VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Kon ik rust niet vinden, – is geen schuilplaats hier?

Moet steeds het ongeluk mij als een speurhond volgen?

Ongelukkige! Waarheen? Hoe nu den dood ontvlucht,

Terwijl het heele land door vijanden is bezet!

De vergenoegde vrouwen.

Wij moeten thans voor eenige oogenblikken op een vroeger tijdstip

terugzien, op het tijdstip namelijk, waarop Brown den jongen Hazlewood

zoo geheel onvoorbedachtelijk kwetste.

Nauwelijks had dit ongeluk plaats gehad, of de vrees voor de gevolgen,

welke hieruit zoowel voor Julia Mannering als voor hem zelven

voortvloeien konden, begon Brown te beangstigen. Naar de richting van

het geweer, op het oogenblik dat het losging, te oordeelen, kon de wond

niet zeer gevaarlijk zijn. Hij moest er echter voor vreezen in een

vreemd land en beroofd van alle middelen, om zijn rang en stand te

bewijzen, in hechtenis te geraken en dit zoeken te voorkomen. Hij

besloot dus om vooreerst naar de naburige Engelsche kust te vluchten en

zich dáar, zoo mogelijk, verborgen te houden, tot hij brieven van zijne

krijgsmakkers en wissels van zijn zaakwaarnemer zou ontvangen. Dan

wilde hij weder in zijn eigen rol optreden en den jongen Hazlewood en

diens vrienden alle opheldering of voldoening aanbieden, die zij

verlangen konden. Met dit voornemen verwijderde hij zich snel van de

ongelukkige plaats en bereikte zonder bezwaar het dorpje Portanferry,

(dat echter te vergeefsch onder dezen naam op eene landkaart gezocht

zou worden.) Eene groote open boot, naar de kleine zeehaven Allonby in

Cumberland bestemd, lag juist gereed om in zee te steken. Brown ging

aan boord en besloot zoolang in die plaats te vertoeven, tot hij

brieven en geld uit Engeland ontvangen zou hebben.

Gedurende hunne korte overvaart begon Brown een gesprek met den

stuurman, een opgeruimden grijsaard, die tevens eigenaar van de boot

was, en zich, zoo als de meeste visschers aan deze kust, bij

gelegenheid met den sluiklandel had bezig gehouden. Na over eenige

andere zaken gesproken te hebben, zocht Brown het gesprek op de familie

Mannering te brengen. De zeeman verhaalde hem van den aanval op

Woodbourne, maar keurde het gedrag der smokkelaars ronduit af.

„De handen moeten zij te huis houden,” sprak hij; „op deze wijze zullen

zij zich het geheele land op den hals halen. Toen ik mij er nog mede

bemoeide, speelde, of dobbelde ik, als het ware, met de tolbedienden.

Hier werd eene lading prijs gemaakt – nu, dat was een geluk voor hen;

daar werd er eene zonder rampen binnen gesmokkeld – dat was een

fortuintje voor mij. Neen, neen! de eene kraai moet den anderen de

oogen niet uitpikken.”

„En deze kolonel Mannering?”

„Het is ook niet verstandig van hem, dat hij zich hiermede bemoeide. Ik

neem het hem niet kwalijk, dat hij het leven der tolbedienden redde;

dat was zoo als het behoorde; maar het paste zulk een voornaam man

niet, te vechten om de theekisten en de brandewijnsvaten der arme

lieden: maar bij is een groot heer en een officier, en die doen met

onze gelijken, wat zij willen.”

„En zijne dochter zal, naar ik gehoord heb,” vervolgde Brown met een

kloppend hart, „ook met iemand van groote familie huwen?”

„Meent gij met den jongen Hazlewood? neen, neen, dat zijn maar

praatjes! Elken Zondag reed de jonge heer met de dochter van den

overleden heer van Ellangowan naar huis, en mijne dochter Peggy, die te

Woodbourne dient, zegt dat de jonge Hazlewood niet meer om juffrouw

Mannering denkt, dan gij of ik.”

Brown deed zich zelven bittere verwijten over zijne voorbarigheid, maar

hoorde met genoegen, dat de verdenking van Julia’s getrouwheid,

waardoor hij zich had laten verleiden, waarschijnlijk ongegrond was.

Hoe zeer moest hij niet hierdoor in hare achting dalen? Wat moest zij

van een gedrag denken, dat hem onverschillig moest doen schijnen

omtrent hare gemoedsrust en het belang van hunne liefde?

De betrekking van den ouden man tot het huisgezin te Woodbourne scheen,

Brown een veiligen weg tot onderhandeling aan te bieden, en hij besloot

deze gelegenheid niet ongebruikt voorbij te laten gaan. „Uwe dochter

woont als dienstmaagd te Woodbourne?” vroeg hij weder. „Ik heb juffrouw

Mannering in Indië gekend, en ofschoon ik mij thans in minder gelukkige

omstandigheden bevind, heb ik nochtans àlle redenen te hopen, dat zij

iets voor mij zou willen doen. Ik heb een ongelukkigen twist met haren

vader, destijds mijn bevelvoerende officier, gehad en ik ben er zeker

van, dat de jonge dame haar best zou willen doen, om hem met mij te

verzoenen. Misschien zou uwe dochter haar wel een brief kunnen

overhandigen, zonder dat daaruit misnoegen tusschen haren vader en haar

ontstond?”

De oude man, een voorstander van alles wat op smokkelhandel geleek,

stond gaarne in voor de getrouwe en geheime bezorging van den brief.

Zoodra zij nu te Allonby aanlandden, schreef Brown aan Julia Mannering.

Hij betuigde diep berouw over zijne onbezonnenheid en bezwoer haar, hem

eene gelegenheid te verschaffen, om zich te rechtvaardigen en hare

vergiffenis voor zijne overijling af te smeeken. Hij oordeelde het niet

veilig, zich nader over de omstandigheden, waardoor hij misleid was,

uit te laten en drukte zich over het geheel zoo dubbelzinnig uit, dat,

indien de brief in verkeerde handen viel, het niet gemakkelijk zou

zijn, den waren zin te verstaan, of den schrijver op te sporen. De

visscher beloofde dezen brief getrouw aan zijne dochter Peggy te

overhandigen en tevens het antwoord, indien de dame het noodig vond te

antwoorden, mede te brengen de eerste maal, dat hij weer te Allonby zou

komen.

Brown zocht nu naar een geschikt verblijf, dat met zijne tegenwoordige

armoede en zijn wensch om zoo veel mogelijk onopgemerkt te blijven,

overeenkwam. Met dit oogmerk nam hij den naam van zijn vriend Dudley

aan en gaf hij zich tevens voor schilder uit, daar hij genoeg van de

behandeling van het penseel verstond, om zijn waard dit voorwendsel als

waarheid te doen aannemen. Hij gaf voor, dat zijn reisgoed hem uit

Wigton nagezonden zou worden, hield zich, zoo veel mogelijk, in huis en

wachtte dus op antwoord op de brieven, die hij aan zijn zaakwaarnemer,

aan Delaserre en aan zijn luitenant-kolonel gezonden had. Van den

eersten verlangde hij geld; hij bezwoer Delaserre, zoo mogelijk, bij

hem in Schotland te komen, en van den laatsten verzocht hij zoodanige

getuigschriften, waardoor hij zijn rang als officier en zijn

onberispelijk karakter en gedrag onwederlegbaar kon bewijzen. Zijn

bijna dringend gebrek aan geld bewoog hem aan Dinmont te schrijven, dat

hij, sedert zij van elkaâr afscheid hadden genomen, bestolen was

geworden en hem om eene kleinigheid ter leen verzocht, geenszins

twijfelende, of hij zou, bij den niet grooten afstand van een

twintigtal uren, spoedig een gunstig antwoord ontvangen. Na dit gedaan

te hebben, wachtte hij wel met hevig ongeduld, doch zonder ernstige

bezorgdheid, naar antwoord op deze verschillende brieven.

Ter verontschuldiging van de ontvangers dezer brieven moet men in het

oog houden, dat de loop der posten toen ten tijde nog zeer langzaam en

op verre na niet zoo geregeld was, als thans, na de schrandere regeling

van den heer Palme. Bovendien bleven de brieven van den braven Dinmont,

daar hij zelden meer dan één brief in een vierendeeljaars ontving

(tenzij hij in een rechtsgeding gewikkeld was, als wanneer hij geregeld

naar het postkantoor zond), gewoonlijk een of twee maanden bij den

postmeester voor het venster, onder weekbladen, peperkoek, valhoeden,

liedjes, of waarin de man anders handel dreef, liggen. Daarbij had er

toen de thans nog niet geheel verouderde gewoonte plaats, dat een brief

naar een, misschien geene tien uren verwijderde stad, soms een’ weg van

een vijftigtal uren rondgesleept werd, vóor dat die ter bestemde plaats

aankwam, waaruit het dubbele voordeel ontstond, dat de brief door en

door gelucht, het inkomen van het postwezen met eenige stuivers

vermeerderd en het geduld der belanghebbenden geoefend werd. Ten

gevolge van deze omstandigheden wachtte Brown verscheidene dagen te

vergeefs op antwoord, en zijn voorraad van geld was, niettegenstaande

de uiterste spaarzaamheid, bijna versmolten, toen hij door een jongen

visscher den volgenden brief ontving:

„Hoe wreed en onvoorzichtig hebt gij gehandeld! Gij hebt getoond, hoe

weinig ìk op uwe verzekeringen, dat mijne rust en mijn geluk u dierbaar

zijn, kan vertrouwen; en uwe onbezonnenheid heeft eene zeer

achtingwaardigen en eerlijken jongeling bijna het leven gekost. Moet ik

nog meer zeggen? Moet ik hierbij voegen, dat uwe onbezonnen drift mij

op het ziekbed geworpen heeft? en helaas! behoef ik u verder te zeggen,

dat ik met angst aan de gevolgen gedacht heb, die hieruit

waarschijnlijk voor u zullen voortvloeien, ofschoon gij mij zoo weinig

reden gegeven hebt, om dit te doen? De K. is voor verscheidene dagen

van huis gegaan. De heer H. is bijna geheel hersteld, en ik heb reden,

te denken, dat men niet u, maar iemand anders verdenkt. Waag het

nochtans niet, hier te komen! Wij hebben met te verschrikkelijke rampen

te worstelen gehad, dan dat ik er aan denken zou, eene betrekking weder

aan te knoopen, die zoo dikwijls door de ijselijkste ontknooping

bedreigd is. Vaarwel en geloof, dat niemand uw geluk oprechter kan

wenschen, dan

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 53 / 75 题