– „Ik ga naar het gerechtshof.
Ziet ge dezen bundel stukken? ik heb te doen.
Zoo ge iets hebt dat de rechters raakt, spreek op.
Maak ’t kort – betaal maar daadlijk mijn advies.”
De kleine Fransche advocaat.
„Denkt ge dat gij het proces van dezen braven man winnen kunt?” vroeg
Mannering.
„Ik weet het niet. De sterke overwint niet altijd: maar het zal aan
geene moeite van mijne zijde ontbreken. Ik ben hem dank schuldig. Het
is de pest van ons beroep, dat wij zoo zelden de beste zijde der
menschelijke natuur zien. De menschen komen gewoonlijk met een
beleedigd gevoel van eigenbelang en eene versch opgewekte en
geprikkelde verbittering en vooringenomenheid tegen hunne medemenschen,
of met baatzuchtige oogmerken bij ons. Hoe dikwijls is er iemand bij
mij gekomen, dien ik in het eerst gaarne uit het venster zou geworpen
hebben, tot ik eindelijk begreep, dat hij niet anders handelde dan ik,
wanneer ik in zijn geval, namelijk zeer toornig en bij gevolg onbillijk
geweest ware, waarschijnlijk zelf gehandeld hebben. Ik ben nu
overtuigd, dat wij in ons beroep meer van de menschelijke zwakheden en
ondeugden zien dan anderen, daar het de eenige uitweg is langs welken
zij zich lucht verschaffen kunnen. In eene beschaafde maatschappij is
het recht de schoorsteen, waardoor al die rook zich ontlast, welke
anders door het geheele huis heentrekken en aller oogen verblinden zou:
geen wonder dus, dat er soms in het luchtgat zelf een weinig roet komt!
– Maar ik zal zorgen dat de zaak van onzen vriend uit het Liddesdal
goed behandeld wordt en tevens alle noodelooze onkosten vermeden
worden. Hij zal zijn lekker hapje tegen inkoopsprijs hebben.”
„Wilt gij mij het genoegen doen, heden middag bij mij te komen eten?”
vroeg Mannering, toen zij van elkander scheidden, „de waard heeft mij
gezegd, dat hij een stuk wildbraad en heerlijken wijn heeft.”
„Wildbraad?” hernam de andere driftig, – „maar neen, het is onmogelijk:
en ik kan u ook niet bij mij vragen. Maandag, Dinsdag en Woensdag ben
ik bezet; – ik moet pleiten in de groote tienden-quaestie, – wacht
eens! het is koel weder; als gij niet dadelijk vertrekt en het wild tot
Donderdag kan bewaard worden. –”
„Dan zult gij Donderdag het middagmaal bij mij willen gebruiken?”
„Zeer gaarne.”
„O, het wild kan wel zoo lang bewaard worden,” zei Pleydell, „en nu,
goeden morgen! Hier hebt gij eenige kaartjes, waarvan gij gebruik kunt
maken, als de namen u bevallen. Ik heb ze heden morgen voor u
geschreven. Vaarwel! mijn klerk heeft reeds een uur op mij gewacht, om
eene verwenschte informatie te beginnen.” En snel verwijderde zich
mijnheer Pleydell langs steegjes en trappen, om de Hoogstraat langs een
pad te bereiken, dat, vergeleken bij den gewonen weg, hetzelfde was,
als de straat van Magellaan is, in vergelijking met den meer openen,
maar langeren weg om kaap Horn.
Mannering zag met genoegen, dat de aanbevelingen, welke Pleydell hem
gegeven had, de namen van eenige der beroemdste geleerden van Schotland
bevatteden, als: David Hume, John Home, Dr. Ferguson, Dr. Black, Lord
Kaimes, de heer Hattin, John Clarke van Eldin, de heer Adam Smith en
Dr. Robertson.
„Mijn rechtsgeleerde vriend,” dacht hij, „heeft uitgezochte kennissen,
allen zeer beroemde namen. Een Oost-Indiër moet zijne kennis eerst wat
opschommelen en in zijn hoofd regelen en rangschikken, voor dat hij in
zulk gezelschap durft optreden.”
Mannering maakte volgaarne van deze aanbevelingen gebruik en smaakte in
den hem hierdoor geopenden gezelligen kring veelvuldige en wezenlijke
genoegens, welke het ons spijt den lezer niet nader te kunnen
beschrijven, door zich opgenomen te zien in een kring, die steeds open
bleef voor beschaafde en geleerde vreemdelingen, – een kring die
wellicht, wat veelzijdige en degelijke kennis betreft, niet geëvenaard
is geweest.
Op den bepaalden Donderdag verscheen de heer Pleydell in de herberg,
waar Mannering behalve hem nog een paar kennissen ter maaltijd
genoodigd had. Als een warm vriend van gezellige tafelvreugde deed hij
het heerlijke wildbraad en den voortreffelijken wijn niet weinig eer
aan. De tegenwoordigheid van dominé Sampson echter verschafte hem
evenwel misschien nog meer genoegen dan het goede onthaal, dat hij hier
genoot. De ernstige, korte antwoorden, die de goede man op de
strikvragen van den rechtsgeleerde gaf, stelden de goedaardige
eenvoudigheid van zijn karakter in een nog helderder daglicht, dan
Mannering tot hiertoe gezien had. Sampson kraamde hierbij wel een
grooten schat van diepe boekengeleerdheid uit, welke over het algemeen
van zeer geringe practische waarde was, maar Pleydell vergeleek
naderhand zijn geest bij het magazijn van eenen lombardhouder, waar
allerlei goederen voorhanden, doch zoodanig in wanorde door elkander
opgestapeld zijn, dat de eigenaar bijna nooit datgene kan vinden,
waarnaar gevraagd wordt.
Pleydell zelf gaf Sampson ten minste even zoo veel bezigheid, als deze
goede man hem genoegen verschafte. Toen de rechtsgeleerde namelijk wat
opgewonden geraakte, en zijn natuurlijk droog en scherp vernuft hoe
langer zoo levendiger en bijtender werd, keek de dominé hem met die
soort van verbazing aan, waarmede een tamme beer zijn toekomstigen
metgezel, den afgerichten aap, moet beschouwen, als hij dezen voor het
eerst ziet. Pleydell vond er zijn grootste genoegen in, om met
schijnbaren ernst stellingen te handhaven, welke hij wist, dat Sampson
niet onbetwist zou voorbij laten gaan, en vermaakte zich dan niet
weinig met de inspanning, waarmede de goede man zijne gedachten tot een
antwoord poogde te regelen en al het zware geschut van zijne
geleerdheid tegen de voorgedragene kettersche stelling zocht te
richten. Maar voor dat hij zijn kanon kon losbranden, had de vijand
zijn standpunt weer verlaten en verscheen in eene nieuwe, zijne flanken
en zijn rug bedreigende stelling. „Ver–ba–zend!” riep hij dan dikwijls
uit, als hij, vol vertrouwen op de overwinning tegen den vijand
optrekkende, het veld ontruimd vond, en het kostte hem zeker niet
weinig moeite, eene nieuwe stelling te kiezen. „Hij was,” zei de
kolonel, „als een leger, enkel uit geborene Indianen bestaande, geducht
door aantal en de zwaarte hunner wapenen, maar door eene beweging tegen
de flanken gemakkelijk in onherstelbare wanorde te brengen.”
Niettegenstaande Sampson door deze inspanning van zijn geest en den
ongewonen spoed, waarmede hij in den drang des oogenbliks zijne
gedachten moest verzamelen, eenigszins vermoeid was, rekende hij dezen
dag onder de gelukkigste zijns levens en noemde den heer Pleydell
steeds een zeer geleerden en tevens aardigen man.
Toen de gasten, behalve Pleydell, zich verwijderd hadden, liep het
gesprek weder over het testament van juffrouw Margaretha Bertram.
„Wat mag toch die oude heks bewogen hebben,” zeide Pleydell, „om de
arme Lucie Bertram te onterven, onder voorwendsel van een knaap, die
reeds zoo lang dood en begraven is geweest, tot erfgenaam te benoemen?
– Vergeef mij, Mijnheer Sampson, ik vergat dat dit geval zoo bijzonder
treffend voor u was! Ik herinner mij nog, hoe hevig gij ontroerd waart,
toen ik u er over ondervroeg; en het heeft mij nooit zooveel moeite
gekost, om iemand drie woorden achter elkaâr te doen spreken. – Wat gij
ook van uwe Pythagoristen of uwe stomme Braminen moogt zeggen, kolonel,
ik verzeker u dat deze geleerde heer hen allen in het zwijgen
overtreft; maar – de woorden eens wijzen zijn kostbaar en behooren niet
lichtvaardig weggeworpen te worden.”
„Ja waarlijk,” zeide Sampson, de oogen afdrogende met een blauw
geruiten zakdoek, „dat was inderdaad een bittere dag voor mij; ja een
zware dag vol rampspoed: maar Hij, die den last oplegt, geeft ook
kracht, om hem te dragen.”
Mannering verzocht zijn rechtsgeleerden vriend bij deze gelegenheid,
hem met de bijzonderheden betreffende het verdwijnen van den knaap
bekend te maken, en de rechtsgeleerde, die er van hield zaken uit de
crimineele rechtspleging, vooral indien hij er meê gemoeid was geweest,
te verhalen, vertelde uitvoerig alles wat hem bekend was geworden van
dit geval.
„En wat denkt gij van de zaak?” vroeg de kolonel weder, zoodra Pleydell
geëindigd had.
„Ik houd het voor zeker, dat Kennedy vermoord is. Dergelijke gevallen
hebben wel eerder op die kust tusschen smokkelaars en tolbedienden
plaats gehad.”
„En wat is uw gevoelen omtrent het lot van het kind?”
„Die knaap is zonder twijfel ook vermoord. Hij was oud genoeg, om alles
over te vertellen wat hij gezien had, en deze schelmen zouden zonder
schroom een tweeden Bethlehemitischen kindermoord begaan, als zij
dachten, dat hun belang en hunne veiligheid zulks vorderden.”
„Verschrikkelijk!” riep Sampson diep zuchtende uit.
„In deze zaak waren echter ook Heidenen betrokken,” hernam Mannering,
„en uit hetgeen een der bloedverwanten er na de begrafenis van zeide –”
„Mejuffrouw Margaretha Bertram’s geloof, dat de knaap nog in leven was,
berustte op het zeggen van eene Heidin. – Ik benijd u dit denkbeeld,
kolonel! en moet mij schamen, dat ik zelf deze gevolgtrekking niet
gemaakt heb. Wij zullen het spoor zonder dralen zoeken. Hoor eens,”
zeide Pleydell tegen den oppasser, „ga oogenblikkelijk naar Luckie
Wood, waar gij mijn klerk Driver thans zeker aan het spelen van
High-Jinks zult vinden (want wij en onze dienaren zijn bijzonder
geregeld in onze ongeregeldheden, kolonel!), en zeg hem, dat hij
dadelijk hier moet komen en dat ik de boete voor hem zal betalen.”
„Zal hij misschien ook in zijne rol verschijnen?” vroeg Mannering.
„O! niets meer daarvan, bid ik u. – Maar wij moeten, zoo mogelijk,
berichten van de Heidenen hebben. Kon ik slechts het kleinste draadje
van dit verwarde kluwen vatten, gij zoudt zien, hoe ik het ontwarren
zou. Ik zou de waarheid wel uit uwe Heidin krijgen; ik weet, hoe men
weerbarstige getuigen behandelen moet.”
Intusschen verscheen Driver, die met zoo veel haast aan het bevel van
zijn heer gehoorzaamd had, dat de sporen van het vroolijke gelag,
hetwelk hij zoo ijlings verlaten had, nog op zijne lippen zichtbaar
waren.
„Driver,” zei Pleydell, „gij moet de meid, welke bij wijlen juffrouw
Margaretha Bertram gewoond heeft, oogenblikkelijk opzoeken. Zoek haar
overal; maar indien gij uwe toevlucht tot Protocol, Quid den
tabakshandelaar, of een’ van deze lieden moet nemen, dan moet gij niet
zelf daarheen gaan, maar er eene vrouw of een meisje van uwe kennis
naar toe zenden: gij hebt zeker kennissen genoeg, die u dezen kleinen
dienst wel willen bewijzen. Wanneer gij haar opgespoord hebt, moet gij
haar doen beloven, morgen vroeg om acht uur bij mij te komen.”
„Wat zal ik haar zeggen, om haar daartoe over te halen?” vroeg hij.
„Wat gij maar wilt. Denkt gij, dat ik niets anders te doen heb dan
leugens voor u te bedenken? Maar zorg dat zij, zoo als ik gezegd heb,
om acht uur tegenwoordig is.” – Driver grijnsde, maakte eene diepe
buiging en ging heen.
„Gij weet niet, welk een bruikbare knaap dit is,” vervolgde Pleydell.
„Mij dunkt, zijn weerga is niet te vinden. Zonder te slapen, schrijft
hij drie nachten in de week, al wat ik hem voorzeg, of liever, en dit
komt op hetzelfde uit, hij schrijft even goed en nauwkeurig wanneer hij
slaapt, als wanneer hij waakt. Daarbij munt hij uit door eene
buitengemeene ordelijkheid. Velen van zijns gelijken veranderen gedurig
van bierhuizen, zoo dat er een twintig lieden achter hen aan moeten
loopen, als men hem noodig heeft, even als de officieren, die
blootshoofds de kroegen van East-Cheap doorkruisten, om sir John
Falstaff te zoeken. Maar deze jongen is steeds te vinden. Hij heeft bij
Luckie Wood des winters zijn stoel bij den haard en des zomers bij het
venster; al zijne gangen bepalen zich tot deze twee stoelen: dáar is
hij altijd te vinden, als hij ledigen tijd heeft. Ik geloof, dat hij
zich nooit uitkleedt en te bed gaat: zuiver bier is altijd en in alle
opzichten zijn toevlucht. Dat is eten, drinken, kleeding, bed,
bewassching en huisvesting voor hem.”
„En is hij altijd in staat om zijn werk te doen, als gij hem onverwacht
laat roepen? Ik zou er, zijne verblijfplaats in aanmerking genomen, wel
degelijk aan twijfelen,” hernam de kolonel.
„O, een roes hindert hem nooit; hij kan nog uren schrijven, nadat hij
niet meer spreken kan. Ik herinner mij, dat ik hem eens op een
Zaterdagavond, voor eene dringende zaak, waartoe ik mij, daar ik reeds
geruimen tijd in mijn gewoon gezelschap bij Clerihugh vroolijk
doorgebracht had, en de „leggende hen” [19] geleegd had, met moeite
liet overhalen, moest spreken. Ik liet hem dus uit de kroeg halen. Twee
mannen hadden moeite om hem bij mij te brengen: want zij vonden hem in
een toestand, dat hij niet spreken en zich ter nauwernood bewegen kon.
Ik dacht, dat hij tot niets te gebruiken zou zijn; maar zoodra men hem
de pen in de hand gaf, het papier voor hem legde en hij mijne stem
hoorde, begon hij te schrijven als een meester, en, behalve dat een
ander de pen voor hem in den inkt moest doopen, omdat hij den inktkoker
niet zien kon, ging alles voortreffelijk.”
„Maar hoe zag uw beider werk er den volgenden morgen uit?” vroeg
Mannering.
„Hoe? uitmuntend! er behoefden geene drie woorden in veranderd te
worden; het werd denzelfden dag met den post verzonden. – Maar wilt gij
morgen bij mij komen ontbijten en het ondervragen van die vrouw
bijwonen?” [20]
„Gij ontbijt mij eigenlijk te vroeg.”
„Ik kan volstrekt niet later Als ik niet met klokslag van negen aan de
gerechtstafel zat, zou men zeggen, dat ik door een beroerte getroffen
was, en ik er het heele jaar de nadeelen van gevoelen.”
„Nu, ik zal mijn best doen om op het bepaalde uur te verschijnen.”
Hierop nam Pleydell afscheid, nogmaals op de vervulling dezer belofte
aandringende.
Toen Mannering den volgenden morgen hij hem kwam, zat juffer Rebekka
onder een kop chocolade reeds diep in gesprek bij hem, naast het vuur.
„Ik verzeker u, Juffer Rebekka!” zeide Pleydell, „ik ben geenszins
voornemens een aanval te doen op den uitersten wil uwer meesteres: ik
geef u mijn woord van eer, dat uw legaat volkomen veilig is. Gij hebt
het door uw gedrag jegens de overledene eerlijk verdiend: ik wenschte
wel, dat het nog eens zooveel geweest ware.”
„Maar, Mijnheer, men moet eigenlijk zoo niet alles oververtellen, wat
ons een ander in het geheim gezegd heeft. Gij hebt zelf gehoord, dat
die ellendige Quid mij de kleinigheden, die hij mij soms gaf, verweet
en alles weder verhaalde, wat ik hem wel eens in vertrouwen gezegd heb.
En indien ik nu ook zoo openhartig jegens u ware, welke gevolgen zou
dat niet kunnen hebben?”
„Wel, mijne goede Rebekka! mijn karakter en uw eigen leeftijd en
voorkomen moeten u alle zorg benemen, al spraakt gij zoo vrij als een
minnedichter.”
„Nu dan, als gij gelooft dat ik veilig ben, – zal ik u alles vertellen.
Omtrent een jaar geleden, neen het is nog zoo lang niet, kreeg mijne
meesteres den raad, om voor eene poos naar Gilsland te gaan, om zich
wat te verzetten. Men begon destijds openlijk over de ongelukkige
omstandigheden van Ellangowan te spreken, en dit veroorzaakte haar veel
verdriet: want zij was trotsch op hare familie. Soms leefden Ellangowan
en zij in vrede en eendracht, en somtijds niet; maar in de laatste twee
of drie jaren waren zij het nooit eens; want de heer wilde altijd geld
leenen, en dat kon zij volstrekt niet verdragen, en zij wilde altijd
stipt weder betaald worden, en dat beviel hem even weinig. Dus wilden
zij eindelijk niets meer met elkander te doen hebben. – Nu hoorde zij
in Gilsland, dat de heerlijkheid Ellangowan verkocht zou worden; en van
dat oogenblik af werd zij juffrouw Lucie Bertram ongenegen. Hoe
menigmaal zeide zij niet: „O Rebekka, Rebekka! ware dat onnutte ding,
dat jankende meisje te Ellangowan, dat haren deugniet van een vader
niet in toom kan houden – ware dat toch maar een jongen! dan kon het
oude stamgoed niet om de schulden van dien dwaas verkocht worden.” En
dit moest ik zoo menigmalen hooren, dat het mij begon te vervelen haar
op het arme meisje te hooren schelden, alsof het haar schuld was, dat
zij geen jongen was geworden om de landerijen te redden en alsof het
alleen aan haar lag om dat geslacht te veranderen. Eens echter zag zij
eenige vroolijke jongens, kinderen van zekeren Mac-Crosky, bij de
mineraal-bron spelen, en nu barstte zij weder uit: „Is het niet
ongelukkig, dat iedere boerenvlegel een zoon en erfgenaam heeft, en dat
het geslacht van Ellangowan zonder mannelijken erfgenaam is!” Dicht bij
ons stond eene Heidin en hoorde dit – Ik heb nooit eene
verschrikkelijker vrouw gezien. – „Wat is dat?” zeide zij; „wie durft
zeggen, dat het geslacht van Ellangowan zonder mannelijken erfgenaam te
gronde zal gaan?” Mijne meesteres keerde zich om – zij was eene
trotsche, moedige vrouw en had steeds voor ieder een antwoord gereed.
„Ik zeg het,” antwoordde zij, „en ik zeg het met een bedroefd hart.” Nu
greep de Heidin hare hand en zeide: „Ik ken u zeer goed, ofschoon gij
mij niet kent. – Maar zoo zeker als de zon aan den hemel staat, zoo
zeker, als het water in de zee stroomt, en zoo zeker als er een oog is,
dat ons beiden ziet, en een oor, dat ons beiden hoort – zoo zeker is
het, dat Hendrik Bertram, die bij kaap Warroch het leven verloren zou
hebben, dáar niet omgekomen is. Tot zijn éen en twintigste jaar moest
hij met rampen worstelen, dat was hem voorspeld; maar indien God ons
beiden in het leven spaart, zult gij dezen winter meer van hem hooren,
vóor dat de sneeuw twee dagen op de velden van Singleside gelegen
heeft. Ik begeer uw geld niet,” vervolgde zij; „anders zoudt gij
denken, dat ik u maar wat wijs wilde maken. Vaarwel tot na
Sint-Maarten.” Zoo liet zij ons staan.”
„Was het eene buitengewoon groote vrouw?” vroeg Mannering.
„Had zij zwart haar, zwarte oogen en een lidteeken als van een’ houw op
het voorhoofd?” voegde Pleydell er bij.
„Het was de grootste vrouw, die ik ooit gezien heb, en haar haar was,
behalve dat het hier en daar eenigszins grijs begon te worden, zoo
zwart als de middernacht, en zij had boven het eene oog een lidteeken,
waarin men wel den pink kon leggen. Wie haar éenmaal gezien heelt, kan
haar nooit weder vergeten. Ik ben ook overtuigd, dat mijne meesteres,
enkel op het zeggen van deze Heidin, haar testament zoo gemaakt heeft,
nadat zij hare genegenheid aan de jonge dame te Ellangowan onttrokken
had; en toen zij haar twintig pond moest zenden, werd zij nog veel meer
tegen haar ingenomen. „Het is nog niet genoeg,” zeide zij, „dat Lucie
Bertram het stamgoed Ellangowan in vreemde handen laat overgaan, omdat
zij een meisje en geen jongen is: zij zal door hare armoede ook nog een
last en schande voor Singleside worden.” Ik hoop echter, dat het
testament van mijne meesteres met dat alles behoorlijk in orde is: want
het zou hard voor mij wezen, mijn legaat te verliezen Ik heb haar voor
een heel gering loon gediend, dat weet ik.”
Pleydell stelde haar nogmaals omtrent dit punt gerust en vroeg naar
Jenny Gibson. Rebekka verhaalde, dat het meisje het aanbod van den heer
Dinmont aangenomen had, en voegde er bij: „Ik heb hetzelfde gedaan,
daar hij zoo beleefd geweest is, mij te vragen. Het zijn goede lieden,
die Dinmont’s, ofschoon mijne meesteres niet gaarne veel van die
vrienden wilde hooren. Maar de hammen, de kazen en de vogels, die men
haar altijd van Charlies-hope zond, mocht zij gaarne zien, en de wollen
kousen en handschoenen wees zij ook niet van de hand.”
Pleydell bedankte juffer Rebekka hierop voor de genomene moeite en liet
haar gaan. Toen zij vertrokken was, zeide hij: „Ik verbeeld me, dat ik
de Heidin ken.”
„Ik wilde juist hetzelfde zeggen,” hernam Mannering.
„En hoe is haar naam?”
„Meg Merrilies.”
„Weet ge dat zeker?” vroeg Pleydell en keek zijn vriend, den kolonel
verwonderd aan.
Mannering antwoordde, dat hij, toen hij voor twintig jaren te
Ellangowan geweest was, zulk eene vrouw had leeren kennen, en verhaalde
zijn rechtsgeleerden vriend de merkwaardige omstandigheden, welke hem
dat bezoek zoo onvergetelijk hadden gemaakt. Pleydell luisterde zeer
opmerkzaam en antwoordde toen: „Het verheugde mij, in uw dominé een
bekwamen godgeleerde te leeren kennen; maar ik verwachtte waarlijk
niet, in zijn beschermer een leerling van Albumazar of Messahala te
vinden. Ik denk echter, dat de Heidin ons meer van de zaak kan zeggen,
dan zij uit de sterren gelezen heeft of door hare waarzeggerskunsten
weet. Ik heb haar reeds eenmaal onder handen gehad en kon toen weinig
met haar beginnen. Ik zal aan Mac-Morlan schrijven, dat hij hemel en
aarde moet bewegen, om haar te vinden. Ik zal zelf met genoegen in het
graafschap ** komen, om haar verhoor bij te wonen. Ik ben daar nog
steeds vrederechter, ofschoon ik den post van sheriff niet meer
bekleed. Ik heb nooit iets meer ter harte genomen, dan het opsporen van
dien moord en het lot van den knaap. Ik zal ook aan den sheriff van
Roxburgh en aan een ijverigen vrederechter in Cumberland schrijven.”
„Ik hoop dat gij, als gij in die streken komt, uw hoofdkwartier te
Woodbourne zult opslaan.”
„Van harte gaarne. Ik vreesde, dat gij mij niet zoudt willen ontvangen!
Maar wij moeten aan het ontbijt, anders kom ik te laat.”
Den volgenden dag nam Mannering afscheid van zijn nieuwen vriend en
vertrok weder naar Woodbourne, waar hij zonder merkwaardige
ontmoetingen bij zijn huisgezin aankwam.