettervruchten, die
niet kwaad bij zijn treurigen toestand pasten, alleen.