Hij sterft, en laat zijn schat
Ten bate eener school – of eener lievelingskat.
Pope.
Even als in de fabel van Lucianus, waar een troep goed afgerichtte apen
onder luide goedkeuring een treurspel uitvoert, het geheele tooneel
eensklaps in de war raakt en de natuurlijke driften der spelers zeer
onwelvoegelijk uitbarsten, zoodra een schalk eene handvol noten op het
tooneel werpt – even zoo wekte de naderende ontknooping bij de
wachtenden geheel andere aandoeningen op, dan zij onder het opzicht van
den heer Mortcloke getracht hadden te toonen. Die oogen, welke voor
korte oogenblikken aandachtig ten hemel, of demoedig ter aarde geslagen
waren, doorzochten thans met scherpe blikken alle laden, koffers,
kasten en alle hoeken. Ofschoon het bedoelde testament niet gevonden
werd, was de moeite nochtans niet geheel te vergeefsch.
Hier vond men, zorgvuldig in het afschrift van een liedje gewikkeld,
eene schuldbekentenis, groot twintig pond sterling, van een predikant,
waarop aangeteekend stond, dat de interesten tot Sint-Maarten
laatstleden voldaan waren; dáar een merkwaardig pakje met minnebrieven,
tusschen zekeren luitenant O’Kean en de overledene gewisseld, waarbij
een papier lag, dat de redenen, waarom eene voor hare bloedverwanten
zoo bedenkelijke betrekking eensklaps afgebroken werd, volkomen
verklaarde. Dit papier was, namelijk, eene schuldbekentenis van den
luitenant voor twee honderd pond sterling, waarop in het geheel geen
interest betaald scheen. Wijders werden er meerdere wissels en
schuldbekentenissen van grootere waarde en (als koopman gesproken) van
betere menschen dan van den eerwaarden geestelijke en den dapperen
krijgsman gevonden; alsmede een groot aantal munten van allerhande
grootte en waarde, stukjes gebroken goud en zilver, oude oorringen,
scharnieren van gebroken snuifdozen, brillenhuisjes en meer andere
dingen. Er kwam evenwel geen uiterste wil te voorschijn, zoo dat
Mannering reeds begon te hopen, dat het testament, hetwelk hij van
Glossin ontvangen had, de laatste beschikking van de oude dame over
hare nalatenschap bevatte. Zijn vriend Pleydell, die thans de kamer
binnentrad, waarschuwde hem echter, hierop niet te veel te vertrouwen.
„Ik ken den man,” zeide hij, „die met de uitvoering van den uitersten
wil belast is, en zijne houding verraadt, dat hij meer van de zaak weet
dan iemand onzer.”
Doch laat ons, terwijl het onderzoek voortgezet wordt, een paar van het
gezelschap, welke het meeste belang bij de zaak schijnen te hebben,
eventjes monsteren. Van Dinmont, die, met zijne groote jachtzweep onder
den arm, den executeur onophoudelijk over den schouder ziet, is het
noodeloos iets te zeggen. Gindsche magere, bejaarde man, in een net en
sierlijk rouwgewaad, is Mac-Casquil, voorheen bezitter van Drumquag,
doch thans verarmd door aandeel te hebben gehad in de Ayrsche bank.
Zijne hoop, als zeer verre bloedverwant, berust bij deze gelegenheid
enkel hierop, dat hij elken Zondag met de overledene in dezelfde bank
in de kerk gezeten, en geregeld des Zaterdagsavonds kaart met haar
gespeeld heeft, hierbij wel zorg dragende om nooit te winnen. Die
andere onoogelijke man, die zijn haar in een lederen haarzak opgebonden
draagt, is een bloedverwant van juffrouw Bertram’s moeder, een
tabakshandelaar, die bij het uitbarsten van den kolonialen oorlog den
prijs zijner waren voor alle menschen verhoogde, behalve voor juffrouw
Bertram, wier schildpadden doos wekelijks voor den ouden prijs met de
beste snuif gevuld werd, omdat de meid ze steeds met een’ vriendelijken
groet van juffrouw Bertram aan haren neef, den heer Quid, in den winkel
bracht. Die jongeling, die de onwelvoegelijkheid begaan heeft van zelfs
zijne rijlaarzen en lederen broek niet uit te trekken, zou misschien
even hoog in de gunst van de oude dame, die gaarne een knap jong mensch
zag, gestaan hebben als een der anderen, indien hij zijn geluk niet
verspeeld had door soms niet bij haar te verschijnen, als hij plechtig
uitgenoodigd was; door een enkelen keer te verschijnen, als hij met een
vroolijk gezelschap het middagmaal gehouden had, en door bovendien hare
kat tweemalen op den staart getrapt en haren papegaai eens beleedigd te
hebben.
Niemand van het geheele gezelschap wekte zoo zeer de belangstelling van
Mannering op, als het arme meisje, dat bij de overledene als eene
nederige gezelschapsjuffrouw, een voorwerp, waarop zij hare kwade
luimen te allen tijde kon bot vieren, geleefd had. Welstaanshalve was
het meisje door de begunstigde dienstmaagd van de oude dame in de kamer
gebracht, waar zij dadelijk in een hoek kroop en met verbazing en
huivering zag, hoe vreemdelingen zonder schroom die plaatsen
doorsnuffelden, welke zij van jongs af nooit dan met eerbiedig ontzag
beschouwd had. Al de erfenisbejagers, behalve de eerlijke Dinmont,
zagen met ongunstige oogen op dit meisje neder, daar zij eene geduchte
mededingster in haar dachten te vinden, wier aanspraken hunne kans op
de erfenis zeer verminderden. En toch was de arme Jenny de eenige, die
de overledene oprecht scheen te betreuren. Juffrouw Bertram was,
ofschoon om baatzuchtige beweegredenen, hare beschermster geweest, en
het vreesachtig, verlatene meisje had, zoodra de tranen langs hare
wangen vloeiden, de harde behandeling van hare bloedverwanten vergeten.
„Die huilt mij daar te veel” zei de tabakshandelaar tot den voormaligen
bezitter van Drumquag; „dat voorspelt ons anderen niet veel goeds. Er
wordt zelden zoo veel vertooning van droefheid gemaakt, zonder te weten
waarom.”
De heer Mac-Casquil knikte slechts in plaats van te antwoorden, daar
hij goedvond, zijn hoogeren rang in tegenwoordigbeid van den heer
Pleydell en van den kolonel Mannering te handhaven.
„Het zou toch vreemd zijn, als er in het geheel geen testament was,
vriend!” zeide Dinmont, wiens geduld uitgeput raakte, tegen den
executeur.
„Een oogenblik geduld, als het u belieft,” antwoordde deze. „Juffrouw
Margaretha Bertram was eene goede, voorzichtige en verstandige vrouw,
en wist hare vrienden en vertrouwden wel te kiezen. Zij zal haren
uitersten wil, of liever hare laatste beschikking over de erfenis,
zeker in handen van een’ vertrouwden vriend gesteld hebben.”
„Ik verwed er alles op,” fluisterde Pleydell den kolonel in het oor,
„dat hij het testament zelf in den zak heeft.” Hierop wendde hij zich
tot den executeur en zeide: „Mijnheer! wij zullen deze zaak met uw
goedvinden spoedig afdoen. Hier is eene beschikking over de
heerlijkheid Singleside, voor verscheidene jaren ten voordeele van
Mejuffrouw Lucie Bertram van Ellangowan gemaakt.” (Bij deze woorden
staarde het geheele gezelschap elkaâr met groote oogen aan.) „Gij,
Mijnheer Protocol, zult ons, denk ik, wel kunnen onderrichten, of er
eene latere beschikking bestaat.”
„Met uw verlof, Mijnheer Pleydell!” antwoordde deze, nam het stuk in
handen en las het vluchtig door.
„Dat is al te gek!” zei Pleydell tot den kolonel, „al te gek! Hij heeft
zeker een ander testament op zak.”
„Maar waarom komt hij er niet mede voor den dag?” hernam de ongeduldige
krijgsman. „De drommel zal hem halen!”
„Waarom? hoe zou ik dat weten?” antwoordde Pleydell „Waarom doodt eene
kat niet oogenblikkelijk de muis, die zij gevangen heeft? Ik verbeeld
me, om hare macht te toonen en uit lust tot kwellen. – Nu, Mijnheer
Protocol, wat zegt gij van dat stuk?”
„Het is volkomen overeenkomstig de wet opgemaakt, behoorlijk
gelegaliseerd en door de gevorderde getuigen onderteekend.”
„Maar door een later testament, dat gij in handen hebt, krachteloos
gemaakt, niet waar?”
„Zoo is het ongeveer, Mijnheer Pleydell!” antwoordde hij en haalde een
met lint saamgebonden en met zwart lak verzegeld pak papieren te
voorschijn. „Het stuk, dat gij ons toont en waarop gij uwe aanspraken
grondt, is van den 1sten Juni 17..; maar dit,” (bij deze woorden brak
hij de zegels en sloeg het testament langzaam open) „ìs van den 20sten,
neen ik vergis me, van den 21sten April van het loopende jaar, dus tien
jaren later van datum!”
„Juist de maand, waarin de rampen van Ellangowan algemeen bekend
werden,” hernam Pleydell driftig. „Maar laat ons hooren, wat zij er van
gemaakt heeft.”
De heer Protocol verzocht hierop stilte en begon het testament langzaam
en plechtig met luider stemme te lezen. De toehoorders, in wier oogen
de hoop bij afwisseling rees en daalde, en die al hun verstand
inspanden, om den waren zin van het testament uit den nevel der
rechtsgeleerde uitdrukkingen, waarin die gehuld was, te ontdekken,
vormden eene groep, waardig door het penseel van een Hogarth
geschilderd te worden.
De inhoud van het testament was zeer verrassend. Vooreerst werd door de
overledene over de geheele heerlijkheid Singleside, met alle de daartoe
behoorende landerijen en de verdere aanhoorigheden, benevens de
landerijen van Loverless, Liealone, Spinster’s Knowe, en de hemel weet
wat al meer, „ten voordeele van” (hier daalde de stem van den voorlezer
tot een zacht, bescheiden piano) „Peter Protocol, notaris, enz.
beschikt, aangezien zij het volste vertrouwen in zijne bekwaamheid en
rechtschapenheid stelde” (deze woorden, verklaarde hij, waren op
uitdrukkelijk verlangen van zijne waardige vriendin ingelascht
geworden), „doch slechts als aanvertrouwd goed en ter beheering,” (hier
hernam de lezer zijn gewonen toon en de lange gezichten van
verscheidene toehoorders, welke de heer Mortcloke benijdenswaard zou
gevonden hebben, werden merkelijk korter) „tot na te melden doeleinden
en oogmerken.”
In deze „doeleinden en oogmerken” lag de hoofdzaak. Ter inleiding werd
gezegd, dat de testatrice in rechte lijn van het oude geslacht van
Ellangowan afstamde, daar haar geëerde overgrootvader Andreas Bertram,
de eerste van Singleside, zaligen gedachtenis, de tweede zoon van Allan
Bertram, vijftiende baron van Ellangowan geweest was. Vervolgens, dat
Hendrik Bertram, zoon en erfgenaam van Godfried Bertram van Ellangowan,
in zijne jeugd aan zijne ouders ontstolen was, maar dat zij, de
testatrice, vast verzekerd was, dat hij nog in vreemde landen leefde en
door de goddelijke Voorzienigheid weder in de bezittingen zijner
vooroudere hersteld zou worden – in welk geval gezegde Peter Protocol
verplicht en verbonden was, gelijk hij zich door het aannemen dezes
hiertoe verbond en verplichtte, om de geheele voorschrevene
nalatenschap (nochtans na aftrek van eene behoorlijke vergoeding voor
zijne moeite) aan genoemden Hendrik Bertram, bij zijne terugkomst in
zijn vaderland af te staan. En zoo lang deze in vreemde landen
rondzwierf, óf in geval hij nooit weder in Schotland terugkeerde, moest
Peter Protocol, de beheerder der nalatenschap, de pachtgelden van het
land en de interesten der andere fondsen (doch steeds na aftrek van
eene belooning voor zijne moeite) in gelijke deelen onder vier, in het
testament genoemde, liefdadige gestichten verdeelen. Deze vertrouwde
beheerder werd met het bestuur der goederen, de macht om te verhuren,
om geld op te nemen of uit te zetten, in één woord, met al de macht van
een’ onbepaalden eigenaar bekleed, en deze macht ging, in geval hij
kwam te overlijden, aan eenige in het testament genoemde openbare
ambtenaren over. Er moesten slechts twee legaten uitgekeerd worden, éen
van honderd pond aan eene begunstigde dienstmaagd, het andere, tot een
gelijk bedrag aan Jenny Gibson (van wie in het testament gezegd werd,
dat zij tot hiertoe uit liefdadigheid door de testatrice onderhouden
was), ten einde haar als leermeisje bij een eerlijk beroep te besteden.
Het vestigen van onvervreemdbare goederen op iemand wordt in Schotland
mortification genoemd, en in zeker groote gemeente (Aberdeen, indien
mijn geheugen mij niet bedriegt) is er een bijzonder ambtenaar met de
zorg over deze begiftigingen belast en deswege „bestuurder der
mortification” genaamd. Men zou bijna denken, dat deze naam van de
uitwerking afgeleid is, welke zulke bepalingen gewoonlijk op de
naastbestaanden van hen, die ze maken, te weeg brengen. Groot was ten
minste de „teleurstelling” der aanwezenden, die in de kamer van wijlen
Mejuffrouw Margaretha Bertram deze onverwachte beschikkingen over de
landerijen van Singleside vernomen hadden.
Na het voorlezen van het testament heerschte er een diep stilzwijgen.
De heer Pleydell was de eerste, die hetzelve afbrak. Hij verzocht het
testament in te zien, en gaf het, na zich overtuigd te hebben dat het
in den behoorlijken vorm en volgens de wet gesteld was, zonder eenige
aanmerking terug, maar zeide heimelijk tegen Mannering: „Protocol is,
geloof ik, niet slechter dan anderen; maar deze oude dame heeft alles
zoo ingericht, dat het hem, indien hij geen schurk wordt, ten minste
niet aan verleiding daartoe zal ontbreken.”
„Mij dunkt,” zei de heer Mac-Casquil van Drumquag, die de helft van
zijn verdriet met veel moeite verkropt had en de andere helft lucht
wilde geven, „mij dunkt waarlijk, dat dit een vreemd geval is! Ik
wenschte wel van den heer Protocol te weten, die, daar hij eenige en
onbepaalde beheerder is geworden, hierbij natuurlijk geraadpleegd moet
zijn, – ik wenschte wel te weten, zeg ik hoe juffrouw Bertram bij
mogelijkheid kon gelooven aan het leven van een knaap, die, zoo als een
ieder weet, voor vele jaren vermoord is.”
„Het is mij niet mogelijk,” hernam de heer Protocol, „meer van hare
beweegredenen te zeggen, dan zij zelve gedaan heeft. Wijlen onze waarde
vriendin was eene goede vrouw, eene godvruchtige vrouw, en kan voor
haar geloof aan de redding des kinds wel gronden gehad hebben, die wij
niet kennen.”
„Kom!” viel de tabakshandelaar hem in de rede; „ik weet zeer goed op
welke gronden haar geloof berustte. Juffer Rebekka,” (de dienstmaagd),
„die daar zit, heeft mij honderdmaal in mijn eigen winkel gezegd, dat
het niet bekend was, hoe hare meesteres over hare goederen beschikken
zou, daar eene oude Heidin haar in het hoofd gebracht had, dat de knaap
– Hendrik Bertram noemde zij hem, niet waar? – eens weder te voorschijn
zou komen. Gij zult dit toch niet ontkennen, Juffer Rebekka? Maar ik
geloof wel, dat gij vergeten hebt, om uwe meesteres te herinneren, wat
gij mij beloofdet haar te zeggen, en waarom ik u zoo menigen fooi
gegeven heb. Gij zult dit zeker niet ontkennen, meisje?”
„Ik weet er niets van,” antwoordde Rebekka norsch en keek strak vóor
zich neer, naar het scheen niet geneigd, zich iets meer te herinneren
dan hetgeen haar aangenaam was.
„Mooi gezegd, Rebekka!” hernam de tabakshandelaar; „gij zijt zonder
twijfel met uw aandeel te vreden.”
De jonge kwast van den tweeden rang – want tot den eersten behoorde hij
niet – had tot hiertoe onophoudelijk met zijne karwats op zijne laarzen
getimmerd en zette een gezicht als een bedorven kind, dat men zijne
boterham afneemt. Hij verkropte zijn misnoegen nochtans, of gaf het op
zijn best in alleenspraken als de volgende, lucht. „Bij den drommel!
het spijt mij – ik deed altijd zoo veel voor haar. – Ik ben hier
waarachtig eens bij haar gekomen, om thee te drinken, en verliet daarom
King en des hertogs pikeur Will Hack. Zij dronken wakker bij het
wedrennen; voor den drommel! ik zou thans misschien even goed er aan
toe zijn als sommige anderen, indien ik bij hen gebleven was – en zij
heeft mij niet eens die honderd pond nagelaten!”
„Wij zullen de betaling van uwe schuldbekentenis u zeer gemakkelijk
maken,” hernam de heer Protocol, die op dit oogenblik het hatelijke,
aan zijn geluk verbonden, niet wenschte te vermeerderen. – „En nu,
Mijne Heeren,” vervolgde hij, „behoeven wij, dunkt mij, niet langer
hier te vertoeven. Ik zal het testament van mijne voortreffelijke,
geachte vriendin morgen laten registreeren, opdat een ieder het inzien
en er, desverkiezende, een afschrift of uittreksel van krijgen kan;” en
met deze woorden begon hij de kisten en kasten van de overledene met
veel meer spoed te sluiten, dan hij ze geopend had. – „Juffer Rebekka,”
vervolgde hij, „wees zoo goed, alles hier in orde te houden, tot wij
het huis verhuren kunnen. Ik heb er heden morgen reeds aanvraag naar
gehad, indien ik er iets over te zeggen mocht hebben.”
Onze vriend Dinmont, die ook niet zonder hoop geweest was, had tot
hiertoe vrij knorrig in den armstoel der overledene gezeten, – die het
niet weinig geërgerd zou hebben, zulk een reus op zijn gemak op hare
plaats uitgestrekt te zien, – en zich enkel bezig gehouden met zijne
lange zweep op te rollen en weder af te laten loopen. De eerste
woorden, die hij na het verduwen van dezen schok sprak, waren eene
grootmoedig verklaring, die hij, waarschijnlijk zonder het zelf te
weten hardop geuit had. „Het is mij wel! Het bloed kruipt, als het niet
gaan kan. Ik gun haar toch de kazen en hammen, die zij van mij gekregen
heeft.” Zoodra Protocol echter zijne meening omtrent het ontruimen en
verhuren van het huis uitgesproken had, stond de brave Dinmont op en
verraste het gezelschap niet weinig door zijne ronde vraag: „en wat zal
er dan van het arme meisje, Jenny Gibson, worden? Wij allen, die met de
familie vermaagschapt wilden zijn, toen wij dachten dat de nalatenschap
verdeeld zou worden, wij moeten zeker onder elkaâr iets voor haar
doen.”
Deze woorden schenen de meeste aanwezenden aan te sporen, om ijlings
het huis te verlaten, ofschoon zij na het voorstel van den heer
Protocol nog steeds, als bij het graf van hunne teleurgestelde hoop,
gedraald hadden. Drumquag, die oordeelde dat hij uit hoofde van zijn
adellijk bloed moest voorgaan, zeide, of liever mompelde iets van zijne
eigene familie en vertrok zoo spoedig mogelijk. De tabakshandelaar
stond op, zeide op koelen, onvriendelijken toon: „Die kleine meid is
reeds genoegzaam verzorgd, en buitendien is Mijnheer Protocol de rechte
man om haar onder zijn opzicht te nemen, daar hij toch met de zorg voor
haar legaat belast is,” en verliet mede het vertrek. De windbuil begon
met een aardigheid over de bepaling van juffrouw Bertram, dat het arme
meisje een eerlijk beroep moest leeren, maar bleef in zijne woorden
steken, toen hij in een’ donkeren blik van den kolonel, wien hij, bij
zijn gebrek aan kennis van den goeden toon, om goedkeuring aankeek,
niets dan afkeuring las, en snelde de deur uit.
Protocol, die inderdaad een goed soort van mensch was, gaf hierop zijn
voornemen te kennen, om zich ten minste een tijdlang met de zorg voor
het meisje te belasten, doch verklaarde tevens, dat alles, wat hij voor
haar deed, als een werk van liefdadigheid beschouwd behoorde te worden.
Maar nu verhief Dinmont zich weder, schudde zijn dikken overrok, gelijk
een Newfounlandsche hond zijne ruige huid, wanneer hij uit het water
komt, en zeide: „Neen, Mijnheer Protocol! gij zult niets met haar te
doen hebben, als zij maar met mij naar huis wil gaan. Ailie en ik
hebben het goed in de wereld, en wij wenschen dat onze kinderen wat
meer zullen leeren dan wij, en wat meer beschaafd worden. En Jenny moet
hare wereld wel verstaan, en goed kunnen lezen en naaien, daar zij zoo
lang bij zulk eene voorname dame als de vrouwe van Singleside gewoond
heeft, en al kan zij ook niets van dit alles, dan weet ik zeker, dat
onze kinderen haar daarom des te liever zullen hebben. Voor hare
kleederen, en wat zij meer noodig heeft, zal ik zorgen. Die honderd
pond, waarbij ik ook nog iets voegen zal, kunt gij voor haar op
interest zetten, Mijnheer Protocol, tot er een wakkere knaap uit ons
Liddesdal om haar komt, die iets noodig heeft, waarmede de huishouding
op te richten. – Wat zegt gij er van, meisje? Ik zal een plaats op den
postwagen naar Jeddart voor u nemen; maar dan moet gij te paard over
den kruin van de Limestane rijden: want een rijtuig is er nog nooit in
het Liddesdal gekomen [18]. Ook zou ik gaarne zien, dat juffer Rebekka
met u kwam, kind, en een paar maanden bij ons bleef, zoo lang gij u nog
wat vreemd gevoelt.”
Terwijl juffer Rebekka beleefd neigde en het arme meisje aanspoorde, om
in plaats van te schreien mede haren dank op eene beleefde wijze te
betuigen, en Dandie met ruwe hartelijkheid bij beiden aandrong, kon de
oude Pleydell zijne aandoening nauwelijks verbergen en zeide getroffen
tegen den kolonel: „Zulk een tooneel is een waar feest voor mij. Ik
moet den braven landman op zijne eigene wijze daarvoor beloonen. Ik
moet hem volgens zijn zin in het ongeluk storten: – dat moet wel! –
Hoor eens, Dandie – Charlies-hope, of hoe moet ik u noemen?”
De brave pachter, die in zijn hart, naast zijnen landheer, een
beroemden rechtsgeleerde het hoogst schatte, gevoelde zich door deze
woorden, die toonden dat Pleydell zich om hem bekommerde, innig
gestreeld en keek den rechtsgeleerde vragend aan.
„Gij wilt u dus het proces over de grenzen van uwe weiden niet laten
afraden?” vervolgde Pleydell.
„Neen, neen, Mijnheer! Niemand wil gaarne zijn recht verliezen en zich
door de geheele streek laten uitlachen. Maar daar gij mijne zaak niet
behartigen wilt, of mijne tegenpartij misschien genegen zijt, moet ik
mij bij een anderen advokaat vervoegen.”
„Hoort gij het nu, kolonel Mannering? heb ik het u niet gezegd? – Nu,
Dinmont, als gij dan volstrekt dwaas zijn wilt, dan kan ik niets beters
voor u doen, dan u bij uw proces zoo weinige onkosten mogelijk te
veroorzaken en u het, als het maar kan, te doen winnen. Laat Mijnheer
Protocol mij uwe stukken zenden, dan zal ik wel verder voor u zorgen.
Ik zie waarlijk ook niet in, waarom gij u niet even goed met twisten en
processen zoudt bezig houden, als uwe voorouders met moord en
brandstichting.”
„Natuurlijk, Mijnheer! Wij zouden ook zonder twijfel den ouden gang
gaan, als er geene wetten waren. En daar de wet ons bindt, moet de wet
ons ook weêr vrijmaken. Bovendien wordt iemand bij ons er te meer om
geacht, als hij een „proces gehad heeft.”
„Eene schoone reden, vriend! Vaarwel en zend mij uwe papieren. – Kom
kolonel, wij hebben hier niets meer te doen.”
„De drommel!” riep Dinmont, terwijl hij zich van vreugde op de knie
sloeg, „nu zal ik Jaap van Dawstoncleugh toch wel de baas worden!”