’t Is me een schoone wereld!
– Weet gij van dit fraaie stuk wat af?
Shakspeare.
Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.
„Ik vat den draad van mijn verhaal, dat ik gisteren moest afbreken,
weder op.
„Gedurende een paar dagen spraken wij van niets anders, dan van de
belegering en de waarschijnlijke gevolgen daarvan. Wij drongen er bij
mijn vader sterk op aan, om ons voor eenigen tijd naar Edinburg of ten
minste naar Dumfries, waar het gezellig verkeer ook bijzonder goed is,
te begeven, tot de wraakzucht van de booswichten verkoeld zou zijn. Hij
antwoordde zeer bedaard, dat hij geen lust had, om het huis, dat hij
gehuurd had, en zijne bezittingen te Woodbourne te laten verwoesten;
dat men hem steeds in staat geoordeeld had, de noodige maatregelen tot
bescherming en beveiliging van zijne familie te nemen; dat hij begreep,
dat de wijze, waarop de schelmen ontvangen waren, hen tot geen tweede
bezoek zou uitlokken, als hij gerust te huis bleef. Indien hij echter
eenige vrees liet blijken, zou dit juist het beste middel zijn, om ons
het gevaar waarvoor wij vreesden, werkelijk op den hals te halen.
Bemoedigd door zijne woorden en de volkomene onverschilligheid,
waarmede hij het vermeende gevaar behandelde, verminderde onze vrees
langzamerhand en begonnen wij onze gewone wandelingen weder. Soms
verzochten wij echter de heeren om hun geweren mede te nemen, als zij
ons vergezelden, en ik bemerkte, dat mijn vader, gedurende eenige
avonden, er bijzonder scherp op lette, dat het huis goed gesloten was,
en den dienstboden beval, hunne wapenen gereed te houden in geval van
nood.
Drie dagen later gebeurde er echter iets, dat mij veel grooter schrik
aanjoeg, dan de aanval van de smokkelaars.
„Ik heb u reeds gezegd, dat er niet ver van Woodbourne een meertje
ligt, waarheen de heeren soms gaan om watervogels te schieten. Ik zei
toevallig bij het ontbijt, dat ik dit meer thans gaarne eens wilde
zien, terwijl het dicht gevroren was en tot verzamelplaats voor
liefhebbers van schaatssenrijden en andere ijsvermaken diende. De grond
was wel met sneeuw bedekt, maar zoo hard bevroren en het voetpad, door
den grooten toevloed van menschen, die het oord tot tijdverdrijf
bezochten, zoo vast getreden, dat Lucie en ik, naar mijn gevoelen, deze
wandeling gerust konden ondernemen. Hazlewood bood zich aan, om ons te
vergezellen, en wij bedongen, dat hij zijn jachtgeweer zoude medenemen.
Hij lachte hartelijk over het denkbeeld van in de sneeuw op de jacht te
gaan, maar beval toch, om ons gerust te stellen, een stalknecht, die
soms den post van jager waarneemt, ons met zijn geweer te volgen. Mijn
vader, die niet van groote volksverzamelingen houdt behalve bij eene
wapenschouwing, verkoos niet van de partij te zijn.
„Wij begaven ons zeer vroeg op weg. Het was een koude, maar zeer
schoone en heldere morgen, en onze opgeruimdheid werd vermeerderd, even
als onze zenuwen versterkt werden door de zuivere lucht. Onze wandeling
naar het meer was bekoorlijk, of ten minste waren de moeielijkheden van
zulken aard, dat ze ons vermaakten. Soms was er eene gladde helling of
eene dicht gevroren sloot, waarover wij moesten, waarbij Hazlewood’s
hulp dan volstrekt onontbeerlijk was; en ik geloof niet, dat deze
toevallige hindernissen de wandeling minder aangenaam voor Lucie
maakten.
„Het gezicht op het meer was verrukkelijk. Aan de eene zijde wordt het
ingesloten door steile rotsen, waaraan ontelbare, geweldige ijskegels
hingen, die als juweelen in de zon schitterden; aan de andere zijde was
een boschje van pijnboomen, welker witbesneeuwde takken een treffend
gezicht opleverden. Op het met ijs bedekte meer zelf bewogen zich
ontelbare gestalten; sommigen vlogen met de snelheid der zwaluwen over
de gladde oppervlakte; anderen bewogen zich in sierlijke kringen, en
nog anderen stonden vol belangstelling rondom de plaats, waar de
bewoners van twee naburige dorpen in het balspel naar den prijs dongen
– eene eer, welke, naar de belangstelling zoo wel der omstanders als
der medespelers te oordeelen, op geen geringen prijs gesteld werd. Wij
wandelden aan den arm van Hazlewood rondom het meer. Hij sprak zeer
vriendelijk met oud en jong en scheen, met recht, zeer bemind bij de
menigte te zijn. Eindelijk begonnen wij aan terugkeeren te denken.
„Maar, waarom schrijf ik u alle deze kleinigheden? Niet omdat ik ze zoo
belangrijk vind, neen, de hemel weet het, maar omdat ik als drenkeling,
die naar een broos takje grijpt, om zich vast te houden, alles aanvat
om het volgende en verschrikkelijke gedeelte van mijn verhaal uit te
stellen. Maar ik moet het u mededeelen; ik moet in dit hartverscheurend
ongeluk door de deelneming van ten minste ééne vriendin getroost
worden.
„Wij gingen langs een voetpad, dat door een dennenboschje loopt, terug.
Lucie had Hazlewood’s arm los gelaten: want alleen bij dringende
noodzakelijkheid neemt zij zijn bijstand aan. Ik leunde nog op zijnen
anderen arm. Lucie volgde dicht achter ons en de knecht bleef een paar
schreden achter. Zoo wandelden wij welgemoed naar huis, toen bij eene
kleine kronkeling in het pad, plotselings Brown, alsof hij uit de aarde
opgestegen was, voor ons stond. Hij was eenvoudig, ja, ik mag zeggen
slecht gekleed, en er was in zijn geheel voorkomen iets woests en
gejaagds. Half van verrassing, half van schrik, gaf ik een gil.
Hazlewood begreep de reden van mijne ontroering niet en beval Brown,
toen deze naar mij toekwam alsof hij mij aanspreken wilde, op hoogen
toon, zich te verwijderen en mij niet te verontrusten. Brown antwoordde
even trotsch, dat hij van hem niet behoefde noch verlangde te leeren,
hoe hij zich jegens dames gedragen moest. Ik geloof dat Hazlewood, met
het denkbeeld bezield dat Brown tot de bende smokkelaars behoorde en
een kwaad oogmerk had, hem niet verstond. Hij rukte den knecht, die op
dit oogenblik naast hem stond, het geweer uit de hand, legde op Brown
aan en beval hem nogmaals zich te verwijderen, als hij zijn leven lief
had. Ik kon van schrik geene samenhangende woorden uitbrengen: ik kon
niets dan angstig gillen, en verhaastte daardoor slechts de ongelukkige
ontknooping. Toen Brown zich dus bedreigd zag, sprong hij op Hazlewood
toe, worstelde met hem en had hem bijna het geladen geweer ontwrongen,
toen het ongelukkig losging en Hazlewood in den schouder trof. Deze
viel oogenblikkelijk. Ik zag niets meer; alles schemerde mij voor de
oogen en ik zeeg onmachtig neder. Maar zoo als Lucie mij naderhand
verhaalde, staarde de ongelukkige dader eenige oogenblikken op het
verschrikkelijke schouwspel, tot haar angstig gegil op het meer gehoord
werd en verscheidene menschen kwamen toesnellen. Toen sprong hij over
de heg, die het voetpad van het bosch afscheidde, en tot nog toe heeft
men niets meer van hem gehoord. De knecht deed geene poging om hem
terug te houden of te vatten, en het verhaal dat hij de lieden die
toegeschoten waren van de geheele zaak deed, was eerder geschikt om hen
te bewegen mij in het leven terug te roepen, dan hun moed te toonen
door het vervolgen van een vermetelen booswicht, die naar de
beschrijving van den knecht, eene verbazende lichaamskracht bezat en
zwaar gewapend was.
„Hazlewood werd veilig naar huis, namelijk naar Woodbourne, gebracht.
Ik vertrouw dat zijne wond in het geheel niet gevaarlijk is, ofschoon
hij veel lijdt. Voor Brown moeten de gevolgen evenwel zeer ongelukkig
zijn. Hij is buitendien reeds een voorwerp der verbittering van mijn
vader, en nu wordt hij zoo wel door de wetten des lands als door de
bittere wraak van den ouden Hazlewood vervolgd, die dreigt hemel en
aarde te bewegen om den dader te doen vatten. Hoe zal het hem mogelijk
zijn, aan de ijverige nasporingen van zijne wraakzuchtige vervolgers te
ontsnappen? Hoe zal hij zich, indien hij gevat wordt, tegen de
gestrengheid der wetten kunnen verdedigen, die, zooals ik gehoord heb,
zelfs zijn leven bedreigen, en hoe zal ik middelen vinden om hem voor
deze gevaren te waarschuwen? Bovendien bedroeft Lucie’s slecht
verborgen kommer over de wond van haren beminde mij ook ten hoogste, en
zoo schijnt alles rondom mij te getuigen tegen den onbezonnene, die de
oorzaak van dit ongeluk is.
„Ik ben twee dagen lang wezenlijk erg ziek geweest; maar het bericht
dat Hazlewood aan het beteren en er volstrekt geen spoor te vinden was
van den man, die op hem geschoten had, en die, zoo als men zeker wist,
tot de smokkelaars behoorde, had een heilzamen invloed op mijne
gezondheid. Brown kan natuurlijk des te gemakkelijker ontsnappen, daar
alleen deze lieden nu verdacht en vervolgd worden, en ik hoop dat hij
reeds in veiligheid zal zijn. Maar ruiters en soldaten doorkruisen het
land in alle richtingen, en ik word onophoudelijk gepijnigd door
duizenderlei verwarde en onzekere geruchten van gevangennemingen en
ontdekkingen.
„Ik schep nochtans mijn’ grootsten troost in Hazlewood’s edelmoedige
oprechtheid. Hij volhardt bij zijne verklaring dat, met welk oogmerk de
persoon die hem gewond heeft ons ook genaderd moge zijn, hij stellig
overtuigd is dat het geweer onder de worsteling bij toeval losgegaan en
de wond hem niet voorbedachtelijk toegebracht is. De knecht houdt
daarentegen staande, dat het geweer uit Hazlewood’s handen gewrongen en
opzettelijk op hem aangelogd was. Lucie helt tot hetzelfde gevoelen
over. Ik beschuldig hen niet, dat zij de zaak met voordracht
overdrijven. Het bewijst alleen hoe onzeker alle menschelijke
getuigenis is: want het is zonder eenigen twijfel, dat het schot
toevallig was. Misschien zou het beste zijn, dat ik Hazlewood het
geheele geheim ontdekte; maar hij is nog zeer jong en ik gevoel den
hevigsten weerzin, om hem mijne dwaasheid te bekennen. Ik heb reeds
eenmaal het voornemen gehad om Lucie het geheim te openbaren, en begon
met haar te vragen wat zij zich van de gestalte en de gelaatstrekken
van den man, met wien wij zulk eene ongelukkige ontmoeting hadden
gehad, herinnerde? maar zij gaf eene afzichtelijke beschrijving van een
struikroover, dat ik allen moed en allen lust verloor om haar tot de
vertrouwde van mijne liefde te maken. Ik moet zeggen dat Lucie Bertram
in hare vooringenomenheid wonderbaarlijk verblind is geweest, want er
zijn weinige mannen schooner dan de arme Brown. Ik had hem sedert lang
niet gezien, maar ofschoon hij zich bij deze zonderlinge en plotselinge
verschijning in een zeer ongunstig licht vertoonde, komt het mij voor
dat zijne gestalte nog bevalliger en zijn gelaat nog edeler geworden
is.
„Zullen wij elkander ooit wederzien? Wie kan deze vraag
beantwoorden?... Schrijf mij iets hartelijks, liefste Mathilda! Maar
deedt gij ooit anders? Nog eens, schrijf mij spoedig en schrijf mij
hartelijk! Ik ben in geen toestand, waarin raad of berisping mij van
dienst kan zijn, en ik heb te veel van mijne gewone vroolijkheid
verloren, om ze met scherts te beantwoorden. Ik ben angstig als een
kind, dat onder het spelen onwetend een machtig werktuig in beweging
gebracht heeft en nu, terwijl het de raderen rondom zich ziet rollen,
de ketenen hoort rammelen en de cilinders wentelen, ten uiterste
verbaasd is over de verschrikkelijke krachten, die het met zijne zwakke
hand aan het werk gebracht heeft, en voor de gevolgen siddert, welke
het moet afwachten, zonder ze te kunnen afwenden.
„Ik moet u nog melden, dat mijn vader zeer vriendelijk en liefderijk
jegens mij is. De angst, dien ik uitgestaan heb, is eene geldige
verontschuldiging voor mijne klachten over zenuwachtigheid. Ik hoop,
dat Brown naar Engeland, of anders naar Ierland of het eiland Man
ontsnapt is. Hij kan dan geduldig en veilig afwachten, welke gevolgen
de wond van Hazlewood heeft: want die landen staan, wat de
rechtspleging aangaat, met Schotland, God dank! in geene zeer nauwe
gemeenschap. Indien men hem op dit oogenblik in handen kreeg, zouden de
gevolgen verschrikkelijk zijn. Ik zoek mij door allerlei argumenten
tegen de mogelijkheid van zulk een ongeluk te versterken. Helaas! hoe
schielijk hebben wezenlijke en ernstige rampen en bekommeringen het
eentonige en geruste leven, waartegen ik nog onlangs geneigd was te
morren, opgevolgd! Maar ik wil u met mijne klachten niet langer lastig
vallen. Vaarwel, waarde Mathilda!
Julia Mannering.”