Kon ik rust niet vinden, – is geen schuilplaats hier?
Moet steeds het ongeluk mij als een speurhond volgen?
Ongelukkige! Waarheen? Hoe nu den dood ontvlucht,
Terwijl het heele land door vijanden is bezet!
De vergenoegde vrouwen.
Wij moeten thans voor eenige oogenblikken op een vroeger tijdstip
terugzien, op het tijdstip namelijk, waarop Brown den jongen Hazlewood
zoo geheel onvoorbedachtelijk kwetste.
Nauwelijks had dit ongeluk plaats gehad, of de vrees voor de gevolgen,
welke hieruit zoowel voor Julia Mannering als voor hem zelven
voortvloeien konden, begon Brown te beangstigen. Naar de richting van
het geweer, op het oogenblik dat het losging, te oordeelen, kon de wond
niet zeer gevaarlijk zijn. Hij moest er echter voor vreezen in een
vreemd land en beroofd van alle middelen, om zijn rang en stand te
bewijzen, in hechtenis te geraken en dit zoeken te voorkomen. Hij
besloot dus om vooreerst naar de naburige Engelsche kust te vluchten en
zich dáar, zoo mogelijk, verborgen te houden, tot hij brieven van zijne
krijgsmakkers en wissels van zijn zaakwaarnemer zou ontvangen. Dan
wilde hij weder in zijn eigen rol optreden en den jongen Hazlewood en
diens vrienden alle opheldering of voldoening aanbieden, die zij
verlangen konden. Met dit voornemen verwijderde hij zich snel van de
ongelukkige plaats en bereikte zonder bezwaar het dorpje Portanferry,
(dat echter te vergeefsch onder dezen naam op eene landkaart gezocht
zou worden.) Eene groote open boot, naar de kleine zeehaven Allonby in
Cumberland bestemd, lag juist gereed om in zee te steken. Brown ging
aan boord en besloot zoolang in die plaats te vertoeven, tot hij
brieven en geld uit Engeland ontvangen zou hebben.
Gedurende hunne korte overvaart begon Brown een gesprek met den
stuurman, een opgeruimden grijsaard, die tevens eigenaar van de boot
was, en zich, zoo als de meeste visschers aan deze kust, bij
gelegenheid met den sluiklandel had bezig gehouden. Na over eenige
andere zaken gesproken te hebben, zocht Brown het gesprek op de familie
Mannering te brengen. De zeeman verhaalde hem van den aanval op
Woodbourne, maar keurde het gedrag der smokkelaars ronduit af.
„De handen moeten zij te huis houden,” sprak hij; „op deze wijze zullen
zij zich het geheele land op den hals halen. Toen ik mij er nog mede
bemoeide, speelde, of dobbelde ik, als het ware, met de tolbedienden.
Hier werd eene lading prijs gemaakt – nu, dat was een geluk voor hen;
daar werd er eene zonder rampen binnen gesmokkeld – dat was een
fortuintje voor mij. Neen, neen! de eene kraai moet den anderen de
oogen niet uitpikken.”
„En deze kolonel Mannering?”
„Het is ook niet verstandig van hem, dat hij zich hiermede bemoeide. Ik
neem het hem niet kwalijk, dat hij het leven der tolbedienden redde;
dat was zoo als het behoorde; maar het paste zulk een voornaam man
niet, te vechten om de theekisten en de brandewijnsvaten der arme
lieden: maar bij is een groot heer en een officier, en die doen met
onze gelijken, wat zij willen.”
„En zijne dochter zal, naar ik gehoord heb,” vervolgde Brown met een
kloppend hart, „ook met iemand van groote familie huwen?”
„Meent gij met den jongen Hazlewood? neen, neen, dat zijn maar
praatjes! Elken Zondag reed de jonge heer met de dochter van den
overleden heer van Ellangowan naar huis, en mijne dochter Peggy, die te
Woodbourne dient, zegt dat de jonge Hazlewood niet meer om juffrouw
Mannering denkt, dan gij of ik.”
Brown deed zich zelven bittere verwijten over zijne voorbarigheid, maar
hoorde met genoegen, dat de verdenking van Julia’s getrouwheid,
waardoor hij zich had laten verleiden, waarschijnlijk ongegrond was.
Hoe zeer moest hij niet hierdoor in hare achting dalen? Wat moest zij
van een gedrag denken, dat hem onverschillig moest doen schijnen
omtrent hare gemoedsrust en het belang van hunne liefde?
De betrekking van den ouden man tot het huisgezin te Woodbourne scheen,
Brown een veiligen weg tot onderhandeling aan te bieden, en hij besloot
deze gelegenheid niet ongebruikt voorbij te laten gaan. „Uwe dochter
woont als dienstmaagd te Woodbourne?” vroeg hij weder. „Ik heb juffrouw
Mannering in Indië gekend, en ofschoon ik mij thans in minder gelukkige
omstandigheden bevind, heb ik nochtans àlle redenen te hopen, dat zij
iets voor mij zou willen doen. Ik heb een ongelukkigen twist met haren
vader, destijds mijn bevelvoerende officier, gehad en ik ben er zeker
van, dat de jonge dame haar best zou willen doen, om hem met mij te
verzoenen. Misschien zou uwe dochter haar wel een brief kunnen
overhandigen, zonder dat daaruit misnoegen tusschen haren vader en haar
ontstond?”
De oude man, een voorstander van alles wat op smokkelhandel geleek,
stond gaarne in voor de getrouwe en geheime bezorging van den brief.
Zoodra zij nu te Allonby aanlandden, schreef Brown aan Julia Mannering.
Hij betuigde diep berouw over zijne onbezonnenheid en bezwoer haar, hem
eene gelegenheid te verschaffen, om zich te rechtvaardigen en hare
vergiffenis voor zijne overijling af te smeeken. Hij oordeelde het niet
veilig, zich nader over de omstandigheden, waardoor hij misleid was,
uit te laten en drukte zich over het geheel zoo dubbelzinnig uit, dat,
indien de brief in verkeerde handen viel, het niet gemakkelijk zou
zijn, den waren zin te verstaan, of den schrijver op te sporen. De
visscher beloofde dezen brief getrouw aan zijne dochter Peggy te
overhandigen en tevens het antwoord, indien de dame het noodig vond te
antwoorden, mede te brengen de eerste maal, dat hij weer te Allonby zou
komen.
Brown zocht nu naar een geschikt verblijf, dat met zijne tegenwoordige
armoede en zijn wensch om zoo veel mogelijk onopgemerkt te blijven,
overeenkwam. Met dit oogmerk nam hij den naam van zijn vriend Dudley
aan en gaf hij zich tevens voor schilder uit, daar hij genoeg van de
behandeling van het penseel verstond, om zijn waard dit voorwendsel als
waarheid te doen aannemen. Hij gaf voor, dat zijn reisgoed hem uit
Wigton nagezonden zou worden, hield zich, zoo veel mogelijk, in huis en
wachtte dus op antwoord op de brieven, die hij aan zijn zaakwaarnemer,
aan Delaserre en aan zijn luitenant-kolonel gezonden had. Van den
eersten verlangde hij geld; hij bezwoer Delaserre, zoo mogelijk, bij
hem in Schotland te komen, en van den laatsten verzocht hij zoodanige
getuigschriften, waardoor hij zijn rang als officier en zijn
onberispelijk karakter en gedrag onwederlegbaar kon bewijzen. Zijn
bijna dringend gebrek aan geld bewoog hem aan Dinmont te schrijven, dat
hij, sedert zij van elkaâr afscheid hadden genomen, bestolen was
geworden en hem om eene kleinigheid ter leen verzocht, geenszins
twijfelende, of hij zou, bij den niet grooten afstand van een
twintigtal uren, spoedig een gunstig antwoord ontvangen. Na dit gedaan
te hebben, wachtte hij wel met hevig ongeduld, doch zonder ernstige
bezorgdheid, naar antwoord op deze verschillende brieven.
Ter verontschuldiging van de ontvangers dezer brieven moet men in het
oog houden, dat de loop der posten toen ten tijde nog zeer langzaam en
op verre na niet zoo geregeld was, als thans, na de schrandere regeling
van den heer Palme. Bovendien bleven de brieven van den braven Dinmont,
daar hij zelden meer dan één brief in een vierendeeljaars ontving
(tenzij hij in een rechtsgeding gewikkeld was, als wanneer hij geregeld
naar het postkantoor zond), gewoonlijk een of twee maanden bij den
postmeester voor het venster, onder weekbladen, peperkoek, valhoeden,
liedjes, of waarin de man anders handel dreef, liggen. Daarbij had er
toen de thans nog niet geheel verouderde gewoonte plaats, dat een brief
naar een, misschien geene tien uren verwijderde stad, soms een’ weg van
een vijftigtal uren rondgesleept werd, vóor dat die ter bestemde plaats
aankwam, waaruit het dubbele voordeel ontstond, dat de brief door en
door gelucht, het inkomen van het postwezen met eenige stuivers
vermeerderd en het geduld der belanghebbenden geoefend werd. Ten
gevolge van deze omstandigheden wachtte Brown verscheidene dagen te
vergeefs op antwoord, en zijn voorraad van geld was, niettegenstaande
de uiterste spaarzaamheid, bijna versmolten, toen hij door een jongen
visscher den volgenden brief ontving:
„Hoe wreed en onvoorzichtig hebt gij gehandeld! Gij hebt getoond, hoe
weinig ìk op uwe verzekeringen, dat mijne rust en mijn geluk u dierbaar
zijn, kan vertrouwen; en uwe onbezonnenheid heeft eene zeer
achtingwaardigen en eerlijken jongeling bijna het leven gekost. Moet ik
nog meer zeggen? Moet ik hierbij voegen, dat uwe onbezonnen drift mij
op het ziekbed geworpen heeft? en helaas! behoef ik u verder te zeggen,
dat ik met angst aan de gevolgen gedacht heb, die hieruit
waarschijnlijk voor u zullen voortvloeien, ofschoon gij mij zoo weinig
reden gegeven hebt, om dit te doen? De K. is voor verscheidene dagen
van huis gegaan. De heer H. is bijna geheel hersteld, en ik heb reden,
te denken, dat men niet u, maar iemand anders verdenkt. Waag het
nochtans niet, hier te komen! Wij hebben met te verschrikkelijke rampen
te worstelen gehad, dan dat ik er aan denken zou, eene betrekking weder
aan te knoopen, die zoo dikwijls door de ijselijkste ontknooping
bedreigd is. Vaarwel en geloof, dat niemand uw geluk oprechter kan
wenschen, dan