EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

– Ja – gij met mos begroeide wallen,

Gij vervallen torens, u zie ik weêr,

En met diep berouw! – Waar is uw pracht en roem,

Het dolle feest, – het bont gewoel en al

De drukte, die van de grootheid sprak

Van mijn geslacht en van alouden roem?

De geheimzinnige moeder.

Brown (die in het vervolg, nu hij het vaderlijke erf betreden heeft,

den vaderlijken naam van Bertram voeren zal) trad door een, zoo als het

scheen, voormaals zorgvuldig gesloten achterpoortje in het slot

Ellangowan. Hij wandelde uit het eene vervallen vertrek in het andere,

en verwonderde zich niet weinig over de hechtheid en sterkte van eenige

gedeelten van het gebouw, over de ruwe en indrukwekkende pracht van

andere gedeelten en over de groote uitgestrektheid van het geheel. Twee

van deze vertrekken, welke aan elkander grensden, droegen sporen, dat

ze onlangs bewoond waren geweest. In het eene lagen ledige flesschen,

half afgekloven beenderen en uitgedroogde stukken brood; in het andere,

waarvoor eene sterke deur was, die toen openstond, zag hij een grooten

hoop stroo, en in beide uitgebrande vuren. Hoe weinig kon Bertram

denken, dat deze nietsbeteekenende omstandigheden in verband stonden

met gebeurtenissen, waarmede zijn geluk, zijne eer en misschien zelfs

zijn leven gemoeid waren.

Nadat Bertram zijne nieuwsgierigheid door eene vluchtige bezichtiging

van het inwendige van het slot bevredigd had, ging hij door de groote

poort, welke aan de landzijde was, en bleef staan, om het heerlijke

landschap, dat nu vóor hem lag, te bewonderen. Hij trachtte de ligging

van Woodbourne te ontdekken; maar te vergeefs. Met Kippletringan

gelukte hem dit beter. Nu keerde hij zich om, ten einde een’

afscheidsblik op de grootsche bouwvallen te werpen, welke hij zoo even

doorkruist had. Hij bewonderde de grootsche en schilderachtige werking

van de ontzaggelijke ronde torens, die op beide zijden van de poort

staande, den hoogen en nochtans donkeren boog nog meer diepte en

verhevenheid bijzetten. Het in steen uitgehouwen wapen van het oude

geslacht, bestaande uit drie wolfskoppen, hing schuins onder den helm,

die met een, met eene pijl doorboorden, liggenden wolf, in plaats van

pluim, versierd was. Als schilddrager stond er aan iedere zijde een met

een krans omgorde wilde man in levensgrootte met een ontwortelden eik

in de hand.

„En zijn de nakomelingen van de machtige baronnen, welke dit wapen

voerden,” zeide Bertram, den gewonen loop der gedachten volgende, die

zulke tooneelen dikwijls opwekken, tot zich zelven, „nog steeds in het

bezit van het gebied, dat hunne voorouders met zoo veel moeite hebben

trachten te bevestigen? of dwalen zij, misschien, onbekend met den roem

en de macht van hunne voorvaderen rond, terwijl een vreemd geslacht op

hun voorouderlijk erfgoed huist? Hoe komt het,” vervolgde hij, „dat

sommige tooneelen gedachten opwekken, die, als het ware, tot de droomen

eener vroegere en schaduwachtige herinnering behooren, die mijn oude

Bramin aan eenen staat van voorbestaan wilde toeschrijven? Zijn het de

droombeelden van onzen slaap, die duister in ons geheugen liggen en

door het aanschouwen van zoodanige wezenlijke voorwerpen, die

eenigszins met de gestalten onzer verbeelding overeenstemmen, weder te

voorschijn geroepen worden? Hoe dikwijls ontwaren wij, zelfs in het

gezelschap van menschen, die wij nooit gezien hebben, zeker

geheimzinnig en onverklaarbaar gevoel, dat ons schijnt te zeggen, dat

noch de schouwplaats, noch de sprekers, noch het gesprokene ons geheel

vreemd zijn; ja, het komt ons zelfs voor, dat wij het gesprek, dat nog

niet begonnen is, woordelijk kunnen raden! Juist zoo gaat het mij,

terwijl ik op deze bouwvallen staar; en ik kan de gedachte niet weren,

dat deze hechte torens, deze donkere doorgang onder de hoog gewelfde

poort, die door het slotplein slechts flauw verlicht wordt, mij niet

geheel vreemd zijn. Zou het mogelijk zijn, dat ik ze reeds dikwerf in

mijne jeugd gezien heb, en moet ik in de nabijheid daarvan die vrienden

zoeken, van welke mij uit mijne kindschheid nog eene teedere, ofschoon

flauwe herinnering is bijgebleven en welke ik zoo vroeg tegen strenge

tuchtmeesters verwisselen moest? En toch heeft Brown, die, dunkt me,

mij niet bedriegen wilde, mij altijd gezegd, dat ik, na eene

schermutseling, waarin mijn vader sneuvelde, van de oostelijke kust

medegenomen was; en ik herinner mij iets van zulk een verschrikkelijk

tooneel, dat zijn gezegde schijnt te bevestigen.”

Toevallig was het standpunt, dat Bertram gekozen had om het kasteel des

te beter te kunnen beschouwen, bijna dezelfde plek, waar zijn vader

gestorven was. Een groote oude eik, de eenige op den heuvel en de

gerechtsboom genaamd, omdat die onder de vroegere baronnen van

Ellangowan als rechtsplaats gebruikt werd, overschaduwde deze plek.

Glossin had ook toevallig (en deze samenloop van omstandigheden was

merkwaardig) juist dezen morgen iemand bij zich, dien hij over eene

voorgenomene verbetering en aanzienlijke vergrooting van zijn woonhuis

wilde raadplegen, en had besloten de steenen van het oude vervallen

slot voor zijn nieuw gebouw te gebruiken, daar hij de bouwvallen, die

zoo luide aan de grootheid der vroegere bezitters herinnerden, niet dan

ongaarne zag. Met dit voornemen kwam hij, vergezeld door den reeds

vroeger vermelden landmeter, die bij gelegenheid ook voor bouwmeester

speelde, naar den heuvel; (bij het maken der bestekken en teekeningen

vertrouwde Glossin op zijne eigene bekwaamheden). Bertram stond met den

rug naar hen toegekeerd en zoo geheel achter de takken van den grooten

boom verscholen, dat Glossin den vreemdeling niet eens bemerkte, vóor

dat hij dicht bij hem was.

„Ja, Mijnheer,” zei de landmeter, „ik herhaal het nog eens; het oude

slot zou overvloed van heerlijken gehouwen steen opleveren en het is

voor u wezenlijk het beste, het geheel en al af te breken; daar het

alleen tot een schuilplaats voor smokkelaars dient.”

Op dit oogenblik keerde Bertram zich om en vroeg Glossin, die geene

drie schreden van hem verwijderd stond: „Wilt gij dit fraaie oude slot

afbreken, Mijnheer?”

Gelaat, gestalte en stem, alles geleek zoo volkomen op die van zijn

vader in diens beste dagen, dat Glossin, die bij het hooren van deze

woorden en het zien van deze onverwachte verschijning, in de gedaante

van zijn overleden beschermer, bijna op dezelfde plaats, waar deze

ongelukkige gestorven was, in het eerst bijna dacht, dat het graf zijn

prooi terug gegeven had. Hij waggelde eenige schreden achteruit, alsof

hij plotseling door een doodelijken slag getroffen was. Hij herwon

echter zijne tegenwoordigheid van geest spoedig weder bij de kwellende

gedachte, dat het geen bewoner der andere wereld was, die vóor hem

stond, maar een diep beleedigd man, dien hij misschien met zijne

aanspraken en de middelen, om ze tot zijn’ eigen volkomen ondergang te

doen gelden, bekend kon maken, indien zijne geslepenheid hem slechts

een oogenblik verliet. Door den onverwachten schrik waren zijne

gedachten echter zoo verward, dat hij, bij zijne eerste vraag, zijne

ontroering niet kon verbergen.

„In ’s hemels naam, hoe zijt gij hier gekomen?” riep hij.

„Hier gekomen? ik ben voor een kwartier in de kleine haven hier beneden

geland en wilde eenige oogenblikken vertoeven, om deze schoone

bouwvallen te bezichtigen. Ik hoop toch niet, dat ik ongelegen kom?”

„Ongelegen, Mijnheer? neen, in het geheel niet,” antwoordde Glossin,

eenigszins bedarende, en fluisterde hierop zijn begeleider eenige

woorden in het oor, die zich oogenblikkelijk verwijderde en naar het

woonhuis ging. „Ongelegen, Mijnheer?” herhaalde Glossin „neen,

Mijnheer, gij zijt welkom, zoo als ieder fatsoenlijk man, die hier

zijne nieuwsgierigheid bevredigen wil.”

„Zeer verplicht, Mijnheer! – Dit wordt het oude slot genoemd, naar ik

gehoord heb?”

„Ja, ter onderscheiding van het nieuwe slot, mijn woonhuis.”

Glossin was, gedurende het volgende gesprek, aan de eene zijde zeer

begeerig, om te vernemen welke plaatselijke herinneringen de jonge

Bertram nog van de tooneelen zijner kindsheid had; terwijl hij aan den

anderen kant zich tot de uiterste omzichtigheid in zijne antwoorden

gedwongen zag, uit vrees dat hij door het noemen van een naam, of het

verhalen van het een of ander voorval, deze sluimerende herinneringen

opwekken of te hulp zou komen. Hij voelde gedurende het gansche tooneel

een doodelijken angst, welken hij zoo rijkelijk verdiend had; maar zijn

hoogmoed en eigenbelang gaven hem, even als onversaagdheid aan den

Noord-Amerikaanschen Indiaan, de kracht, om de folteringen welke hij

door den kamp van zijn knagend geweten met haat, vrees en argwaan leed,

te verdragen.

„Ik zou gaarne den naam der familie weten, aan welke deze prachtige

bouwvallen behooren,” vervolgde Bertram.

„Zij behooren mij, Mijnheer. Mijn naam is Glossin.”

„Glossin, Glossin?” herhaalde Bertram alsof hij een ander antwoord

verwacht had. „Vergeef mij, Mijnheer Glossin; ik ben soms zeer

afgetrokken. Mag ik vragen, of deze plaats reeds lang het eigendom van

uwe familie geweest is?”

„Het is, geloof ik, voor lange jaren door eene familie, Mac-Dingawaie

genaamd, gebouwd;” antwoordde Glossin. Hij vermeed dus, om zeer

duidelijke redenen, den bekenden naam van Bertram, die wellicht

herinneringen kon opwekken, welke hij zoo angstvallig in slaap zocht te

wiegen, en poogde door deze uitvlucht het antwoord op de vraag, hoe

lang hij het kasteel reeds bezeten had, te ontwijken.

„En hoe luidt die half uitgewischte zinspreuk, dáar boven het wapen?”

„Ik – ik weet het waarlijk niet goed,” antwoordde Glossin.

„Me dunkt,” hernam Bertram, „dat ik er uit lees: Ons recht is onze

macht.”

„Ik geloof wel, dat het iets van dien aard is.”

„Mag ik vragen, Mijnheer, of dit de zinspreuk van uw geslacht is?”

„Neen – neen – niet van het onze. Het is, geloof ik, de zinspreuk van

vroegere eigenaren. De mijne is – de mijne is – ik heb reeds eenige

brieven daarover met het herauten-collegie te Edinburg gewisseld, en de

heer Gumming heeft mij geschreven, dat de Glossins oudtijds tot

zinspreuk hadden: „Die het neemt, die het heeft.”

„Als dat slechts eenigszins twijfelachtig is en ik in uw geval ware,

Mijnheer, dan zou ik de oude zinspreuk aannemen, die mij verre weg

verkieselijk voorkomt.”

Glossin, wiens tong van angst aan zijn gehemelte kleefde, antwoordde

slechts met eene kleine buiging.

„Het is wonderlijk,” hernam Bertram, met de oogen op het geslachtswapen

boven de poort gevestigd, en, als het ware, half overluid denkende,

half tot Glossin sprekende – „het is toch wonderlijk, welke streken ons

geheugen ons soms speelt. Bij deze zinspreuk schiet mij een brok van

een oud lied, eene voorspelling, of iets van dien aard te binnen. Het

begint geloof ik:

Wat donker is, zal licht,

En ’t onrecht worden recht,

Als Bertram’s recht en Bertram’s macht

Wordt eind’lijk –

„De laatste regel wil mij niet invallen – – ja, bracht is het

rijmwoord, dat weet ik zeker; maar ik kan de voorafgaande woorden niet

vinden.”

„Verwenscht zij uw geheugen!” dacht Glossin, „gij herinnert u er reeds

veel te veel van.”

„Mij komen hierbij nog andere rijmen voor den geest. Mag ik u vragen,

Mijnheer, is hier ook een oud lied van eene koningsdochter van het

eiland Man, die met een Schotschen ridder heimelijk wegliep, algemeen

bekend?”

„Gij ziet in mij den meest ongeschikten man van de wereld om u daarop

te antwoorden; ik ben geheel onbekend met oude volksfabelen.”

„In mijne kindschheid kon ik zulk een lied van het begin tot aan het

einde zingen,” hernam Bertram. „Ik ben in Schotland geboren, maar heb

dit land zeer jong verlaten, en mijne opvoeders trachtten alle

herinneringen aan mijn vaderland zoo veel mogelijk in mij te

verstikken, waarschijnlijk omdat ik, als knaap, hun opzicht wenschte te

ontvluchten.”

„Zeer natuurlijk,” antwoordde Glossin, maar sprak zoo zacht, als of hij

den mond met de grootste moeite maar even openen kon, zoo dat deze half

gemompelde woorden zeer veel verschilden van den luiden, vrijpostigen

toon, waarop hij gewoonlijk sprak. Gedurende dit geheele gesprek

schenen zijne krachten hem bijna te begeven. Hij was geheel verlegen en

wist niet welke houding hij zou aannemen; nu zette hij den éenen, dan

den anderen voet vooruit, dan bukte hij zich, of trok met de schouders,

of speelde met de knoopen van zijn vest, of wreef zich in de handen –

met één woord, hij was het levendig beeld van een kleinmoedigen schurk,

die sidderend voor ontdekking vreest. Bertram bemerkte van dit alles

niets, daar hij zich te zeer door den stroom van zijn eigen gevoel liet

wegslepen; en ofschoon hij tegen Glossin scheen te spreken, dacht hij

veel minder aan dezen dan aan zijne eigene aandoeningen en verwarde

herinneringen. „Ja,” zeide hij, „ik behield mijne moedertaal onder deze

lieden, van wie de meesten Engelsch spraken, en als ik alleen in een

hoek kon sluipen, zong ik dat lied van het begin tot het einde. Ik heb

de woorden nu geheel vergeten; de wijze ken ik echter nog wel, maar

begrijp niet, waarom mij dit alles thans zoo levendig voor den geest

komt.”

Hij haalde zijne fluit uit den zak en speelde eene eenvoudige

zangwijze. Waarschijnlijk wekten de tonen den zanglust op van een

meisje, dat niet ver van daar bij eene heldere bron, die eens het

kasteel van water voorzien had, bezig was linnen te bleeken. Zij begon

dadelijk te zingen:

„Zijn dit de stranden niet van Forth?

Of is ’t de bocht van Dee?

Of ’t schoone bosch van Warroch’s kaap,

Dat ik zoo gaarne zie?”

„Bij den hemel!” riep Bertram uit, „dat is het lied. Dat meisje moet

mij de woorden zeggen.”

„Vervloekt!” dacht Glossin, „als ik dit niet verhinder, dan is alles

verloren. De duivel hale alle liedjes, liedjesmakers, liedjeszingers en

die verwenschte deern met haar gekraai er bij! – Daartoe zult gij

naderhand wel tijd hebben,” zeide hij overluid, toen hij zijn afgezant

met een paar mannen den heuvel zag opkomen, „thans moeten wij over

ernstiger dingen met elkander spreken.”

„Wat moet dit beteekenen, Mijnheer?” vroeg Bertram, terwijl hij zich

tot hem wendde, beleedigd door den toon, dien Glossin zich aanmatigde.

„Wat dit beteekent? ... Uw naam is, geloof ik, Brown?”

„En waartoe die vraag, Mijnheer?”

Glossin wierp een blik over den schouder, om te zien hoe ver deze met

smart gewachte mannen nog af waren. „Van Beest Brown, indien ik mij

niet vergis?”

„En waartoe die vraag, Mijnheer?” herhaalde Bertram met toenemende

verbazing en klimmend misnoegen.

„In dat geval,” antwoordde Glossin, daar hij zag dat zijne vrienden

dicht achter hem waren, „in dat geval zijt gij mijn gevangene in naam

des Konings!”

Op hetzelfde oogenblik wilde hij Bertram bij den kraag grijpen, terwijl

twee der mannen zijne beide armen vatten. Bertram scheurde zich echter

weder los, wierp den éenen aanvaller van den heuvel af en trok zijn

houwer, om zich te verdedigen, terwijl zijne aanvallers, die zijne

kracht gevoeld hadden, terugweken en hem uit een veiligen afstand

aanstaarden. „Weet,” riep Bertram uit, „dat het mijn voornemen niet is,

mij tegen de wettig ingestelde macht te verzetten. Bewijs mij, dat gij

wettig gemachtigd zijt, om mij in hechtenis te nemen, en ik zal zonder

tegenstand gehoorzamen; maar dat niemand, die zijn leven lief heeft,

het wage mij te naderen, vóor dat ik weet, om welke misdaad en op welk

gezag gij mij aanhouden wilt.”

Op Glossin’s bevel toonde een der gerechtsdienaren een wettig

bevelschrift, om van Beest Brown, beschuldigd van opzettelijk en

boosaardig op den jongen Karel Hazlewood van Hazlewood geschoten te

hebben, met het voornemen om hem te dooden, en van meer andere misdaden

en wanbedrijven, te vatten en tot nader onderzoek aan de naaste

overheid op te zenden. Daar dit bevel in den behoorlijken, wettelijken

vorm was, en de daad zelve niet geloochend kon worden, wierp Bertram

zijn wapen weg en gaf zich vrijwillig aan de gerechtsdienaren over, die

thans met even veel drift, als zij voor eenige oogenblikken

kleinmoedigheid getoond hadden, op hem aanvielen en hem wilden boeien,

onder voorwendsel, dat zijne betoonde sterkte dezen maatregel

noodzakelijk maakte. Glossin schaamde zich echter deze noodelooze

beschimping te dulden, en beval hun den gevangene met verschooning en

eerbied te behandelen, zooveel dat met zijne veilige bewaking

bestaanbaar was. Daar hij er voor vreesde, den gevangene in zijn eigen

huis, waar zoo vele voorwerpen nieuwe herinneringen konden opwekken, te

doen brengen en hij er tevens op bedacht was, zijne handelwijze door

het gezag van iemand anders te rechtvaardigen, liet hij zijn rijtuig

(hij had zich onlangs paarden en rijtuig aangeschaft) gereed maken en

den gevangene benevens den gerechtsdienaren, die intusschen een vertrek

in het oude kasteel betrokken hadden, eenige ververschingen aanbieden!

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 55 / 75 题