TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Een mensch kan ook zonder oogen zien, hoe

het in deze wereld toegaat. – Zie maar –

met uwe ooren! Ziet ge hoe de rechter den

armen dief uitscheldt? – Laat ik u een

woordje influisteren! Doe hen maar van

plaats veranderen: een, twee, drie! Wie

is nu de rechter? Wie de dief?”

Koning Lear.

Niemand deed meer moeite, om den persoon, die den jongen Hazlewood

aangevallen en gewond had, te ontdekken, dan de heer Gilbert Glossin,

voorheen zaakwaarnemer te –, nu heer van Ellangowan, en een der

achtbare vrederechters van het graafschap **. Verscheidene redenen

bewogen hem hiertoe; maar, na alles wat van dezen man reeds gezegd is,

mag men veilig veronderstellen, dat geen heilige en vurige liefde voor

de gerechtigheid de drijfveer van zijn ijver was.

Het ware van de zaak is, dat deze achtbare man zich niet zoo gelukkig

gevoelde, als hij in het begin verwachtte, toen hij zich door zijne

slinksche streken in het bezit der goederen van zijn weldoener

gevestigd zag. Als hij zich te huis bevond, waar zoo veel hem aan

vorige tijden herinnerde, waren de overdenkingen, die bij hem opkwamen,

dikwijls van geheel anderen aard dan inwendige tevredenheid over het

welslagen zijner listen; en als hij de oogen op zijne positie

buitenshuis vestigde, bemerkte hij met geene aangename gewaarwordingen,

dat de aanzienlijken van het land, tot wier stand hij meende zich

verheven te hebben, hem van hun omgang uitsloten. Hij werd niet tot het

gezellige verkeer met hen toegelaten, en bij openbare bijeenkomsten

dwarsboomden zij hem zoo veel mogelijk, en zagen koel en met verachting

op hem neder. Deze afkeer ontstond én uit grondbeginsel én uit

vooroordeel: want de aanzienlijken verachtten hem om zijne lage

geboorte en haatten hem om de middelen, waardoor hij zich tot een

hoogeren stand verheven had. Bij de geringere volksklasse stond hij in

een nog veel slechter naam. Deze menschen wilden hem den titel

„Ellangowan,” die hem door zijne bezittingen toekwam, niet geven en hem

zelfs geen „Mijnheer” Glossin noemen; bij hen heette hij eenvoudig

Glossin. En zijne ijdelheid was zoo ongeloofelijk gekrenkt door deze

kleinigheid, dat hij een bedelaar wel eens een daalder gaf in plaats

van een stuiver, omdat deze hem, bij het vragen om eene aalmoes,

driemaal „Ellangowan” genoemd had. Dit algemeene gebrek aan achting

viel hem nu zeer smartelijk en hij gevoelde dit nog te dieper, wanneer

hij zich bij Mac-Morlan vergeleek, die, ofschoon met veel minder

wereldsche goederen gezegend, zich door rijk en arm bemind en geëerd

zag, en langzaam, maar zeker, den grond tot een matig vermogen legde,

dat hem door niemand, die hem kende, misgund werd.

Maar hoezeer Glossin zich innerlijk ook ergerde over deze vooroordelen

des lands, zoo als hij het gaarne noemen wilde, was hij toch te

verstandig, om hierover openlijk te klagen. Hij gevoelde dat zijne

opkomst nog te nieuw was om vergeven, en de middelen, waardoor hij zich

verheven had, te verfoeielijk waren, om zoo spoedig vergeten te worden.

Maar de tijd, dacht hij, verkleint het wonder en omsluiert de middelen.

Met de sluwheid van iemand, die door het waarnemen van de zwakke zijde

der menschelijke natuur fortuin gemaakt heeft, nam hij zich voor, om

elke gelegenheid aan te grijpen, waarbij hij zelfs hen, die den

grootsten afkeer van hem hadden, van nut kon zijn; vertrouwende dat

zijne eigene bekwaamheden de neiging tot twisten onder de aanzienlijken

van het land, waarbij de raad van een rechtsgeleerde dikwijls

onschatbaar wordt, en duizend andere toevallige omstandigheden, waarvan

hij met geduld en behendigheid partij zou kunnen trekken, hem spoedig

meer invloed en achting bij zijne buren zouden verschaffen.

De aanval op het huis van den kolonel Mannering en Hazlewood’s wonde

schenen Glossin eene gunstige gelegenheid te zijn, om het geheele land

te bewijzen welke gewichtige diensten een werkzaam ambtenaar kon

bewijzen, die én met de wetten, én met de schuilhoeken en gewoonten der

sluikhandelaars bekend is. Dit laatste had hij aan eene vroegere, nauwe

betrekking tot eenige der vermetelste smokkelaars te danken, wier

deelgenoot of raadsman hij dikwijls geweest was, al naar de

omstandigheden zulks vereischten. Hij dacht echter geenszins, dat hij

gevaar zou loopen een ouden vriend, die in staat was wedervergelding

uit te oefenen, door zijne tegenwoordige navorschingen in ongelegenheid

te brengen, daar zijne betrekking tot de smokkelaars sedert

verscheidene jaren niet meer bestond en vele omstandigheden dezen

lieden zelden veroorloofden, hunne rol lang op hetzelfde tooneel te

spelen. Naar zijn gevoelen dus behoefde zijne vroegere deelneming in

dezen sluikhandel hem geenszins terug te houden, om thans van zijne

ondervinding ten beste van het algemeen, of liever om zijne eigene

oogmerken te bevorderen, gebruik te maken. Hij, een man, die reeds

verheugd moest zijn, als men eenige notitie van hem nam, moest het als

eene zaak van geen gering belang beschouwen, de gunst en achting van

den kolonel Mannering te verwerven; en nog gewichtiger was het voor

hem, de genegenheid en bescherming van den ouden Hazlewood, die veel

invloed in het graafschap had, te winnen. En bovendien zou hij, indien

het hem gelukte de schuldigen te ontdekken, te vatten en te doen

vonnissen, de voldoening smaken, Mac-Morlan, die als ondersheriff van

het graafschap eigenlijk met het onderzoek der zaak belast was, te

krenken en waarschijnlijk zelfs eenigermate in de algemeene achting te

doen dalen.

Door zulke verleidelijke beweegredenen aangespoord, en goed bekend met

het personeel der gerechtsdienaren, stelde Glossin alle middelen in het

werk, om zoo mogelijk eenigen van de bende, welke Woodbourne

aangevallen hadden, en hoofdzakelijk hem, door wien de jonge Hazlewood

gekwetst was, te ontdekken en te vatten. Hij loofde groote belooningen

uit, gaf verscheidene plannen en ontwerpen aan de hand, bediende zich

van zijn persoonlijken invloed bij zijne oude kennissen, die den

verboden handel begunstigden, en spiegelde hun met vele drangredenen

voor, dat zij veel beter deden een paar van deze knapen op te offeren,

dan den blaam op zich te laden, dat zij zulke afschuwelijke daden

begunstigden. In het eerst evenwel waren alle zijne pogingen

vruchteloos. Het volk begunstigde of vreesde de smokkelaars te zeer, om

als getuige tegen hen op te treden. Eindelijk echter vernam de ijverige

ambtenaar dat een man, die in kleeding volkomen geleek op den

onbekende, die Hazlewood gewond had, den nacht vôor die ongelukkige

gebeurtenis in de herberg, the Gordon Arms, te Kippletringan zijn

intrek genomen had, Zonder dralen begaf Glossin zich daarheen, ten

einde onze oude kennis, de waardin, vrouw Mac-Candlish, te ondervragen.

De heer Glossin stond bij vrouw Mac-Candlish, om hare eigene

spreekwijze te bezigen, niet best te boek. Zij ontving hem dus zeer

droogjes en volgde hem langzaam en niet dan ongaarne, toen hij haar om

een afzonderlijk onderhoud verzocht, naar de huiskamer.

„Een schoone wintermorgen, niet waar, vrouw Mac-Candlish?” zei Glossin.

„Ja, Mijnheer, het is zeer schoon weer.”

„Ik wilde gaarne weten, of de heeren vrederechters volgens gewoonte, na

de dinsdagsche zitting hier gezamenlijk het middagmaal zullen houden.”

„Ik geloof – ik meen, Mijnheer – als naar gewoonte,” – antwoordde zij

en wilde de kamer verlaten.

„Wacht toch een oogenblik, vrouw Mac-Candlish! wat zijt gij

verschrikkelijk haastig? Ik heb er over gedacht, dat als een vast

gezelschap hier iedere maand eens het middagmaal hield, dat niet

onaardig zou zijn.”

„Zeker niet Mijnheer, wanneer het een gezelschap van fatsoenlijke

heeren is.”

„Ja, ja! Ik bedoel bezitters van landgoederen en aanzienlijke lieden in

het graafschap; ik had wel lust om zoo iets gedaan te krijgen.”

Door een droog kuchje, waarmede de waardin dit voorstel beantwoordde,

wilde zij niet te kennen geven dat het op zich zelf haar mishaagde,

maar alleen dat zij er sterk aan twijfelde, of zoo iets onder de

leiding en bescherming van den voorsteller tot stand zou komen. Het was

geen ontkennend, maar twijfelend kuchje. Dit gevoelde Glossin zeer

goed; maar het paste niet in zijn rol, om zijne gevoeligheid te laten

blijken.

„Zijn er in den laatsten tijd vele reizigers geweest, vrouw

Mac-Candlish? Gij hebt geloof ik steeds overvloed aan gezelschap?”

„Dat gaat wel, Mijnheer! – maar ik meen dat de menschen op mij

wachten.”

„Neen, neen, kunt gij niet een oogenblik blijven om een ouden klant te

verplichten? Herinnert gij u ook nog, dat er verleden week een

bijzonder groot jongmensch een nacht in uw huis doorgebracht heeft?”

„Waarlijk, Mijnheer, dat kan ik niet zeggen. Ik bekommer mij er nooit

over of mijne gasten groot of klein zijn, als zij maar groote

rekeningen maken.”

„En indien zij het niet doen, dan kunt gij het voor hen doen, niet

waar, vrouw Mac-Candlish? Ha, ha, ha! Maar de jongeling, naar wien ik

vraag droeg een donkeren rok met blinkende knoopen, had licht bruin,

ongepoederd haar, blauwe oogen, een rechten neus en reisde te voet,

zonder bediende en zonder koffer of valies. Gij zult u zeker dezen

reiziger herinneren.”

„Wel, Mijnheer! ik kan mijn geheugen met zulke dingen niet bezwaren, Ik

verzeker u, dat er in een huis als dit, meer te doen valt dan te denken

om het haar, de oogen, of den neus van elken reiziger” hernam de

waardin, die geen lust had om hem eenige inlichtingen te geven.

„Dan moet ik u maar ronduit zeggen, vrouw Mac-Candlish, dat deze

persoon van eene zware misdaad verdacht gehouden wordt; en het is ten

gevolge van deze verdenking, dat ik u hierover, als vrederechter,

ondervraag. Zoo gij weigert op mijne vragen te antwoorden, moet ik u

onder eede drijven.”

„Ik heb geene vrijheid om een eed te doen, Mijnheer! Wij behooren tot

de Antiburgher-vergadering. Toen mijn goede man zaliger nog leefde,

hielden wij ons wel aan de heerschende kerk, daar dat, wegens zijn ambt

als gerechtsbode, beter paste; maar, nadat hij naar betere gewesten dan

Kippletringan opgeroepen is, ben ik weder tot den eerwaarden

Mac-Crainer overgegaan. Gij ziet dus, Mijnheer, dat ik niet zweren kan,

zonder er met den predikant over te spreken; vooral niet tegen een

armen jongen bloed, die als vreemdeling en zonder vriend door het land

reist.”

„Ik zal uwe zwarigheden misschien uit den weg ruimen zonder dominé

Mac-Crainer lastig te vallen, als ik u zeg, dat deze knaap, naar wien

ik onderzoek doe, de persoon is, die uw jongen vriend Hazlewood

gekwetst heeft.”

„Lieve hemel! wie zou zoo iets van hem gedacht hebben? Neen, indien het

om schulden, of zelfs om eene vechtpartij met de tolbedienden geweest

was, dan zoudt ge geen woord tot zijn nadeel over mijne lippen gekregen

hebben. Maar als hij wezenlijk op den jongen Hazlewood geschoten heeft

– ik kan het toch niet gelooven, Mijnheer Glossin! het is zeker een

streek van u – ik kan het van dien goeden jongen niet denken; – neen,

neen, dat is juist een van uwe oude streken. Het is er u om te doen, om

hem in handen te krijgen.”

„Ik zie, dat gij geen vertrouwen in mij stelt, vrouw Mac-Candlish. Lees

dan deze verklaringen van de personen, die ooggetuigen van de misdaad

waren, en oordeel zelve, of de beschrijving van den booswicht niet

volkomen op uw gast past.”

Hij overhandigde haar de papieren, welke zij zeer aandachtig doorlas.

Onder dit lezen zette zij meermalen den bril af, om de oogen ten hemel

te heffen, of misschien om er een’ traan uit te wisschen: want de jonge

Hazlewood was een lieveling der goede vrouw. „Wel, wel,” zeide zij,

toen zij met lezen gedaan had, „nu het inderdaad zoo is, geef ik hem

op, dat slechte mensch! Maar hoe kunnen wij stervelingen toch dwalen!

Ik heb nooit een gelaat gezien dat mij beter beviel, zóo zacht, zóo

vriendelijk! Ik dacht dat het een fatsoenlijk man was, die zich in

ongelegenheid bevond. Maar ik geef hem op den booswicht! – Op den

jongen Hazlewood te schieten, en dat voor de oogen van de jonge dames,

die arme onschuldige schapen! – Ja, ik geef hem op!”

„Gij stemt dus toe dat zulk een persoon den nacht vóor die

afschuwelijke daad hier gelogeerd heeft?”

„Ja, dat is wel het geval Mijnheer! en alle menschen in huis waren met

hem ingenomen, zoo vroolijk en rondborstig was hij. Het was zeker niet

om de verteering die hij maakte, want hij heeft niets gebruikt dan een

stukje koud vleesch met een glas bier en een paar glazen wijn, geloof

ik. Ik heb hem ook nog verzocht om thee met mij te drinken en dat niet

in rekening gebracht. Ook heeft hij des avonds niet gegeten; hij zeide

dat hij dood moede was, omdat hij den geheelen vorigen nacht onderweg

geweest was. Wie weet, op welken rooftocht hij toen uit geweest is!”

„Hebt gij bij geval zijn naam ook vernomen?”

„Ja zeker heb ik dat. Hij zeide dat er waarschijnlijk een oude vrouw,

die er als eene Heidin uitzag, naar hem zou vragen. – Ja, ja, soort

zoekt soort; daar men meê verkeert, daar wordt men meê geëerd; die

schelm! – Toen hij ’s morgens vroeg wegging, betaalde hij eerlijk zijne

rekening en gaf eene fooi aan de meid. Die verdient ook niets bij mij

dan twee paar schoenen in het jaar en de fooitjes, die zij zoo nu en

dan krijgt.”

Hier vond Glossin het wenschelijk de woordenvloed der waardin te

beteugelen en haar op het gewichtige punt, van hun gesprek terug te

brengen.

„Nu dan,” dus begon de waardin haar verhaal weder, „nu dan! Hij zeide

als er zulk een persoon naar Mijnheer Brown komt vragen, dan moet gij

zeggen, dat ik naar het meer Creeran, zoo als gij het noemt, gegaan ben

om de schaatsenrijders te zien, en dat ik tegen den middag weder

terugkom. Maar hij is niet teruggekomen. Ik verwachtte hem zoo vast,

dat ik zelve een kip voor hem gebraden had, en dat is anders mijn

gewoonte niet, Mijnheer Glossin! Hoe weinig dacht ik er aan, dat hij

met zulk een boos opzet heengegaan was – dien goeden, onschuldigen

jongen Hazlewood neer te schieten!”

Nadat de heer Glossin als een voorzichtig rechtsgeleerde zijne getuige

behoorlijk tijd gelaten had, om aan hare verbazing en verontwaardiging

lucht te geven, begon hij te vragen of de verdachte persoon ook eenige

goederen of papieren in de herberg achtergelaten had.

„O ja, hij heeft mij een pakje, een klein pakje in bewaring gegeven.

Ook gaf hij mij wat geld en verzocht mij hem daarvoor een half dozijn

overhemden te laten maken. Peg Pawley is er thans juist mede bezig. –

Laat hij ze aan doen, als hij den gang naar de galg doet, die

booswicht!”

Glossin wenschte nu het pakje te zien, maar hier aarzelde de waardin.

Zij wilde niet zeggen dat de gerechtigheid haren vrijen loop niet moest

hebben, evenwel, wanneer iemand iets aan een ander toevertrouwde, was

deze er ook zonder twijfel verantwoordelijk voor. Maar zij wilde den

diaken Bearcliff roepen, en indien Mijnheer Glossin dan ten overstaan

van den diaken eene lijst van de goederen verkoos op te maken en haar

een bewijs wilde geven, dat hij ze van haar ontvangen had, of wat zij

nog veel liever had, als die verzegeld en in handen van den diaken

Bearcliff gesteld kon worden, dan kon zij volkomen gerust zijn. Zij was

nergens meer voor, dan voor gerechtigheid aan alle kanten.

Toen Glossin zag dat de natuurlijke scherpzinnigheid en het door

ondervinding gescherpte wantrouwen dezer vrouw onverzettelijk waren,

zond hij om den diaken Bearcliff, om met hem over den booswicht, die

den heer Charles Hazlewood gekwetst had, te spreken. Bearcliff

verscheen op het verzoek van den vrederechter zoo haastig, dat hij zich

niet eens den tijd gegund had, om zijne paruik, tegen welke hij de muts

waarmede hij zijne klanten gewoonlijk bediende verwisseld had, recht te

zetten. Vrouw Mac-Candlish haalde hierop het pakje, dat Brown haar in

bewaring gegeven had, te voorschijn.

Men vond er de beurs van de Heidin in. Bij het gezicht van den

gemengden maar zeer kostbaren inhoud er van, verheugde de waardin zich

over hare genomene voorzorgen, vóor dat zij ze aan Glossin overgaf,

terwijl hij met een schijn van belanglooze kieschheid de eerste was,

die het voorstel deed, om de goederen behoorlijk op te schrijven en ze

aan den diaken Bearcliff ter hand te stellen, tot dat ze van rechtswege

opgevorderd zouden worden. „Hij wilde niet gaarne persoonlijk

verantwoordelijk zijn” zeide hij, „voor zaken die zulk eene

aanzienlijke waarde schenen te hebben en zonder twijfel door de

verfoeielijkste middelen verworven waren.”

Hij bekeek vervolgens het papier waarin de beurs gewikkeld geweest was.

Het was de achterzijde van een brief aan den heer V. Brown, maar het

overige van het opschrift was weggescheurd. De waardin, die thans, daar

de gemengde en kostbare inhoud van de beurs haar genoegzaam scheen te

bewijzen, dat alles niet was zoo als het behoorde, even gaarne licht

over de vlucht van den misdadiger wilde verspreiden, als zij ze vroeger

zocht te bedekken – de waardin verklaarde verder aan Glossin, dat haar

postiljon en haar stalknecht beiden den vreemdeling op denzelfden dag,

waarop de jonge Hazlewood gekwetst was, op het ijs gezien hadden.

Onze oude bekende, Hans Jabos, werd het eerst geroepen en verklaarde

rondborstig, dat hij dien morgen op het ijs een vreemdeling gezien en

gesproken had, die, zoo als hij hoorde, den vorigen nacht in the Gordon

Arms gelogeerd had.

„Welke wending nam uw gesprek?” vroeg Glossin.

„Wending? wij maakten geheel geene wending, maar gingen rechtuit op het

ijs.”

„Maar waarover spraakt gij? meen ik.”

„Waarover? hij deed juist zulke vragen als ieder vreemdeling gewoonlijk

doet.”

„Waarnaar vroeg hij dan?”

„Wel, naar het volk dat op het ijs aan het spelen was, naar den ouden

Jock Stevenson, naar de dames en zoo al verder.”

„Naar welke dames, Hans? en wat vroeg hij omtrent haar?”

„Welke dames? Het waren de dames Julia Mannering en Lucie Bertram, die

gij zelf zeer goed kent, Mijnheer Glossin! Zij wandelden met den jongen

heer van Hazlewood op het ijs.”

„En wat hebt gij hem van haar gezegd?”

„Wij zeiden hem: de eene was juffrouw Lucie Bertram, die, naar men

zegt, eens een groot landgoed in onze streek bezeten heeft, en de

andere juffrouw Julia Mannering, die met den jongen Hazlewood zou

trouwen. Zie maar eens, hoe zij aan zijn arm hangt. – Wij spraken er

met hem over, zoo als wij landlieden gewoon zijn. Het was een zeer

flinke man, zoo zonder komplimenten.”

„Nu, wat antwoordde hij hierop?”

„Hij keek de jonge dames scherp aan en vroeg, of het huwelijk tusschen

juffrouw Mannering en den jongen Hazlewood zeker voltrokken zou worden?

Ik antwoordde hem, dat het stellig en uitgemaakt zeker was, zoo als ik

ook met recht zeggen kon: want mijne nicht Johanna Clavers (zij is ook

met u vermaagschapt, Mijnheer Glossin, gij kent haar ook sedert lang)

is eene bloedverwante van de huishoudster te Woodbourne en heeft mij

meer dan eens gezegd, dat het heel waarschijnlijk was.”

„En wat zei de vreemdeling, toen gij hem dit alles verhaaldet?”

„Zeggen? hij zei geen woord. Hij keek hen aan, terwijl zij het meer

rondwandelden, als of hij hen opeten wilde. Hij wendde geen oog van hen

af, en zei geen enkel woord meer, ofschoon het zoo buitengemeen

vroolijk bij het spel toeging. Hij keerde zich om, verliet het meer,

ging langs het kerkpad in het Woodbourner dennenbosch en wij zagen

niets meer van hem.”

„Denk eens,” zei vrouw Mac-Candlish, „welk een steenen hart hij gehad

moet hebben, dat het bij hem opkomen kon, den armen jongen voor de

oogen van de dame, met wie hij huwen zou, aan te vallen.”

„Soortgelijke gevallen worden er wel meer in de gerechtelijke akten

gevonden, vrouw Mac-Candlish!” hernam Glossin. „Hij wilde zich zonder

twijfel wreken, waar de wraak het scherpst treft en het zoetst is.”

„God beware ons!” riep de diaken Bearcliff, „wat zijn wij toch arme,

zwakke schepsels, als wij aan ons zelven overgelaten zijn! Hij dacht

niet aan hem, die gezegd heeft: de wraak komt mij toe; ik zal het

vergelden.”

„Hoort eens, Mijne Heeren,” zei Hans, die met zijne onbeschaafde

sluwheid het spoor van het wild scheen te vinden, terwijl anderen in de

struiken klopten, „hoort eens! gij kondet het hier allen toch wel eens

mis hebben. Ik kan me volstrekt niet verbeelden, dat iemand het plan

zou maken, om een’ ander’ met diens eigen geweer, dat hij hem eerst

afnemen moest, dood te schieten. De hemel beware ons! ik ben zelf ginds

op het eiland onder-boschwachter geweest en ik houd staande, dat, als

de grootste en sterkste man uit Schotland mij een geweer ontnemen

wilde, ik hem vroeg genoeg den kogel door het lijf zou jagen, ofschoon

ik maar een klein zwak ventje ben, dat nergens goed toe is, dan om op

den zadel of den bok van een wagen te zitten; – neen, neen, zoo iets

zou geen verstandig mensch wagen! Ik verwed er mijn besten broek op, en

ik heb die op de Kirkudbrighter jaarmarkt eerst nieuw gekocht, dat het

een ongelukkig toeval geweest is. Maar als gij mij niets meer te zeggen

hebt, moest ik, dunkt mij, heengaan, om mijne paarden te voêren.” En

met deze woorden verliet Hans het vertrek.

De verklaring van den stalknecht, die hem vergezeld had, kwam met de

zijne volkomen overeen. Glossin vroeg hierop weder, of Brown op dien

ongelukkigen morgen ook wapens bij zich gehad had? Het antwoord was:

„geene andere, dan eene gewone kleine sabel of houwer.”

„Inderdaad,” zei de diaken, terwijl hij Glossin vertrouwelijk bij een

roksknoop trok (door ingespannen nadenken over deze ingewikkelde zaak

had hij den nieuw verkregen rang van den vrederechter vergeten),

„inderdaad, alles wel overwogen, komt mij het geval zeer twijfelachtig

voor, meester Gilbert, – want het is volstrekt niet waarschijnlijk, dat

hij met zulk een ellendig wapen er op uit gaan zou om te vechten.”

Glossin maakte zich uit de handen van Bearcliff los en ontweek alle

verdere verklaring, maar alles op zachte en vriendelijke wijze: want er

lag hem thans veel aan gelegen, om allerhande menschen gunstig voor hem

te stemmen. Hij vroeg naar den prijs van thee en suiker, en liet zich

eenige woorden ontvallen, als of hij een voorraad voor het geheele jaar

wilde opdoen. Hij gaf vrouw Mac-Candlish bevel, om een goed middagmaal

in gereedheid te hebben voor een gezelschap van vijf vrienden, die hij

op Zaterdag over acht dagen in the Gordon Arms ten eten wilde

verzoeken, en tot slot gaf hij Hans Jabos, die, in plaats van den

stalknecht, zijn paard vasthield, een daalder.

„Wel,” zei Bearcliff tegen de waardin, terwijl hij een glaasje bitter

dronk, dat zij hem aanbood, „ik moet zeggen dat de duivel niet zoo

leelijk is, als hij uitgeschilderd wordt. Men moet zich verheugen, dat

iemand zich de belangen van het land zoo aantrekt, als Mijnheer Glossin

doet.”

„Daaraan hebt gij wel gelijk, diaken!” antwoordde de waardin, „en toch

verwondert het mij, dat onze heeren hier hunne zaken aan zoo iemand

overlaten. Maar zoo lang een stuk geld gangbaar is, moet men niet al te

nauwkeurig toezien, welk koningsbeeld er op staat.”

„Ik geloof, dat Glossin er ten laatste nog slecht afkomen zal,” bromde

Hans, terwijl hij de schenktafel voorbijging; „maar dit is toch goede

munt!”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 45 / 75 题