„Een mensch kan ook zonder oogen zien, hoe
het in deze wereld toegaat. – Zie maar –
met uwe ooren! Ziet ge hoe de rechter den
armen dief uitscheldt? – Laat ik u een
woordje influisteren! Doe hen maar van
plaats veranderen: een, twee, drie! Wie
is nu de rechter? Wie de dief?”
Koning Lear.
Niemand deed meer moeite, om den persoon, die den jongen Hazlewood
aangevallen en gewond had, te ontdekken, dan de heer Gilbert Glossin,
voorheen zaakwaarnemer te –, nu heer van Ellangowan, en een der
achtbare vrederechters van het graafschap **. Verscheidene redenen
bewogen hem hiertoe; maar, na alles wat van dezen man reeds gezegd is,
mag men veilig veronderstellen, dat geen heilige en vurige liefde voor
de gerechtigheid de drijfveer van zijn ijver was.
Het ware van de zaak is, dat deze achtbare man zich niet zoo gelukkig
gevoelde, als hij in het begin verwachtte, toen hij zich door zijne
slinksche streken in het bezit der goederen van zijn weldoener
gevestigd zag. Als hij zich te huis bevond, waar zoo veel hem aan
vorige tijden herinnerde, waren de overdenkingen, die bij hem opkwamen,
dikwijls van geheel anderen aard dan inwendige tevredenheid over het
welslagen zijner listen; en als hij de oogen op zijne positie
buitenshuis vestigde, bemerkte hij met geene aangename gewaarwordingen,
dat de aanzienlijken van het land, tot wier stand hij meende zich
verheven te hebben, hem van hun omgang uitsloten. Hij werd niet tot het
gezellige verkeer met hen toegelaten, en bij openbare bijeenkomsten
dwarsboomden zij hem zoo veel mogelijk, en zagen koel en met verachting
op hem neder. Deze afkeer ontstond én uit grondbeginsel én uit
vooroordeel: want de aanzienlijken verachtten hem om zijne lage
geboorte en haatten hem om de middelen, waardoor hij zich tot een
hoogeren stand verheven had. Bij de geringere volksklasse stond hij in
een nog veel slechter naam. Deze menschen wilden hem den titel
„Ellangowan,” die hem door zijne bezittingen toekwam, niet geven en hem
zelfs geen „Mijnheer” Glossin noemen; bij hen heette hij eenvoudig
Glossin. En zijne ijdelheid was zoo ongeloofelijk gekrenkt door deze
kleinigheid, dat hij een bedelaar wel eens een daalder gaf in plaats
van een stuiver, omdat deze hem, bij het vragen om eene aalmoes,
driemaal „Ellangowan” genoemd had. Dit algemeene gebrek aan achting
viel hem nu zeer smartelijk en hij gevoelde dit nog te dieper, wanneer
hij zich bij Mac-Morlan vergeleek, die, ofschoon met veel minder
wereldsche goederen gezegend, zich door rijk en arm bemind en geëerd
zag, en langzaam, maar zeker, den grond tot een matig vermogen legde,
dat hem door niemand, die hem kende, misgund werd.
Maar hoezeer Glossin zich innerlijk ook ergerde over deze vooroordelen
des lands, zoo als hij het gaarne noemen wilde, was hij toch te
verstandig, om hierover openlijk te klagen. Hij gevoelde dat zijne
opkomst nog te nieuw was om vergeven, en de middelen, waardoor hij zich
verheven had, te verfoeielijk waren, om zoo spoedig vergeten te worden.
Maar de tijd, dacht hij, verkleint het wonder en omsluiert de middelen.
Met de sluwheid van iemand, die door het waarnemen van de zwakke zijde
der menschelijke natuur fortuin gemaakt heeft, nam hij zich voor, om
elke gelegenheid aan te grijpen, waarbij hij zelfs hen, die den
grootsten afkeer van hem hadden, van nut kon zijn; vertrouwende dat
zijne eigene bekwaamheden de neiging tot twisten onder de aanzienlijken
van het land, waarbij de raad van een rechtsgeleerde dikwijls
onschatbaar wordt, en duizend andere toevallige omstandigheden, waarvan
hij met geduld en behendigheid partij zou kunnen trekken, hem spoedig
meer invloed en achting bij zijne buren zouden verschaffen.
De aanval op het huis van den kolonel Mannering en Hazlewood’s wonde
schenen Glossin eene gunstige gelegenheid te zijn, om het geheele land
te bewijzen welke gewichtige diensten een werkzaam ambtenaar kon
bewijzen, die én met de wetten, én met de schuilhoeken en gewoonten der
sluikhandelaars bekend is. Dit laatste had hij aan eene vroegere, nauwe
betrekking tot eenige der vermetelste smokkelaars te danken, wier
deelgenoot of raadsman hij dikwijls geweest was, al naar de
omstandigheden zulks vereischten. Hij dacht echter geenszins, dat hij
gevaar zou loopen een ouden vriend, die in staat was wedervergelding
uit te oefenen, door zijne tegenwoordige navorschingen in ongelegenheid
te brengen, daar zijne betrekking tot de smokkelaars sedert
verscheidene jaren niet meer bestond en vele omstandigheden dezen
lieden zelden veroorloofden, hunne rol lang op hetzelfde tooneel te
spelen. Naar zijn gevoelen dus behoefde zijne vroegere deelneming in
dezen sluikhandel hem geenszins terug te houden, om thans van zijne
ondervinding ten beste van het algemeen, of liever om zijne eigene
oogmerken te bevorderen, gebruik te maken. Hij, een man, die reeds
verheugd moest zijn, als men eenige notitie van hem nam, moest het als
eene zaak van geen gering belang beschouwen, de gunst en achting van
den kolonel Mannering te verwerven; en nog gewichtiger was het voor
hem, de genegenheid en bescherming van den ouden Hazlewood, die veel
invloed in het graafschap had, te winnen. En bovendien zou hij, indien
het hem gelukte de schuldigen te ontdekken, te vatten en te doen
vonnissen, de voldoening smaken, Mac-Morlan, die als ondersheriff van
het graafschap eigenlijk met het onderzoek der zaak belast was, te
krenken en waarschijnlijk zelfs eenigermate in de algemeene achting te
doen dalen.
Door zulke verleidelijke beweegredenen aangespoord, en goed bekend met
het personeel der gerechtsdienaren, stelde Glossin alle middelen in het
werk, om zoo mogelijk eenigen van de bende, welke Woodbourne
aangevallen hadden, en hoofdzakelijk hem, door wien de jonge Hazlewood
gekwetst was, te ontdekken en te vatten. Hij loofde groote belooningen
uit, gaf verscheidene plannen en ontwerpen aan de hand, bediende zich
van zijn persoonlijken invloed bij zijne oude kennissen, die den
verboden handel begunstigden, en spiegelde hun met vele drangredenen
voor, dat zij veel beter deden een paar van deze knapen op te offeren,
dan den blaam op zich te laden, dat zij zulke afschuwelijke daden
begunstigden. In het eerst evenwel waren alle zijne pogingen
vruchteloos. Het volk begunstigde of vreesde de smokkelaars te zeer, om
als getuige tegen hen op te treden. Eindelijk echter vernam de ijverige
ambtenaar dat een man, die in kleeding volkomen geleek op den
onbekende, die Hazlewood gewond had, den nacht vôor die ongelukkige
gebeurtenis in de herberg, the Gordon Arms, te Kippletringan zijn
intrek genomen had, Zonder dralen begaf Glossin zich daarheen, ten
einde onze oude kennis, de waardin, vrouw Mac-Candlish, te ondervragen.
De heer Glossin stond bij vrouw Mac-Candlish, om hare eigene
spreekwijze te bezigen, niet best te boek. Zij ontving hem dus zeer
droogjes en volgde hem langzaam en niet dan ongaarne, toen hij haar om
een afzonderlijk onderhoud verzocht, naar de huiskamer.
„Een schoone wintermorgen, niet waar, vrouw Mac-Candlish?” zei Glossin.
„Ja, Mijnheer, het is zeer schoon weer.”
„Ik wilde gaarne weten, of de heeren vrederechters volgens gewoonte, na
de dinsdagsche zitting hier gezamenlijk het middagmaal zullen houden.”
„Ik geloof – ik meen, Mijnheer – als naar gewoonte,” – antwoordde zij
en wilde de kamer verlaten.
„Wacht toch een oogenblik, vrouw Mac-Candlish! wat zijt gij
verschrikkelijk haastig? Ik heb er over gedacht, dat als een vast
gezelschap hier iedere maand eens het middagmaal hield, dat niet
onaardig zou zijn.”
„Zeker niet Mijnheer, wanneer het een gezelschap van fatsoenlijke
heeren is.”
„Ja, ja! Ik bedoel bezitters van landgoederen en aanzienlijke lieden in
het graafschap; ik had wel lust om zoo iets gedaan te krijgen.”
Door een droog kuchje, waarmede de waardin dit voorstel beantwoordde,
wilde zij niet te kennen geven dat het op zich zelf haar mishaagde,
maar alleen dat zij er sterk aan twijfelde, of zoo iets onder de
leiding en bescherming van den voorsteller tot stand zou komen. Het was
geen ontkennend, maar twijfelend kuchje. Dit gevoelde Glossin zeer
goed; maar het paste niet in zijn rol, om zijne gevoeligheid te laten
blijken.
„Zijn er in den laatsten tijd vele reizigers geweest, vrouw
Mac-Candlish? Gij hebt geloof ik steeds overvloed aan gezelschap?”
„Dat gaat wel, Mijnheer! – maar ik meen dat de menschen op mij
wachten.”
„Neen, neen, kunt gij niet een oogenblik blijven om een ouden klant te
verplichten? Herinnert gij u ook nog, dat er verleden week een
bijzonder groot jongmensch een nacht in uw huis doorgebracht heeft?”
„Waarlijk, Mijnheer, dat kan ik niet zeggen. Ik bekommer mij er nooit
over of mijne gasten groot of klein zijn, als zij maar groote
rekeningen maken.”
„En indien zij het niet doen, dan kunt gij het voor hen doen, niet
waar, vrouw Mac-Candlish? Ha, ha, ha! Maar de jongeling, naar wien ik
vraag droeg een donkeren rok met blinkende knoopen, had licht bruin,
ongepoederd haar, blauwe oogen, een rechten neus en reisde te voet,
zonder bediende en zonder koffer of valies. Gij zult u zeker dezen
reiziger herinneren.”
„Wel, Mijnheer! ik kan mijn geheugen met zulke dingen niet bezwaren, Ik
verzeker u, dat er in een huis als dit, meer te doen valt dan te denken
om het haar, de oogen, of den neus van elken reiziger” hernam de
waardin, die geen lust had om hem eenige inlichtingen te geven.
„Dan moet ik u maar ronduit zeggen, vrouw Mac-Candlish, dat deze
persoon van eene zware misdaad verdacht gehouden wordt; en het is ten
gevolge van deze verdenking, dat ik u hierover, als vrederechter,
ondervraag. Zoo gij weigert op mijne vragen te antwoorden, moet ik u
onder eede drijven.”
„Ik heb geene vrijheid om een eed te doen, Mijnheer! Wij behooren tot
de Antiburgher-vergadering. Toen mijn goede man zaliger nog leefde,
hielden wij ons wel aan de heerschende kerk, daar dat, wegens zijn ambt
als gerechtsbode, beter paste; maar, nadat hij naar betere gewesten dan
Kippletringan opgeroepen is, ben ik weder tot den eerwaarden
Mac-Crainer overgegaan. Gij ziet dus, Mijnheer, dat ik niet zweren kan,
zonder er met den predikant over te spreken; vooral niet tegen een
armen jongen bloed, die als vreemdeling en zonder vriend door het land
reist.”
„Ik zal uwe zwarigheden misschien uit den weg ruimen zonder dominé
Mac-Crainer lastig te vallen, als ik u zeg, dat deze knaap, naar wien
ik onderzoek doe, de persoon is, die uw jongen vriend Hazlewood
gekwetst heeft.”
„Lieve hemel! wie zou zoo iets van hem gedacht hebben? Neen, indien het
om schulden, of zelfs om eene vechtpartij met de tolbedienden geweest
was, dan zoudt ge geen woord tot zijn nadeel over mijne lippen gekregen
hebben. Maar als hij wezenlijk op den jongen Hazlewood geschoten heeft
– ik kan het toch niet gelooven, Mijnheer Glossin! het is zeker een
streek van u – ik kan het van dien goeden jongen niet denken; – neen,
neen, dat is juist een van uwe oude streken. Het is er u om te doen, om
hem in handen te krijgen.”
„Ik zie, dat gij geen vertrouwen in mij stelt, vrouw Mac-Candlish. Lees
dan deze verklaringen van de personen, die ooggetuigen van de misdaad
waren, en oordeel zelve, of de beschrijving van den booswicht niet
volkomen op uw gast past.”
Hij overhandigde haar de papieren, welke zij zeer aandachtig doorlas.
Onder dit lezen zette zij meermalen den bril af, om de oogen ten hemel
te heffen, of misschien om er een’ traan uit te wisschen: want de jonge
Hazlewood was een lieveling der goede vrouw. „Wel, wel,” zeide zij,
toen zij met lezen gedaan had, „nu het inderdaad zoo is, geef ik hem
op, dat slechte mensch! Maar hoe kunnen wij stervelingen toch dwalen!
Ik heb nooit een gelaat gezien dat mij beter beviel, zóo zacht, zóo
vriendelijk! Ik dacht dat het een fatsoenlijk man was, die zich in
ongelegenheid bevond. Maar ik geef hem op den booswicht! – Op den
jongen Hazlewood te schieten, en dat voor de oogen van de jonge dames,
die arme onschuldige schapen! – Ja, ik geef hem op!”
„Gij stemt dus toe dat zulk een persoon den nacht vóor die
afschuwelijke daad hier gelogeerd heeft?”
„Ja, dat is wel het geval Mijnheer! en alle menschen in huis waren met
hem ingenomen, zoo vroolijk en rondborstig was hij. Het was zeker niet
om de verteering die hij maakte, want hij heeft niets gebruikt dan een
stukje koud vleesch met een glas bier en een paar glazen wijn, geloof
ik. Ik heb hem ook nog verzocht om thee met mij te drinken en dat niet
in rekening gebracht. Ook heeft hij des avonds niet gegeten; hij zeide
dat hij dood moede was, omdat hij den geheelen vorigen nacht onderweg
geweest was. Wie weet, op welken rooftocht hij toen uit geweest is!”
„Hebt gij bij geval zijn naam ook vernomen?”
„Ja zeker heb ik dat. Hij zeide dat er waarschijnlijk een oude vrouw,
die er als eene Heidin uitzag, naar hem zou vragen. – Ja, ja, soort
zoekt soort; daar men meê verkeert, daar wordt men meê geëerd; die
schelm! – Toen hij ’s morgens vroeg wegging, betaalde hij eerlijk zijne
rekening en gaf eene fooi aan de meid. Die verdient ook niets bij mij
dan twee paar schoenen in het jaar en de fooitjes, die zij zoo nu en
dan krijgt.”
Hier vond Glossin het wenschelijk de woordenvloed der waardin te
beteugelen en haar op het gewichtige punt, van hun gesprek terug te
brengen.
„Nu dan,” dus begon de waardin haar verhaal weder, „nu dan! Hij zeide
als er zulk een persoon naar Mijnheer Brown komt vragen, dan moet gij
zeggen, dat ik naar het meer Creeran, zoo als gij het noemt, gegaan ben
om de schaatsenrijders te zien, en dat ik tegen den middag weder
terugkom. Maar hij is niet teruggekomen. Ik verwachtte hem zoo vast,
dat ik zelve een kip voor hem gebraden had, en dat is anders mijn
gewoonte niet, Mijnheer Glossin! Hoe weinig dacht ik er aan, dat hij
met zulk een boos opzet heengegaan was – dien goeden, onschuldigen
jongen Hazlewood neer te schieten!”
Nadat de heer Glossin als een voorzichtig rechtsgeleerde zijne getuige
behoorlijk tijd gelaten had, om aan hare verbazing en verontwaardiging
lucht te geven, begon hij te vragen of de verdachte persoon ook eenige
goederen of papieren in de herberg achtergelaten had.
„O ja, hij heeft mij een pakje, een klein pakje in bewaring gegeven.
Ook gaf hij mij wat geld en verzocht mij hem daarvoor een half dozijn
overhemden te laten maken. Peg Pawley is er thans juist mede bezig. –
Laat hij ze aan doen, als hij den gang naar de galg doet, die
booswicht!”
Glossin wenschte nu het pakje te zien, maar hier aarzelde de waardin.
Zij wilde niet zeggen dat de gerechtigheid haren vrijen loop niet moest
hebben, evenwel, wanneer iemand iets aan een ander toevertrouwde, was
deze er ook zonder twijfel verantwoordelijk voor. Maar zij wilde den
diaken Bearcliff roepen, en indien Mijnheer Glossin dan ten overstaan
van den diaken eene lijst van de goederen verkoos op te maken en haar
een bewijs wilde geven, dat hij ze van haar ontvangen had, of wat zij
nog veel liever had, als die verzegeld en in handen van den diaken
Bearcliff gesteld kon worden, dan kon zij volkomen gerust zijn. Zij was
nergens meer voor, dan voor gerechtigheid aan alle kanten.
Toen Glossin zag dat de natuurlijke scherpzinnigheid en het door
ondervinding gescherpte wantrouwen dezer vrouw onverzettelijk waren,
zond hij om den diaken Bearcliff, om met hem over den booswicht, die
den heer Charles Hazlewood gekwetst had, te spreken. Bearcliff
verscheen op het verzoek van den vrederechter zoo haastig, dat hij zich
niet eens den tijd gegund had, om zijne paruik, tegen welke hij de muts
waarmede hij zijne klanten gewoonlijk bediende verwisseld had, recht te
zetten. Vrouw Mac-Candlish haalde hierop het pakje, dat Brown haar in
bewaring gegeven had, te voorschijn.
Men vond er de beurs van de Heidin in. Bij het gezicht van den
gemengden maar zeer kostbaren inhoud er van, verheugde de waardin zich
over hare genomene voorzorgen, vóor dat zij ze aan Glossin overgaf,
terwijl hij met een schijn van belanglooze kieschheid de eerste was,
die het voorstel deed, om de goederen behoorlijk op te schrijven en ze
aan den diaken Bearcliff ter hand te stellen, tot dat ze van rechtswege
opgevorderd zouden worden. „Hij wilde niet gaarne persoonlijk
verantwoordelijk zijn” zeide hij, „voor zaken die zulk eene
aanzienlijke waarde schenen te hebben en zonder twijfel door de
verfoeielijkste middelen verworven waren.”
Hij bekeek vervolgens het papier waarin de beurs gewikkeld geweest was.
Het was de achterzijde van een brief aan den heer V. Brown, maar het
overige van het opschrift was weggescheurd. De waardin, die thans, daar
de gemengde en kostbare inhoud van de beurs haar genoegzaam scheen te
bewijzen, dat alles niet was zoo als het behoorde, even gaarne licht
over de vlucht van den misdadiger wilde verspreiden, als zij ze vroeger
zocht te bedekken – de waardin verklaarde verder aan Glossin, dat haar
postiljon en haar stalknecht beiden den vreemdeling op denzelfden dag,
waarop de jonge Hazlewood gekwetst was, op het ijs gezien hadden.
Onze oude bekende, Hans Jabos, werd het eerst geroepen en verklaarde
rondborstig, dat hij dien morgen op het ijs een vreemdeling gezien en
gesproken had, die, zoo als hij hoorde, den vorigen nacht in the Gordon
Arms gelogeerd had.
„Welke wending nam uw gesprek?” vroeg Glossin.
„Wending? wij maakten geheel geene wending, maar gingen rechtuit op het
ijs.”
„Maar waarover spraakt gij? meen ik.”
„Waarover? hij deed juist zulke vragen als ieder vreemdeling gewoonlijk
doet.”
„Waarnaar vroeg hij dan?”
„Wel, naar het volk dat op het ijs aan het spelen was, naar den ouden
Jock Stevenson, naar de dames en zoo al verder.”
„Naar welke dames, Hans? en wat vroeg hij omtrent haar?”
„Welke dames? Het waren de dames Julia Mannering en Lucie Bertram, die
gij zelf zeer goed kent, Mijnheer Glossin! Zij wandelden met den jongen
heer van Hazlewood op het ijs.”
„En wat hebt gij hem van haar gezegd?”
„Wij zeiden hem: de eene was juffrouw Lucie Bertram, die, naar men
zegt, eens een groot landgoed in onze streek bezeten heeft, en de
andere juffrouw Julia Mannering, die met den jongen Hazlewood zou
trouwen. Zie maar eens, hoe zij aan zijn arm hangt. – Wij spraken er
met hem over, zoo als wij landlieden gewoon zijn. Het was een zeer
flinke man, zoo zonder komplimenten.”
„Nu, wat antwoordde hij hierop?”
„Hij keek de jonge dames scherp aan en vroeg, of het huwelijk tusschen
juffrouw Mannering en den jongen Hazlewood zeker voltrokken zou worden?
Ik antwoordde hem, dat het stellig en uitgemaakt zeker was, zoo als ik
ook met recht zeggen kon: want mijne nicht Johanna Clavers (zij is ook
met u vermaagschapt, Mijnheer Glossin, gij kent haar ook sedert lang)
is eene bloedverwante van de huishoudster te Woodbourne en heeft mij
meer dan eens gezegd, dat het heel waarschijnlijk was.”
„En wat zei de vreemdeling, toen gij hem dit alles verhaaldet?”
„Zeggen? hij zei geen woord. Hij keek hen aan, terwijl zij het meer
rondwandelden, als of hij hen opeten wilde. Hij wendde geen oog van hen
af, en zei geen enkel woord meer, ofschoon het zoo buitengemeen
vroolijk bij het spel toeging. Hij keerde zich om, verliet het meer,
ging langs het kerkpad in het Woodbourner dennenbosch en wij zagen
niets meer van hem.”
„Denk eens,” zei vrouw Mac-Candlish, „welk een steenen hart hij gehad
moet hebben, dat het bij hem opkomen kon, den armen jongen voor de
oogen van de dame, met wie hij huwen zou, aan te vallen.”
„Soortgelijke gevallen worden er wel meer in de gerechtelijke akten
gevonden, vrouw Mac-Candlish!” hernam Glossin. „Hij wilde zich zonder
twijfel wreken, waar de wraak het scherpst treft en het zoetst is.”
„God beware ons!” riep de diaken Bearcliff, „wat zijn wij toch arme,
zwakke schepsels, als wij aan ons zelven overgelaten zijn! Hij dacht
niet aan hem, die gezegd heeft: de wraak komt mij toe; ik zal het
vergelden.”
„Hoort eens, Mijne Heeren,” zei Hans, die met zijne onbeschaafde
sluwheid het spoor van het wild scheen te vinden, terwijl anderen in de
struiken klopten, „hoort eens! gij kondet het hier allen toch wel eens
mis hebben. Ik kan me volstrekt niet verbeelden, dat iemand het plan
zou maken, om een’ ander’ met diens eigen geweer, dat hij hem eerst
afnemen moest, dood te schieten. De hemel beware ons! ik ben zelf ginds
op het eiland onder-boschwachter geweest en ik houd staande, dat, als
de grootste en sterkste man uit Schotland mij een geweer ontnemen
wilde, ik hem vroeg genoeg den kogel door het lijf zou jagen, ofschoon
ik maar een klein zwak ventje ben, dat nergens goed toe is, dan om op
den zadel of den bok van een wagen te zitten; – neen, neen, zoo iets
zou geen verstandig mensch wagen! Ik verwed er mijn besten broek op, en
ik heb die op de Kirkudbrighter jaarmarkt eerst nieuw gekocht, dat het
een ongelukkig toeval geweest is. Maar als gij mij niets meer te zeggen
hebt, moest ik, dunkt mij, heengaan, om mijne paarden te voêren.” En
met deze woorden verliet Hans het vertrek.
De verklaring van den stalknecht, die hem vergezeld had, kwam met de
zijne volkomen overeen. Glossin vroeg hierop weder, of Brown op dien
ongelukkigen morgen ook wapens bij zich gehad had? Het antwoord was:
„geene andere, dan eene gewone kleine sabel of houwer.”
„Inderdaad,” zei de diaken, terwijl hij Glossin vertrouwelijk bij een
roksknoop trok (door ingespannen nadenken over deze ingewikkelde zaak
had hij den nieuw verkregen rang van den vrederechter vergeten),
„inderdaad, alles wel overwogen, komt mij het geval zeer twijfelachtig
voor, meester Gilbert, – want het is volstrekt niet waarschijnlijk, dat
hij met zulk een ellendig wapen er op uit gaan zou om te vechten.”
Glossin maakte zich uit de handen van Bearcliff los en ontweek alle
verdere verklaring, maar alles op zachte en vriendelijke wijze: want er
lag hem thans veel aan gelegen, om allerhande menschen gunstig voor hem
te stemmen. Hij vroeg naar den prijs van thee en suiker, en liet zich
eenige woorden ontvallen, als of hij een voorraad voor het geheele jaar
wilde opdoen. Hij gaf vrouw Mac-Candlish bevel, om een goed middagmaal
in gereedheid te hebben voor een gezelschap van vijf vrienden, die hij
op Zaterdag over acht dagen in the Gordon Arms ten eten wilde
verzoeken, en tot slot gaf hij Hans Jabos, die, in plaats van den
stalknecht, zijn paard vasthield, een daalder.
„Wel,” zei Bearcliff tegen de waardin, terwijl hij een glaasje bitter
dronk, dat zij hem aanbood, „ik moet zeggen dat de duivel niet zoo
leelijk is, als hij uitgeschilderd wordt. Men moet zich verheugen, dat
iemand zich de belangen van het land zoo aantrekt, als Mijnheer Glossin
doet.”
„Daaraan hebt gij wel gelijk, diaken!” antwoordde de waardin, „en toch
verwondert het mij, dat onze heeren hier hunne zaken aan zoo iemand
overlaten. Maar zoo lang een stuk geld gangbaar is, moet men niet al te
nauwkeurig toezien, welk koningsbeeld er op staat.”
„Ik geloof, dat Glossin er ten laatste nog slecht afkomen zal,” bromde
Hans, terwijl hij de schenktafel voorbijging; „maar dit is toch goede
munt!”