Brengt den getuige hier –
Gij rechter, in uw zwarten tabbard, neem plaats,
En gij, zijn ambtgenoot, – zijt ook lid van het hof,
– Neem ook hier zitting.
Koning Lear.
Terwijl het rijtuig ingespannen werd om den gevangene te vervoeren,
schreef Glossin een brief, die hem niet weinig tijd en moeite kostte,
aan zijn buurman (zoo als hij hem gaarne noemde), Sir Robert Hazlewood
van Hazlewood, het hoofd van een oud, aanzienlijk geslacht dat, door
het verval van de familie Ellangowan, langzamerhand veel gezag en
invloed verkregen had. Sir Robert, een bejaard man, was verzot op zijne
kinderen, een zoon en eene dochter, maar koel en onverschillig omtrent
het lot van alle andere menschen. Voor het overige was zijn gedrag
lofwaardig, omdat hij het oordeel der wereld vreesde, en rechtvaardig
uit een betere beweegreden. Hij was bovenmate trotsch op het aanzien en
gewicht van zijn geslacht, en dit gevoel was niet weinig verhoogd,
sedert hij den titel van Baronet verkregen had. Hierbij haatte hij de
nagedachtenis van de familie Ellangowan, dewijl, volgens eene oude
overlevering, een baron van dat geslacht den stichter van het geslacht
Hazlewood gedwongen had, hem den stijgbeugel te houden terwijl hij te
paard steeg. In zijn gedrag legde hij over het algemeen veel praalzucht
en een hoog denkbeeld van zich zelven aan den dag, en zocht door eene
weidsche woordenkeuze te schitteren, die echter dikwijls in het
belachelijke ontaardde door een vervelende opeenstapeling van woorden
van dezelfde beteekenis, waarmede hij zijne volzinnen trachtte af te
ronden.
Na rijpe overweging, hoe hij den gunstigsten indruk op de ijdelheid en
den familiehoogmoed van dezen man zou kunnen maken, schreef Glossin hem
den volgenden brief:
„Aan
Sir Robert Hazlewood van Hazlewood,
Baronet, Huize-Hazlewood, enz. enz.
„De heer Gilbert Glossin,” (hij zou er gaarne van Ellangowan
bijgevoegd hebben, maar zijne voorzichtigheid was grooter dan zijne
ijdelheid, en hij liet dit bijvoegsel weg) – „de heer Gilbert
Glossin heeft de eer Sir Robert Hazlewood zijne eerbiedigste
groeten te zenden en hem te berichten, dat hij heden morgen zoo
gelukkig is geweest, den persoon te vatten, die den heer K.
Hazlewood gekwetst heeft. Daar sìr Robert Hazlewood waarschijnlijk
verkiezen zal zelf het verhoor van dezen misdadiger af te nemen,
zal de heer G. Glossin den gevangene naar de herberg te
Kippletringan, of naar Hazlewood-house doen brengen, zoo als Sir
Robert Hazlewood zal verkiezen te bevelen. En indien Sir Robert
Hazlewood zulks veroorlooft, zal de heer G. Glossin hem op eene van
deze beide plaatsen, met de bewijzen en stukken, welke hij het
geluk gehad heeft omtrent deze schandelijke zaak te verzamelen,
opwachten.
Elln. Gn.
Donderdag.”
Dezen brief zond hij met een knecht te paard af, met bevel om zich zoo
veel mogelijk te spoeden. Nadat hij dezen behoorlijk tijd gegeven had,
om een goed eind wegs vooruit te komen, beval hij twee
gerechtsdienaren, met Bertram in het rijtuig te stappen. Hij steeg zelf
te paard en vergezelde hen langzaam rijdende naar de plaats, waar de
wegen naar Kippletringan en Hazlewood-house van elkander scheidden.
Hier liet hij stilhouden, om de terugkomst van den bode af te wachten,
daar de verdere weg door het antwoord van den baronet bepaald moest
worden. Na verloop van een half uur kwam zijn knecht terug en bracht
hem het volgende antwoord, sierlijk toegevouwen en met het
geslachtswapen van den Baronet dichtgelakt.
„Aan
Den Heer Gilbert Glossin, enz.
Sir Robert Hazlewood van Hazlewood verzekert den heer G. Glossin
wederkeerig van zijne hoogachting en betuigt hem zijn dank voor de
moeite, welke hij zich in zijne zaak, de veiligheid van sir
Robert’s familie betreffende, getroost heeft. Sir R. H. verzoekt
den heer G. G. de goedheid te hebben, den gevangene, benevens de
bewijzen en stukken waarvan hij in zijn brief melding maakt, naar
Hazlewood-house te brengen. En in geval de heer G. G. niet anders
bezet is, verzoeken Sir R. en Lady Hazlewood hem aan tafel te mogen
zien, als het verhoor afgeloopen is.
Huize-Hazlewood,
Donderdag.”
„Aha!” dacht Glossin, „éen vinger heb ik er reeds in en zal nu wel
maken, dat ik de geheele hand er in krijg. Maar eerst moet ik mij van
dezen onheilspellenden jongen ontslaan. Sir Robert zal ik, dunkt mij,
wel naar mijn zin kunnen leiden. Hij is dom en deftig; hij zal mijn
raad bij de gerechtelijke behandeling van deze zaak gaarne willen
volgen en zich den schijn geven alsof hij naar eigen inzicht handelde.
Dus zal ik het voordeel hebben de eigenlijke rechter te zijn, zonder
het hatelijke der verantwoordelijkheid op mij te laden.”
Terwijl hij deze blijde verwachtingen koesterde, naderde het rijtuig,
door eene schoone laan van oude, eerbiedwaardige eiken, het slot
Hazlewood-house, dat geheel en al verscholen lag achter deze boomen.
Dit kasteel bestond uit een groot, op verschillende tijden opgericht
gebouw en had vroeger gedeeltelijk tot een klooster gediend. Ten tijde
van koningin Maria werd dit klooster opgeheven en, benevens de
omliggende landen, aan den stamvader van deze familie door de kroon
geschonken. Het lag bekoorlijk in een groot park aan den oever eener
rivier. Het omliggende landschap was somber en ernstig, en paste zeer
goed bij de bouworde van het huis. Alles scheen in de schoonst
mogelijke orde gehouden te worden en verkondigde den rijkdom en het
aanzien van den eigenaar.
Toen Glossin bij den ingang van het slot stil deed houden, zag sir
Robert het nieuwe rijtuig uit het venster. Naar zijn gevoelen was het
reeds aanmatigend van dezen opkomeling, dezen Mijnheer G. Glossin,
voormalig notarisklerk, dat hij de vrijheid genomen had, rijtuig en
paarden aan te schaffen; maar zijn misnoegen verminderde, toen hij zag
dat er op de paneelen niets dan de eenvoudige naamletters G. G.
geschilderd was. Deze schijnbare nederigheid, welke der trotschen
baronet gunstig voor Glossin innam, was eigenlijk enkel te danken aan
het dralen van den heer Gumming, voorzitter van het Herauten-college
dat, op dit tijdstip met bezigheden overkropt, tot nog toe geen
geslachtswapen voor den nieuwen heer van Ellangowan gevonden had, daar
men vooreerst zorgen moest voor de wapenschilden van twee
Noord-Amerikaansche commissarissen, drie nieuwe Engelsch-Iersche pairs
en twee groothandelaren uit Jamaika.
Terwijl de gerechtsdienaren met hun gevangene in een net vertrek van
den hofmeester bleven, werd Glossin in de zoogenaamde eiken zaal, eene
groote kamer met eene fraai verniste lambrizeering en versierd met de
sombere portretten der voorouders van Sir Robert Hazlewood, geleid.
Glossin, bij wien geen gevoel van eigen waarde tegen zijne lage
geboorte opwoog, gevoelde zijne minderheid en toonde door zijne diepe
buigingen en nederige houding, dat de heer van Ellangowan op dit
oogenblik onder de vroegere onderdanige manieren van den voormaligen
notarisklerk verloren ging. Hij zocht zich te overreden, dat hij de
trotschheid van den ouden baronet slechts vleide, om zijn eigen
voordeel te behartigen; maar zijne aandoeningen waren van gemengden
aard, en hij gevoelde zelf den invloed juist dier zelfde vooroordeelen,
welke hij waande te vleien. De baronet ontving hem met die hoogmoedige
nederbuigendheid, welke in de eerste plaats zijne eigene groote
meerderheid bewijzen, maar tevens toonen zou, dat hij grootmoedig en
beleefd genoeg was, om ze ter zijde te stellen en tot den toon van een
gewoon onderhoud met gewone menschen af te dalen. Hij bedankte Glossin
voor zijne oplettendheid in eene zaak, die den jongen Hazlewood zoo
nauw betrof, en voegde er een genadigen glimlach, terwijl hij op de
familie portretten wees, bij: „Waarlijk, Mijnheer Glossin, deze
eerbiedwaardige heeren zijn u even zeer verplicht als ik, voor den
arbeid, de zorg en moeite, welke gij om hunnentwil aangewend hebt; en
ik twijfel geenszins, of zij zouden indien zij spreken konden, hun dank
bij den mijnen voegen voor den dienst, welken gij de familie Hazlewood
bewezen hebt door uwe betoonde belangstelling in en uwe genomene moeite
ten behoeve van den jongeling, die hunnen naam en hun geslacht moet
ophouden.”
Glossin boog driemalen en ieder keer dieper, éens ter eere van den
ridder die rechtop voor hem stond, éens om de stomme personaadjen,
welke geduldig aan het beschot hingen, zijne achting te bewijzen, en
ten derde maal om zijne eerbied voor den jongeling te betoonen, die hun
naam en geslacht ophouden moest. Sir Robert vond zich aangenaam
gestreeld door de hulde die Glossin, ofschoon maar van geringe
burgerlijke afkomst, hem bewees en vervolgde op den toon eener genadige
gemeenzaamheld: „en nu, Mijnheer Glossin, mijn uitmuntende vriend, moet
gij mij veroorloven, van uwe rechtsgeleerde kennis bij deze zaak partij
te trekken. Ik ben niet gewoon de werkzaamheden van vrederechter uit te
oefenen; dat voegt beter aan andere heeren, wier huiselijke en
familiezaken een minder onafgebroken opzicht en nauwkeurige
oplettendheid vorderen, dan de mijne.”
Glossin antwoordde dat sir Robert vrij over hem kon beschikken, doch
dat hij, daar de naam van den baronet als rechtsgeleerde met zoo veel
roem bekend was, nauwelijks hopen durfde, dat zijne hulp noodig of
nuttig kon zijn.
„Gij moet mij goed verstaan, Mijnheer Glossin! Ik bedoel eigenlijk
slechts, dat de practische kennis van den gewonen loop der rechtszaken
mij niet gemeenzaam bekend is. Ik ben wel voor de balie opgevoed en
durf mij beroemen, dat ik aanmerkelijke vorderingen in de theoretische
en bespiegelende kennis van onze wetten gemaakt heb; maar er is thans
zoo weinig gelegenheid voor een man van rang en vermogen om als
rechtsgeleerde zoo hoog te klimmen als – gelukzoekers, die even gaarne
voor geringe lieden als voor den eersten edelman van het land pleiten,
dat ik zeer spoedig een afkeer van de practijk gekregen heb. De eerste
zaak, welke mij opgedragen werd, deed mij inderdaad walgen. Het was
over het koopen en verkoopen van smeer, tusschen een slager en een
kaarsenmaker, en men verwachtte dat ik mijne lippen niet alleen met
hunne gemeene namen, maar ook met alle kunstwoorden en uitdrukkingen
van hunne morsige beroepen zou bezoedelen. Op mijn woord van eer,
Mijnheer Glossin, ik heb sedert dien tijd de reuk van eene vetkaars
nooit kunnen verdragen.”
Glossin betuigde, zoo als verwacht scheen te worden, zijn leedwezen
over het onwaardige doel waartoe de baronet zijne kundigheden bij die
ongelukkige gelegenheid had moeten vernederen en bood aan, om in de
tegenwoordige zaak als griffier of bijzitter, of hoe hij slechts van
nut kon zijn, te dienen. „Ik zal u met korte woorden een volledig
overzicht van de zaak geven,” vervolgde hij. „In de eerste plaats
geloof ik, dat het niet moeielijk zal zijn, de hoofdzaak, dat de
gevangene dezelfde persoon is die het geweer afgeschoten heeft, te
bewijzen. Zou hij het ontkennen, dan kan de heer Hazlewood, naar ik
vertrouw, het door zijne getuigenis bewijzen.”
„Mijn zoon is heden niet te huis, Mijnheer Glossin!”
„Dan kan de bediende, die hem vergezeld heeft, als getuige dienen; maar
ik geloof niet, dat de daad zelve ontkend zal worden. Ik vrees veeleer
dat de ontmoeting, uithoofde van het al te gunstige en verschoonende
licht, waarin de heer Hazlewood de zaak gelieft voor te stellen, als
enkel toevallig, en het toebrengen der wond als onopzettelijk en
onvoorbedachtelijk beschouwd, en dus de dader aanstonds op vrije voeten
gesteld zal moeten worden, om nog meer onheil aan te richten.”
„Ik heb de eer niet den tegenwoordigen procureur-generaal te kennen,”
hernam sir Robert ernstig; „maar ik vertrouw, ja ik ben overtuigd, dat
hij het bloote feit, dat de jonge Hazlewood van Hazlewood, ofschoon, om
de zaak uit het zachtste, gunstigste en onwaarschijnlijkste oogpunt te
beschouwen, door onachtzaamheid of onvoorzichtigheid gekwetst is, als
eene misdaad beschouwen zal, waarvoor gevangenis een veel te lichte
straf en deportatie naar een strafkolonie nauwelijks zwaar genoeg zou
zijn.”
„Ik ben volkomen van uw gevoelen, sir Robert,” antwoordde de
gedienstige Glossin; „maar ik weet niet, hoe het is; ik heb opgemerkt,
dat de rechtsgeleerden te Edinburg, en zelfs koninklijke ambtenaren, er
eene eer in schijnen te stellen, bij de rechtspleging geene acht op
rang en familie te slaan, en ik zou vreezen” –
„Hoe, Mijnheer! geen rang of aanzien in aanmerking nemen? Wilt gij mij
diets maken, dat zulk eene leer door mannen van stand en eene
beschaafde opvoeding opgevolgd kan worden? Neen, Mijnheer! even als het
stelen van eene kleinigheid op straat eenvoudig diefstal is, maar
heiligschennis wordt, wanneer dezelfde misdaad in eene kerk gepleegd
wordt, even zoo behoorde, wegens de verschillende standen in de
maatschappij, de strafwaardigheid van eene misdaad grooter te zijn,
naar gelang van den rang van dengenen tegen wien ze bedreven of beraamd
is.”
Glossin gaf zijne goedkeuring door eene diepe buiging te kennen en
verklaarde tevens, dat er in het ergste geval, indien namelijk deze
onnatuurlijke leer thans werkelijk beleden zou worden, nog eene andere
reden bestond, om den heer Van Beest Brown in handen der gerechtigheid
te doen blijven.
„Van Beest Brown? heet de kerel zoo? Goede hemel! en door zulk een
onbekenden ellendeling, Van Beest Brown genaamd, moest het leven van
den jongen Hazlewood van Hazlewood ìn gevaar gebracht worden! Het
sleutelbeen van den rechterschouder was aanmerkelijk beschadigd en
verscheidene groote hagels waren in den vooruitstekenden knobbel van
het acromion gedrongen, zoo als het bericht van onzen wondarts
uitdrukkelijk vermeldt.”
„Waarlijk, Sir Robert, de gedachte aan zoo iets is nauwelijks te
verdragen; maar ìk verzoek tienduizend male verschooning, dat ik nog
eens terugkom op hetgeen ik zeggen wilde. Een persoon van denzelfden
naam is, zoo als uit deze papieren,” (het zakboek van Dirk Hatteraick
voor den dag halende) „blijkt, stuurman op het smokkelschip geweest,
waarvan de manschappen zulk een gewelddadigen aanval op Woodbourne
deden; en ik twijfel geenszins, of het is éen en dezelfde persoon. Uw
scherpziendheid zal u hiervan gemakkelijk overtuigen.”
„Dezelfde, mijn goede man! het moet zeker dezelfde zijn. Men zou zelfs
den geringsten lieden onrecht doen, indien men veronderstelde, dat er
onder hen twee personen gevonden konden worden, die gedoemd waren zulk
een wanklinkenden naam te dragen als die van Beest Brown.”
„Zeer waar, Sir Robert! het is buiten twijfel. En deze omstandigheid
verklaart de wanhopige houding van dezen mensch. Gij, Sir Robert, zult
de beweegredenen dezer misdaad wel ontdekken, als gij de zaak
onderzoekt. Ik, voor mij, kan het vermoeden niet weren, dat wraak over
de dapperheid, waarmede de heer Hazlewood met al den moed zijner
beroemde voorvaderen Woodbourne tegen dezen schurk en zijne
nietswaardige makkers verdedigd heeft, de eigenlijke drijfveer geweest
is.”
„Ik zal het onderzoeken,” hernam de baronet, „en waag het reeds te
vermoeden, dat de oplossing van dit raadsel, vraagstuk of geheim, welke
gij als het ware reeds gegeven hebt, de juiste is. Ja! wraak moet het
zijn. En, goede hemel! door wien en tegen wien gekoesterd? Gekoesterd,
gevoed en gekweekt tegen den jongen Hazlewood van Hazlewood, en
gedeeltelijk volbracht, uitgevoerd en voltrokken door de hand van Van
Beest Brown! Het zijn thans verschrikkelijke tijden, geachte buurman!”
(dit bijvoegsel bewees, hoe snel Glossin in de gunst van den baronet
steeg) – „tijden, waarin de bolwerken der maatschappij tot in hunne
hechtste grondvesten geschokt worden, en rang en aanzien, de grootste
sieraden van het maatschappelijk gebouw, met de geringere deelen
daarvan verward en vermengd worden. O, beste Mijnheer Gilbert Glossin!
in mijn tijd was het gebruik van degen en pistolen en soortgelijke
eervolle wapens alleen voor den adel en de aanzienlijken bewaard, en
werden de geschillen van het gemeen met de wapens, die de natuur geeft,
of met knuppels, in het naaste bosch afgebroken of gesneden, beslist.
Maar thans, Mijnheer, thans durft een boer met zijne bespijkerde
schoenen een hoveling op de teenen trappen. De lagere standen hebben
hunne geschillen, hun punt van eer, en vorderen voldoening, die
waarlijk door een tweegevecht gegeven moet worden. Het zal, helaas,
mijn tijd wel uit duren – maar laat ons den gevangene, dezen Van Beest
Brown, doen binnen brengen en de zaak met hem, ten minste vooreerst,
afdoen.”