ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Noch kunst noch waarheid sieren dit verhaal,

Om ’t hart te treffen, of te streelen de verbeelding.

Het Kerspelregister.

„Uwe Majesteit,” zeide Mannering lachende, „heeft haren afstand van den

troon plechtig gevierd door eene daad van welwillende

menschlievendheid. Die goede man zal zeker zijne zucht tot pleiten wel

verloren hebben.”

„Verbeeld u dat toch niet! Ik heb niets anders uitgewerkt, dan dat ik

mijn cliënt en mijne belooning verloren heb. Hij zal niet rusten, voor

dat hij iemand vindt, die hem aanspoort, om zijne voorgenomene

dwaasheid te begaan. Neen, neen! ik heb u slechts eene andere zwakke

zijde van mijn hart getoond. Des Zaterdagsavonds spreek ik altijd de

zuivere waarheid.”

„En op andere dagen ook wel eens, denk ik,” hernam Mannering op

denzelfden schertsenden toon.

„Nu, ja; zoo veel als mijn beroep dat toelaat. Ik ben, zoo als Hamlet

zegt, vrij eerlijk, wanneer mijne cliënten en hunne procureurs mij niet

gebruiken, om hunne weloverdachte leugens voor de balie te bepleiten.

Maar, oportet vivere [16]! het is eene droevige waarheid. – Maar laat

ons nu tot uwe zaken overgaan. Het verheugt me, dat mijn oude vriend

Mac-Morlan u bij mij gezonden heeft. Hij is een werkzaam, eerlijk en

verstandig man, was lange jaren substituut-sheriff van het graafschap

** onder mij, en bekleedt dien post nog. Hij weet, dat ik veel belang

stel in die ongelukkige familie van Ellangowan, en bijzonder in de arme

Lucie. Ik heb haar sedert haar twaalfde jaar niet gezien, en toen was

zij, niettegenstaande de opvoeding van haren zeer onnoozelen vader, een

aardig, lief meisje. Mijne belangstelling in haar ontstond echter reeds

vroeger. Als sheriff van het graafschap, werd ik geroepen, om de

bijzonderheden van een moord te onderzoeken, die niet ver van

Ellangowan, op den dag waarop dit arme kind geboren werd, gepleegd was

en die, door eene zonderlinge aaneenschakeling van omstandigheden,

welke ik, helaas, niet ontsluieren kon, den dood, of ten minste het

verdwijnen van haar eenigen broeder, een knaap van omstreeks vijf

jaren, ten gevolge had. Neen, Mijnheer! nooit vergeet ik de ellende van

de familie Ellangowan op dien dag. De vader half waanzinnig – de moeder

onder eene ontijdige bevalling bezweken. Onder zulke omstandigheden

kwam het hulpelooze kind schreiend in deze ongelukkige wereld, waar het

nauwelijks iemand vond, om het op te passen. Wij, rechtsgeleerden, zijn

niet van ijzer of steen, even min als gij, krijgslieden, van staal. Wij

moeten met de misdaden en rampen van het burgerlijke leven omgaan,

zooals gij met die, welke de oorlog naar zich sleept; en om altijd en

in alle gevallen onzen plicht te doen, is een weinig ongevoeligheid

misschien wel noodzakelijk. Maar de duivel hale den krijgsman, wiens

hart zoo hard is als zijn zwaard, zoo wel als den rechtsgeleerde, die

zijn gemoed, in plaats van zijn voorhoofd, verstaalt! – Maar ik verlies

mijn geheelen Zaterdagavond! Wilt gij zoo goed zijn, mij deze papieren,

met betrekking tot de zaak van Juffrouw Bertram, toe te vertrouwen? En

kom morgen het middagmaal bij mij gebruiken, als ik u verzoeken mag. Ik

eet om drie uur; maar kom een half uurtje vroeger. – De oude dame wordt

Maandag begraven. Het is de zaak van eene wees en wij zullen een uur

van den Zondag nemen, om er over te spreken, ofschoon ik vrees, dat er

niets aan te doen zal zijn, wanneer de oude dame haar testament

veranderd heeft, tenzij dit misschien binnen de zestig dagen gebeurd is

en Juffrouw Bertram aantoonen kan, dat zij volgens de wet erfgenaam is,

weshalve.... Maar, luister! mijne onderdanen worden ongeduldig over het

ledig staan van den troon. – Ik verzoek u niet, kolonel, om verder deel

aan ons feest te nemen; het zou te veel van uwe goedheid gevergd zijn.

Dan moest gij den geheelen dag met ons doorgebracht hebben en

trapsgewijze van wijsheid tot vroolijkheid en van vroolijkheid tot –

hoe zal ik het noemen? – tot dartelheid overgegaan zijn. – Goeden

nacht! – Hendrik! breng gij den kolonel naar huis. – Mijnheer

Mannering! ik verwacht u morgen even over twee uur.”

De kolonel keerde naar huis terug, even verwonderd over de kinderlijke

vroolijkheid, waarin hij den heer Pleydell had aangetroffen, als

tevreden over de openhartigheid en het gezonde verstand, welke deze in

de vluchtige, aan zijne beroepszaken gewijde, oogenblikken aan den dag

had gelegd, en over de warme belangstelling, waarmede hij over de

verlatene wees gesproken had.

Den volgenden morgen, terwijl Mannering met zijn kalmen en sprakeloozen

reisgezel, dominé Sampson, nog aan het ontbijt zat, dat door Barnes

klaargezet was, trad de heer Pleydell onverwacht binnen. Eene netjes

opgemaakte, goed gepoederde pruik, eene deftige zwarte kleeding, waarop

geen stofje te vinden was, nette zindelijke schoenen, gouden schoen- en

kniegespen, een eerder terughoudend en afgemeten, dan indringend, doch

met dat al geenszins stijf en verlegen gedrag, de volkomen rust der

sprekende, eenigszins spotachtige trekken van zijn gelaat – alles

vertoonde een geheel ander wezen, en slechts de scherpe doordringende

blik van zijn schitterend oog verried den vroolijken man van den

vorigen avond.

„Ik kom,” zeide hij zeer beleefd, „om mijne koninklijke macht, zoo wel

in het geestelijke, als wereldlijke over u uit te oefenen. Zal ik u

naar de presbyteriaansche kerk, of naar de vergaderplaats der

episcopale gemeente geleiden? Een rechtsgeleerde behoort, zoo als gij

weet, tot beide godsdiensten, of liever moest ik zeggen, tot beide

vormen: of wenscht gij den voormiddag anders door te brengen? dan ben

ik ook gaarne tot uw dienst. Gij moet mij mijne ouderwetsche, misschien

lastige, beleefdheid vergeven. Toen ik geboren werd, hield men een

Schot voor gastvrij noch beleefd, als hij een gast éen oogenblik,

behalve des nachts, alleen liet; maar ik vertrouw, dat gij het mij vrij

zeggen zult, als ik u ongelegen kom.”

„In geenen deele, Mijnheer Pleydell, ik geef mij gaarne aan uwe leiding

over. Ik zou met genoegen eenige uwer Schotsche redenaars hooren, die

uw vaderland door hunne uitstekende bekwaamheden zoo veel eer aandoen,

uwen Blair, uwen Robertson of uwen Henry. Ik neem uw aanbod van

ganscher harte aan. Maar,” vervolgde Mannering, den rechtsgeleerde ter

zijde trekkende en de oogen op Sampson slaande, „deze mijn waardige,

droomerige vriend is een weinig hulpeloos en afgetrokken; en Barnes,

zijn gewone geleider, kan hem hier niet goed vergezellen, te meer,

omdat de goede man eenige van uwe minder bekende en meer afgelegen

godsdienstige vergaderplaatsen wenscht te bezoeken.”

De heer Pleydell keek Sampson aan en zeide: „waarlijk een zeldzaamheid,

waardig, dat men er goed zorg voor draagt. Ik zal u een geschikten

bewaarder bezorgen. Hoor eens,” vervolgde hij tegen den knecht van de

herberg, „ga oogenblikkelijk naar Luckie Finlayson, waar Miles Macfin

zeker zijn zal, en zeg hem, dat ik hem wensch te spreken.”

De bedoelde persoon verscheen weldra.

„Ik zal uwen vriend aan de zorgen van dezen man toevertrouwen,” zei

Pleydell; „hij zal hem overal, waar hij verlangt te gaan, geleiden of

vergezellen, hetzij naar eene presbyteriaansche of eene bisschoppelijke

kerk, naar de markt of naar het gerechtshof, dat is volkomen hetzelfde;

en hem, op ieder door u bepaald uur, veilig en behouden te huis

brengen, zoo dat Barnes zich niet om den heer Sampson behoeft te

bekommeren.”

Men werd het spoedig over de voorwaarden eens en Mannering nam,

gedurende zijn verblijf in Edinburg, den man in zijn dienst, om den

goeden dominé tot geleider te dienen.

„En nu, Mijnheer,” hernam Pleydell, „laat ons nu naar de

Grauwebroederenkerk gaan, om onzen geschiedschrijver van Schotland, van

het Vaste Land en van Amerika, te hooren.”

In deze verwachting werden zij bedrogen. Hij preekte dien morgen niet.

„Laat u dit niet hinderen,” zei Pleydell; „heb slechts een oogenblik

geduld; wij zullen, denk ik, toch wel voldaan worden.”

De ambtsbroeder van Robertson verscheen op den kansel [17]. Zijn

uiterlijk was geenszins innemend. Hij was bijzonder tenger van gestalte

en eene koolzwarte, ongepoederde pruik, welke zijn hoofd bedekte, stak

zeldzaam af bij de bleekheid van zijn gelaat. Hij stond in eene gebogen

houding en scheen zijne handen, welke hij onafgebroken op den rand van

den preekstoel liet rusten, eer tot ondersteuning van zijn zwak lichaam

noodig te hebben, dan tot het maken van gebaren te zullen gebruiken.

Hij droeg geen tabbaard of mantel; niets, dan eene verkreukte bef,

toonde zijnen geestelijken stand aan. Zijne geheele eenvoudige kleeding

en stijve, gedwongene gebaren moesten een vreemdeling sterk in het oog

vallen.

Dit was ook het geval bij Mannering, die zijnen vriend al spoedig

influisterde: „uw predikant heeft in het geheel geen gunstig

voorkomen.”

„Bekommer u daar niet om,” hernam Pleydell. „Hij is de zoon van een

beroemden Schotschen rechtsgeleerde. Hij zal zijn vader geene schande

aandoen, en toonen dat hij vol vuur is. Ik sta voor hem in.”

Pleydell’s voorspelling werd bewaarheid. Eene leerrede vol nieuwe,

treffende en onderhoudende beschouwingen van de Heilige schrift, en

waarin het Calvinisme der kerk van Schotland op eene bekwame wijze

voorgestaan werd, diende ten grondslag van een gezond stelsel van

practische zedekunde, dat den zondaar even weinig aan de slingerende

golven van ongeloof of afzondering van de ware kerk overliet, als hem

toestond, zich onder den mantel van bespiegelend geloof, of bijzondere

gevoelens te verschuilen. Een eenigszins verouderde vorm in den stijl

diende slechts, om dezen eigenaardig en kernachtig te maken. De leeraar

had zijn opstel niet schriftelijk uitgewerkt, maar enkel de hoofdpunten

op een klein stukje papier opgeteekend. De voordracht scheen in het

eerst gebrekkig en verward te zijn, maar werd, naarmate de spreker in

vuur geraakte, levendig en duidelijk; zoo dat Mannering, ofschoon deze

leerrede niet voor een volmaakt voorbeeld van kanselwelsprekendheid

gelden kon, bekennen moest, zelden eene godsdienstoefening bijgewoond

te hebben, waarin de leeraar zoo veel geleerdheid, schranderheid,

kracht en nadruk bij de behandeling van zijn onderwerp ten toon

spreidde.

„Zoo,” zeide hij, bij het uitgaan der kerk, „moeten de leeraren geweest

zijn, aan wier onverschrokken gemoed en groote, ofschoon soms ruw

aangewende bekwaamheden wij de hervorming te danken hebben.”

„En toch,” hernam Pleydell, „heeft deze eerwaarde heer, dien ik zoo wel

om hem zelven als om zijns vaders wil bemin, niets van de norsche of

schijnheilige trotschheid, welke sommigen der eerste Calvinistische

kerkvaders in Schotland wel eens te last gelegd is. Zijn ambtsbroeder

en hij staan aan het hoofd van verschillende partijen in de kerk, en

zijn niet eensgezind omtrent bijzondere punten van de kerkelijke tucht:

maar zij verliezen daarom geen oogenblik de persoonlijke achting voor

elkander uit het oog, en dulden geenszins dat zich boosaardigheid menge

in dit verschil, dat zij van weerskanten standvastig en gemoedelijk

volhouden.”

„En hoe denkt gij omtrent hunne verschilpunten, Mijnheer Pleydell?”

„Wel, ik denk, kolonel, dat een eenvoudig en eerlijk man zalig kan

worden zonder zich dáarover te bekommeren. Bovendien ben ik, onder ons

gezegd, een lid van de lijdende episcopale kerk van Schotland, –

tegenwoordig (en dit is gelukkig) slechts de schaduw van eene schaduw;

– maar ik bid gaarne, waar mijne vaderen vóór mij gebeden hebben,

zonder juist ongunstig over de presbyteriaansche vormen te denken,

omdat zij hetzelfde gevoel niet bij mij opwekken.”

Na dit gesprek nam Mannering afscheid van zijn vriend, met belofte om

op het bepaalde uur het middagmaal bij hem te komen gebruiken.

Na alles wat Mannering van de woning van den rechtsgeleerde gezien had,

kon hij niet dan zeer matige verwachtingen koesteren van het onthaal

dat hem wachtte. Het straatje, waarin het huis stond, scheen bij dag

nog somberder, dan den vorigen avond. Het was zoo nauw, dat de bewoners

der tegenover elkander staande huizen elkaâr de hand bijna konden

reiken, en hier en daar was de tusschenruimte door houten galerijen

geheel betimmerd. De trap van het huis was niet behoorlijk gereinigd

en, bij het binnentreden, verwonderde Mannering zich niet weinig over

den ellendigen, smallen gang. De bibliotheek, waarin hij door een

deftigen ouden bediende gebracht werd, leverde nochtans een tegenbeeld

op van hetgeen hij tot hiertoe gezien had. Het was eene fraaie kamer,

versierd met de portretten van eenige beroemde Schotsche geleerden door

Jamieson, den Caledonischen Van Dijk, en rijkelijk met boeken, de beste

schrijvers, voorzien.

„Deze,” zeide Pleydell, „zijn mijne ambachtsgereedschappen. Een

rechtsgeleerde, onbedreven in de geschiedenis en letterkunde, is niet

meer dan een handwerksman, een gewone metselaar; indien hij echter ook

hierin bedreven is, kan hij zich een’ bouwmeester noemen.”

Bovenal werd Mannering aangenaam verrast door het uitzicht uit de

vensters, Hier genoot hij in volle mate het heerlijke gezicht op de

streek tusschen Edinburg en de zee, de zeeëngte van Forth met hare

eilanden, de baai, door het grondgebied van Noord-Berwick omzoomd, en

noordwaarts de golvende, heuvelachtige oevers van Fife, die den

helderen blauwen gezichteinder insloten.

Nadat de heer Pleydell eenigen tijd van de verwondering van zijn gast

genoten had, begon hij over de zaak van Lucie Bertram te spreken. „Ik

koesterde een flauwe hoop,” zeide hij, „dat ik middelen vinden zou, om

haar onbetwistbaar recht op de goederen van Singleside te bewijzen;

maar alle mijne pogingen zijn te vergeefsch geweest. De oude dame was

zeker onbepaalde eigenares van hare goederen, en kon er dus met volle

recht over beschikken. Er blijft ons dus niets over, dan de hoop, dat

geen booze geest haar verleid moge hebben, om hare eerste zoo zeer

gepaste beschikking te veranderen. Gij moet de begrafenis der oude dame

morgen bijwonen. Gij zult hiertoe genoodigd worden, daar ik haren

zaakgelastigde van uwe tegenwoordigheid, als gevolmachtigde van

Juffrouw Bertram, onderricht heb. Vervolgens zal ik mij aan het huis

der overledene weder bij u vervoegen, om toe te zien, dat alles bij de

opening van het testament behoorlijk toegaat. De oude dame had een jong

meisje bij zich inwonen, eene wees en verre bloedverwante van haar, die

zij bijna als eene slavin behandelde. Ik hoop, dat zij gemoedelijk

genoeg geweest is, om het arme meisje, ter vergoeding van de harde

slavernij, die zij gedurende haar leven heeft moeten verduren, een

onafhankelijk bestaan te verzekeren.”

Thans verschenen er nog eenige andere gasten, opgeruimde, zeer

beschaafde mannen, in wier gezelschap Mannering den avond zeer

aangenaam doorbracht. Tegen acht uur ’s avonds kwam ook weder een fijne

flesch op tafel, die de kolonel Mannering moest helpen ledigen. Toen

hij weder in zijn logement kwam, vond hij eene uitnoodiging, om de

lijkplechtigheid van wijlen Mejuffrouw Margaretha Bertram van

Singleside, die den volgenden middag op het Grauwe broeder-kerkhof

begraven zoude worden, bij te wonen.

Op het bepaalde uur begaf Mannering zich naar een klein huis in de

zuidelijke voorstad, waar, volgens Schotsch gebruik, twee treurige

gestalten met lange zwarte mantels, witte linten om den hoed en lange

stokken met treurwimpels in de hand, het sterfhuis aanduidden. Door

twee andere bidders die, naar hun gelaat te oordeelen, onder een zware

ramp gebukt gingen, werd hij in de eetzaal van de overledene gebracht,

waar het gezelschap vergaderd was.

In Schotland is de thans in Engeland afgeschafte gewoonte, om de

bloedverwanten tot de begrafenis te noodigen, nog algemeen in gebruik.

In vele gevallen is dit zeer treffend, maar ontaardt soms in eene

bloote stijve plechtigheid, als de overledene het ongeluk gehad heeft,

onbemind te leven en onbetreurd te sterven. In Engeland zou in zulke

gevallen de lijkdienst, eene der schoonste en treffendste plechtigheden

van de kerk, de aandacht der aanwezenden boeien en hunne gemoederen tot

godsdienstigen ernst stemmen; maar in Schotland kan niets, wanneer geen

diep gevoel de aanwezenden bezielt, dit gebrek vergoeden en den geest

verheffen; zoodat bij het voor de treurige plechtigheid vergaderde

gezelschap de dwang eener lastige gewoonte maar al te dikwijls en te

zichtbaar in eene geveinsde droefheid doorstraalt. Ongelukkig was

juffrouw Margaretha Bertram niet algemeen bemind geweest. Zij had geene

naastbestaanden, die uit natuurlijke genegenheid om haar zouden

treuren, zoo dat men bij hare begrafenis niets dan den uiterlijken

schijn van droefheid zag.

Mannering, die midden in dit treurige gezelschap van neven in den

derden, vierden, vijfden en zesden graad stond, gaf zijn gelaat den

behoorlijken ernstigen plooi, welken hij bij alle aanwezenden bemerkte,

en zag even treurig om juffrouw Margaretha Bertram, als of de

overledene vrouwe van Singleside zijne eigene zuster of moeder geweest

ware.

Na eene lange plechtige stilte begonnen sommigen der aanwezenden met

elkander te spreken, maar zoo zacht, als of zij zich in de kamer van

een stervende bevonden.

„Onze arme vriendin,” zeide een deftig heer, fluisterende en nauwelijks

den mond openende, uit vrees, dat hij den ernstigen plooi uit zijn

gelaat zou verliezen – „onze arme vriendin, die wij nu zullen begraven,

bezat een vermogen dat vrij aanzienlijk mag genoemd worden.”

„Zonder twijfel,” antwoordde de heer, tot wien deze woorden gericht

waren, met half geslotene oogen; „Mejuffrouw Margaretha was niets

minder dan onverschillig omtrent de goederen dezer aarde.”

„Is er heden iets nieuws, kolonel Mannering?” vroeg éen der heeren, met

wien hij den vorigen dag gegeten had, doch op zulk een ernstigen toon,

als of hij den dood van zijn geheel geslacht bekend maakte.

„Niets bijzonders, Mijnheer,” antwoordde Mannering op denzelfden

plechtigen toon, die, zoo als hij ontwaarde, in het huis der rouwe in

acht genomen moest worden.

„Ik hoor,” vervolgde de eerste spreker met nadruk, alsof hij zekere

berichten had – „ik hoor, dat er een testament is” –

„En wat krijgt de kleine Jenny Gibson?”

„Honderd pond sterling en het oude repetitie-horologie.”

„Dat is zeer weinig. Het arme meisje heeft daarvoor veel van de oude

dame moeten verduren. Maar op eens anders rijkdom wachten tot na diens

dood, is een treurig beroep.”

„Ik vrees,” zei een staatkundige, die bij Mannering stond, „dat wij met

uw ouden vriend Tippoo Saïb nog niet afgedaan hebben; ik verbeeld me,

dat hij de Compagnie nog meer te doen zal geven, en ik hoor (maar gij

zult het wel weten), dat de Oost-Indische fondsen niet rijzen.”

„Ik vertrouw, dat dit echter spoedig gebeuren zal.”

„Juffrouw Margaretha” hernam een ander, zich in het gesprek mengende

„bezat eenige Indische papieren. Ik weet dit, omdat ik de renten voor

haar ontving. De raad van den kolonel, wanneer en hoe men deze papieren

op de beste wijze te gelde kan maken, zou zoowel voor de executeuren en

de belanghebbenden wenschelijk zijn. Ik voor mij denk – Maar daar is

Mijnheer Mortcloke, om ons te zeggen, dat de lijkstaatsie zich op weg

moet begeven.”

De heer Mortcloke, de bezorger der begrafenis, deelde dientengevolge

met een treurig, ernstig gelaat, dat bij zijn beroep paste, kaartjes

uit onder de dragers van de slippen, om ieder zijne plaats naast de

doodkist aan te wijzen. Daar de voorrang hierbij verondersteld wordt

naar der meerderen of minderen graad van bloedverwantschap geregeld te

worden, kon de arme man, hoe ervaren ook in deze treurige

plechtigheden, toch niet vermijden, eenigen aanstoot te geven. Ieder

der aanwezige nabestaanden was hier, waar bloedverwantschap aanspraak

op de landerijen van Singleside gaf, bijzonder ijverzuchtig op den

naasten graad dezer betrekking. Hier en daar hoorde men een zacht

gemor, en onze vriend Dinmont, die zijn misnoegen niet onderdrukken

noch den bij deze plechtigheid passenden toon vatten kon, gaf niet

weinig ergernis.

„Mij dunkt, gij hadt mij ten minste wel een been te dragen kunnen

geven,” riep hij op veel luider toon uit, dan hier geoorloofd was. „Ja,

als het niet om de erfenis ware, zou ik haar, hoe vele aanzienlijken

hier ook zijn, wel alleen hebben kunnen dragen.”

Donkere en bestraffende blikken werden van alle kanten gevestigd op den

onverschrokken landman, die, nadat bij aan zijn misnoegen lucht had

gegeven, met het overige gezelschap den trap afklom, zonder zich in het

minst te storen aan de aanmerkingen van hen, die zich door zijne

woorden beleedigd achtten.

Hierop zette de lijkstaatsie zich in beweging. Vooraan mannen met hunne

staven en witte lamfers, ter eere van den onbevlekten maagdelijken naam

van Mejuffrouw Margaretha Bertram; hierachter zes doodmagere paarden,

zelve ware zinnebeelden der sterfelijkheid, met rouwkleeden en veeren

versierd, die de lijkkoets met de met rouwfloers behangen wapenschilden

langzaam naar de begraafplaats sleepten, voorafgegaan door Jamie Duff,

een krankzinnige, die, versierd met opslagen en eene das van wit

papier, elke lijkstaatsie vergezelde, en gevolgd door zes rouwkoetsen

met de ter begrafenis genoodigden. Velen hunner vierden hun praatlust

thans den vrijen teugel en spraken zonder terughouding over het bedrag

van de nalatenschap en de waarschijnlijke erfgenamen. Zij, die de

gegrondste hoop op de nalatenschap koesterden, zwegen echter

voorzichtig, daar zij geene verwachtingen wilden laten blijken, welke

misschien te leur gesteld zouden worden; en de executeur, of

zaakgelastigde, die alleen met zekerheid wist hoe de zaken stonden,

toonde een geheimzinnig, gewichtig gelaat, alsof hij besloten had, de

angstige verwachting zoo lang mogelijk gespannen te houden.

Eindelijk kwam de trein bij de poort van het kerkhof en ging vervolgens

onder het aangapen van eene menigte ledigloopende vrouwen met kinderen

op den arm, en een niet kleiner aantal straatjongens, die schreeuwende

en springende naast den deftigen optocht liepen, naar de begraafplaats

van de familie Singleside. Dit was eene omheinde vierkante plaats, aan

de eene zijde door een ouden engel bewaakt, die, wel is waar, zijn neus

en éenen vleugel verloren, maar nochtans gedurende een eeuw zijne post

roemrijk behouden had, terwijl zijn makker, die op het tegenoverstaande

voetstuk op schildwacht gestaan had, gebroken tusschen de

doornstruiken, dolle kervel en brandnetels lag, die welig op de

grafplaats tierden. Een met mos begroeid en beschadigd opschrift

onderrichtte den lezer, dat kapitein Andrew Bertram de eerste van

Singleside en afstammeling van het zeer oude en eerbiedwaardige

geslacht van Ellangowan, in het jaar 1650 dit gedenkteeken voor hem

zelven en zijne nakomelingen had laten oprichten. Een aanzienlijk

aantal zeissen, zandloopers, doodshoofden en kruiselings over elkander

liggende doodsbeenderen omringden het volgende opschrift ter

gedachtenis van den stichter dezer begraafplaats:

„Nathaniëls hart, Bezaleëls hand –

Had iemand ooit deze gaven;

Dan zeg ik ronduit, dat hij ze bezat,

Die in dit bed ligt begraven.”

Hier werd het stoffelijke overschot van Juffrouw Margaretha Bertram bij

de vermolmde beenderen harer voorvaderen neergelegd; en, even als

soldaten, die gewoonlijk met versnelden pas van eene militaire

begrafenis terugkeeren, spoorden nu de naaste bloedverwanten, die

belang bij het testament van de overledene hadden, de huurkoetsiers tot

den meest mogelijken spoed aan, ten einde van hunne onzekerheid omtrent

dit gewichtig punt verlost te worden.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 50 / 75 题