„Ik geef niet om uwe uittarting. Als gij zulke
ruwe taal voert, zal ik de poorten tegen u sluiten –
Ziet gij het groote venster dáar? – Beproef het
daar binnen te stormen! Ik geef er niet om en
sta in dienst van den dapperen hertog van Norfolk.
De vroolijke duivel van Edmonton.
Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.
„Zoo even verlaat ik het ziekbed, lieve Mathilda, om u de
verschrikkelijke tooneelen te beschrijven welke hier plaats gehad
hebben. O, hoe weinig past het ons met de toekomst te schertsen! Met
een opgeruimd gemoed sloot ik mijn laatsten brief aan u met eenige
schertsende aanmerkingen over uw smaak voor het romantische en het
buitengewone in verdichte verhalen, en dacht nergens minder aan, dan
dat ik u binnen weinige dagen dergelijke voorvallen mede te deelen zou
hebben. Het is geheel iets anders, getuige van verschrikkelijke
tooneelen te zijn en ze door beschrijving te leeren kennen, even
verschillend als boven een afgrond te zweven en zich enkel aan een’
half ontwortelden struik vast te houden, of denzelfden afgrond in een
landschap van Salvator Rosa te bewonderen. Maar laat ik mijn verhaal
niet voortuitloopen.
Het eerste gedeelte is verschrikkelijk genoeg, maar bevat niets waaraan
mijn hart bijzonder deel neemt. Gij moet weten dat deze landstreek voor
het handwerk van een hoop vermetele lieden van het naburige eiland Man
bijzonder goed gelegen is. Deze talrijke, onverschrokkene en
gevaarlijke smokkelaars zijn dikwijls de schrik van het geheele
omliggende land geweest, als iemand het waagde hen in hun sluikhandel
te bemoeilijken. Uit vrees, of uit nog erger beweegredenen, zijn de
plaatselijken overheden schuw geworden, om iets tegen
deze lieden te ondernemen, die door deze straffeloosheid nog driester
en vermeteler geworden zijn. Men zou denken dat mijn vader, een
vreemdeling, zonder rechterlijk gezag, met dit alles niets te doen had.
Maar hij is, zoo als hij zich zelf uitdrukt, onder den invloed van Mars
geboren, en men moet bekennen, dat strijd en bloedvergieten hem zelfs
in de stilste afzondering en in den vreedzaamsten toestand vervolgen.
„Verleden Dinsdagmorgen om elf uur werden wij – terwijl mijn vader en
Hazlewood zich gereed maakten om naar een meertje, omstreeks drie
mijlen van hier, te gaan, en Lucie en ik bezig waren, om het plan voor
ons werk en onze oefeningen voor dien dag te regelen – door het
getrappel van paarden, welke de laan snel kwamen opdraven en dat door
den hard gevroren grond nog sterker klonk, gestoord. Na eenige
oogenblikken zagen wij drie gewapende ruiters, welke ieder een
handpaard met pakgoederen bij den teugel hielden, op de open plaats
voor ons huis. Zij reden, zonder den gewonen weg te houden, welke hier
een kleinen bocht maakt, dwars over het grasperk tot vóor de huisdeur.
Zij schenen zich, zoo veel mogelijk, gehaast te hebben en zeer ontsteld
te zijn, en keken dikwijls om, alsof zij eene spoedige en gevaarlijke
vervolging vreesden. Mijn vader en Hazlewood snelden naar de voordeur,
om te vragen wie zij waren en wat zij wilden. Zij verklaarden dat zij
tolbedienden waren, deze met sluikgoederen beladen paarden op eene,
omstreeks drie mijlen van hier gelegen plek in beslag genomen hadden en
nu door de versterkte bende smokkelaars vervolgd werden, die gezworen
hadden, zich weder meester van de goederen te zullen maken en de
tolbedienden, die zich verstout hadden hun plicht te doen, van het
leven te berooven. Daar nu hunne paarden beladen waren en hunne
vervolgers hen inhaalden, waren zij naar Woodbourne gevlucht, in de
hoop dat mijn vader, die den koning gediend had, niet zou weigeren,
hen, als ambtenaren der regeering, die bij de vervulling van hun plicht
in levensgevaar gekomen waren, te beschermen.
„Mijn vader, die, bij zijne verhevene denkbeelden omtrent militair
plichtbesef, zelfs een hond, indien deze in naam des konings kwam, als
een zeer gewichtig wezen beschouwen zou, gaf aanstonds de noodige
bevelen om de goederen te bergen, en wapende de dienstboden, ten einde
het huis in geval van nood te verdedigen. Hazlewood hielp hem hierbij
zoo veel mogelijk, en zelfs dat wonderlijke schepsel, Sampson genaamd,
kwam uit zijn hol te voorschijn en greep een jachtgeweer, dat mijn
vader weggelegd had, om zich met eene buks, zoo als men in Indië bij
eene tijgerjacht gebruikt, te wapenen. Het geweer ging in de
ongeoefende handen van den armen dominé (dezen bijnaam draagt hij) los
en bijna was een der tolbedienden door het schot getroffen. Bij deze
onverwachte losbranding riep hij zijn „ver–ba–zend!” uit, zoo als hij
steeds gewoon is, als hem iets verrassends overkomt. Niets kon
intusschen den man bewegen, om zijn geweer weer af te staan, zoo dat
men hem het eindelijk liet behouden, doch tevens de voorzorg gebruikte
om hem geen kruit en lood toe te vertrouwen. Hazlewood verhaalde ons
naderhand al deze omstandigheden, waarvan ik toen, zoo als gij wel kunt
denken, weinig meer dan den slag bij het losbranden van het geweer
bemerkte, en vermaakte ons bijzonder door zijne beschrijving van de
onhandige, maar vurige dapperheid van den armen dominé.
„Toen mijn vader alles tot de verdediging gereed en zijn volk met
vuurwapens aan de vensters geplaatst had, wilde hij ons in veiligheid,
ik geloof in den kelder, brengen; maar wij wilden het vertrek volstrekt
niet verlaten. Ik heb zoo veel van den moed mijns vaders, dat ik
ofschoon doodelijk beangst, liever het gevaar dat ons dreigde in de
oogen wilde zien, dan het rondom mij hooren woeden, zonder den aard er
van en de vorderingen, die het maakte te kennen. Lucie, bleek als een
marmeren standbeeld, hield hare oogen onbeweeglijk op Hazlewood
gevestigd en scheen zelfs niet te hooren, dat hij haar bezwoer zich
achter in het vertrek te begeven. Intusschen was het gevaar niet zeer
groot voor ons, tenzij de deur met geweld opengebroken werd: want alle
vensters waren met kussens en bedden en, tot groot leedwezen van
Sampson, met in der haast uit de bibliotheek gehaalde folianten zoo
goed verschanst, dat er slechts kleine openingen gelaten waren,
waardoor men op de aanvallers zou kunnen vuren.
„Alle schikkingen waren nu gemaakt en wij zaten in angstige verwachting
in het donkere vertrek. De mannen stonden zwijgend op hunne posten.
Mijn vader, die bij zulk een tooneel geheel te huis was, ging van den
een naar den ander en herhaalde zijn bevel, dat niemand zou vuren voor
dat hij het gelastte. Hazlewood, wiens moed door het voorbeeld mijns
vaders scheen te ontvlammen, nam den post van adjudant waar en snelde
heen en weder, om bevelen over te brengen en voor de uitvoering te
waken. Onze macht, de vreemdelingen mede gerekend, bestond uit een
twaalftal mannen.
„Eindelijk werd de stilte van dezen tusschentijd van angstige
verwachting afgebroken door een geraas, dat uit de verte als het
ruischen van een stroom klonk; maar toen het nader kwam, konden wij
duidelijk de hoefslagen van vele paarden in den vollen ren
onderscheiden. Ik had voor mij zelve eene kleine opening in een der
verschanste vensters gemaakt, waardoor ik den vijand kon zien aankomen.
Het gedruisch werd steeds sterker en naderde allengs. Eindelijk kwamen
er meer dan dertig ruiters het plein voor het huis oprijden. Nooit hebt
gij zulke verschrikkelijke booswichten gezien! Niettegenstaande de
strenge koude, waren de meesten hunner half naakt. Zij hadden zijden
doeken om het hoofd gebonden en waren allen goed met karabijnen,
pistolen en houwers gewapend. Nog nooit in mijn leven heeft mij, de
dochter van een krijgsman en van mijne jeugd af aan den oorlog gewoon,
iets zoo zeer verschrikt als het woeste voorkomen van deze booswichten
op hunne dampende paarden en de verschrikkelijke woede, waarin zij
geraakten toen zij zagen dat hun prooi hun ontkomen was. Maar toen zij
de toebereidselen tot hunne ontvangst bemerkten, aarzelden zij eenige
oogenblikken en schenen onderling te raadplegen. Eindelijk trad één
hunner, die om onbekend te blijven het aangezicht met buskruit zwart
gemaakt had, met een’ witten doek op zijne karabijn vooruit en verzocht
den kolonel Mannering te mogen spreken. Tot mijn onuitsprekelijken
schrik opende mijn vader een venster waarbij hij stond, en vroeg den
afgezant wat hij begeerde.
„Wij verlangen onze goederen, welke die schurken geroofd hebben,
terug,” was het antwoord „en onze luitenant laat u zeggen dat wij,
indien de boel teruggegeven wordt, voor dezen keer heengaan zullen
zonder met de schelmen die ze gestolen hebben af te rekenen; maar zoo
niet, dan steken wij het huis in brand en allen die er in zijn zullen
wij doodslaan,” – eene bedreiging, welke de kerel met de
verschrikkelijkste vloeken en de onmenschelijkste bijvoegsels, welke de
wreedheid kan ingeven, meer dan eens herhaalde.
„En wie is uw luitenant?” vroeg mijn vader.
„De man op gindschen schimmel, met een rooden doek om het hoofd.”
„Zeg hem dan, dat indien hij niet oogenblikkelijk met de deugnieten die
hem vergezellen, deze plaats verlaat, ik zonder verdere plichtplegingen
op hen zal laten vuren.” Met deze woorden sloot mijn vader het venster
en brak het gesprek af.
„Nauwelijks was de knaap weder bij zijn volk gekomen, of allen gaven
met een luid hoera, of liever met een woest gehuil, vuur op onze
bezetting. De vensterglazen vlogen aan alle kanten in stukken; maar de
genomen voorzorgen bewaarden de verdedigers voor alle leed. Drie malen
herhaalden zij dit algemeene salvo, zonder dat het door een enkel schot
van binnen beantwoord werd. Toen zag mijn vader dat zij bijlen en
breekijzers voor den dag haalden, waarschijnlijk om de deur te
bestormen en riep nu: „Dat niemand vuur geve dan Hazlewood en ik.
Hazlewood, leg gij op den afgezant aan.” Hij zelf mikte op den man op
den schimmel en deze viel oogenblikkelijk. Hazlewood was even gelukkig;
hij trof den spreker, die afgestegen was en met eene bijl in de hand
nader kwam. Door hun val verloren de overigen den moed en begonnen
hunne paarden om te draaien. Na eenige weinige schoten, die nog op hen
gedaan werden, kozen zij het hazepad en namen hunne gesneuvelde, of
gekwetste makkers mede. Wij konden niet ontdekken of zij andere
verliezen geleden hadden. Kort na hun aftocht verscheen er, tot mijne
groote vreugde, eene afdeeling soldaten, die op het eerste gerucht van
het gevecht hierheen gesneld waren en in de omliggende dorpen
gehuisvest werden. Eenigen van hen geleidden de beangste tolbedienden
met de aangehouden goederen naar eene naburige zeehaven, die zij voor
eene veilige schuilplaats hielden, en op mijn ernstig verzoek bleven
eenige manschappen bij ons, om het huis tegen de wraak van deze
booswichten te beveiligen.
„Dit was mijn eerste schrik, lieve Mathilda! Ik moet niet vergeten, u
nog te zeggen, dat de roovers den man met het zwartgemaakte gezicht in
eene hut aan den weg achterlieten, waarschijnlijk omdat hij niet
vervoerd kon worden. Hij stierf na verloop van een half uur. Bij nader
onderzoek van het lijk bleek het, dat het een losbandige boer uit de
buurt, een beruchte strooper en smokkelaar was. Wij ontvingen vele
gelukwenschingen van de naburige familiën en men was algemeen van
gevoelen, dat een paar zulke voorbeelden van moedigen wederstand de
vermetelheid van deze booswichten aanmerkelijk zouden beteugelen. Mijn
vader deelde belooningen onder zijne dienstboden uit en verhief
Hazlewood’s moed en koelbloedigheid tot aan de wolken. Lucie en ik
kregen ook ons deel van zijne loftuitingen, omdat wij onder het
schieten standvastig gebleven en hem door geen geschreeuw of geklaag
gehinderd hadden. Mijn vader verzocht Sampson bij deze gelegenheid, om
hunne snuifdozen met elkander te verruilen. De brave man gevoelde zich
door dit aanbod zeer gevleid en prees de schoonheid van zijne nieuwe
doos boven mate. „Dezelve,” zeide hij, „zag er zoo schoon uit, als of
het echt goud van Ophir was.” Het zou ook inderdaad vreemd geweest
zijn, indien dit het geval niet ware, daar de doos werkelijk van dat
edele metaal was. Maar om den eerlijken man geen onrecht te doen, moet
ik verklaren, dat ik niet geloof, dat hij de goedheid van mijn vader
hooger waardeeren zou, indien hij de wezenlijke waarde gekend had,
terwijl hij nu vooronderstelt dat de doos van verguld koper is. Het
heeft hem veel moeite gekost, om de folianten, die tot beschutting
gebruikt werden, weder op hunne plaats te brengen, de kreuken en vouwen
er uit te maken en andere, gedurende hun dienst bij de verschansing
ontvangene schade te herstellen. Hij bracht ons eenige stukken lood en
kogels, welke deze zware boekdeelen onder het gevecht in hunne vaart
gestuit hadden en die hij er zeer zorgvuldig had uitgetrokken. Indien
ik lust tot schertsen had, zou ik u een vroolijk tafereel kunnen
ophangen van zijne verwondering over de onverschilligheid, waarmede wij
het verhaal der wonden en verminkingen, welke Thomas Aquinas of de
heilige Chrysostomus ontvangen hadden, aanhoorden. Maar ik ben in geen
vroolijken luim en heb u nog een ander en gewichtiger voorval mede te
deelen. Ik gevoel mij echter door het schrijven van dezen brief zoo
vermoeid, dat ik de pen niet voor morgen weder kan opvatten. Ik zal
dezen brief voor’s hands terughouden, opdat gij u niet ongerust moogt
maken voor uwe
Julia Mannering.”