„Gij zijt een van die menschen, die Gode niet
dienen wil op bevel van den Satan. – Omdat we
gekomen zijn ten einde u een dienst te
bewijzen, houdt ge ons voor schurken.
Othello.
Toen Glossin weder te huis kwam, vond hij, onder andere gedurende zijne
afwezigheid ontvangen papieren, een brief van bijzonder veel gewicht.
Het schrijven was door den heer Protocol, een rechtsgeleerde te
Edinburg, onderteekend en aan hem, als zaakwaarnemer van wijlen den
heer Godfried Bertram van Ellangowan en zijne vertegenwoordigers,
gericht. Deze brief behelsde de tijding van het plotseling overlijden
van Mejuffrouw Margaretha Bertram van Singleside, met het verzoek, om
de erfgenamen van den heer Bertram hiervan kennis te geven, en te
vragen of zij het misschien noodig oordeelden, in persoon of door een
gevolmachtigde bij de opening van het testament tegenwoordig te zijn.
Glossin begreep hieruit oogenblikkelijk, dat de briefschrijver onbekend
was met de vriendschapsbreuk tusschen hem en zijn overleden
begunstiger. Hij wist ook zeer goed, dat Lucie Bertram van rechtswege
erfgename der overledene was; maar het was duizend tegen éen, dat de
grillige oude dame anders over haar vermogen beschikt zou hebben.
Spoedig berekende hij, of hij ook eenig persoonlijk voordeel uit deze
omstandigheid kon trekken, maar vond, na een rijpe overweging van
mogelijkheden en waarschijnlijkheden, hierin niets anders dan een
middel ter bevordering van zijn plan, om zijn aanzien te herstellen, of
liever, om zich de achting en het aanzien te verwerven, welker gemis
hij reeds gevoeld had en waarschijnlijk nog sterker gevoelen zoude. „Ik
moet hier vaster voet pogen te krijgen,” dacht hij, „opdat ik, als de
zaak met Hatteraick slecht mocht afloopen, ten minste bij velen eene
gunstige vooringenomenheid in mijn voordeel heb.” – Buitendien moet
men, om Glossin recht te laten wedervaren, veronderstellen, dat hij,
hoe slecht ook, Lucie Bertram de groote rampen, welke hij hare familie
berokkend had, toch eenigermate en ten minste in een geval, waarin zijn
eigenbelang niet met het hare streed, wenschte te vergoeden. Hij
besloot dus, den volgenden morgen naar Woodbourne te rijden.
Niet zonder huivering deed hij dezen stap. Hij had een inwendigen
tegenzin, om voor den kolonel Mannering te verschijnen, even als alle
laaghartige bedriegers, wanneer zij een eerlijken, rechtschapen man
onder het oog treden. Hij stelde echter veel vertrouwen in zijne
geslepenheid. Hij had een zeer vlug natuurlijk verstand en zijne
bekwaamheden bepaalden zich geenszins tot zijn beroep. Door een
herhaald en langdurig verblijf in Engeland had zijn gedrag alle
boersche onbeschaafdheid en gedwongene stijfheid verloren; zoodat hij
in groote mate de gave bezat om zich gunstig voor te doen en anderen te
overreden, waaraan hij eene onbeschaamde vrijpostigheid paarde, welke
hij onder het masker van gulle openhartigheid zocht te verbergen.
Vol zelfvertrouwen kwam hij dus omstreeks tien uren te Woodbourne aan,
maar maakte zijn naam niet bekend, voor dat hij bij de deur van de
ontbijtkamer was en zich door den bediende met de woorden: „De heer
Glossin wenscht Juffrouw Bertram zijne opwachting te maken,” liet
aandienen. Lucie, die zich bij het hooren van zijn naam onwillekeurig
de laatste oogenblikken van haren ongelukkigen vader herinnerde, werd
bleek als de dood en zeeg bijna onmachtig van haren stoel. Julia
Mannering vloog haar te hulp en verliet met haar het vertrek. De
kolonel Mannering bleef dus in de kamer met Karel Hazlewood, die zijn’
arm nog in een band droeg, en dominé Sampson, wiens gelaat den
hevigsten afkeer uitdrukte, zoodra hij Glossin in het oog kreeg.
Glossin, ofschoon inwendig verlegen over de uitwerkselen zijner
verschijning, trad vrijpostig nader en zeide, dat hij hoopte de dames
niet ongelegen te komen. De kolonel hernam op stijven en deftigen toon,
dat hij niet wist, waaraan hij de eer van zijn bezoek te danken had.
„Hm, hm!” antwoordde Glossin, „ik nam de vrijheid juffrouw Bertram
mijne opwachting te maken, om met haar over eene zaak van belang te
spreken.”
„Indien gij hierover met den heer Mac-Morlan, haren zaakwaarnemer,
kondet spreken, zou dat juffrouw Bertram aangenamer zijn geloof ik.”
„Verschoon mij, kolonel Mannering; gij kent de wereld en weet, dat er
gevallen zijn, waarin het voor beide partijen het best is met de
belanghebbenden zelven te onderhandelen.”
„Indien gij u de moeite wildet geven, de zaak op papier te stellen, dan
sta ik u er voor in, dat Juffrouw Bertram er de noodige opmerkzaamheid
aan zal verleenen.”
„Zeer gaarne, – maar er zijn gevallen, waarin een mondeling onderhoud –
ik bemerk – ik zie, kolonel, dat gij tegen mij vooringenomen zijt en
mijn bezoek u uit dien hoofde onaangenaam is. Ik laat het echter aan uw
eigen gezond oordeel over, of gij mij gehoor weigeren moogt zonder het
doel van mijn bezoek te kennen, of te weten van hoeveel belang het kan
zijn voor de jonge dame, die gij met uwe bescherming vereert.”
„Dat is geenszins mijne bedoeling, Mijnheer! Ik zal Juffrouw Bertram
vragen hoe zij hierover denkt, en verzoek u, indien uw tijd dat
veroorlooft, op haar antwoord te wachten.” Met deze woorden verliet hij
het vertrek.
Glossin stond nog steeds midden in de kamer, daar Mannering hem
volstrekt niet een stoel had willen aanbieden. Toen deze het vertrek
verliet, kreeg Glossin zelf een stoel en wierp zich daarop neder met
een gelaat, dat half verlegenheid half onbeschaamdheid uitdrukte. Het
diepe stilzwijgen, dat thans in de kamer heerschte, maakte hem bijna
nog meer verlegen. Om het pijnlijke van dezen toestand te doen
ophouden, poogde hij een gesprek aan te knoopen en zeide:
„Mooi weêr heden, Mijnheer Sampson!”
Sampson liet eenige onverstaanbare woorden hooren, die even goed voor
een toestemmend antwoord, als voor een blijk van verontwaardiging
konden gehouden worden.
„Waarom komt gij nooit te Ellangowan, om uwe oude vrienden te bezoeken,
Mijnheer Sampson? Gij zoudt er uwe meeste oude kennissen nog
aantreffen. Ik heb te veel achting voor de vorige familie, om, zelfs
onder den schijn van verbetering te willen maken, de oude bewoners uit
hunne woningen te verdrijven. Buitendien is zoo iets mijne gewoonte
niet; ik houd er niet van. De heilige Schrift veroordeelt immers hen,
die de armen verdrukken en grenspalen verzetten.”
„En die het erfdeel der weezen verslinden” voegde Sampson er bij.
„Anathema Maranatha!” Met deze woorden stond hij op, legde den foliant,
waarin hij gelezen had, op den schouder, maakte rechtsomkeert en
verliet met groote schreden het vertrek.
Glossin, die hierdoor in geenen deele van zijn stuk gebracht werd, of
ten minste noodig oordeelde het niet te laten blijken, wendde zich nu
tot den jongen Hazlewood, die bezig was de courant te lezen, en vroeg:
„Iets nieuws Mijnheer?”
Hazlewood sloeg de oogen op, keek hem aan, schoof hem het blad toe,
even als aan een vreemdeling, dien men in een koffiehuis ontmoet, stond
op en wilde zich verwijderen.
„Verschoon mij, Mijnheer Hazlewood,” riep Glossin. „Ik kan niet nalaten
u geluk te wenschen, dat gij zoo goed van dien verschrikkelijken
aanslag op uw leven afgekomen zijt.”
Dit werd door eene zeer kleine en koele buiging beantwoord. Glossin
werd hierdoor echter niet van het gesprek afgeschrikt.
„Ik kan u verzekeren, Mijnheer Hazlewood, dat weinige menschen zoo
levendig deel in deze zaak genomen hebben, als ik, zoo wel om den wille
van de landstreek, als uit hoofde mijner bijzondere hoogachting voor
uwe familie, die hier zulk een hoogen rang bekleedt – waarlijk zulk een
hoogen rang, dat het, daar de heer Featherhead oud wordt en hij, zoo
als men sedert zijne laatste ziekte zegt, zijn ambt wil nederleggen,
voor u wel der moeite waard zou zijn, daarnaar te dingen. Ik spreek als
vriend, Mijnheer Hazlewood, en als iemand, die kennis van deze zaken
heeft: en indien mijn invloed” –
„Verschoon mij, Mijnheer, ik heb volstrekt geene plannen, waarbij uwe
hulp mij van dienst zou kunnen zijn.”
„O, best – misschien hebt gij gelijk; – ook is er nog tijds genoeg en
ik zie gaarne, dat jonge lieden voorzichtig zijn. – Maar om nog eens
terug te komen op het ongelukkig geval, waarbij gij uwe wond ontvingt,
ik geloof dat ik den dader op het spoor ben, en als ik den kerel zijne
verdiende straf niet doe ondergaan” –
„Nog eens, Mijnheer, uw ijver is grooter dan ik wenschelijk acht. Ik
heb alle redenen te denken, dat mijne verwonding enkel toeval en
geenszins met voorbedachten rade geschied is. Bij ondankbaarheid en
opzettelijk verraad zal mijne verontwaardiging over den schuldige
steeds even hevig zijn, als de uwe,” luidde het antwoord van Hazlewood.
Weder afgewezen, dacht Glossin; ik moet over een anderen boeg wenden.
„Gij hebt gelijk, Mijnheer! Zeer edel gedacht! Ik zou ook met een
ondankbaar mensch niet meer medelijden hebben dan met eene houtsnip. –
En daar dat aan de jacht herinnert,” (dit was eene manier, om eene
andere wending aan het gesprek te geven, die hij van den ouden Bertram
geleerd had), „ik zie u anders dikwijls op de jacht gaan en hoop, dat
gij dit genoegen spoedig weder zult kunnen genieten. Maar waarom
bepaalt gij u altijd tot uw eigen veld? Ik hoop, dat gij in het vervolg
niet schromen zult, op het jachtgebied van Ellangowan te komen, waar,
naar mijne gedachten, zelfs nog meer houtsnippen zijn dan op het uwe,
hoe uitstekend uwe landerijen ook gelegen zijn.”
De buiging, waarmede Hazlewood deze aanbieding beantwoordde, was zoo
koel en gedwongen, dat Glossin zweeg, tot hij door de terugkomst van
Mannering eenigszins uit dezen pijnlijken toestand verlost werd.
„Ik heb u, vrees ik, wat lang laten wachten,” zeide deze, zich tot
Glossin wendende. „Ik wilde Juffrouw Bertram gaarne tot een gesprek met
u overhalen, daar hare tegenwerpingen, naar mijn gevoelen, voor de
noodzakelijkheid moesten wijken, om in eigen persoon te hooren, wat
voor gewichtigs gij haar te zeggen kunt hebben. Maar ik merk, dat
zekere herinneringen, welke niet zoo gemakkelijk vergeten worden, haar
zulk een hevigen weerzin tegen een persoonlijk onderhoud met u
inboezemen, dat het wreed zou zijn, hierop verder bij haar aan te
dringen. Juffrouw Bertram heeft mij dus opgedragen, om in hare plaats
uw voorstel, of wat gij haar te zeggen moogt hebben, aan te hooren.”
„Hm, hm! Het doet mij leed, Mijnheer! het doet mij zeer leed, kolonel,
dat juffrouw Bertram denken kan – dat eenig vooroordeel – of het denk
beeld, dat er van mijne zijde” –
„Mijnheer, waar geene beschuldiging plaats heeft, zijn
verontschuldigingen of verklaringen noodeloos,” hernam de onbuigzame
kolonel. „Maakt gij misschien bezwaar, om mij, als tijdelijken voogd
van juffrouw Bertram, datgene mede te deelen, ’t welk gij voor haar zoo
belangrijk oordeelt?”
„Geenszins, kolonel! zij kon geen’ achtenswaardiger vriend kiezen,
niemand, met wien ik vooral liever openhartig zou wenschen te spreken.”
„Heb dan de goedheid ter zake te komen, Mijnheer!”
„Wel, Mijnheer, dat is zoo gemakkelijk niet. – Maar, Mijnheer Hazlewood
behoeft zich volstrekt niet te verwijderen. – Ik meen het zoo goed met
Juffrouw Bertram, dat mijnenthalve de geheele wereld hooren mag, wat ik
hier te zeggen heb.”
„Mijn vriend, de heer Hazlewood, zal waarschijnlijk niet verlangen een
gesprek aan te hooren dat hem niet aangaat. – En nu, dat wij alleen
zijn, verzoek ik u, u kort en duidelijk te verklaren. Ik ben soldaat,
Mijnheer, en een volslagen vijand van omslachtige inleidingen.” Dit
gezegd hebbende zweeg hij, in afwachting van hetgeen Glossin zeggen
zou.
„Heb de goedheid, dezen brief te lezen;” hernam deze en gaf Mannering
den brief van den heer Protocol in handen.
De kolonel las den brief, gaf hem, nadat hij den naam des schrijvers
opgeteekend had, aan Glossin terug en zeide: „Hierover valt, naar mijn
gevoelen, niet veel te praten, Mijnheer. Ik zal zorgen, dat het belang
van juffrouw Bertram behartigd worde.”
„Maar, kolonel, hierbij komt nog eene omstandigheid in aanmerking,
welke niemand dan ik kan ophelderen. Deze dame – deze juffrouw
Margaretha Bertram heeft, zoo als ik zeker weet, reeds toen zij bij
mijn ouden vriend, den heer Bertram, te Ellangowan woonde, ten
voordeele van juffrouw Lucie Bertram over alle hare goederen beschikt.
De dominé – met dezen naam bestempelde mijn overleden vriend steeds den
achtingswaardigen heer Sampson, en ik waren getuigen bij het opmaken
van het testament. Zij bezat destijds reeds het recht, om zulk een
uitersten wil te maken, daar zij Singleside in leen bezat, ofschoon het
met eene lijfrente ten bate harer oudere zuster bezwaard was. Het was
eene grillige beschikking van den ouden Singleside, Mijnheer, in alle
opzichten geschikt, om zijne twee heksen van dochters tegen elkaâr in
het harnas te jagen, – ha ha ha!”
„Laat ons bij de hoofdzaak blijven, Mijnheer,” hernam Mannering zonder
in het minst uit den plooi te komen bij deze aardigheid, „Gij zegt, dat
deze dame onbetwistbaar het recht en de macht had, om juffrouw Bertram
tot erfgename van hare bezittingen te maken, en dat zij dit gedaan
heeft?”
„Zoo is het, kolonel, en ik geloof, dat ik de wet ken. Ik heb er mij
vele jaren mede beziggehouden en, ofschoon ik sedert eenigen tijd mijne
zaken heb neergelegd, heb ik mijne kennis van de rechten niet vergeten,
welke, zoo als het rijmpje zegt, beter is, dan huis en hof:
„Het is de heerelijkste zaak,
Dat goed’ren, reeds verloren,
Door ’s Pleiters list en wederspraak
Ons weder toebehooren.”
„Neen, neen! Een oud voerman hoort nog gaarne het klappen van de zweep.
Ik bemoei mij er nog gaarne wat mede, om mijne vrienden te dienen.”
Glossin ging nog eene poos op denzelfden toon voort, in den waan, dat
hij een gunstigen indruk op Mannering gemaakt had. Eigenlijk bedacht de
kolonel, dat deze zaak een beslissenden invloed op de toekomst van
Lucie Bertram kon hebben, en besloot hij zijn afkeer van Glossin en
zijn lust, om hem de deur of het venster uit te werpen, te bedwingen,
en, ofschoon ongaarne, ten minste met geduld naar hem te luisteren. Hij
liet hem dus bedaard zijne eigene lof uitbazuinen en vroeg hem
eindelijk, of hij wist waar het handschrift was.”
„Ja, ik weet – ik geloof, dat ik het vinden kan. In zulke gevallen
maken de bewaarders van zulk een stuk wel eens eenige aanspraak op –”
„Daarover zullen wij niet twisten, Mijnheer!” hernam de kolonel en nam
zijn zakboekje ter hand.
„Maar, kolonel, gij behandelt de zaak ook zoo driftig! – Ik zeide,
sommige lieden zouden zulk eene aanspraak maken (ik versta hierdoor de
onkosten voor het schrijven van het handschrift, voor genomen moeite
bij de zaak enz); maar ik, ik wenschte slechts juffrouw Bertram te
overtuigen, dat ik als man van eer jegens haar handel. Hier is het
geschrift, Mijnheer! Het zou mij genoegen gedaan hebben, het aan de
jonge dame zelve overhandigd en haar met het hierdoor geopende gunstige
uitzicht geluk gewenscht te hebben. Daar echter hare vooroordeelen op
dit punt onoverwinnelijk zijn, blijft mij niets anders over, dan haar
mijne beste wenschen door u te doen toekomen en tevens te verklaren,
dat ik steeds bereid ben, wanneer het noodig mocht zijn, in deze zaak
de vereischte getuigenis af te leggen. Ik heb de eer u goeden morgen te
wenschen, Mijnheer!”
Glossin had op het laatst zoo goed den toon gevat van een rechtschapen
man, die ten onrechte verdacht wordt gehouden en van zijne eigene
braafheid overtuigd is, dat zelfs Mannering in zijn ongunstig oordeel
over hem aan het wankelen gebracht werd. Hij begeleidde hem eenige
schreden en bewees hem bij het afscheid, dat nochtans koel en gedwongen
was meer beleefdheid, dan hij hem gedurende het geheele bezoek betoond
had.
Glossin verliet den kolonel tamelijk tevreden over den indruk, dien hij
gemaakt had, maar tevens gevoelig gekrenkt door het koele wantrouwen,
den hoogmoedigen afkeer, waarmede hij ontvangen was. „De kolonel had
ook wel wat vriendelijker kunnen zijn,” zeide hij bij zich zelven. „Er
komt niet alle dagen iemand, die een arm meisje vier honderd pond
jaarlijksch inkomen kan brengen. Singleside moet thans meer dan vier
honderd pond opbrengen. Ja, Reilageganbed, Gillifidget, Loverless en
nog andere hoeven behooren er toe; het brengt zeker meer op. Sommige
lieden zouden, indien zij in mijne plaats waren, het zich zelven
misschien toegeëigend hebben, – maar, om de waarheid te zeggen, hoe ik
er ook over nadenk, zie ik nog niet in, hoe dit mogelijk zoude zijn.”
Zoodra Glossin vertrokken was, zond Mannering een bode naar Mac-Morlan.
Toen deze verscheen, overhandigde de kolonel hem het stuk en vroeg of
het wettig en in den behoorlijken vorm was en Lucie Bertram baten kon.
Mac-Morlan las het met van blijdschap schitterende oogen, knapte met de
vingers en riep eindelijk uit: „of het in behoorlijke orde is? Het is
zoo goed, als het kan. – Ja, ja, Glossin verstaat zijn werk, trots den
beste, indien hij er niet opzettelijk een steek aan loslaat. – Maar,”
(hier werd zijn blik somber) „de oude heks, om haar nu eens zoo te
noemen, kan alles nog wel veranderd hebben.”
„Hoe kunnen wij dat te weten komen?”
„Er moet een gevolmachtigde van juffrouw Bertram bij het openen van het
testament tegenwoordig zijn.”
„Kunt gij er heen gaan?”
„Ik vrees van neen. Ik moet in eene zaak voor ons gerechtshof pleiten.”
„Dan zal ik zelf gaan. Ik ga morgen op reis en Sampson, die het stuk
als getuige mede onderteekend heeft, zal mij vergezellen. Maar ik zal
wel de hulp van een rechtsgeleerde noodig hebben.”
„Ik zal u een brief van aanbeveling aan een zeer beroemden
rechtsgeleerde, den voormaligen sheriff van dit graafschap, medegeven.”
„Mijnheer Mac-Morlan,” hernam de kolonel, „het bevalt mij uitmuntend in
u, dat gij altijd dadelijk tot de zaak komt. Bezorg mij den brief zoo
spoedig mogelijk. – Maar, zullen wij Lucie Bertram ook iets van haar
uitzicht op eene erfenis zeggen?”
„Zonder twijfel; want gij moet eene volmacht van haar hebben, welke ik
oogenblikkelijk schrijven zal. Buitendien sta ik er u voor in, dat zij
zich hierbij zeer verstandig gedragen en dit uitzicht slechts als eene
mogelijkheid beschouwen zal.”
Mac-Morlan oordeelde juist. Men kon niet bemerken, dat dit zoo
onverwacht voor Lucie Bertram geopend uitzicht al te levendige
verwachtingen bij haar opwekte. Als bij toeval deed zij Mac-Morlan, in
den loop van den avond, wel de vraag, hoeveel de jaarlijksche inkomsten
der bezittingen van Hazlewood wel zouden bedragen; maar wie zal daarom
als zeker durven beweren, dat zij overwoog, of eene erfgename met vier
honderd pond jaarlijksch inkomen eene geschikte partij voor den jongen
Hazlewood zou zijn?