J. M.”

De in dezen brief vervatte raad behoorde tot die soort, welke dikwijls

gegeven wordt met de bedoeling, dat de ontvanger daarin aanleiding tot

een geheel daarmede strijdig gedrag zou vinden. Ten minste Brown was

van dit gevoelen en vroeg dadelijk den jongen visscher, of hij van

Portanferry kwam.

„Ja,” antwoordde deze, „ik ben een zoon van den ouden Willem Johnstone

en ik heb dezen brief van mijne zuster Peggy, die als waschvrouw te

Woodbourne dient, ontvangen.”

„Wanneer vertrekt gij weder?”

„Heden avond met de eb.”

„Ik zal met u varen; maar had gaarne, dat gij mij hier of daar aan de

kust aan wal kondt zetten, daar ik niet naar Portanferry wensch te

gaan.”

„Dat is zeer gemakkelijk te doen,” antwoordde de knaap.

Hoewel de prijs van alle levensbehoeften destijds zeer matig was, putte

toch het betalen van kamerhuur en kostgeld, en het aanschaffen van

nieuwe kleêren, hetwelk zijne veiligheid zoowel als de betamelijkheid

vorderde, de beurs van Brown bijna geheelenal uit. Hij gaf bevel aan

het postkantoor, dat zijne brieven hem te Kippletringan achterna

gezonden zouden worden, werwaarts hij zich zelf begeven wilde, om den

schat, welken hij vrouw Mac-Candlish ter bewaring had gegeven, terug te

vorderen. Hij hield het ook voor plicht, om zoodra hij de noodige

bewijsstukken ontvangen zou hebben, in zijn waar karakter op te treden

en als officier in ’s Konings dienst iedere verklaring te geven en te

ontvangen, welke zijn twist met den jongen Hazlewood noodig mocht

maken. „Indien bij geen echt stijfhoofd is,” dacht Brown, „dan moet hij

toestemmen, dat alles, wat ik gedaan heb, het noodzakelijke gevolg was

van zijn ongepast gedrag.”

Hij begaf zich aan boord. Zij moesten de zeeëngte van Solway

oversteken. Zij hadden weinig voordeel van het getij; en een sterke

tegenwind, vergezeld van regen, deed de zwaar, waarschijnlijk ten deele

met verboden waren geladen boot hevig tegen de golven worstelen. Brown,

als zeeman opgevoed en bedreven in de meeste lichaamsoefeningen,

verleende den schipper door raad en daad krachtdadigen bijstand, toen

de vaart door het toenemen van den wind en den sterken stroom op de

kust gevaarlijk werd. Zij brachten den ganschen nacht in de zeeëngte

door, en bevonden zich des morgens in het gezicht van eene schoone baai

aan de kust van Schotland. Het weder was thans vrij zacht. De sneeuw,

die reeds sedert eenigen tijd was begonnen te smelten, was door den

regen en wind van den vorigen nacht bijna geheel verdwenen. De verder

afgelegen bergen waren nog wel in een wit kleed gehuld; maar het open

veld was, op eenige weinige plaatsen na, waar de sneeuw door den wind

tot eene buitengewone hoogte opgejaagd was, geheel ontbloot. De oever

leverde, zelfs bij het tegenwoordig winterachtige aanzien, een

bekoorlijk gezicht op. De omtrek der kust vormde met de veelvuldige

krommingen, inhammen en baaien zoo ver het gezicht reikte, aan beide

zijden eene bekoorlijk golvende lijn, welke het oog zoo gaarne volgt.

Niet minder afwisselend dan de omtrek, was de oppervlakte der kust.

Hier verhieven zich steile rotsen, ginds bestond de oever uit zacht

hellend zand. Gebouwen van verschillenden aard werden door de stralen

der opkomende winterzon verlicht en kaatsten het licht schilderachtig

terug, terwijl de bosschen, ofschoon thans ontbladerd, de bekoorlijke

afwisseling van het landschap verhoogden. Brown genoot dit gezicht met

die aangename gewaarwordingen, welke de schoonheden der natuur bij

ieder gevoelig en beschaafd mensch opwekken, als ze zich onverwacht,

nadat men een duisteren, droevigen nacht op reis doorgebracht heeft,

aan ons oog vertoonen. Misschien – want wie durft zich vermeten het

onverklaarbare gevoel te ontleden, dat ieder in eene bergachtige

landstreek geboren mensch aan zijne vaderlandsche bergen verbindt? –

Misschien mengden zich ook nog sluimerende herinneringen, die nog in

zijne ziel voortleefden, ofschoon hare oorzaak reeds lang vergeten was,

bij het aangename gevoel, waarmede hij het vóor hem liggende tooneel

beschouwde.

„En hoe heet dat schoone voorgebergte,” vroeg hij den schipper, „dat

zich met zijne hellende oevers en boschrijke heuvels zoo ver in zee

uitstrekt en de rechterzijde van de baai vormt?”

„Kaap Warroch,” antwoordde deze.

„En dat oude kasteel, met dat nieuwe huis, dáár iets lager? Het schijnt

van verre een zeer groot gebouw te zijn.”

„Dat is het oude slot in de hoogte, en het nieuwe slot dáar beneden,

Mijnheer. Wij kunnen hier wel landen, als gij het verkiest.”

„Niets liever, dan dat! Ik moet die bouwvallen bezoeken, eer ik verder

reis.”

„Ja, het is een wonderlijk oud nest: en die hoogste toren dient ons,

reeds van Ramsay, op het eiland Man, en de Punt van Ayr af, tot een

goed baken. Jaren geleden heeft meer dan eens dáar een groot gevecht

plaats gehad.”

Brown wilde gaarne meer bijzonderheden vernemen; maar een visscher is

zelden een oudheidkenner. Ten minste, de plaatselijke kennis van zijn

schipper bepaalde zich bij het gegeven bericht, dat de toren een goed

baken was en dáar vele jaren geleden meer dan éen hevig gevecht had

plaats gehad.

„Ik zal er wel meer van hooren,” dacht Brown, „als ik aan land kom.”

Zij voeren met de boot dicht langs de punt, waarop het kasteel lag en

van eene steile rots somber op de nog beroerde golven nederzag.

„Ik geloof,” zei de stuurman, „dat gij hier even gemakkelijk en droog

als elders aan land kunt komen. Vóor lange jaren pleegden hier vele

schepen te liggen, maar thans wordt er geen gebruik van deze plaats

gemaakt, omdat het zoo moeilijk is goederen den steilen trap op over de

rotsen te brengen. Bij helderen maneschijn heb ik echter wel het een en

ander hier aan wal gebracht.”

Intusschen voeren zij om eene rotspunt en vonden eene kleine haven,

welke ten deele door de natuur, ten deele door den onvermoeiden arbeid

der oude bewoners van het kasteel gevormd was, opdat hunne booten en

kleine schepen hier veilig zouden kunnen liggen; zware schepen kon ze

echter niet opnemen. De beide rotsen, welke den ingang vormden, stonden

zoo dicht bij elkander, dat er slechts ééne boot te gelijk inloopen

kon. Aan beide zijden waren nog twee zware ijzeren ringen in de rots

vastgemaakt, in welke volgens het volksverhaal, eertijds des nachts

eene zware ijzeren keten gespannen werd, om de haven en de daarin

liggende schepen te beveiligen. Met behulp van houweel en beitel had

men in de ééne zijde van de buitengemeen harde rots eene soort van kaai

uitgehouwen. De steen was echter zoo hard, dat volgens verhalen der

inboorlingen, een werkman, die den heelen dag er aan gearbeid had, ’s

avonds gemakkelijk al de brokken in zijn pet naar huis kon dragen, die

het hem gelukt was er af te slaan. Deze kleine kaai had gemeenschap met

een ruwen trap (waarvan reeds meermalen melding is gemaakt), die naar

het oude slot leidde. Men kon ook over de rotsen heen, na zwaar

klauteren, de kaai bereiken.

„Hier moet gij maar aan wal gaan: want bij den Shellicoatsteen loopen

de golven zoo hoog, dat wij geen droog draadje aan ’t lijf zullen

hebben, als we de vracht lossen,” zei de schipper en weigerde het geld,

dat Brown hem aanbood, met deze woorden: „Neen, neen, gij hebt voor uwe

overvaart gewerkt, en beter gewerkt, dan één van ons. Vaarwel! Het ga u

goed!” Dit zeggende verwijderde hij zich met zijne boot, om zijne

lading aan de tegenovergestelde zijde van de baai te lossen, en liet

Brown, met een klein pakje, waarin de weinige benoodigdheden waren, die

hij te Allonby had moeten koopen, in de hand, op de rotsen onder de

bouwvallen staan.

En zoo naderde de vermoeide reiziger, onkundig als een vreemdeling en

in omstandigheden, die, zoo al niet hopeloos, ten minste voor het

oogenblik zeer netelig waren, zonder vriend in den omtrek van vele

mijlen, van eene zware misdaad beschuldigd en, wat nog haast het ergste

van alles was, bijna zonder geld, de overblijfsels van het kasteel,

waar zijne voorouders bijna als koningen geheerscht hadden.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 54 / 75 题