– Ja – gij met mos begroeide wallen,
Gij vervallen torens, u zie ik weêr,
En met diep berouw! – Waar is uw pracht en roem,
Het dolle feest, – het bont gewoel en al
De drukte, die van de grootheid sprak
Van mijn geslacht en van alouden roem?
De geheimzinnige moeder.
Brown (die in het vervolg, nu hij het vaderlijke erf betreden heeft,
den vaderlijken naam van Bertram voeren zal) trad door een, zoo als het
scheen, voormaals zorgvuldig gesloten achterpoortje in het slot
Ellangowan. Hij wandelde uit het eene vervallen vertrek in het andere,
en verwonderde zich niet weinig over de hechtheid en sterkte van eenige
gedeelten van het gebouw, over de ruwe en indrukwekkende pracht van
andere gedeelten en over de groote uitgestrektheid van het geheel. Twee
van deze vertrekken, welke aan elkander grensden, droegen sporen, dat
ze onlangs bewoond waren geweest. In het eene lagen ledige flesschen,
half afgekloven beenderen en uitgedroogde stukken brood; in het andere,
waarvoor eene sterke deur was, die toen openstond, zag hij een grooten
hoop stroo, en in beide uitgebrande vuren. Hoe weinig kon Bertram
denken, dat deze nietsbeteekenende omstandigheden in verband stonden
met gebeurtenissen, waarmede zijn geluk, zijne eer en misschien zelfs
zijn leven gemoeid waren.
Nadat Bertram zijne nieuwsgierigheid door eene vluchtige bezichtiging
van het inwendige van het slot bevredigd had, ging hij door de groote
poort, welke aan de landzijde was, en bleef staan, om het heerlijke
landschap, dat nu vóor hem lag, te bewonderen. Hij trachtte de ligging
van Woodbourne te ontdekken; maar te vergeefs. Met Kippletringan
gelukte hem dit beter. Nu keerde hij zich om, ten einde een’
afscheidsblik op de grootsche bouwvallen te werpen, welke hij zoo even
doorkruist had. Hij bewonderde de grootsche en schilderachtige werking
van de ontzaggelijke ronde torens, die op beide zijden van de poort
staande, den hoogen en nochtans donkeren boog nog meer diepte en
verhevenheid bijzetten. Het in steen uitgehouwen wapen van het oude
geslacht, bestaande uit drie wolfskoppen, hing schuins onder den helm,
die met een, met eene pijl doorboorden, liggenden wolf, in plaats van
pluim, versierd was. Als schilddrager stond er aan iedere zijde een met
een krans omgorde wilde man in levensgrootte met een ontwortelden eik
in de hand.
„En zijn de nakomelingen van de machtige baronnen, welke dit wapen
voerden,” zeide Bertram, den gewonen loop der gedachten volgende, die
zulke tooneelen dikwijls opwekken, tot zich zelven, „nog steeds in het
bezit van het gebied, dat hunne voorouders met zoo veel moeite hebben
trachten te bevestigen? of dwalen zij, misschien, onbekend met den roem
en de macht van hunne voorvaderen rond, terwijl een vreemd geslacht op
hun voorouderlijk erfgoed huist? Hoe komt het,” vervolgde hij, „dat
sommige tooneelen gedachten opwekken, die, als het ware, tot de droomen
eener vroegere en schaduwachtige herinnering behooren, die mijn oude
Bramin aan eenen staat van voorbestaan wilde toeschrijven? Zijn het de
droombeelden van onzen slaap, die duister in ons geheugen liggen en
door het aanschouwen van zoodanige wezenlijke voorwerpen, die
eenigszins met de gestalten onzer verbeelding overeenstemmen, weder te
voorschijn geroepen worden? Hoe dikwijls ontwaren wij, zelfs in het
gezelschap van menschen, die wij nooit gezien hebben, zeker
geheimzinnig en onverklaarbaar gevoel, dat ons schijnt te zeggen, dat
noch de schouwplaats, noch de sprekers, noch het gesprokene ons geheel
vreemd zijn; ja, het komt ons zelfs voor, dat wij het gesprek, dat nog
niet begonnen is, woordelijk kunnen raden! Juist zoo gaat het mij,
terwijl ik op deze bouwvallen staar; en ik kan de gedachte niet weren,
dat deze hechte torens, deze donkere doorgang onder de hoog gewelfde
poort, die door het slotplein slechts flauw verlicht wordt, mij niet
geheel vreemd zijn. Zou het mogelijk zijn, dat ik ze reeds dikwerf in
mijne jeugd gezien heb, en moet ik in de nabijheid daarvan die vrienden
zoeken, van welke mij uit mijne kindschheid nog eene teedere, ofschoon
flauwe herinnering is bijgebleven en welke ik zoo vroeg tegen strenge
tuchtmeesters verwisselen moest? En toch heeft Brown, die, dunkt me,
mij niet bedriegen wilde, mij altijd gezegd, dat ik, na eene
schermutseling, waarin mijn vader sneuvelde, van de oostelijke kust
medegenomen was; en ik herinner mij iets van zulk een verschrikkelijk
tooneel, dat zijn gezegde schijnt te bevestigen.”
Toevallig was het standpunt, dat Bertram gekozen had om het kasteel des
te beter te kunnen beschouwen, bijna dezelfde plek, waar zijn vader
gestorven was. Een groote oude eik, de eenige op den heuvel en de
gerechtsboom genaamd, omdat die onder de vroegere baronnen van
Ellangowan als rechtsplaats gebruikt werd, overschaduwde deze plek.
Glossin had ook toevallig (en deze samenloop van omstandigheden was
merkwaardig) juist dezen morgen iemand bij zich, dien hij over eene
voorgenomene verbetering en aanzienlijke vergrooting van zijn woonhuis
wilde raadplegen, en had besloten de steenen van het oude vervallen
slot voor zijn nieuw gebouw te gebruiken, daar hij de bouwvallen, die
zoo luide aan de grootheid der vroegere bezitters herinnerden, niet dan
ongaarne zag. Met dit voornemen kwam hij, vergezeld door den reeds
vroeger vermelden landmeter, die bij gelegenheid ook voor bouwmeester
speelde, naar den heuvel; (bij het maken der bestekken en teekeningen
vertrouwde Glossin op zijne eigene bekwaamheden). Bertram stond met den
rug naar hen toegekeerd en zoo geheel achter de takken van den grooten
boom verscholen, dat Glossin den vreemdeling niet eens bemerkte, vóor
dat hij dicht bij hem was.
„Ja, Mijnheer,” zei de landmeter, „ik herhaal het nog eens; het oude
slot zou overvloed van heerlijken gehouwen steen opleveren en het is
voor u wezenlijk het beste, het geheel en al af te breken; daar het
alleen tot een schuilplaats voor smokkelaars dient.”
Op dit oogenblik keerde Bertram zich om en vroeg Glossin, die geene
drie schreden van hem verwijderd stond: „Wilt gij dit fraaie oude slot
afbreken, Mijnheer?”
Gelaat, gestalte en stem, alles geleek zoo volkomen op die van zijn
vader in diens beste dagen, dat Glossin, die bij het hooren van deze
woorden en het zien van deze onverwachte verschijning, in de gedaante
van zijn overleden beschermer, bijna op dezelfde plaats, waar deze
ongelukkige gestorven was, in het eerst bijna dacht, dat het graf zijn
prooi terug gegeven had. Hij waggelde eenige schreden achteruit, alsof
hij plotseling door een doodelijken slag getroffen was. Hij herwon
echter zijne tegenwoordigheid van geest spoedig weder bij de kwellende
gedachte, dat het geen bewoner der andere wereld was, die vóor hem
stond, maar een diep beleedigd man, dien hij misschien met zijne
aanspraken en de middelen, om ze tot zijn’ eigen volkomen ondergang te
doen gelden, bekend kon maken, indien zijne geslepenheid hem slechts
een oogenblik verliet. Door den onverwachten schrik waren zijne
gedachten echter zoo verward, dat hij, bij zijne eerste vraag, zijne
ontroering niet kon verbergen.
„In ’s hemels naam, hoe zijt gij hier gekomen?” riep hij.
„Hier gekomen? ik ben voor een kwartier in de kleine haven hier beneden
geland en wilde eenige oogenblikken vertoeven, om deze schoone
bouwvallen te bezichtigen. Ik hoop toch niet, dat ik ongelegen kom?”
„Ongelegen, Mijnheer? neen, in het geheel niet,” antwoordde Glossin,
eenigszins bedarende, en fluisterde hierop zijn begeleider eenige
woorden in het oor, die zich oogenblikkelijk verwijderde en naar het
woonhuis ging. „Ongelegen, Mijnheer?” herhaalde Glossin „neen,
Mijnheer, gij zijt welkom, zoo als ieder fatsoenlijk man, die hier
zijne nieuwsgierigheid bevredigen wil.”
„Zeer verplicht, Mijnheer! – Dit wordt het oude slot genoemd, naar ik
gehoord heb?”
„Ja, ter onderscheiding van het nieuwe slot, mijn woonhuis.”
Glossin was, gedurende het volgende gesprek, aan de eene zijde zeer
begeerig, om te vernemen welke plaatselijke herinneringen de jonge
Bertram nog van de tooneelen zijner kindsheid had; terwijl hij aan den
anderen kant zich tot de uiterste omzichtigheid in zijne antwoorden
gedwongen zag, uit vrees dat hij door het noemen van een naam, of het
verhalen van het een of ander voorval, deze sluimerende herinneringen
opwekken of te hulp zou komen. Hij voelde gedurende het gansche tooneel
een doodelijken angst, welken hij zoo rijkelijk verdiend had; maar zijn
hoogmoed en eigenbelang gaven hem, even als onversaagdheid aan den
Noord-Amerikaanschen Indiaan, de kracht, om de folteringen welke hij
door den kamp van zijn knagend geweten met haat, vrees en argwaan leed,
te verdragen.
„Ik zou gaarne den naam der familie weten, aan welke deze prachtige
bouwvallen behooren,” vervolgde Bertram.
„Zij behooren mij, Mijnheer. Mijn naam is Glossin.”
„Glossin, Glossin?” herhaalde Bertram alsof hij een ander antwoord
verwacht had. „Vergeef mij, Mijnheer Glossin; ik ben soms zeer
afgetrokken. Mag ik vragen, of deze plaats reeds lang het eigendom van
uwe familie geweest is?”
„Het is, geloof ik, voor lange jaren door eene familie, Mac-Dingawaie
genaamd, gebouwd;” antwoordde Glossin. Hij vermeed dus, om zeer
duidelijke redenen, den bekenden naam van Bertram, die wellicht
herinneringen kon opwekken, welke hij zoo angstvallig in slaap zocht te
wiegen, en poogde door deze uitvlucht het antwoord op de vraag, hoe
lang hij het kasteel reeds bezeten had, te ontwijken.
„En hoe luidt die half uitgewischte zinspreuk, dáar boven het wapen?”
„Ik – ik weet het waarlijk niet goed,” antwoordde Glossin.
„Me dunkt,” hernam Bertram, „dat ik er uit lees: Ons recht is onze
macht.”
„Ik geloof wel, dat het iets van dien aard is.”
„Mag ik vragen, Mijnheer, of dit de zinspreuk van uw geslacht is?”
„Neen – neen – niet van het onze. Het is, geloof ik, de zinspreuk van
vroegere eigenaren. De mijne is – de mijne is – ik heb reeds eenige
brieven daarover met het herauten-collegie te Edinburg gewisseld, en de
heer Gumming heeft mij geschreven, dat de Glossins oudtijds tot
zinspreuk hadden: „Die het neemt, die het heeft.”
„Als dat slechts eenigszins twijfelachtig is en ik in uw geval ware,
Mijnheer, dan zou ik de oude zinspreuk aannemen, die mij verre weg
verkieselijk voorkomt.”
Glossin, wiens tong van angst aan zijn gehemelte kleefde, antwoordde
slechts met eene kleine buiging.
„Het is wonderlijk,” hernam Bertram, met de oogen op het geslachtswapen
boven de poort gevestigd, en, als het ware, half overluid denkende,
half tot Glossin sprekende – „het is toch wonderlijk, welke streken ons
geheugen ons soms speelt. Bij deze zinspreuk schiet mij een brok van
een oud lied, eene voorspelling, of iets van dien aard te binnen. Het
begint geloof ik:
Wat donker is, zal licht,
En ’t onrecht worden recht,
Als Bertram’s recht en Bertram’s macht
Wordt eind’lijk –
„De laatste regel wil mij niet invallen – – ja, bracht is het
rijmwoord, dat weet ik zeker; maar ik kan de voorafgaande woorden niet
vinden.”
„Verwenscht zij uw geheugen!” dacht Glossin, „gij herinnert u er reeds
veel te veel van.”
„Mij komen hierbij nog andere rijmen voor den geest. Mag ik u vragen,
Mijnheer, is hier ook een oud lied van eene koningsdochter van het
eiland Man, die met een Schotschen ridder heimelijk wegliep, algemeen
bekend?”
„Gij ziet in mij den meest ongeschikten man van de wereld om u daarop
te antwoorden; ik ben geheel onbekend met oude volksfabelen.”
„In mijne kindschheid kon ik zulk een lied van het begin tot aan het
einde zingen,” hernam Bertram. „Ik ben in Schotland geboren, maar heb
dit land zeer jong verlaten, en mijne opvoeders trachtten alle
herinneringen aan mijn vaderland zoo veel mogelijk in mij te
verstikken, waarschijnlijk omdat ik, als knaap, hun opzicht wenschte te
ontvluchten.”
„Zeer natuurlijk,” antwoordde Glossin, maar sprak zoo zacht, als of hij
den mond met de grootste moeite maar even openen kon, zoo dat deze half
gemompelde woorden zeer veel verschilden van den luiden, vrijpostigen
toon, waarop hij gewoonlijk sprak. Gedurende dit geheele gesprek
schenen zijne krachten hem bijna te begeven. Hij was geheel verlegen en
wist niet welke houding hij zou aannemen; nu zette hij den éenen, dan
den anderen voet vooruit, dan bukte hij zich, of trok met de schouders,
of speelde met de knoopen van zijn vest, of wreef zich in de handen –
met één woord, hij was het levendig beeld van een kleinmoedigen schurk,
die sidderend voor ontdekking vreest. Bertram bemerkte van dit alles
niets, daar hij zich te zeer door den stroom van zijn eigen gevoel liet
wegslepen; en ofschoon hij tegen Glossin scheen te spreken, dacht hij
veel minder aan dezen dan aan zijne eigene aandoeningen en verwarde
herinneringen. „Ja,” zeide hij, „ik behield mijne moedertaal onder deze
lieden, van wie de meesten Engelsch spraken, en als ik alleen in een
hoek kon sluipen, zong ik dat lied van het begin tot het einde. Ik heb
de woorden nu geheel vergeten; de wijze ken ik echter nog wel, maar
begrijp niet, waarom mij dit alles thans zoo levendig voor den geest
komt.”
Hij haalde zijne fluit uit den zak en speelde eene eenvoudige
zangwijze. Waarschijnlijk wekten de tonen den zanglust op van een
meisje, dat niet ver van daar bij eene heldere bron, die eens het
kasteel van water voorzien had, bezig was linnen te bleeken. Zij begon
dadelijk te zingen:
„Zijn dit de stranden niet van Forth?
Of is ’t de bocht van Dee?
Of ’t schoone bosch van Warroch’s kaap,
Dat ik zoo gaarne zie?”
„Bij den hemel!” riep Bertram uit, „dat is het lied. Dat meisje moet
mij de woorden zeggen.”
„Vervloekt!” dacht Glossin, „als ik dit niet verhinder, dan is alles
verloren. De duivel hale alle liedjes, liedjesmakers, liedjeszingers en
die verwenschte deern met haar gekraai er bij! – Daartoe zult gij
naderhand wel tijd hebben,” zeide hij overluid, toen hij zijn afgezant
met een paar mannen den heuvel zag opkomen, „thans moeten wij over
ernstiger dingen met elkander spreken.”
„Wat moet dit beteekenen, Mijnheer?” vroeg Bertram, terwijl hij zich
tot hem wendde, beleedigd door den toon, dien Glossin zich aanmatigde.
„Wat dit beteekent? ... Uw naam is, geloof ik, Brown?”
„En waartoe die vraag, Mijnheer?”
Glossin wierp een blik over den schouder, om te zien hoe ver deze met
smart gewachte mannen nog af waren. „Van Beest Brown, indien ik mij
niet vergis?”
„En waartoe die vraag, Mijnheer?” herhaalde Bertram met toenemende
verbazing en klimmend misnoegen.
„In dat geval,” antwoordde Glossin, daar hij zag dat zijne vrienden
dicht achter hem waren, „in dat geval zijt gij mijn gevangene in naam
des Konings!”
Op hetzelfde oogenblik wilde hij Bertram bij den kraag grijpen, terwijl
twee der mannen zijne beide armen vatten. Bertram scheurde zich echter
weder los, wierp den éenen aanvaller van den heuvel af en trok zijn
houwer, om zich te verdedigen, terwijl zijne aanvallers, die zijne
kracht gevoeld hadden, terugweken en hem uit een veiligen afstand
aanstaarden. „Weet,” riep Bertram uit, „dat het mijn voornemen niet is,
mij tegen de wettig ingestelde macht te verzetten. Bewijs mij, dat gij
wettig gemachtigd zijt, om mij in hechtenis te nemen, en ik zal zonder
tegenstand gehoorzamen; maar dat niemand, die zijn leven lief heeft,
het wage mij te naderen, vóor dat ik weet, om welke misdaad en op welk
gezag gij mij aanhouden wilt.”
Op Glossin’s bevel toonde een der gerechtsdienaren een wettig
bevelschrift, om van Beest Brown, beschuldigd van opzettelijk en
boosaardig op den jongen Karel Hazlewood van Hazlewood geschoten te
hebben, met het voornemen om hem te dooden, en van meer andere misdaden
en wanbedrijven, te vatten en tot nader onderzoek aan de naaste
overheid op te zenden. Daar dit bevel in den behoorlijken, wettelijken
vorm was, en de daad zelve niet geloochend kon worden, wierp Bertram
zijn wapen weg en gaf zich vrijwillig aan de gerechtsdienaren over, die
thans met even veel drift, als zij voor eenige oogenblikken
kleinmoedigheid getoond hadden, op hem aanvielen en hem wilden boeien,
onder voorwendsel, dat zijne betoonde sterkte dezen maatregel
noodzakelijk maakte. Glossin schaamde zich echter deze noodelooze
beschimping te dulden, en beval hun den gevangene met verschooning en
eerbied te behandelen, zooveel dat met zijne veilige bewaking
bestaanbaar was. Daar hij er voor vreesde, den gevangene in zijn eigen
huis, waar zoo vele voorwerpen nieuwe herinneringen konden opwekken, te
doen brengen en hij er tevens op bedacht was, zijne handelwijze door
het gezag van iemand anders te rechtvaardigen, liet hij zijn rijtuig
(hij had zich onlangs paarden en rijtuig aangeschaft) gereed maken en
den gevangene benevens den gerechtsdienaren, die intusschen een vertrek
in het oude kasteel betrokken hadden, eenige ververschingen aanbieden!