Noch kunst noch waarheid sieren dit verhaal,
Om ’t hart te treffen, of te streelen de verbeelding.
Het Kerspelregister.
„Uwe Majesteit,” zeide Mannering lachende, „heeft haren afstand van den
troon plechtig gevierd door eene daad van welwillende
menschlievendheid. Die goede man zal zeker zijne zucht tot pleiten wel
verloren hebben.”
„Verbeeld u dat toch niet! Ik heb niets anders uitgewerkt, dan dat ik
mijn cliënt en mijne belooning verloren heb. Hij zal niet rusten, voor
dat hij iemand vindt, die hem aanspoort, om zijne voorgenomene
dwaasheid te begaan. Neen, neen! ik heb u slechts eene andere zwakke
zijde van mijn hart getoond. Des Zaterdagsavonds spreek ik altijd de
zuivere waarheid.”
„En op andere dagen ook wel eens, denk ik,” hernam Mannering op
denzelfden schertsenden toon.
„Nu, ja; zoo veel als mijn beroep dat toelaat. Ik ben, zoo als Hamlet
zegt, vrij eerlijk, wanneer mijne cliënten en hunne procureurs mij niet
gebruiken, om hunne weloverdachte leugens voor de balie te bepleiten.
Maar, oportet vivere [16]! het is eene droevige waarheid. – Maar laat
ons nu tot uwe zaken overgaan. Het verheugt me, dat mijn oude vriend
Mac-Morlan u bij mij gezonden heeft. Hij is een werkzaam, eerlijk en
verstandig man, was lange jaren substituut-sheriff van het graafschap
** onder mij, en bekleedt dien post nog. Hij weet, dat ik veel belang
stel in die ongelukkige familie van Ellangowan, en bijzonder in de arme
Lucie. Ik heb haar sedert haar twaalfde jaar niet gezien, en toen was
zij, niettegenstaande de opvoeding van haren zeer onnoozelen vader, een
aardig, lief meisje. Mijne belangstelling in haar ontstond echter reeds
vroeger. Als sheriff van het graafschap, werd ik geroepen, om de
bijzonderheden van een moord te onderzoeken, die niet ver van
Ellangowan, op den dag waarop dit arme kind geboren werd, gepleegd was
en die, door eene zonderlinge aaneenschakeling van omstandigheden,
welke ik, helaas, niet ontsluieren kon, den dood, of ten minste het
verdwijnen van haar eenigen broeder, een knaap van omstreeks vijf
jaren, ten gevolge had. Neen, Mijnheer! nooit vergeet ik de ellende van
de familie Ellangowan op dien dag. De vader half waanzinnig – de moeder
onder eene ontijdige bevalling bezweken. Onder zulke omstandigheden
kwam het hulpelooze kind schreiend in deze ongelukkige wereld, waar het
nauwelijks iemand vond, om het op te passen. Wij, rechtsgeleerden, zijn
niet van ijzer of steen, even min als gij, krijgslieden, van staal. Wij
moeten met de misdaden en rampen van het burgerlijke leven omgaan,
zooals gij met die, welke de oorlog naar zich sleept; en om altijd en
in alle gevallen onzen plicht te doen, is een weinig ongevoeligheid
misschien wel noodzakelijk. Maar de duivel hale den krijgsman, wiens
hart zoo hard is als zijn zwaard, zoo wel als den rechtsgeleerde, die
zijn gemoed, in plaats van zijn voorhoofd, verstaalt! – Maar ik verlies
mijn geheelen Zaterdagavond! Wilt gij zoo goed zijn, mij deze papieren,
met betrekking tot de zaak van Juffrouw Bertram, toe te vertrouwen? En
kom morgen het middagmaal bij mij gebruiken, als ik u verzoeken mag. Ik
eet om drie uur; maar kom een half uurtje vroeger. – De oude dame wordt
Maandag begraven. Het is de zaak van eene wees en wij zullen een uur
van den Zondag nemen, om er over te spreken, ofschoon ik vrees, dat er
niets aan te doen zal zijn, wanneer de oude dame haar testament
veranderd heeft, tenzij dit misschien binnen de zestig dagen gebeurd is
en Juffrouw Bertram aantoonen kan, dat zij volgens de wet erfgenaam is,
weshalve.... Maar, luister! mijne onderdanen worden ongeduldig over het
ledig staan van den troon. – Ik verzoek u niet, kolonel, om verder deel
aan ons feest te nemen; het zou te veel van uwe goedheid gevergd zijn.
Dan moest gij den geheelen dag met ons doorgebracht hebben en
trapsgewijze van wijsheid tot vroolijkheid en van vroolijkheid tot –
hoe zal ik het noemen? – tot dartelheid overgegaan zijn. – Goeden
nacht! – Hendrik! breng gij den kolonel naar huis. – Mijnheer
Mannering! ik verwacht u morgen even over twee uur.”
De kolonel keerde naar huis terug, even verwonderd over de kinderlijke
vroolijkheid, waarin hij den heer Pleydell had aangetroffen, als
tevreden over de openhartigheid en het gezonde verstand, welke deze in
de vluchtige, aan zijne beroepszaken gewijde, oogenblikken aan den dag
had gelegd, en over de warme belangstelling, waarmede hij over de
verlatene wees gesproken had.
Den volgenden morgen, terwijl Mannering met zijn kalmen en sprakeloozen
reisgezel, dominé Sampson, nog aan het ontbijt zat, dat door Barnes
klaargezet was, trad de heer Pleydell onverwacht binnen. Eene netjes
opgemaakte, goed gepoederde pruik, eene deftige zwarte kleeding, waarop
geen stofje te vinden was, nette zindelijke schoenen, gouden schoen- en
kniegespen, een eerder terughoudend en afgemeten, dan indringend, doch
met dat al geenszins stijf en verlegen gedrag, de volkomen rust der
sprekende, eenigszins spotachtige trekken van zijn gelaat – alles
vertoonde een geheel ander wezen, en slechts de scherpe doordringende
blik van zijn schitterend oog verried den vroolijken man van den
vorigen avond.
„Ik kom,” zeide hij zeer beleefd, „om mijne koninklijke macht, zoo wel
in het geestelijke, als wereldlijke over u uit te oefenen. Zal ik u
naar de presbyteriaansche kerk, of naar de vergaderplaats der
episcopale gemeente geleiden? Een rechtsgeleerde behoort, zoo als gij
weet, tot beide godsdiensten, of liever moest ik zeggen, tot beide
vormen: of wenscht gij den voormiddag anders door te brengen? dan ben
ik ook gaarne tot uw dienst. Gij moet mij mijne ouderwetsche, misschien
lastige, beleefdheid vergeven. Toen ik geboren werd, hield men een
Schot voor gastvrij noch beleefd, als hij een gast éen oogenblik,
behalve des nachts, alleen liet; maar ik vertrouw, dat gij het mij vrij
zeggen zult, als ik u ongelegen kom.”
„In geenen deele, Mijnheer Pleydell, ik geef mij gaarne aan uwe leiding
over. Ik zou met genoegen eenige uwer Schotsche redenaars hooren, die
uw vaderland door hunne uitstekende bekwaamheden zoo veel eer aandoen,
uwen Blair, uwen Robertson of uwen Henry. Ik neem uw aanbod van
ganscher harte aan. Maar,” vervolgde Mannering, den rechtsgeleerde ter
zijde trekkende en de oogen op Sampson slaande, „deze mijn waardige,
droomerige vriend is een weinig hulpeloos en afgetrokken; en Barnes,
zijn gewone geleider, kan hem hier niet goed vergezellen, te meer,
omdat de goede man eenige van uwe minder bekende en meer afgelegen
godsdienstige vergaderplaatsen wenscht te bezoeken.”
De heer Pleydell keek Sampson aan en zeide: „waarlijk een zeldzaamheid,
waardig, dat men er goed zorg voor draagt. Ik zal u een geschikten
bewaarder bezorgen. Hoor eens,” vervolgde hij tegen den knecht van de
herberg, „ga oogenblikkelijk naar Luckie Finlayson, waar Miles Macfin
zeker zijn zal, en zeg hem, dat ik hem wensch te spreken.”
De bedoelde persoon verscheen weldra.
„Ik zal uwen vriend aan de zorgen van dezen man toevertrouwen,” zei
Pleydell; „hij zal hem overal, waar hij verlangt te gaan, geleiden of
vergezellen, hetzij naar eene presbyteriaansche of eene bisschoppelijke
kerk, naar de markt of naar het gerechtshof, dat is volkomen hetzelfde;
en hem, op ieder door u bepaald uur, veilig en behouden te huis
brengen, zoo dat Barnes zich niet om den heer Sampson behoeft te
bekommeren.”
Men werd het spoedig over de voorwaarden eens en Mannering nam,
gedurende zijn verblijf in Edinburg, den man in zijn dienst, om den
goeden dominé tot geleider te dienen.
„En nu, Mijnheer,” hernam Pleydell, „laat ons nu naar de
Grauwebroederenkerk gaan, om onzen geschiedschrijver van Schotland, van
het Vaste Land en van Amerika, te hooren.”
In deze verwachting werden zij bedrogen. Hij preekte dien morgen niet.
„Laat u dit niet hinderen,” zei Pleydell; „heb slechts een oogenblik
geduld; wij zullen, denk ik, toch wel voldaan worden.”
De ambtsbroeder van Robertson verscheen op den kansel [17]. Zijn
uiterlijk was geenszins innemend. Hij was bijzonder tenger van gestalte
en eene koolzwarte, ongepoederde pruik, welke zijn hoofd bedekte, stak
zeldzaam af bij de bleekheid van zijn gelaat. Hij stond in eene gebogen
houding en scheen zijne handen, welke hij onafgebroken op den rand van
den preekstoel liet rusten, eer tot ondersteuning van zijn zwak lichaam
noodig te hebben, dan tot het maken van gebaren te zullen gebruiken.
Hij droeg geen tabbaard of mantel; niets, dan eene verkreukte bef,
toonde zijnen geestelijken stand aan. Zijne geheele eenvoudige kleeding
en stijve, gedwongene gebaren moesten een vreemdeling sterk in het oog
vallen.
Dit was ook het geval bij Mannering, die zijnen vriend al spoedig
influisterde: „uw predikant heeft in het geheel geen gunstig
voorkomen.”
„Bekommer u daar niet om,” hernam Pleydell. „Hij is de zoon van een
beroemden Schotschen rechtsgeleerde. Hij zal zijn vader geene schande
aandoen, en toonen dat hij vol vuur is. Ik sta voor hem in.”
Pleydell’s voorspelling werd bewaarheid. Eene leerrede vol nieuwe,
treffende en onderhoudende beschouwingen van de Heilige schrift, en
waarin het Calvinisme der kerk van Schotland op eene bekwame wijze
voorgestaan werd, diende ten grondslag van een gezond stelsel van
practische zedekunde, dat den zondaar even weinig aan de slingerende
golven van ongeloof of afzondering van de ware kerk overliet, als hem
toestond, zich onder den mantel van bespiegelend geloof, of bijzondere
gevoelens te verschuilen. Een eenigszins verouderde vorm in den stijl
diende slechts, om dezen eigenaardig en kernachtig te maken. De leeraar
had zijn opstel niet schriftelijk uitgewerkt, maar enkel de hoofdpunten
op een klein stukje papier opgeteekend. De voordracht scheen in het
eerst gebrekkig en verward te zijn, maar werd, naarmate de spreker in
vuur geraakte, levendig en duidelijk; zoo dat Mannering, ofschoon deze
leerrede niet voor een volmaakt voorbeeld van kanselwelsprekendheid
gelden kon, bekennen moest, zelden eene godsdienstoefening bijgewoond
te hebben, waarin de leeraar zoo veel geleerdheid, schranderheid,
kracht en nadruk bij de behandeling van zijn onderwerp ten toon
spreidde.
„Zoo,” zeide hij, bij het uitgaan der kerk, „moeten de leeraren geweest
zijn, aan wier onverschrokken gemoed en groote, ofschoon soms ruw
aangewende bekwaamheden wij de hervorming te danken hebben.”
„En toch,” hernam Pleydell, „heeft deze eerwaarde heer, dien ik zoo wel
om hem zelven als om zijns vaders wil bemin, niets van de norsche of
schijnheilige trotschheid, welke sommigen der eerste Calvinistische
kerkvaders in Schotland wel eens te last gelegd is. Zijn ambtsbroeder
en hij staan aan het hoofd van verschillende partijen in de kerk, en
zijn niet eensgezind omtrent bijzondere punten van de kerkelijke tucht:
maar zij verliezen daarom geen oogenblik de persoonlijke achting voor
elkander uit het oog, en dulden geenszins dat zich boosaardigheid menge
in dit verschil, dat zij van weerskanten standvastig en gemoedelijk
volhouden.”
„En hoe denkt gij omtrent hunne verschilpunten, Mijnheer Pleydell?”
„Wel, ik denk, kolonel, dat een eenvoudig en eerlijk man zalig kan
worden zonder zich dáarover te bekommeren. Bovendien ben ik, onder ons
gezegd, een lid van de lijdende episcopale kerk van Schotland, –
tegenwoordig (en dit is gelukkig) slechts de schaduw van eene schaduw;
– maar ik bid gaarne, waar mijne vaderen vóór mij gebeden hebben,
zonder juist ongunstig over de presbyteriaansche vormen te denken,
omdat zij hetzelfde gevoel niet bij mij opwekken.”
Na dit gesprek nam Mannering afscheid van zijn vriend, met belofte om
op het bepaalde uur het middagmaal bij hem te komen gebruiken.
Na alles wat Mannering van de woning van den rechtsgeleerde gezien had,
kon hij niet dan zeer matige verwachtingen koesteren van het onthaal
dat hem wachtte. Het straatje, waarin het huis stond, scheen bij dag
nog somberder, dan den vorigen avond. Het was zoo nauw, dat de bewoners
der tegenover elkander staande huizen elkaâr de hand bijna konden
reiken, en hier en daar was de tusschenruimte door houten galerijen
geheel betimmerd. De trap van het huis was niet behoorlijk gereinigd
en, bij het binnentreden, verwonderde Mannering zich niet weinig over
den ellendigen, smallen gang. De bibliotheek, waarin hij door een
deftigen ouden bediende gebracht werd, leverde nochtans een tegenbeeld
op van hetgeen hij tot hiertoe gezien had. Het was eene fraaie kamer,
versierd met de portretten van eenige beroemde Schotsche geleerden door
Jamieson, den Caledonischen Van Dijk, en rijkelijk met boeken, de beste
schrijvers, voorzien.
„Deze,” zeide Pleydell, „zijn mijne ambachtsgereedschappen. Een
rechtsgeleerde, onbedreven in de geschiedenis en letterkunde, is niet
meer dan een handwerksman, een gewone metselaar; indien hij echter ook
hierin bedreven is, kan hij zich een’ bouwmeester noemen.”
Bovenal werd Mannering aangenaam verrast door het uitzicht uit de
vensters, Hier genoot hij in volle mate het heerlijke gezicht op de
streek tusschen Edinburg en de zee, de zeeëngte van Forth met hare
eilanden, de baai, door het grondgebied van Noord-Berwick omzoomd, en
noordwaarts de golvende, heuvelachtige oevers van Fife, die den
helderen blauwen gezichteinder insloten.
Nadat de heer Pleydell eenigen tijd van de verwondering van zijn gast
genoten had, begon hij over de zaak van Lucie Bertram te spreken. „Ik
koesterde een flauwe hoop,” zeide hij, „dat ik middelen vinden zou, om
haar onbetwistbaar recht op de goederen van Singleside te bewijzen;
maar alle mijne pogingen zijn te vergeefsch geweest. De oude dame was
zeker onbepaalde eigenares van hare goederen, en kon er dus met volle
recht over beschikken. Er blijft ons dus niets over, dan de hoop, dat
geen booze geest haar verleid moge hebben, om hare eerste zoo zeer
gepaste beschikking te veranderen. Gij moet de begrafenis der oude dame
morgen bijwonen. Gij zult hiertoe genoodigd worden, daar ik haren
zaakgelastigde van uwe tegenwoordigheid, als gevolmachtigde van
Juffrouw Bertram, onderricht heb. Vervolgens zal ik mij aan het huis
der overledene weder bij u vervoegen, om toe te zien, dat alles bij de
opening van het testament behoorlijk toegaat. De oude dame had een jong
meisje bij zich inwonen, eene wees en verre bloedverwante van haar, die
zij bijna als eene slavin behandelde. Ik hoop, dat zij gemoedelijk
genoeg geweest is, om het arme meisje, ter vergoeding van de harde
slavernij, die zij gedurende haar leven heeft moeten verduren, een
onafhankelijk bestaan te verzekeren.”
Thans verschenen er nog eenige andere gasten, opgeruimde, zeer
beschaafde mannen, in wier gezelschap Mannering den avond zeer
aangenaam doorbracht. Tegen acht uur ’s avonds kwam ook weder een fijne
flesch op tafel, die de kolonel Mannering moest helpen ledigen. Toen
hij weder in zijn logement kwam, vond hij eene uitnoodiging, om de
lijkplechtigheid van wijlen Mejuffrouw Margaretha Bertram van
Singleside, die den volgenden middag op het Grauwe broeder-kerkhof
begraven zoude worden, bij te wonen.
Op het bepaalde uur begaf Mannering zich naar een klein huis in de
zuidelijke voorstad, waar, volgens Schotsch gebruik, twee treurige
gestalten met lange zwarte mantels, witte linten om den hoed en lange
stokken met treurwimpels in de hand, het sterfhuis aanduidden. Door
twee andere bidders die, naar hun gelaat te oordeelen, onder een zware
ramp gebukt gingen, werd hij in de eetzaal van de overledene gebracht,
waar het gezelschap vergaderd was.
In Schotland is de thans in Engeland afgeschafte gewoonte, om de
bloedverwanten tot de begrafenis te noodigen, nog algemeen in gebruik.
In vele gevallen is dit zeer treffend, maar ontaardt soms in eene
bloote stijve plechtigheid, als de overledene het ongeluk gehad heeft,
onbemind te leven en onbetreurd te sterven. In Engeland zou in zulke
gevallen de lijkdienst, eene der schoonste en treffendste plechtigheden
van de kerk, de aandacht der aanwezenden boeien en hunne gemoederen tot
godsdienstigen ernst stemmen; maar in Schotland kan niets, wanneer geen
diep gevoel de aanwezenden bezielt, dit gebrek vergoeden en den geest
verheffen; zoodat bij het voor de treurige plechtigheid vergaderde
gezelschap de dwang eener lastige gewoonte maar al te dikwijls en te
zichtbaar in eene geveinsde droefheid doorstraalt. Ongelukkig was
juffrouw Margaretha Bertram niet algemeen bemind geweest. Zij had geene
naastbestaanden, die uit natuurlijke genegenheid om haar zouden
treuren, zoo dat men bij hare begrafenis niets dan den uiterlijken
schijn van droefheid zag.
Mannering, die midden in dit treurige gezelschap van neven in den
derden, vierden, vijfden en zesden graad stond, gaf zijn gelaat den
behoorlijken ernstigen plooi, welken hij bij alle aanwezenden bemerkte,
en zag even treurig om juffrouw Margaretha Bertram, als of de
overledene vrouwe van Singleside zijne eigene zuster of moeder geweest
ware.
Na eene lange plechtige stilte begonnen sommigen der aanwezenden met
elkander te spreken, maar zoo zacht, als of zij zich in de kamer van
een stervende bevonden.
„Onze arme vriendin,” zeide een deftig heer, fluisterende en nauwelijks
den mond openende, uit vrees, dat hij den ernstigen plooi uit zijn
gelaat zou verliezen – „onze arme vriendin, die wij nu zullen begraven,
bezat een vermogen dat vrij aanzienlijk mag genoemd worden.”
„Zonder twijfel,” antwoordde de heer, tot wien deze woorden gericht
waren, met half geslotene oogen; „Mejuffrouw Margaretha was niets
minder dan onverschillig omtrent de goederen dezer aarde.”
„Is er heden iets nieuws, kolonel Mannering?” vroeg éen der heeren, met
wien hij den vorigen dag gegeten had, doch op zulk een ernstigen toon,
als of hij den dood van zijn geheel geslacht bekend maakte.
„Niets bijzonders, Mijnheer,” antwoordde Mannering op denzelfden
plechtigen toon, die, zoo als hij ontwaarde, in het huis der rouwe in
acht genomen moest worden.
„Ik hoor,” vervolgde de eerste spreker met nadruk, alsof hij zekere
berichten had – „ik hoor, dat er een testament is” –
„En wat krijgt de kleine Jenny Gibson?”
„Honderd pond sterling en het oude repetitie-horologie.”
„Dat is zeer weinig. Het arme meisje heeft daarvoor veel van de oude
dame moeten verduren. Maar op eens anders rijkdom wachten tot na diens
dood, is een treurig beroep.”
„Ik vrees,” zei een staatkundige, die bij Mannering stond, „dat wij met
uw ouden vriend Tippoo Saïb nog niet afgedaan hebben; ik verbeeld me,
dat hij de Compagnie nog meer te doen zal geven, en ik hoor (maar gij
zult het wel weten), dat de Oost-Indische fondsen niet rijzen.”
„Ik vertrouw, dat dit echter spoedig gebeuren zal.”
„Juffrouw Margaretha” hernam een ander, zich in het gesprek mengende
„bezat eenige Indische papieren. Ik weet dit, omdat ik de renten voor
haar ontving. De raad van den kolonel, wanneer en hoe men deze papieren
op de beste wijze te gelde kan maken, zou zoowel voor de executeuren en
de belanghebbenden wenschelijk zijn. Ik voor mij denk – Maar daar is
Mijnheer Mortcloke, om ons te zeggen, dat de lijkstaatsie zich op weg
moet begeven.”
De heer Mortcloke, de bezorger der begrafenis, deelde dientengevolge
met een treurig, ernstig gelaat, dat bij zijn beroep paste, kaartjes
uit onder de dragers van de slippen, om ieder zijne plaats naast de
doodkist aan te wijzen. Daar de voorrang hierbij verondersteld wordt
naar der meerderen of minderen graad van bloedverwantschap geregeld te
worden, kon de arme man, hoe ervaren ook in deze treurige
plechtigheden, toch niet vermijden, eenigen aanstoot te geven. Ieder
der aanwezige nabestaanden was hier, waar bloedverwantschap aanspraak
op de landerijen van Singleside gaf, bijzonder ijverzuchtig op den
naasten graad dezer betrekking. Hier en daar hoorde men een zacht
gemor, en onze vriend Dinmont, die zijn misnoegen niet onderdrukken
noch den bij deze plechtigheid passenden toon vatten kon, gaf niet
weinig ergernis.
„Mij dunkt, gij hadt mij ten minste wel een been te dragen kunnen
geven,” riep hij op veel luider toon uit, dan hier geoorloofd was. „Ja,
als het niet om de erfenis ware, zou ik haar, hoe vele aanzienlijken
hier ook zijn, wel alleen hebben kunnen dragen.”
Donkere en bestraffende blikken werden van alle kanten gevestigd op den
onverschrokken landman, die, nadat bij aan zijn misnoegen lucht had
gegeven, met het overige gezelschap den trap afklom, zonder zich in het
minst te storen aan de aanmerkingen van hen, die zich door zijne
woorden beleedigd achtten.
Hierop zette de lijkstaatsie zich in beweging. Vooraan mannen met hunne
staven en witte lamfers, ter eere van den onbevlekten maagdelijken naam
van Mejuffrouw Margaretha Bertram; hierachter zes doodmagere paarden,
zelve ware zinnebeelden der sterfelijkheid, met rouwkleeden en veeren
versierd, die de lijkkoets met de met rouwfloers behangen wapenschilden
langzaam naar de begraafplaats sleepten, voorafgegaan door Jamie Duff,
een krankzinnige, die, versierd met opslagen en eene das van wit
papier, elke lijkstaatsie vergezelde, en gevolgd door zes rouwkoetsen
met de ter begrafenis genoodigden. Velen hunner vierden hun praatlust
thans den vrijen teugel en spraken zonder terughouding over het bedrag
van de nalatenschap en de waarschijnlijke erfgenamen. Zij, die de
gegrondste hoop op de nalatenschap koesterden, zwegen echter
voorzichtig, daar zij geene verwachtingen wilden laten blijken, welke
misschien te leur gesteld zouden worden; en de executeur, of
zaakgelastigde, die alleen met zekerheid wist hoe de zaken stonden,
toonde een geheimzinnig, gewichtig gelaat, alsof hij besloten had, de
angstige verwachting zoo lang mogelijk gespannen te houden.
Eindelijk kwam de trein bij de poort van het kerkhof en ging vervolgens
onder het aangapen van eene menigte ledigloopende vrouwen met kinderen
op den arm, en een niet kleiner aantal straatjongens, die schreeuwende
en springende naast den deftigen optocht liepen, naar de begraafplaats
van de familie Singleside. Dit was eene omheinde vierkante plaats, aan
de eene zijde door een ouden engel bewaakt, die, wel is waar, zijn neus
en éenen vleugel verloren, maar nochtans gedurende een eeuw zijne post
roemrijk behouden had, terwijl zijn makker, die op het tegenoverstaande
voetstuk op schildwacht gestaan had, gebroken tusschen de
doornstruiken, dolle kervel en brandnetels lag, die welig op de
grafplaats tierden. Een met mos begroeid en beschadigd opschrift
onderrichtte den lezer, dat kapitein Andrew Bertram de eerste van
Singleside en afstammeling van het zeer oude en eerbiedwaardige
geslacht van Ellangowan, in het jaar 1650 dit gedenkteeken voor hem
zelven en zijne nakomelingen had laten oprichten. Een aanzienlijk
aantal zeissen, zandloopers, doodshoofden en kruiselings over elkander
liggende doodsbeenderen omringden het volgende opschrift ter
gedachtenis van den stichter dezer begraafplaats:
„Nathaniëls hart, Bezaleëls hand –
Had iemand ooit deze gaven;
Dan zeg ik ronduit, dat hij ze bezat,
Die in dit bed ligt begraven.”
Hier werd het stoffelijke overschot van Juffrouw Margaretha Bertram bij
de vermolmde beenderen harer voorvaderen neergelegd; en, even als
soldaten, die gewoonlijk met versnelden pas van eene militaire
begrafenis terugkeeren, spoorden nu de naaste bloedverwanten, die
belang bij het testament van de overledene hadden, de huurkoetsiers tot
den meest mogelijken spoed aan, ten einde van hunne onzekerheid omtrent
dit gewichtig punt verlost te worden.