ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Schenk me een beker vol sek-wijn om mij het

bloed voor de oogen te jagen. – Ik moet me

driftig houden en zal spreken in den trant

van Koning Cambyses.

Hendrik IV. 1ste dl.

Mannering zette met Sampson zijn reis naar Edinburg met allen spoed

voort. Zij begaven zich met het rijtuig van den kolonel op weg, daar

deze, de onbegrijpelijke afgetrokkenheid van zijn reismakker kennende,

hem volstrekt niet te paard vertrouwde. Hij vreesde, dat het den een of

anderen schalkschen staljongen maar al te licht gelukken zou, den

braven Sampson met het gezicht naar achteren op het paard te doen

stijgen. Met behulp van zijn knecht, die hen te paard vergezelde,

bracht hij dan Sampson gelukkig in eene herberg te Edinburg, nadat hij

tweemaal gevaar geloopen had, den goeden man onderweg te verliezen. De

eerste maal vond Barnes, de bediende van den kolonel, die Sampson’s

grillen kende, hem weder, terwijl hij met een schoolmeester te Moffat

in eene ernstige woordenwisseling gewikkeld was over een vers uit eene

ode van Horatius. De tweede maal ontsnapte hij, om het slagveld van

Rullion-green, eene voor den ijverigen Presbyteriaan merkwaardige

plaats, te bezichtigen. Hij steeg namelijk voor een oogenblik uit het

rijtuig, ontdekte op omstreeks een kwartier afstands het gedenkteeken

voor de gesneuvelden en sloeg nu, zijn vriend en reisgenoot weder

geheelenal vergetende, den weg naar de heuvels van Pentland in, waarop

hij door Barnes weder ingehaald werd. Toen deze hem herinnerde dat

Mannering op hem wachtte, antwoordde hij als gewoonlijk: „Ver–ba–zend!

– Ik was het geheel vergeten!” en keerde ijlings terug. Barnes

verwonderde zich over het geduld van zijn meester bij deze beide

gelegenheden, daar hij bij ondervinding wist, dat deze volstrekt geene

nalatigheid of dralen kon dulden: maar Sampson was bij den kolonel een

in alle opzichten boven anderen bevoorrecht wezen. Zij waren elkander

nooit in den weg en schenen tot tochtgenooten op den levensweg voor

elkander geschapen te zijn. Als Mannering het een of ander boek noodig

had, kon Sampson het oogenblikkelijk halen; had hij rekeningen in orde

te brengen, de goede man was steeds met zijne hulp gereed; wenschte de

kolonel de eene of andere plaats uit een’ der klassieke schrijvers te

weten, dan kon hij den dominé als een levend woordenboek gebruiken; en

bij dit alles matigde dit wandelende beeld zich niets aan, wanneer men

hem noodig had, noch was hij erg verdrietig, als men zich in het geheel

niet om hem bekommerde. Voor zulk een trotsch, terughoudend en stil man

als Mannering in vele opzichten was, bezat deze levendige boekenlijst

al de deugden van een geleerden stommeknecht.

Zoodra zij te Edinburg aangekomen en in de herberg, „de koning George”

bij den Bristopoort, gehouden door den ouden Cockburn (ik houd van

nauwkeurigheid), afgestapt waren, liet de kolonel zich bij den heer

Pleydell, den rechtsgeleerde, aan wien hij door Mac-Morlan aanbevolen

was, brengen en beval zijn bediende Barnes intusschen een waakzaam oog

op Sampson te houden.

Destijds, tegen het einde van den Amerikaanschen oorlog, had men zich

in de hoofdstad van Schotland bij het bouwen der huizen nog maar zeer

weinig om gemak, fraaiheid en behoorlijke ruimte bekommerd. Aan de

zuidzijde van de stad waren er slechts weinige huizen verbeterd, en van

de nieuwe stad, aan den noordkant, die naderhand zoo uitgestrekt

geworden is, waren de eerste beginselen juist aanwezig. Maar de meeste

aanzienlijke lieden en voornamelijk de rechtsgeleerden, woonden nog in

de donkere holen der oude stad. Ook de levenswijze en manieren van

sommige oude rechtsgeleerden hadden nok geene verandering ondergaan.

Eenige der beroemdste advokaten ontvingen hunne cliënten nog steeds in

wijnhuizen, zoo als vijftig jaren vroeger algemeen in gebruik was; en

ofschoon dit gebruik door de jongere rechtsgeleerden als ouderwetsch

uitgekreten werd, bleef de gewoonte, om wijn en vroolijkheid met

ernstige zaken te verbinden, nog bij die meer bejaarden, die gaarne den

ouden weg bewandelden, hetzij omdat het de oude weg was, hetzij omdat

zij er te veel aan gewoon waren, om een ander pad in te slaan. Tot deze

vereerders van den ouden tijd, die halstarrig bij de vroegere gewoonten

bleven, behoorde ook de heer Paulus Pleydell, overigens een geleerd

man, een uitmuntend rechtsgeleerde en een rechtschapen mensch.

Nadat Mannering met zijn geleider een paar donkere steegjes doorgegaan

was, bereikten zij de Hoogstraat, welke, daar het zoo even acht uren

geslagen had, van het geschreeuw van oestersverkoopsters en het

schellen van pasteiverkoopers weergalmde.

Het was lang geleden, sedert Mannering de hoofdstraat van eene

volkrijke hoofdstad bezocht had, welke, met het geschreeuw, geraas en

gewoel van handel, van vroolijkheid en ongebondenheid, de vele lichten

en de onophoudelijke afwisseling van honderden van menschen, vooral bij

avond een tooneel oplevert, dat ofschoon uit weinig merkwaardige

bijzonderheden samengesteld, wanneer deze op zich zelve beschouwd

worden, nochtans door hare vereeniging een treffenden en diepen indruk

op de verbeelding maakt. De buitengewone hoogte der huizen ontdekte men

door de lichten, die onregelmatig langs de gevels schemerden en zoo

hoog zichtbaar waren, dat ze bijna in de wolken schenen te flikkeren.

Dit gezicht, dat nog gedeeltelijk bestaat, was destijds veel

treffender, door de onafgebroken rij van gebouwen aan iedere zijde,

welke enkel door de Noorderbrug, die aan deze straat ligt, afgebroken,

een heerlijk en regelmatig plein vormden, dat zich van de Luckenbooths

tot aan de Canongate uitgestrekte en in lengte en breedte met de

buitengewone hoogte der omringende gebouwen overeenstemde.

Mannering had niet veel tijd, om te zien en te bewonderen. Zijn

geleider dreef hem onophoudelijk voort en sloeg plotseling een zeer

steil oploopend straatje in, waar zij weldra aan het door den heer

Pleydell bewoonde huis kwamen. Toen zij hier reeds een vrij hoogen

trap, welke zich in geen’ besten toestand bevond, opgeklommen waren,

vernamen zij, nog twee verdiepingen hooger, het woedend geblaf van een

hond, het schreeuwen van eene vrouw, het angstige gemauw van eene kat,

die door den hond aangevallen werd, en daartusschen een ruwe

mannenstem, die op gebiedenden toon riep: „Hier Mosterd! hier, hond!

stil toch!”

„De hemel beware ons!” riep de vrouwenstem; „als hij onze kat

mishandeld had, zou Mijnheer Pleydell mij het nooit vergeven hebben.”

„Stil maar, kind! hij heeft de kat immers geen kwaad gedaan, – Hij is

dus niet te huis, zegt gij?”

„Neen, Mijnheer Pleydell is Zaterdagsavonds nooit te huis.”

„En morgen is het Zondag,” hernam de vrager; „dan weet ik niet, wat ik

doen moet.”

Intusschen kwam Mannering boven en vond een forschen landman, gekleed

in een grijzen rok met groote metalen knoopen, met glimmenden hoed en

laarzen, en eene groote zweep onder den arm, in gesprek met een

dienstmeisje, dat in de eene hand het slot van de deur hield en in de

andere een emmertje met witkalk, dat in Edinburg den Zaterdag avond

aanduidt.

„Mijnheer Pleydell is dus niet te huis, meisje?” zeide Mannering.

„Neen, Mijnheer! hij is niet te huis: des Zaterdags is hij aftijd uit.”

„Maar ik ben een vreemdeling, kindlief, en heb dringende zaken. Kunt

gij mij niet zeggen, waar ik uw meester vinden kan?”

„Mijnheer Pleydell zal thans zeker bij Clerihugh zijn,” hernam zijn

geleider. „Dat had ik u wel dadelijk kunnen zeggen; maar ik dacht, dat

gij zijn huis wildet zien.”

„Breng mij dan naar die herberg. Ik denk toch wel, dat hij mij zal

willen spreken, daar ik gewichtige zaken met hem te doen heb.”

„Daar wil ik niet voor instaan,” hervatte het dienstmeisje; „des

Zaterdags bemoeit hij zich niet gaarne met zaken: – maar hij is ook

altijd beleefd jegens vreemdelingen.”

„Ik ga mede naar de herberg,” zeide Dinmont. „Ik ben ook een

vreemdeling en heb ook zaken van gewicht.”

„Wel nu,” hernam het meisje, „als hij dien heer spreken wil, zal hij u,

burgerman, misschien ook wel te woord staan. Maar zeg in ’s hemels naam

niet, dat ik u bij hem gezonden heb.”

„Ja, een eenvoudig en gering man ben ik, dat is waar; maar ik verlang

van niemand iets zonder betaling,” hernam de pachter, in het gevoel van

zijne eigene waarde, en ging den trap af. Mannering, die hem met zijnen

geleider volgde, moest den vasten tred bewonderen, waarmede de

vreemdeling, die vóor hen uit ging, door de menigte drong, terwijl hij,

enkel door zijne buitengemeene kracht en zwaarte, nuchteren en

dronkenen op zijde schoof.

„Dat is een rechte stormlooper,” zei de leidsman van den kolonel; „hij

wil steeds midden door de straat: maar hij zal niet ver loopen, zonder

iemand te vinden, die hem de tanden laat zien.”

Deze voorspelling werd evenwel niet vervuld. Zij, die door Dinmont uit

den weg gedrongen werden, hielden hem, na een blik op den grooten en

gespierden man, waarschijnlijk voor eene te geduchte tegenpartij, om

hem onbezonnen aan te pakken, en lieten hem ongemoeid verder gaan.

Mannering volgde zonder moeite het door den pachter gebaande spoor.

Eindelijk bleef deze staan en vroeg hun leidsman: „dit is zeker de

naaste weg, niet waar, vriend?”

„Ja, ja,” antwoordde Donald „dat is de naaste weg.”

Dinmont vervolgde nu weder zijn weg, sloeg een nauw, donker straatje

in, klom een duisteren trap op en trad de opene huisdeur binnen.

Terwijl hij om den oppasser floot, even als of hij een’ van zijne

honden riep, keek Mannering in het rond en kon nauwelijks begrijpen,

dat een geleerd en beschaafd man het gezellige genoegen in zulk een

ellendig, half vervallen huis zou zoeken. In den gang, waarin zij

stonden, was een venster, dat in het straatje uitzag en slechts weinig

licht gaf, maar allerlei akelige geuren, – vooral tegen den avond, –

doorliet. Hier tegenover was een tweede venster, waardoor de keuken,

welke geene onmiddellijke gemeenschap met de buitenlucht had, al het

licht, voorzeker niet meer dan eene donkere schemering, ontving. Thans

was, door de ontzaggelijke vuren, het inwendige van de keuken zichtbaar

– eene soort van pandaemonium, waar half gekleede mannen en vrouwen met

bakken en braden van oesters bezig waren, terwijl de vrouw des huizes,

als heerscheres in dit rijk der duisternis en des vuurs, met

neergetrapte schoenen en vliegende haren, die haar als eene Maegera

onder eene ronde muts uit hingen, zich aftobde, keef, bevelen ontving,

gaf en volvoerde.

Een luid en herhaald gelach, dat van alle kanten door het huis klonk,

bewees, dat haar arbeid door een grootmoedig publiek met goedkeuring

beloond werd. Niet zonder moeite liet zich eindelijk een knecht

overhalen, om den kolonel en Dinmont het vertrek aan te wijzen, waar

hun rechtsgeleerde vriend zijn wekelijksch feest vierde. Het tooneel,

dat de beide vreemdelingen hier zagen, en wel voornamelijk de toestand

van den rechtsgeleerde, de hoofdpersonaadje daarvan, was uiterst

verrassend.

De heer Pleydell was een levendig mensch met een schrander gelaat, met

eene rechtsgeleerde scherpzinnigheid in het oog en dezelfde soort van

deftigheid in zijne manieren. Dit alles legde hij echter, even als

zijne staartpruik en zwarten rok, des Zaterdags avonds af, als hij zich

in het gezelschap van vroolijke vrienden vermaakte en, zoo als hij het

noemde „zich een pretje gunde.” Het dolle gezelschap was reeds sedert

vier uur bij elkander en vermaakte zich nu, onder de leiding van een

eerwaardig medelid, dat sedert drie geslachten aan deze feesten deel

genomen had, met het oude, thans vergetene gezelschapsspel „High Jinks”

[15], genoemd. Dit spel werd op verscheidene wijzen gespeeld.

Gewoonlijk wierp het gezelschap met dobbelsteenen, en dan waren zij,

die het lot trof, verplicht, zekere hun toegedeelde rol te spelen en

een tijd lang vol te houden, of een aantal verzen, in eene bepaalde

orde, op te zeggen. Wie zijn aangenomen karakter niet getrouw, of in

het opzeggen der verzen steken bleef, moest straf ondergaan, welke

gewoonlijk bestond in het ledigen van een vollen beker, of het betalen

van eene kleinigheid voor de rekening.

Toen Mannering binnentrad, was het vroolijke gezelschap geheel in dit

spel verdiept. De heer Pleydell, wien de rol van koning opgelegd was,

zat, in plaats van op een troon, in een leuningstoel boven op de tafel.

Zijne pruik zat hem scheef op het hoofd, dat met een flesschenblaadje,

in plaats van een kroon prijkte, en zijne oogen schitterden van

opgewondenheid en wijn, terwijl het hem omringende hof zich met het

maken en opzeggen van kreupele verzen, als het volgende, bezig hield: –

„Waar is Gerunto nu? waar is hij toch gebleven?

Gerunto zwom niet goed, hij moest in ’t water sneven.”

Dit, o Themis! waren oudtijds de vermaken van uwe Schotsche

volgelingen!

Dinmont trad het eerste in het vertrek. Hij stond eenige oogenblikken

verstomd en riep vervolgens uit: „Hij is het, ja zeker, hij is het! Zoo

iets heb ik mijn leven niet gezien!”

Op de woorden: „De heer Dinmont en de kolonel Mannering wenschen u te

spreken, Mijnheer Pleydell!” keek deze om en bloosde eventjes, toen hij

de edele gestalte van den Engelschen vreemdeling ontwaarde. Hij dacht

evenwel met Falstaff: „Voortgegaan, gij deugnieten! het spel

uitgespeeld!” en hield het met recht voor het best, volstrekt geene

verlegenheid te laten blijken. „Waar is onze lijfwacht?” riep deze

tweede Justinianus uit; „ziet gij dezen vreemden ridder niet, die uit

verre landen komt, om ons hof te Holyrood te bezoeken, benevens onze

wakkeren Andreas Dinmont, opzichter over onze koninklijke kudden in het

bosch van Jedwood, waar ze, dank zij onze koninklijke zorg voor de

handhaving der gerechtigheid, gerust en veilig weiden. Waar zijn onze

herauten, onze statenboden, onze Lyon, onze Marchmount, onze Carrick en

onze Snowdon? Dat de vreemdelingen zich aan onze tafel nederzetten en

onthaald worden, zoo als hun rang en dezen hoogen feestdag betaamt.

Morgen zullen wij hun gehoor verleenen.”

„Met uw verlof Sire! morgen is het Zondag;” zei een van het gezelschap.

„Zondag? wij willen de kerk geene ergernis geven – dan zullen wij hun

Maandag gehoor verleenen.”

Mannering, die in het begin het niet met zich zelven eens was of hij

naderen of terugkeeren zou, besloot voor het oogenblik in dezen

luimigen toon mede in te stemmen, ofschoon hij inwendig boos was op

Mac-Morlan, dat hij hem dezen dollen zonderling als raadsman aanbevolen

had. Hij naderde hem met drie diepe buigingen en verzocht verlof, om

zijne geloofsbrieven aan de voeten van den Schotschen vorst neder te

leggen, opdat Zijne Majesteit ze ter gelegener tijd onderzoeken kon. De

deftigheid, met welke hij het spel medespeelde, en de diepe en nederige

buiging, waarmede hij een, hem door den ceremoniemeester aangeboden,

stoel eerst weigerde en vervolgens aannam, werden met een driemaal

herhaald handgeklap toegejuicht.

„De duivel hale mij, als zij niet allen dol, of gek zijn,” zeide

Dinmont en zettede zich, zonder vele komplimenten, op een stoel onder

aan de tafel neder; „of zij vieren den kerstijd te vroeg en houden

maskerade.”

Een groot glas wijn werd Mannering aangeboden, die het op de gezondheid

van den regeerenden koning uitdronk. „Gij zijt, vermoed ik,” hernam de

vorst hierop, „de beroemde ridder Miles Mannering, zoo vermaard in de

oorlogen met Frankrijk, en kunt ons dus zonder twijfel zeggen, of de

wijnen van Gasconje in ons noordelijk gebied iets van hun geur of smaak

verliezen.”

Mannering, die het vleiende van deze zinspeling op zijn beroemden

voorvader gevoelde, antwoordde, dat hij slechts een verre bloedverwant

van dien dapperen ridder was, en voegde er bij, dat de wijn, naar zijn

gevoelen, voortreffelijk was.

„Voor mijne maag is hij te koud,” zei Dinmont en zette het glas (maar

leeg) neder.

„Dat zullen wij verbeteren,” hernam koning Paulus, de eerste van dien

naam. „Wij hebben niet vergeten, dat de kille, vochtige lucht in ons

Liddesdal krachtiger drank eischt. Hofmeester! geef onzen getrouwen

pachter een beker brandewijn; dat zal beter voor hem wezen.”

„En nu,” zeide Mannering, „ofschoon wij Uwe Majesteit in een uur van

vroolijke uitspanning onbedachtzaam gestoord hebben, zoo behage het

Hoogstdezelve nochtans te bepalen, wanneer een vreemdeling op gehoor

mag hopen, om de gewichtige zaken, welke hem in uwe noordelijke

hoofdstad brengen, voor Uwe Majesteit te openbaren.”

De koning brak Mac-Morlans brief open en riep, nadat hij hem vluchtig

gelezen had, met zijne natuurlijke stem en op zijnen gewonen toon uit:

„Lucie Bertram van Ellangowan, dat arme, lieve meisje!”

„Boete, boete!” riepen eensklaps een dozijn stemmen; „Zijne Majesteit

heeft zijn koninklijk karakter vergeten.”

„Geenszins! geenszins!” hernam de koning. „Deze edele ridder zij mijn

rechter! Mag een vorst geen meisje uit eenen minderen stand beminnen?

Is de geschiedenis van koning Cophetua en het bedelaarsmeisje geen

voorbeeld, dat als antecedent kan dienen?”

„Rechtsgeleerde uitdrukkingen, rechtsgeleerde uitdrukkingen! – weder

boete!” riep de oproerige omgeving.

„Hadden onze koninklijke voorouders,” vervolgde de vorst, zijne stem

verheffende, om het geschreeuw der misnoegden te verdooven – „hadden

deze niet hunne Jean Logie, hunne Elizabeth Carmichaël en meer andere,

en zou het ons verboden zijn, een meisje, dat wij met onze gunst

vereeren, slechts te noemen? Neen! eer valle onze troon en ga onze

heerschappij te gronde! Als een tweede Karel V leggen wij de kroon

neder en zoeken in de afzondering van het burgerlijke leven die

genoegens, welke de troon ons weigert.”

Met deze woorden wierp hij zijne kroon weg, sprong vlugger dan men van

iemand van zijn leeftijd verwachten kon, van zijn verheven zetel, liet

in een ander vertrek licht, waschwater en thee brengen en wenkte

Mannering om hem te volgen. In minder dan twee minuten tijd, had hij

aangezicht en handen gewasschen, zijn pruik voor den spiegel te recht

gezet, en scheen, tot Mannering’s groote verwondering, een geheel ander

man, dan toen hij voor eenige oogenblikken, bij het vroolijke feest,

den rol van koning speelde. „Er zijn menschen, Mijnheer Mannering,”

zeide hij, „in wier bijzijn men zich behoort te wachten, dwaasheden te

begaan, omdat, zoo als een dichter ergens zegt, zij te veel

boosaardigheid of te weinig verstand hebben, om zoo iets te weten. Het

beste compliment, dat ik u kan maken, is te toonen dat ik mij niet

schaam, mij aan u bloot te geven; en waarlijk, mij dunkt, dat ik heden

avond reeds in ruime mate misbruik gemaakt heb van uwe goedheid. – Maar

wat wil onze wakkere landman?”

Dinmont, die Mannering in de kamer gevolgd was, maakte eene boersche

buiging, krabde zich achter het oor en zeide: „ik ben Dandie Dinmont

van Charlies-hope, uit het Liddesdal. Gij kent mij zeker nog wel. Gij

hebt voor mij dat groote rechtsgeding gewonnen.”

„Welk rechtsgeding, domkop? Denkt gij, dat ik mij alle dwazen

herinneren kan, die mij komen kwellen?”

„Wel, Mijnheer Pleydell! het pleidooi over het weiden op den top van

Langtae.”

„Ik herinner mij er niets meer van. Geef mij uwe papieren en kom

Maandag om tien uren bij mij.”

„Maar, Mijnheer, ik heb mijne zaak niet op het papier.”

„Hoe, niets op schrift?”

„Neen, Mijnheer Pleydell, niets op schrift. Zoo als gij u herinneren

zult, hebt gij mij voorheen gezegd, dat gij liever hadt, dat wij

berglieden u onze zaken mondeling voordroegen.”

„Verwenscht zij de tong, die dat gezegd heeft! Nu moeten mijne ooren er

voor boeten. Verhaal me in twee woorden, wat gij te zeggen hebt. Gij

ziet dat die heer staat te wachten.”

„Wel nu, als die heer het verkiest, mag hij zijne zaken eerst afdoen:

het is mij volkomen hetzelfde.”

„Hoe! begrijpt gij dan niet, lompert dat uwe zaken hem onverschillig

moeten zijn, maar dat hij zeker niet verkiezen zal uwe groote ooren met

de zijne te vergasten?”

„Best, Mijnheer! zoo als het u en hem belieft,” zei Dinmont, volstrekt

niet uit het veld geslagen door de onbeleefde ontvangst. „Zie hier

mijne zaak. Het is weer het oude lied over de grenzen van ons land

tusschen Jaap van Dawstoncleugh en mij. Achter de Promoragrains, de

Slackenpoel en Bloodylaws, welke tot de Peel behooren, grenzen de

landerijen van Dawstoncleugh en Charlies-hope op den top van den

Touchoprigg, een vrij hoogen berg, aan elkander. Nu zeg ik, dat de

scheiding over den top van den berg loopt, waar wind en water scheiden;

maar Jaap van Dawstoncleugh spreekt dit tegen en houdt staande, dat ze

langs het oude voetpad naar Keeldarward gaat; en dit maakt een vrij

groot verschil.”

„En hoe groot is dat verschil wel, vriend? Hoe vele schapen kunt gij

wel dáar op weiden?”

„Niet veel; het ligt te hoog en te koud. Ik kan er één, en in goede

jaren misschien een paar zwijnen op weiden.”

„En om dat beetje gras, dat misschien een paar daalders in het jaar

waard is, wilt gij een paar honderd pond in de waagschaal stellen?”

„Neen, Mijnheer, niet om de waarde van het gras, maar om het goed

recht.”

„Vriend! de gerechtigheid behoorde even als de liefde, eerst met zich

zelve te beginnen. Doe recht aan uwe vrouw en kinderen, en denk niet

meer aan de geheele zaak.”

Dinmont draalde nog steeds en draaide den hoed in zijne handen rond,

„Het is daar niet om, Mijnheer! maar ik kan niet dulden, dat hij zoo

bluft. Hij beweert, dat hij wel meer dan twintig getuigen bijbrengen

kan; en ik ben zeker, dat er even veel zijn, die voor mij willen

opkomen, allen menschen, die van jongs af te Charlies-hope gewoond

hebben en die niet gaarne zouden zien, dat het landgoed zijn goed recht

verloor.”

„Het is dus eene zaak van eer; waarom trekken de heeren der

heerlijkheden zich de zaak niet aan?”

„Dat kan ik niet zeggen, Mijnheer!” antwoordde de pachter en krabde

zich achter het oor. „Er is in langen tijd geen twist over de

verkiezingen geweest en de heeren leven in vrede en vriendschap. Jaap

en ik kunnen hen, wat wij ook zeggen, over deze zaak niet tegen elkaâr

aan den gang krijgen. Maar dunkt u niet, dat wij de pacht inhouden

konden?”

„Neen! dat gaat in het geheel niet aan. Maar waarom neemt gij niet

ieder een goeden knuppel in de hand en doet de zaak met u beiden af?”

„Dat hebben wij reeds driemalen beproefd, Mijnheer, tweemalen op het

land en eens op de jaarmarkt te Lockerbye. Maar ik weet het niet, wij

zijn beiden even vlug met den stok en het kon niet voor goed uitgemaakt

worden.”

„Neem dan een paar houwers en doe, zoo als uwe voorouders deden en loop

dan naar den drommel!” zei de rechtsgeleerde.

„Gaarne, Mijnheer! indien gij denkt, dat het niet tegen de wet strijdt.

Het is mij hetzelfde.”

„Stil, stil! dat zou eene erge dwaling zijn. Ik bid u, vriend! versta

mij wel. Ik wil u stechts doen opmerken, met welk een dwaas en

kinderachtig rechtsgeding gij u wilt inlaten.”

„Zoo, zoo, Mijnheer! Gij wilt mijne zaak dus niet behandelen,” zei

Dinmont teleurgesteld.

„Ik? neen. Ga liever naar huis; drink het met uw buurman af en leg uw

geschil bij.” Dandie scheen maar half te vreden en bleef staan. „Hebt

gij nog iets te zeggen, vriend?”

„Ja nog iets, Mijnheer! over de nalatenschap van de dame, die gestorven

is, van de oude juffrouw Margaretha Bertram van Singleside.”

„Hoe, over die nalatenschap?” vroeg de rechtsgeleerde verwonderd.

„Ja. Wij staan in geen betrekking hoegenaamd tot de Bertrams; dat waren

bij ons vergeleken, voorname lieden. Maar Johanna Liltup is

huishoudster geweest bij den ouden Singleside en was de moeder van de

beide overledene dames – de laatste is, geloof ik, hoog bejaard

gestorven; – deze Johanna Liltup is afkomstig uit Liddelwater en was

eene achternicht van mijner moeders halfzuster. Zij heeft zich wel met

Singleside ingelaten, toen zij zijne huishoudster was, en dat was een

grievend harteleed voor hare geheele maagschap; maar hij heeft haar

naderhand wettig gehuwd – en nu wilde ik u vragen, of wij volgens de

wet ook eenige aanspraak op de erfenis hebben?”

„Geene hoegenaamd.”

„Best. Wij zijn daarom niet armer. Maar zij heeft misschien aan ons

gedacht, als zij een uitersten wil gemaakt heeft. – Nu, Mijnheer, ik

heb u alles gezegd, wat ik te zeggen had. Ik wensch u goeden avond, en”

– Bij deze woorden stak hij de hand in den zak.

„Neen, neen, vriend! des Zaterdagsavonds en van iemand, die niets

schriftelijks heeft, neem ik nooit geld aan. Ga maar heen, Dandie!”

Dandie maakte eene buiging en vertrok.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 49 / 75 题