TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Brengt den getuige hier –

Gij rechter, in uw zwarten tabbard, neem plaats,

En gij, zijn ambtgenoot, – zijt ook lid van het hof,

– Neem ook hier zitting.

Koning Lear.

Terwijl het rijtuig ingespannen werd om den gevangene te vervoeren,

schreef Glossin een brief, die hem niet weinig tijd en moeite kostte,

aan zijn buurman (zoo als hij hem gaarne noemde), Sir Robert Hazlewood

van Hazlewood, het hoofd van een oud, aanzienlijk geslacht dat, door

het verval van de familie Ellangowan, langzamerhand veel gezag en

invloed verkregen had. Sir Robert, een bejaard man, was verzot op zijne

kinderen, een zoon en eene dochter, maar koel en onverschillig omtrent

het lot van alle andere menschen. Voor het overige was zijn gedrag

lofwaardig, omdat hij het oordeel der wereld vreesde, en rechtvaardig

uit een betere beweegreden. Hij was bovenmate trotsch op het aanzien en

gewicht van zijn geslacht, en dit gevoel was niet weinig verhoogd,

sedert hij den titel van Baronet verkregen had. Hierbij haatte hij de

nagedachtenis van de familie Ellangowan, dewijl, volgens eene oude

overlevering, een baron van dat geslacht den stichter van het geslacht

Hazlewood gedwongen had, hem den stijgbeugel te houden terwijl hij te

paard steeg. In zijn gedrag legde hij over het algemeen veel praalzucht

en een hoog denkbeeld van zich zelven aan den dag, en zocht door eene

weidsche woordenkeuze te schitteren, die echter dikwijls in het

belachelijke ontaardde door een vervelende opeenstapeling van woorden

van dezelfde beteekenis, waarmede hij zijne volzinnen trachtte af te

ronden.

Na rijpe overweging, hoe hij den gunstigsten indruk op de ijdelheid en

den familiehoogmoed van dezen man zou kunnen maken, schreef Glossin hem

den volgenden brief:

„Aan

Sir Robert Hazlewood van Hazlewood,

Baronet, Huize-Hazlewood, enz. enz.

„De heer Gilbert Glossin,” (hij zou er gaarne van Ellangowan

bijgevoegd hebben, maar zijne voorzichtigheid was grooter dan zijne

ijdelheid, en hij liet dit bijvoegsel weg) – „de heer Gilbert

Glossin heeft de eer Sir Robert Hazlewood zijne eerbiedigste

groeten te zenden en hem te berichten, dat hij heden morgen zoo

gelukkig is geweest, den persoon te vatten, die den heer K.

Hazlewood gekwetst heeft. Daar sìr Robert Hazlewood waarschijnlijk

verkiezen zal zelf het verhoor van dezen misdadiger af te nemen,

zal de heer G. Glossin den gevangene naar de herberg te

Kippletringan, of naar Hazlewood-house doen brengen, zoo als Sir

Robert Hazlewood zal verkiezen te bevelen. En indien Sir Robert

Hazlewood zulks veroorlooft, zal de heer G. Glossin hem op eene van

deze beide plaatsen, met de bewijzen en stukken, welke hij het

geluk gehad heeft omtrent deze schandelijke zaak te verzamelen,

opwachten.

Elln. Gn.

Donderdag.”

Dezen brief zond hij met een knecht te paard af, met bevel om zich zoo

veel mogelijk te spoeden. Nadat hij dezen behoorlijk tijd gegeven had,

om een goed eind wegs vooruit te komen, beval hij twee

gerechtsdienaren, met Bertram in het rijtuig te stappen. Hij steeg zelf

te paard en vergezelde hen langzaam rijdende naar de plaats, waar de

wegen naar Kippletringan en Hazlewood-house van elkander scheidden.

Hier liet hij stilhouden, om de terugkomst van den bode af te wachten,

daar de verdere weg door het antwoord van den baronet bepaald moest

worden. Na verloop van een half uur kwam zijn knecht terug en bracht

hem het volgende antwoord, sierlijk toegevouwen en met het

geslachtswapen van den Baronet dichtgelakt.

„Aan

Den Heer Gilbert Glossin, enz.

Sir Robert Hazlewood van Hazlewood verzekert den heer G. Glossin

wederkeerig van zijne hoogachting en betuigt hem zijn dank voor de

moeite, welke hij zich in zijne zaak, de veiligheid van sir

Robert’s familie betreffende, getroost heeft. Sir R. H. verzoekt

den heer G. G. de goedheid te hebben, den gevangene, benevens de

bewijzen en stukken waarvan hij in zijn brief melding maakt, naar

Hazlewood-house te brengen. En in geval de heer G. G. niet anders

bezet is, verzoeken Sir R. en Lady Hazlewood hem aan tafel te mogen

zien, als het verhoor afgeloopen is.

Huize-Hazlewood,

Donderdag.”

„Aha!” dacht Glossin, „éen vinger heb ik er reeds in en zal nu wel

maken, dat ik de geheele hand er in krijg. Maar eerst moet ik mij van

dezen onheilspellenden jongen ontslaan. Sir Robert zal ik, dunkt mij,

wel naar mijn zin kunnen leiden. Hij is dom en deftig; hij zal mijn

raad bij de gerechtelijke behandeling van deze zaak gaarne willen

volgen en zich den schijn geven alsof hij naar eigen inzicht handelde.

Dus zal ik het voordeel hebben de eigenlijke rechter te zijn, zonder

het hatelijke der verantwoordelijkheid op mij te laden.”

Terwijl hij deze blijde verwachtingen koesterde, naderde het rijtuig,

door eene schoone laan van oude, eerbiedwaardige eiken, het slot

Hazlewood-house, dat geheel en al verscholen lag achter deze boomen.

Dit kasteel bestond uit een groot, op verschillende tijden opgericht

gebouw en had vroeger gedeeltelijk tot een klooster gediend. Ten tijde

van koningin Maria werd dit klooster opgeheven en, benevens de

omliggende landen, aan den stamvader van deze familie door de kroon

geschonken. Het lag bekoorlijk in een groot park aan den oever eener

rivier. Het omliggende landschap was somber en ernstig, en paste zeer

goed bij de bouworde van het huis. Alles scheen in de schoonst

mogelijke orde gehouden te worden en verkondigde den rijkdom en het

aanzien van den eigenaar.

Toen Glossin bij den ingang van het slot stil deed houden, zag sir

Robert het nieuwe rijtuig uit het venster. Naar zijn gevoelen was het

reeds aanmatigend van dezen opkomeling, dezen Mijnheer G. Glossin,

voormalig notarisklerk, dat hij de vrijheid genomen had, rijtuig en

paarden aan te schaffen; maar zijn misnoegen verminderde, toen hij zag

dat er op de paneelen niets dan de eenvoudige naamletters G. G.

geschilderd was. Deze schijnbare nederigheid, welke der trotschen

baronet gunstig voor Glossin innam, was eigenlijk enkel te danken aan

het dralen van den heer Gumming, voorzitter van het Herauten-college

dat, op dit tijdstip met bezigheden overkropt, tot nog toe geen

geslachtswapen voor den nieuwen heer van Ellangowan gevonden had, daar

men vooreerst zorgen moest voor de wapenschilden van twee

Noord-Amerikaansche commissarissen, drie nieuwe Engelsch-Iersche pairs

en twee groothandelaren uit Jamaika.

Terwijl de gerechtsdienaren met hun gevangene in een net vertrek van

den hofmeester bleven, werd Glossin in de zoogenaamde eiken zaal, eene

groote kamer met eene fraai verniste lambrizeering en versierd met de

sombere portretten der voorouders van Sir Robert Hazlewood, geleid.

Glossin, bij wien geen gevoel van eigen waarde tegen zijne lage

geboorte opwoog, gevoelde zijne minderheid en toonde door zijne diepe

buigingen en nederige houding, dat de heer van Ellangowan op dit

oogenblik onder de vroegere onderdanige manieren van den voormaligen

notarisklerk verloren ging. Hij zocht zich te overreden, dat hij de

trotschheid van den ouden baronet slechts vleide, om zijn eigen

voordeel te behartigen; maar zijne aandoeningen waren van gemengden

aard, en hij gevoelde zelf den invloed juist dier zelfde vooroordeelen,

welke hij waande te vleien. De baronet ontving hem met die hoogmoedige

nederbuigendheid, welke in de eerste plaats zijne eigene groote

meerderheid bewijzen, maar tevens toonen zou, dat hij grootmoedig en

beleefd genoeg was, om ze ter zijde te stellen en tot den toon van een

gewoon onderhoud met gewone menschen af te dalen. Hij bedankte Glossin

voor zijne oplettendheid in eene zaak, die den jongen Hazlewood zoo

nauw betrof, en voegde er een genadigen glimlach, terwijl hij op de

familie portretten wees, bij: „Waarlijk, Mijnheer Glossin, deze

eerbiedwaardige heeren zijn u even zeer verplicht als ik, voor den

arbeid, de zorg en moeite, welke gij om hunnentwil aangewend hebt; en

ik twijfel geenszins, of zij zouden indien zij spreken konden, hun dank

bij den mijnen voegen voor den dienst, welken gij de familie Hazlewood

bewezen hebt door uwe betoonde belangstelling in en uwe genomene moeite

ten behoeve van den jongeling, die hunnen naam en hun geslacht moet

ophouden.”

Glossin boog driemalen en ieder keer dieper, éens ter eere van den

ridder die rechtop voor hem stond, éens om de stomme personaadjen,

welke geduldig aan het beschot hingen, zijne achting te bewijzen, en

ten derde maal om zijne eerbied voor den jongeling te betoonen, die hun

naam en geslacht ophouden moest. Sir Robert vond zich aangenaam

gestreeld door de hulde die Glossin, ofschoon maar van geringe

burgerlijke afkomst, hem bewees en vervolgde op den toon eener genadige

gemeenzaamheld: „en nu, Mijnheer Glossin, mijn uitmuntende vriend, moet

gij mij veroorloven, van uwe rechtsgeleerde kennis bij deze zaak partij

te trekken. Ik ben niet gewoon de werkzaamheden van vrederechter uit te

oefenen; dat voegt beter aan andere heeren, wier huiselijke en

familiezaken een minder onafgebroken opzicht en nauwkeurige

oplettendheid vorderen, dan de mijne.”

Glossin antwoordde dat sir Robert vrij over hem kon beschikken, doch

dat hij, daar de naam van den baronet als rechtsgeleerde met zoo veel

roem bekend was, nauwelijks hopen durfde, dat zijne hulp noodig of

nuttig kon zijn.

„Gij moet mij goed verstaan, Mijnheer Glossin! Ik bedoel eigenlijk

slechts, dat de practische kennis van den gewonen loop der rechtszaken

mij niet gemeenzaam bekend is. Ik ben wel voor de balie opgevoed en

durf mij beroemen, dat ik aanmerkelijke vorderingen in de theoretische

en bespiegelende kennis van onze wetten gemaakt heb; maar er is thans

zoo weinig gelegenheid voor een man van rang en vermogen om als

rechtsgeleerde zoo hoog te klimmen als – gelukzoekers, die even gaarne

voor geringe lieden als voor den eersten edelman van het land pleiten,

dat ik zeer spoedig een afkeer van de practijk gekregen heb. De eerste

zaak, welke mij opgedragen werd, deed mij inderdaad walgen. Het was

over het koopen en verkoopen van smeer, tusschen een slager en een

kaarsenmaker, en men verwachtte dat ik mijne lippen niet alleen met

hunne gemeene namen, maar ook met alle kunstwoorden en uitdrukkingen

van hunne morsige beroepen zou bezoedelen. Op mijn woord van eer,

Mijnheer Glossin, ik heb sedert dien tijd de reuk van eene vetkaars

nooit kunnen verdragen.”

Glossin betuigde, zoo als verwacht scheen te worden, zijn leedwezen

over het onwaardige doel waartoe de baronet zijne kundigheden bij die

ongelukkige gelegenheid had moeten vernederen en bood aan, om in de

tegenwoordige zaak als griffier of bijzitter, of hoe hij slechts van

nut kon zijn, te dienen. „Ik zal u met korte woorden een volledig

overzicht van de zaak geven,” vervolgde hij. „In de eerste plaats

geloof ik, dat het niet moeielijk zal zijn, de hoofdzaak, dat de

gevangene dezelfde persoon is die het geweer afgeschoten heeft, te

bewijzen. Zou hij het ontkennen, dan kan de heer Hazlewood, naar ik

vertrouw, het door zijne getuigenis bewijzen.”

„Mijn zoon is heden niet te huis, Mijnheer Glossin!”

„Dan kan de bediende, die hem vergezeld heeft, als getuige dienen; maar

ik geloof niet, dat de daad zelve ontkend zal worden. Ik vrees veeleer

dat de ontmoeting, uithoofde van het al te gunstige en verschoonende

licht, waarin de heer Hazlewood de zaak gelieft voor te stellen, als

enkel toevallig, en het toebrengen der wond als onopzettelijk en

onvoorbedachtelijk beschouwd, en dus de dader aanstonds op vrije voeten

gesteld zal moeten worden, om nog meer onheil aan te richten.”

„Ik heb de eer niet den tegenwoordigen procureur-generaal te kennen,”

hernam sir Robert ernstig; „maar ik vertrouw, ja ik ben overtuigd, dat

hij het bloote feit, dat de jonge Hazlewood van Hazlewood, ofschoon, om

de zaak uit het zachtste, gunstigste en onwaarschijnlijkste oogpunt te

beschouwen, door onachtzaamheid of onvoorzichtigheid gekwetst is, als

eene misdaad beschouwen zal, waarvoor gevangenis een veel te lichte

straf en deportatie naar een strafkolonie nauwelijks zwaar genoeg zou

zijn.”

„Ik ben volkomen van uw gevoelen, sir Robert,” antwoordde de

gedienstige Glossin; „maar ik weet niet, hoe het is; ik heb opgemerkt,

dat de rechtsgeleerden te Edinburg, en zelfs koninklijke ambtenaren, er

eene eer in schijnen te stellen, bij de rechtspleging geene acht op

rang en familie te slaan, en ik zou vreezen” –

„Hoe, Mijnheer! geen rang of aanzien in aanmerking nemen? Wilt gij mij

diets maken, dat zulk eene leer door mannen van stand en eene

beschaafde opvoeding opgevolgd kan worden? Neen, Mijnheer! even als het

stelen van eene kleinigheid op straat eenvoudig diefstal is, maar

heiligschennis wordt, wanneer dezelfde misdaad in eene kerk gepleegd

wordt, even zoo behoorde, wegens de verschillende standen in de

maatschappij, de strafwaardigheid van eene misdaad grooter te zijn,

naar gelang van den rang van dengenen tegen wien ze bedreven of beraamd

is.”

Glossin gaf zijne goedkeuring door eene diepe buiging te kennen en

verklaarde tevens, dat er in het ergste geval, indien namelijk deze

onnatuurlijke leer thans werkelijk beleden zou worden, nog eene andere

reden bestond, om den heer Van Beest Brown in handen der gerechtigheid

te doen blijven.

„Van Beest Brown? heet de kerel zoo? Goede hemel! en door zulk een

onbekenden ellendeling, Van Beest Brown genaamd, moest het leven van

den jongen Hazlewood van Hazlewood ìn gevaar gebracht worden! Het

sleutelbeen van den rechterschouder was aanmerkelijk beschadigd en

verscheidene groote hagels waren in den vooruitstekenden knobbel van

het acromion gedrongen, zoo als het bericht van onzen wondarts

uitdrukkelijk vermeldt.”

„Waarlijk, Sir Robert, de gedachte aan zoo iets is nauwelijks te

verdragen; maar ìk verzoek tienduizend male verschooning, dat ik nog

eens terugkom op hetgeen ik zeggen wilde. Een persoon van denzelfden

naam is, zoo als uit deze papieren,” (het zakboek van Dirk Hatteraick

voor den dag halende) „blijkt, stuurman op het smokkelschip geweest,

waarvan de manschappen zulk een gewelddadigen aanval op Woodbourne

deden; en ik twijfel geenszins, of het is éen en dezelfde persoon. Uw

scherpziendheid zal u hiervan gemakkelijk overtuigen.”

„Dezelfde, mijn goede man! het moet zeker dezelfde zijn. Men zou zelfs

den geringsten lieden onrecht doen, indien men veronderstelde, dat er

onder hen twee personen gevonden konden worden, die gedoemd waren zulk

een wanklinkenden naam te dragen als die van Beest Brown.”

„Zeer waar, Sir Robert! het is buiten twijfel. En deze omstandigheid

verklaart de wanhopige houding van dezen mensch. Gij, Sir Robert, zult

de beweegredenen dezer misdaad wel ontdekken, als gij de zaak

onderzoekt. Ik, voor mij, kan het vermoeden niet weren, dat wraak over

de dapperheid, waarmede de heer Hazlewood met al den moed zijner

beroemde voorvaderen Woodbourne tegen dezen schurk en zijne

nietswaardige makkers verdedigd heeft, de eigenlijke drijfveer geweest

is.”

„Ik zal het onderzoeken,” hernam de baronet, „en waag het reeds te

vermoeden, dat de oplossing van dit raadsel, vraagstuk of geheim, welke

gij als het ware reeds gegeven hebt, de juiste is. Ja! wraak moet het

zijn. En, goede hemel! door wien en tegen wien gekoesterd? Gekoesterd,

gevoed en gekweekt tegen den jongen Hazlewood van Hazlewood, en

gedeeltelijk volbracht, uitgevoerd en voltrokken door de hand van Van

Beest Brown! Het zijn thans verschrikkelijke tijden, geachte buurman!”

(dit bijvoegsel bewees, hoe snel Glossin in de gunst van den baronet

steeg) – „tijden, waarin de bolwerken der maatschappij tot in hunne

hechtste grondvesten geschokt worden, en rang en aanzien, de grootste

sieraden van het maatschappelijk gebouw, met de geringere deelen

daarvan verward en vermengd worden. O, beste Mijnheer Gilbert Glossin!

in mijn tijd was het gebruik van degen en pistolen en soortgelijke

eervolle wapens alleen voor den adel en de aanzienlijken bewaard, en

werden de geschillen van het gemeen met de wapens, die de natuur geeft,

of met knuppels, in het naaste bosch afgebroken of gesneden, beslist.

Maar thans, Mijnheer, thans durft een boer met zijne bespijkerde

schoenen een hoveling op de teenen trappen. De lagere standen hebben

hunne geschillen, hun punt van eer, en vorderen voldoening, die

waarlijk door een tweegevecht gegeven moet worden. Het zal, helaas,

mijn tijd wel uit duren – maar laat ons den gevangene, dezen Van Beest

Brown, doen binnen brengen en de zaak met hem, ten minste vooreerst,

afdoen.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 56 / 75 题