DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Een mensch, die gelooft dat de dood niet

vreeselijker is dan een dronkemansroes, –

die zorgloos, roekeloos is en zich om het

verledene, het tegenwoordige en hetgeen

nog komen moet niet bekommert, – die

ongevoeliger is voor de onsterfelijkheid

en wanhopig sterfelijk blijft.”

Maat om maat.

Glossin had de berichten, welke hij ingewonnen had, zorgvuldig

opgeteekend. Ze verspreidden hem weinig licht over de gebeurtenissen;

maar de beter onderrichte lezer is, door zijn onderzoek, bekend

geworden met het wedervaren van Brown, sedert wij hem op zijne

wandeling naar Kippletringan uit het oog verloren hebben tot aan het

oogenblik, dat hij door ijverzucht aangedreven, zich zoo onverwacht en

ongelukkig aan Julia Mannering vertoonde en de strijd, door zijne

verschijning veroorzaakt, bijna zulk een noodlottig einde had genomen.

Glossin reed, peinzende over hetgene hij vernomen had, langzaam naar

Ellangowan terug en werd hoe langer zoo meer overtuigd, dat hij door

krachtdadig en, zoo mogelijk, voorspoedig deze geheimzinnige zaak uit

te vorschen, zulk eene gunstige gelegenheid had, om zich de gunst van

Hazlewood en Mannering te verwerven, dat hij ze volstrekt niet

verwaarloozen mocht. Misschien gevoelde hij ook dat, om den naam van

een ijverig en scherpzinnig ambtenaar te verdienen, er voor hem veel

aan gelegen lag, zijne pogingen met een gelukkig gevolg bekroond te

zien. Zeer verheugd was hij dus, toen zijne bedienden hem bij zijne

tehuiskomst met veel ophef berichtten, dat de gerechtsdienaar

Mac-Guffog en een paar zijner makkers een man gevat hadden en met den

gevangene in de keuken op hem wachtten.

Hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, snelde in huis en beval

eenen bediende: „Laat mijn klerk dadelijk komen; hij zit in het groene

kamertje te schrijven. Breng alles in mijn studeervertrek in orde;

plaats de groote lederen stoel bij de schrijftafel en zet een stoel

voor Mijnheer Scrow. – Scrow!” (tegen den klerk, toen deze binnentrad)

„krijg het werk van Sir George Mackenzie over crimineele misdaden: sla

de afdeeling Vis Publica et Privata op en leg eene vouw bij de plaats

over het dragen van verboden wapens. Help mij mijn jas uittrekken en

hang die in de kleerkast op. Laat nu den gevangene binnenbrengen: ik

denk, dat ik het wel met hem zal klaren. Maar neen; laat Mac-Guffog

eerst bovenkomen. – Nu, Mac-Guffog! waar hebt gij dezen knaap

opgedaan?”

Mac-Guffog, een forsche kerel met kromme beenen, een’ hals als een

stier, een echt gauwdievengezicht en geweldig scheel ziende met het

linkeroog, begon, na vele lompe buigingen voor den vrederechter, zijn

verhaal, dat hij met sluwe knikjes en veelbeteekenende wenken, die eene

groote gemeenzaamheid tusschen den verhaler en zijn voornaamsten

toehoorder schenen te verraden, vergezeld deed gaan. „Hoor eens,

Mijnheer, ik ging naar de plaats, die ge wel weet, waar die vrouw

woont, die gij wel kent, ginds aan het strand. – „Wat komt gij hier

doen?” zeide zij. „Ge komt zeker van Ellangowan om hier iemand op te

halen?”

„Hoe drommel zou dit kunnen gebeuren?” zei ik. „Ge weet zelve, dat in

vroegere dagen Mijnheer met –”

„Genoeg, genoeg! treed niet in bijzonderheden; maar vertel mij de

hoofdzaak.”

„Nu dan, terwijl wij over den brandewijn zaten te praten, welken ik

beweerde noodig te hebben, kwam hij binnen.”

„Wie is hij?” vroeg de vrederechter.

„Die daar,” antwoordde Mac-Guffog en wees naar de keuken, waar de

gevangene bewaakt werd. „Hij had zijn mantel dicht omgeslagen en ik

begreep wel, dat hij goed gewapend was. Ik dacht dus, dat het best was,

eerst maar heel vriendelijk met hem te praten; en ik zag, dat hij

geloofde dat ik een van het handwerk was, en dat ik van het eiland Man

kwam, en ik plaatste mij tusschen hem en haar in, uit vrees dat zij hem

een wenk mocht geven. Wij begonnen met elkander te drinken en nu wedde

ik, dat hij geen mutsje Hollandsche jenever in ééne teug kon

uitdrinken. Hij deed het en toen kwamen Jock en Dick Spurem

toeschieten. Wij knevelden hem en namen hem gevangen, zoo gemakkelijk

als een lam. Hij heeft nu uitgeslapen en is zoo frisch als een bloem,

en zeer goed in staat, om de vragen te beantwoorden, welke gij hem zult

verkiezen te doen.”

Dit verhaal, dat door vele wonderlijke gebaren vergezeld ging,

verschafte den verhaler den lof en dank, welke hij scheen te

verwachten.

„Had hij geene wapens?” vroeg de rechter.

„Zeer zeker; zulke lieden zijn nooit zonder pistolen en dolken.”

„Ook papieren?”

„Dit pakje,” antwoordde Mac-Guffog en overhandigde den rechter een

morsig zakboek.

„Wacht nu buiten de deur en zend den gevangene hier.”

Mac-Guffog verliet het vertrek. Weldra hoorde men het rammelen van

ketenen op den trap, en na eenige oogenblikken werd er een dik,

gespierd man geboeid binnen gebracht, die, ofschoon zijn grijs haar een

reeds vrij ver gevorderden leeftijd aanduidde en hij niet groot van

gestalte was, nochtans zoo sterk scheen, dat slechts weinigen een

worstelstrijd met hem zouden hebben durven ondernemen. Zijn ruw en

norsch gelaat droeg nog steeds de sporen van den roes, waaraan hij

zijne gevangenneming te danken had, maar de korte slaap, welken

Mac-Guffog hem vergund had, en meer nog de gedachte aan het gevaarvolle

van zijn toestand hadden hem zijne volkomene bezinning weder gegeven.

De waardige rechter en de niet minder achtenswaardige gevangene keken

elkander eene geruime poos onbewegelijk aan, zonder één woord te

spreken. Glossin herkende blijkbaar den gevangene, maar scheen

verlegen, hoe hij zijn onderzoek inrichten zou. Eindelijk brak hij het

stilzwijgen af en zeide: „Wel, kapitein! zijt gij het? gij hebt deze

kust sedert eenige jaren weinig bezocht.”

„Weinig bezocht?” hernam de gevangene. „Dat wil ik wel gelooven. Ik ben

hier geheel vreemd. De duivel hale mij, zoo ik ooit te voren hier

geweest ben.”

„Dat gaat zoo niet door, kapitein!”

„Wat drommel! Dat moet doorgaan, Mijnheer de vrederechter!”

„En hoe verkiest gij u thans te noemen?” hernam Glossin, „of moet ik

eenige lieden laten komen, die u helpen, om u te herinneren wie gij

zijt, of, ten minste, wie gij voorheen waart?”

„Wie ik ben? wat bliksem! ik ben Jan Janson van Cuxhaven. Wie zou ik

anders zijn?”

Glossin nam uit eene kast een paar kleine zakpistolen, welke hij met

eene in het oogvallende zorgvuldigheid laadde, en zei toen tegen zijn

klerk: „Scrow, gij kunt met de anderen weggaan, maar blijf in het

spreekkamertje, zoo dat ik u beroepen kan.”

Scrow scheen eenige bedenkingen te willen maken over het gevaar van met

zulk een verschrikkelijk, ofschoon in ketenen geboeid mensch alleen te

blijven; maar Glossin wenkte hem ongeduldig met de hand, dat hij

vertrekken zou.

Toen hij de kamer verlaten had, wandelde Glossin het vertrek een paar

malen op en neder, plaatste daarop zijn stoel vlak tegenover den

gevangene, zag hem scherp aan, legde zijne pistolen met gespannen haan

voor zich en zeide met vaste stem; „Gij zijt Dirk Hatteraick van

Vlissingen; is het niet zoo?”

De gevangene zag als onwillekeurig naar de deur, alsof hij vreesde dat

iemand luisterde. Glossin stond op en opende de deur, zoo dat de

gevangene zich met eigen oogen overtuigen kon, dat geen menschelijk oor

hen hooren kon; sloot ze vervolgens weder, ging weder op zijne plaats

zitten en herhaalde zijne vraag: „Gij zijt Dirk Hatteraick, voorheen

kapitein van het schip Juffer Haagenslaapen, niet waar?”

„Duizend duivels! als gij dat weet, waarom vraagt gij het dan?”

„Omdat het mij verwondert u op eene plaats te zien, waar gij, indien

uwe veiligheid u lief is, het allerminst behoordet te wezen.”

„Wat duivel! hij, die zoo tegen mij spreekt, vergeet zijne eigene

veiligheid!”

„Hoe? ongewapend en in boeien! mooi gesproken, kapitein! Maar zwetsen

helpt hier niet. Men zal u hier bezwaarlijk laten vertrekken, vóor dat

gij rekenschap van zeker voorval geeft, dat voor eenige jaren bij kaap

Warroch heeft plaats gehad.”

Hatteraick keek zoo somber als de nacht.

„Ik voor mij,” vervolgde Glossin „wensch geenszins hard jegens een

ouden bekende te handelen; maar ik moet mijn plicht doen. Ik zal u dus,

heden nog, met een rijtuig naar Edinburg laten brengen.”

„De drommel! dat zult gij niet doen. Hebt gij niet de halve waarde van

eene geheele lading in wissels op van Beest van Bruggen ontvangen?”

„Het is reeds zoo lang geleden, kapitein Hatteraick, dat ik waarlijk

vergeten heb, wat ik voor mijne moeite ontving.”

„Uwe moeite? uw stilzwijgen, meent gij!”

„Dat was eene zaak, die mijn beroep betrof, en ik heb, sedert eenigen

tijd, mijne zaken neergelegd.”

„’t Kan zijn. Ik geloof echter, dat ik u weder aan de oude zaken kan

doen denken. Ja, man! de duivel hale mij, als ik u niet een bezoek

brengen wilde, alleen om u iets te zeggen, daar gij groot belang bij

hebt.”

„Van den knaap?” vroeg Glossin met drift.

„Ja, Mijnheer!”

„Hij leeft toch niet meer? niet waar?”

„Ja, hij leeft even goed als gij of ik.”

„Goede God! – maar toch in Indië?”

„Neen, voor den duivel! hier, op uwe ellendige kust,” hernam de

gevangene.

„Maar, Hatteraick, als dit waar is (wat ik toch niet geloof), zal het

ons beiden in het verderf storten. Hij zal zich zeker de poets, die gij

hem gespoeld hebt, nog wel herinneren en voor mij zal het ook de ergste

gevolgen hebben. Ik zeg u nog eens, het zal ons beiden in het verderf

storten.”

„En ik u; het zal u alléen in het verderf storten. Met mij is het toch

reeds zoo ver, en als ik eenmaal hangen moet, zal ik alles aan het

licht brengen.”

„Maar waarom zijt gij toch als een dolleman weder op deze kust

gekomen?” riep de rechter driftig.

„Waarom? Het geld was op, het huis wankelde en ik dacht, dat die oude

poets reeds lang vergeten zou zijn.”

„Wat kan en moet er nu gedaan worden? Loslaten durf ik u niet. Maar

zoudt gij onder weg niet vrij kunnen komen? Ja, dat zal gaan! Slechts

een woord aan uw luitenant Brown gezegd – en ik laat uw geleide met u

den weg langs het strand nemen.”

„Neen, neen, dat gaat niet. Brown is dood – dood – en begraven. De

duivel heeft hem reeds.”

„Dood? – doodgeschoten? Bij Woodbourne, veronderstel ik.”

„Ja, Mijnheer!”

Glossin zweeg eenige oogenblikken. Het angstzweet parelde op zijn

voorhoofd, terwijl de booswicht, die tegenover hem zat, zonder eenige

aandoening te laten blijken, koelbloedig zijn pruimpje tabak kauwde en

in den haard spoog.

„Het zou mijn ondergang zijn,” sprak Glossin in zich zelven, „mijn

ondergang, als de erfgenaam weder optrad – en aan den anderen kant, wat

zouden de gevolgen zijn, als ik met zulke lieden als deze heulde? –

Bovendien is er weinig tijd om maatregelen te nemen! – Hoor eens,”

zeide hij eindelijk tegen Hatteraick, „hoor eens, ik kan u niet op

vrije voeten stellen, maar u wel op eene plaats in verzekering laten

brengen, waar gij u zelf op vrije voeten stellen kunt; ik wil gaarne

een ouden vriend de behulpzame hand bieden. Ik zal u heden avond in het

oude slot laten opsluiten en uwe wacht eene dubbele portie sterken

drank geven. Mac-Guffog zal zeker in denzelfden strik vallen, waarin

hij u gevangen heeft. De ijzeren staven van de gevangenkamer zijn bijna

doorgeroest; het venster is niet veel meer dan twaalf voet boven den

grond, en de sneeuw ligt hoog.”

„Maar mijn boeien,” zei Hatteraick, naar zijne ketenen ziende.

„Hier,” hernam Glossin, terwijl hij eene kleine vijl uit een kistje

kreeg. „Hier is een vriend, die u wel helpen zal, en den weg langs den

trap naar de zee kent gij immers wel?”

Hatteraick schudde vroolijk zijne ketenen, alsof hij reeds in vrijheid

ware, en poogde zijn geboeide handen tot zijnen beschermer uit te

strekken. Glossin legde, met eenen waarschuwenden blik op de deur, den

vinger op den mond en vervolgde: „als gij ontsnapt zijt, moet gij u

naar Derncleugh begeven.”

„Dat nest is uitgeroeid.”

„Vervloekt! nu, dan kunt gij mijne boot, die ginds aan het strand ligt,

wegnemen en u daarmede voortmaken. Bij kaap Warroch moet gij u

vervolgens verschuilen en wachten tot ik bij u kom.”

„Bij kaap Warroch?” zeide Hatteraick bedremmeld. „Waarschijnlijk in het

hol? Ik had liever, dat het ergens anders ware. Daar spookt het. – De

menschen beweren, dat hij daar spookt. – Maar, voor den duivel! ik heb

hem bij zijn leven nooit gevreesd en, nu hij dood is, zal ik ten minste

niet bang voor hem wezen. Neen, geen mensch zal kunnen zeggen, dat Dirk

Hatteraick ooit dood of duivel gevreesd heeft! – Ik moet daar dan

wachten, tot gij bij mij komt?”

„Ja, ja,” antwoordde Glossin, „en nu moet ik mijne lieden roepen,” en

hij deed het.

Zoodra zij binnen traden, zeide hij tot Mac-Guffog: „Ik kan niets met

kapitein Janson, zoo als hij zich noemt, beginnen en het is te laat om

hem naar de gevangenis te brengen. Is er geene gevangenkamer in het

oude slot?”

„O ja, Mijnheer, „antwoordde Mac-Guffog. „Mijn oom, de onderschout,

heeft ten tijde van den ouden Ellangowan eens een man drie dagen lang

daarin bewaard. Daar heeft men een lawaai over gemaakt! Men heeft de

zaak voor de rechters gebracht.”

„Ja, ja, dat weet ik, maar de gevangene zal er nu niet lang blijven;

het is slechts voor éen nacht. In het kleine voorvertrek kunt gij voor

u en uwe lieden een vuur aanleggen, en ik zal u genoeg zenden om u

vroolijk te maken. Maar vergeet vooral niet de deur van den gevangene

goed te sluiten en geef hem ook wat vuur in zijn kamer; het is anders

te koud. Misschien zal hij morgen beter te spreken zijn.”

In de vaste hoop en vol vertrouwen, dat Mac-Guffog en zijne helpers den

nacht met waken noch bidden zouden doorbrengen, zond de vrederechter

hen hierop naar het oude slot, om er den gevangene gedurende den nacht

te bewaken.

Men denke echter niet, dat Glossin zelf dien nacht zeer gerust sliep.

Zijn toestand was hoogst gevaarlijk. De gevolgen van zijn geheel

misdadig leven schenen hem nu op eenmaal te zullen verpletteren.

Hij begaf zich te bed; maar lang wierp hij zich te vergeefs op de

kussens heen en weder en, toen eindelijk de slaap zijne oogen sloot,

werd hij door beanstigende droomen verontrust. Nu verscheen hem zijn

weldoener, zoo als hij hem de laatste maal gezien had, met de kleur des

doods op het gelaat; dan zag hij hem in de volle kracht en bloei der

jeugd naderen, om hem zelven uit het huis zijner vaderen te verdrijven.

Nu weder droomde hij, dat hij, over eene woeste heide wandelende,

eindelijk bij eene herberg kwam, waaruit hem de stemmen van een

vroolijk en luidruchtig gezelschap te gemoet klonken, en dat de eerste

persoon, dien hij bij zijn binnentreden ontmoette, Frans Kennedy was,

bebloed en gekneusd, zoo als hij bij kaap Warroch aan het strand

gelegen had, – maar met eene dampende punchkom in de hand. Dan

veranderde het tooneel weder voor zijne ontstelde verbeelding in een

kerker, waar Dirk Hatteraick ter dood veroordeeld zat en zijne misdaden

aan een geestelijke biechtte. „Nadat de bloedige daad volbracht was,”

zei de boeteling, „verborgen wij ons in een nabijgelegen hol, dat aan

één man in dien omtrek bekend was: wij overlegden, wat wij met het kind

doen zouden, en hadden besloten, het aan de Heidenen over te geven,

toen wij het luide geroep van onze vervolgers hoorden. Eén enkel man,

dezelfde, die onzen geheimen schuilhoek kende, kwam rechtstreeks in ons

hol; maar wij maakten hem ons ten vriend ten koste van de halve waarde

der geredde goederen. Op zijn raad namen wij het kind met ons op het

schip, dat ons den volgenden nacht van de kust afhaalde, mede naar

Holland. Deze man was –”

„Neen, dan ontken ik, ik was het niet!” riep Glossin uit en ontwaakte

onder zijn angstig pogen, om zijne onschuld nog krachtiger te betuigen.

Zijn knagend geweten had hem in deze verschrikkelijke tooneelen

getrouwe beelden uit het verledene voor de ziel getooverd. Het ware van

de zaak was, dat hij beter dan iemand anders de sluiphoeken der

smokkelaars kende en, terwijl de anderen in onderscheidene richtingen

zochten, was hij, zelfs vóor dat hij den moord van Kennedy vernomen

had, rechtstreeks naar het hol gegaan, in het denkbeeld, dat hij dezen

als gevangene der sluikhandelaars daar vinden zou. Hij kwam, om als

middelaar onder hen op te treden, maar vond hen door bangen schrik

bevangen, terwijl de woede, die hen tot den moord vervoerd had, bij

allen, behalve bij Hatteraick, voor wroeging en vrees begon te wijken.

Glossin was destijds arm en stak diep in schulden, maar bezat reeds

Bertram’s gunst en vertrouwen, en begreep, daar hij de zwakheid van den

goeden man kende, dat het hem niet moeielijk zou zijn, zich ten zijnen

koste te verrijken, als maar de mannelijke erfgenaam van het geslacht

uit den weg geruimd kon worden, in welk gevat het goed het volle en

onbepaalde eigendom van den zwakken en verkwistenden vader zou worden.

Door het oogenblikkelijke gewin en het uitzicht op later voordeel

geprikkeld, liet hij zich door het lokaas, dat de smokkelaars hem in

hun angst aanboden, omkoopen en verzette er zich niet tegen, of liever,

moedigde hen nog aan in hun voornemen, om het kind van zijn weldoener,

dat oud genoeg was om het bloedige tooneel waarvan het getuige geweest

was te beschrijven, te ontvoeren.

Glossin nam zijne geheele scherpzinnigheid te baat, om zijn geweten te

doen zwijgen en de slechte zijde van de zaak voor zich zelven te

bewimpelen. Hij stelde zich voor, dat de verzoeking hem zoo plotseling

verrast had en zoo groot geweest was, omdat hem als het ware alle

voordeelen werden aangeboden, waarnaar hij reeds zoo lang gehaakt had,

en hij zich daardoor voor goed uit den drukkenden nood kon redden,

waaronder hij anders weldra moest bezwijken. Bovendien trachtte hij

zich te overreden, dat zelfbehoud zijne handelwijze noodzakelijk

maakte. Immers hij was eenigermate in de macht van de booswichten en,

ingeval hij hun aanbod van de hand wees, kon de hulp, waarom hij had

kunnen roepen, ofschoon niet ver verwijderd, bezwaarlijk spoedig genoeg

aankomen, om hem uit de handen van menschen te redden, die, om eene

veel geringere oorzaak, juist een moord begaan hadden. Deze en andere

soortgelijke uitvluchten voerde hij tot zijne verontschuldiging tegen

de beschuldigingen van zijn geweten aan.

Door de knagingen van zijn boos geweten gefolterd, stond Glossin midden

in den nacht op en keek naar buiten. Het reeds in het begin van dit

verhaal beschrevene tooneel was thans met sneeuw bedekt, en bij het

schitterende wit van het land vertoonde zich de kleur der zee nog

donkerder. Een met sneeuw bedekt landschap, ofschoon op zich zelf

schoon, heeft nochtans, door de oogenschijnlijke koude en

onvruchtbaarheid en door betrekkelijke vreemdheid een eenigszins

treffend, woest en bar voorkomen. Voorwerpen, ons in hun gewonen

toestand goed bekend, zijn òf verdwenen, òf vertoonen zich zoo geheel

anders, dat wij op eene onbekende wereld schijnen te staren. De geest

van dezen boosdoener werd echter niet met zulke bespiegelingen bezig

gehouden. Zijn oog was onbewegelijk op het sombere oude slot gevestigd,

waar hij in een der reusachtige torens twee lichten zag schemeren, het

eene door het venster van de gevangenkamer, waar Hatteraick geboeid

zat, het andere in het vertrek van zijne wachters. „Is hij ontvlucht,

of zal hij het kunnen doen?” sprak Glossin in zich zelven. „Hebben de

mannen, die anders nooit waken, nu gewaakt om mijn ondergang te

voltooien? Indien de morgen hem dáar vindt, ben ik genoodzaakt, hem

naar de gevangenis te doen vervoeren. Mac-Morlan, of een ander, zal dan

de zaak verder vervolgen. Men zal ontdekken wie hij is; zijne misdaden

zullen bewezen worden – en hij zal uit wraak alles aan het licht

brengen!”

Terwijl deze folterende gedachten door zijne ziel vlogen, zag hij een

van de lichten, als door eenig ondoorschijnend, aan het venster

geplaatst voorwerp verduisterd. Welk een angstig oogenblik! „Hij heeft

zich van zijne boeien bevrijd! Nu werkt hij aan de ijzeren staven in

het venster – ze zijn zeker doorgeroest en moeten wel bezwijken. O God!

ze vallen naar buiten; ik hoor ze op de steenen klinken! – Het geraas

moet zijne wachters wekken. Vervloekt zij zijne lompe

onvoorzichtigheid! – Het licht schijnt weder helder. – Zij hebben hem

van het venster gesleurd en binden hem! – Neen! hij heeft zich slechts

voor een oogenblik, om het geraas der vallende staven, verwijderd. Hij

staat weder aan het venster – nu is het licht geheel verduisterd – hij

springt er uit!”

Een dof geluid, als of er een lichaam van eene aanzienlijke hoogte op

de sneeuw gevallen was, verkondigde hem dat Hatteraick gelukkig

ontsnapt was. Spoedig hierop zag Glossin eene donkere gestalte als een

schim langs het witte strand naar de plaats sluipen, waar de boot lag.

Nieuwe redenen tot bezorgdheid! „Hij zal zeker niet sterk genoeg zijn,

om de boot alleen in het water te brengen,” sprak Glossin in zich

zelven; „ik zal den schelm nog moeten helpen. – God dank, neen! het is

hem gelukt. Ik zie bij het licht der maan, dat een gunstige wind het

zeil reeds vult. Gave de hemel, dat die in een woedenden storm

veranderde en hij een prooi der golven werd!”

Na dezen hartelijken wensch keek hij Hatteraick, die koers zette naar

kaap Warroch, zoo lang na, tot hij zeil noch schip meer van de golven,

waarover het voortgleed, kon onderscheiden. Tevreden over het afwenden

van het oogenblikkelijke gevaar, legde hij zijn schuldig hoofd

eenigszins geruster weder op het kussen neder.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 46 / 75 题