Als schoolvriendinnen, in der kindschheid onschuld,
Hebben we, Hermia, gelijk aan twee godinnen,
Op een stuk doek de bloem geschapen
Met onze naalden. Op een kussen zittend
Hebben we hetzelfde lied gezamenlijk gezongen,
In handenarbeid, stem, gedachte en beweging
Steeds eensgezind.
Shakspeare.
Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.
„Hoe is het mogelijk, waarde Mathilda, dat gij mij verdenkt, alsof
mijne vriendschap verkoeld en mijne genegenheid onbestendig ware? Zou
ik kunnen vergeten, dat gij de vriendin zijt, de uitverkorene van mijn
hart, in wier trouwen boezem ik ieder gevoel, dat uwe arme Julia zich
bewust is, uitgestort heb? Even zoo onrechtvaardig beschuldigt gij mij,
dat ik uwe vriendschap aan mijne genegenheid voor Lucie Bertram
opoffer. Ik verzeker u, dat zij de eigenschappen niet bezit, welke ik
in eene boezemvriendin verlang. Zij is zeker een beminnelijk meisje; ik
houd veel van haar en ik moet bekennen, dat onze morgen- en
avondbezigheden mij minder tijd tot schrijven overgelaten hebben, dan
tot onze afgesprokene regelmatige briefwisseling vereischt wordt. – Het
ontbreekt haar geheel aan de talenten eener hoogere beschaving, behalve
eene meer dan gewone kennis der Fransche en Italiaansche talen, welke
zij aan het zeldzaamste menschelijk gedrocht, dat gij ooit gezien hebt,
te danken heeft. Dezen man heeft mijn vader als eene soort van
bibliothecaris aangesteld en beschermt hem, geloof ik, enkel om te
toonen, dat hij zich om het oordeel der wereld niet bekommert. Mijn
vader schijnt besloten te hebben, dat niets voor belachelijk gehouden
zal worden, zoo lang het hem toebehoort of tot hem in betrekking staat.
Zoo herinner ik mij, dat hij in Indië eens ergens een hond met kromme
beenen, een langen rug en groote, neerhangende ooren gevonden had.
Allen smaak en het gevoelen van anderen ten trots, maakte hij dit
leelijke dier tot zijn lieveling en voerde het eens als een bewijs van
Brown’s moedwil, zoo als hij het noemde, aan, dat deze het gewaagd had,
Bingo’s kromme beenen en hangende ooren te berispen. Op mijn woord,
Mathilda, ik geloof dat zijne ingenomenheid met dezen wonderlijken
schoolgeleerde op een soortgelijken grond rust. Dit schepsel eet met
ons aan tafel, waar hij eerst een gebed uitspreekt op een toon, die
bijna even hard klinkt als het geschreeuw van den vischverkooper op het
plein. Vervolgens werpt hij het eten bij brokken door de keel, alsof
hij eene kar moest laden, waarschijnlijk zonder te beseffen wat hij
verzwelgt. Na den maaltijd laat hij weder eenige onnatuurlijke geluiden
hooren, welke eene dankzegging moeten verbeelden, verlaat dan met
groote schreden de kamer, om zich onder een hoop zware, oude folianten
te begraven, die er even zoo onhebbelijk uitzien als hij zelf. Ik zou
dit schepsel nog wel mogen lijden, als ik maar iemand bij mij had met
wien ik lachen kon; maar als ik slechts iets zeg, dat zelfs maar zweemt
naar schertsen over Mijnheer Sampson (zoo is de afschuwelijke naam van
den afschuwelijken man), trekt Lucie Bertram zulk een jammerlijk
gezicht, dat ik allen moed verlies om verder te gaan, en mijn vader
fronst het voorhoofd, zijne oogen schieten vlammen, hij bijt zich op de
lip en zegt dan iets, dat zeer krenkend en beleedigend voor mijn gevoel
is.
„Maar het was mijn voornemen niet, u over dezen geleerden, zoo wel in
de nieuwe als oude talen bedreven man te onderhouden: ik wilde u alleen
zeggen, dat hij Lucie Bertram heel grondig in de eerste onderwezen
heeft, en ik geloof dat zij het enkel aan haar eigen gezond verstand,
of stijfhoofdigheid, te danken heeft, dat zij ook niet Grieksch en
Latijn – misschien zelfs Hebreeuwsch, wat weet ik het! – heeft moeten
leeren. Zij bezit inderdaad veel kennis en ik verzeker u, dat ik mij
dagelijks verwonder over de gave, welke zij schijnt te bezitten, om
zich zelve bezig te houden door het vroeger gelezene in hare gedachten
terug te roepen en te regelen. Wij lezen elken morgen te zamen en ik
begin veel meer van het Italiaansch te houden, dan toen wij – gij en ik
namelijk – door dien ingebeelden zot Cicipici (zóó moet zijn naam
gespeld worden en niet Chichipichi; gij ziet hieruit, dat ik reeds vrij
wat geleerd heb) gekweld werden.
„Maar misschien bemin ik Lucie Bertram minder om de bekwaamheid, welke
zij bezit, dan om haar gebrek aan andere talenten. Zij weet niets van
de muziek, en van het dansen niet meer dan de geringste boer hier uit
den omtrek, waar de landlieden echter, over het algemeen
hartstochtelijke dansers zijn. Ik ben dus op mijne beurt ook hare
leermeesteres. Zij neemt zeer dankbaar mijn onderricht op het klavier
aan en ik heb haar ook reeds eenige passen van onzen dansmeester La
Pique geleerd, die mij, zoo als gij weet, voor eene veelbelovende
leerling hield.
Des avonds leest mijn vader ons dikwijls iets vóor, en ik verzeker u,
dat hij beter poëzie voordraagt, dan iemand anders dien ik ooit gehoord
heb, – niet zoo als zekere toneelspeler, die bij het lezen staroogde,
het voorhoofd fronste, zijn gezicht verdraaide, met handen en voeten
werkte, en zulke hevige gebaren maakte, alsof hij, geheel gekleed,
zijne rol op het tooneel speelde. Mijn vader heeft eene geheel andere
manier. Hij leest als een beschaafd man, die door gevoel, door smaak,
door stembuiging, en niet door gebaren of geschreeuw indruk maakt.
Lucie Bertram rijdt bijzonder goed en, door haar voorbeeld
aangemoedigd, kan ik haar thans op hare tochtjes te paard vergezellen.
Ook gaan wij, in weêrwil van de koude, dikwijls wandelen. Ik heb dus,
over het geheel, niet zoo veel tijd meer om te schrijven, als vroeger.
Buitendien, lieve Mathilda, moet ik de gewone verontschuldiging van
alle geestelooze briefschrijvers inbrengen, namelijk, dat ik niets te
zeggen heb! Mijne hoop, mijne vrees, mijne bezorgdheid aangaande Brown
hebben veel van haar gewicht verloren, sedert ik weet, dat hij in
vrijheid en gezond is. En mij dunkt ook, dat hij mij nu ook wel eens
bericht van zijn doen en laten had mogen geven. Onze betrekking tot
elkaâr moge onvoorzichtig zijn; het zou echter in het geheel niet
vleiend voor mij zijn, als de heer Van Beest Brown dit het eerst inzag
en zich dien ten gevolge terugtrok. Indien hij zoo denkt, kan ik hem
verzekeren, dat wij niet veel in gevoelen verschillen: want het komt
mij soms voor, dat ik mij in deze zaak zeer onverstandig gedragen heb.
Ik heb evenwel zulk eene gunstige gedachte van den armen Brown, dat ik
niets anders denken kan, dan dat zijn stilzwijgen door iets bijzonders
veroorzaakt wordt.
Maar om weder op Lucie Bertram terug te komen, – Neen, zij kan nooit
uwe mededingster in mijne genegenheid worden, liefste Mathilda! en uwe
teedere ijverzucht is dus geheel ongegrond. Zij is, ik beken het, een
zeer aardig, gevoelig en teêrhartig meisje, en er zijn weinig menschen
in wier vriendschap ik, bij wezenlijke rampen, liever troost zoude
zoeken. Maar deze overkomen ons zoo zelden, dat men eene vriendin
noodig heeft, die zoo wel voor onze ingebeelde ongelukken als voor
wezenlijke rampen deelneming betoont. De hemel weet het en gij weet
het, lieve Mathilda, dat deze kwalen van het hart even zeer den balsem
der deelneming en vriendschap behoeven, als meer zichtbare en ernstige
rampen. Lucie Bertram heeft niets van deze vriendelijke deelneming, in
het minste niet, lieve Mathilda! Als ik aan de koorts ziek lag, zou zij
nacht op nacht bij mij waken, om mij met onvermoeid geduld op te
passen; maar voor de koorts van het hart, die mijne Mathilda zoo
dikwijls verzacht heeft, heeft zij niet meer gevoel, dan haar oude
leermeester. En dit ergert mij nog te meer, daar deze deftige juffer
zelve ook een’ minnaar heeft, en dat hunne wederzijdsche genegenheid
(want voor wederkeerig houd ik ze) zeer vele bezwaren oplevert,
romanesk en daardoor belangwekkend is. Zij was eens, zoo als gij zonder
twijfel weet, de erfgename van een groot vermogen, dat, deels door de
verkwisting haars vaders, deels door de laagheid van een
nietswaardigen, in wien hij blind vertrouwen stelde, verloren gegaan
is. Een der schoonste jongelingen, hier in den omtrek, bemint haar;
maar, daar hij de erfgenaam van groote goederen is, wil zij, uit hoofde
van de ongelijkheid van hun vermogen, zijne liefde niet begunstigen.
Bij al deze bescheidenheid, zelfbeheersching, zedigheid en zoo voort,
is Lucie echter een slim meisje. Ik houd mij verzekerd, dat zij den
jongen Hazlewood bemint, en even zeker weet ik dat hij het gist, of
liever er van overtuigd is, en haar naar alle waarschijnlijkheid tot de
bekentenis van hare liefde brengen zou, indien mijn vader, of zij zelve
hem hiertoe gelegenheid wilde geven. Maar gij moet weten, dat mijn
vader er altijd op uit is, om Lucie Bertram die oplettendheden te
bewijzen, welke een jongeling, in de omstandigheden van Hazlewood,
anders de beste gelegenheden tot eene verklaring zouden aanbieden. Ik
wenschte wel, dat mijn lieve vader er voor zorgde, zich zelven de straf
niet op den hals te halen, welke er gewoonlijk op volgt, wanneer men
zich, zonder noodzaak, in eens anders zaken mengt. Ik verzeker u, ware
ik in Hazlewood’s plaats, ik zou zijne komplimenten, zijne buigingen,
dat mantel omhangen, dat shawl omdoen en bij de hand opleiden, niet
zonder argwaan aanzien, en waarlijk, ik geloof, dat Hazlewood er soms
even zoo over denkt. Verbeeld u nu eens, welk eene zotte figuur uwe
arme Julia bij zulke gelegenheden maakt! Hier bewijst mijn vader mijne
vriendin alle mogelijke oplettendheden; dáar bewaakt Hazlewood iederen
blik uit haar oog, ieder woord, dat van hare lippen vloeit; en ik heb
niet eens de ellendige voldoening, de aandacht van éen menschelijk
wezen tot mij te trekken, zelfs niet die van onzen wonderlijken
geestelijke: want ook deze zit met open mond en vestigt zijne groote,
uitpuilende oogen, onbewegelijk als een standbeeld, bewonderend op
Lucie Bertram.
Dit alles maakt mij soms boos en soms doet het mijne zenuwen aan. Vóor
eenige dagen was ik zoo verstoord op mijn vader en de beide minnenden,
omdat zij in het geheel niet aan mij dachten of mijne tegenwoordigheid
schenen te bemerken, dat ik een aanval op Hazlewood deed, welken hij,
zonder onbeleefd te zijn, niet ontwijken kon. Bij zijne verdediging
werd hij ongevoelig warm. Ik verzeker u, Mathilda, dat hij een even
geestig, als schoon mensch is, en dat ik mij niet kan herinneren, hem
ooit in zulk een voordeelig daglicht gezien te hebben. Maar midden
onder ons levendig en aangenaam gesprek trof een zachte zucht van
juffer Lucie mijn oor. Ik was veel te edelmoedig, om verder gebruik van
mijne overwinning te maken, al ware ik ook niet bang geweest voor mijn
vader. Tot mijn geluk was hij juist verdiept in eene uitvoerige
beschrijving der bijzondere zeden en gewoonten van zekeren Indiaanschen
volkstam, in de binnenlanden, en juist bezig om ze door teekeningen op
Lucie Bertram’s borduurpatronen op te helderen, waarvan hij drie geheel
en al bedierf, door zijne schetsen der Oostersche kleeding over de
teekening van hare patronen heen te maken. Maar ik denk, dat zij op dat
oogenblik even weinig aan haar eigen kleed, als aan de Indiaansche
tulbanden dacht. Het was echter gelukkig voor mij, dat mijn vader niet
alles bemerkte: want hij ziet anders zoo scherp als een valk, en is een
gezworen vijand van alles, wat maar eenigszins naar koketterie zweemt.
Hazlewood hoorde dezen nauwelijks hoorbaren zucht ook, Mathilda! Hij
kreeg dadelijk berouw over de vluchtige oplettendheden, welke hij op
zulk een onwaardig voorwerp als uwe Julia verspild had, en trad met
eene waarlijk kluchtige uitdrukking van schuldbewustheid naar de
werktafel van Lucie. Hij maakte eene onbeduidende aanmerking en haar
antwoord was van dien aard, dat slechts het scherpe oor van een
minnenden of nieuwsgierigen opmerker het iets koeler en droger dan
gewoonlijk kon vinden. De held, die zich zelven beschuldigde, gevoelde
het verwijt en stond beschaamd. Gij zult mij toestemmen, dat de
edelmoedigheid van mij vorderde dat ik als bemiddelaarster optrad. Ik
mengde mij dus op den kalmen toon van een onoplettenden,
onverschilligen derden persoon in het gesprek, bracht het langzamerhand
op den gewonen toon en plaatste hen eindelijk, nadat ik eene poos tot
middel van gemeenschap, waardoor zij met elkander verkozen te spreken,
gediend had, aan het ernstig en diepzinnig schaakspel. Ik ging toen
zelve naar mijn vader, die nog steeds met zijne teekeningen bezig was,
om hem, volgens mijn plicht, een weinig te plagen. De schaakspelers
zaten in onze ruime, ouderwetsche woonkamer, niet ver van den haard,
bij eene kleine werktafel; mijn vader op eenigen afstand aan eene
groote tafel, waarop het licht stond en eenige boeken lagen. De kamer
zelve is rijk aan allerlei donkere hoeken en met sombere, geborduurde
tapijten behangen, die dingen voorstellen, welke de kunstenaar, die ze
maakte, niet zonder moeite zou kunnen verklaren.
„Vader,” vroeg ik, „is het schaken een zeer onderhoudend spel?”
„Dat zegt men,” antwoordde hij, zonder mij met zijne oplettendheid te
verwaardigen.
„Ik maak het op uit de aandacht, die Hazlewood en Lucie er aan wijden.”
Mijn vader keek haastig op en hield het penseel een oogenblik werkeloos
in de hand. Waarschijnlijk ontdekte hij niets, dat zijn argwaan
opwekte; want hij begon gerust weder voort te teekenen aan de plooien
van een Mahrattentulband, toen ik hem weder stoorde met te vragen –
„Hoe oud is Lucie Bertram, vader?”
„Hoe zou ik dat weten? Naar ik veronderstel omstreeks zoo oud, als
gij.”
„Ik zou denken, dat zij ouder moet zijn, vader! Gij houdt mij altijd
voor, hoeveel beter zij de honneurs bij de theetafel weet waar te
nemen, dan ik. Wel, vader! indien gij haar het recht eens gaaft, om
altijd de eerste plaats te bekleeden?”
„Hoor, lieve Julia, gij zijt of eene volslagene zottin, of gij hebt
meer lust om kwaad te stichten, dan ik tot nog toe van u gedacht heb.”
„O lieve vader! leg, wat ik zeg, op het gunstigst uit. Om alles in de
wereld zou ik voor geene zottin gehouden willen worden.”
„Maar waarom spreekt gij dan als eene zottin?”
„Wel vader, ik vind waarlijk niet dat, hetgeen ik zoo even gezegd heb,
zoo dwaas is. Een ieder weet, dat gij een zeer schoon man zijt” (een
glimlach werd even zichtbaar), „namelijk voor uw leeftijd,” (hier
betrok zijn gelaat weder), „welke nog geenszins ver gevorderd kan
genoemd worden, en ik weet wezenlijk niet, waarom gij uwe neiging,
indien gij er lust toe hebt, niet zoudt volgen. Ik gevoel, dat ik maar
een onbezonnen meisje ben, en indien eene meer ernstige gezellin u
gelukkiger kon maken –”
Mijn vader vatte mijne hand met een mengsel van misnoegen en
liefderijken ernst, waarin eene scherpe berisping over mijn schertsen
met zijn gevoel voor mij opgesloten lag. „Julia!” zeide hij, „ik zie
veel van uwen moedwil door de vingers, daar ik me verbeeld dat ik het
eenigermate verdiend heb, door niet nauwkeurig genoeg op uwe opvoeding
te hebben gelet. Ik wil echter niet dat gij uw overmoed bij zulk een
teeder onderwerp den teugel viert. Indien gij het gevoel van uwen vader
jegens uwe gestorvene moeder niet eerbiedigt, vergeet dan ten minste de
geheiligde rechten van het ongeluk niet, en bedenk dat Lucie Bertram,
indien slechts éen woord van zulk eene scherts haar ter ooren kwam,
zich gedwongen zou zien, hare tegenwoordige schuilplaats te verlaten en
zich, zonder beschermer, in eene wereld te begeven, welke zij reeds als
zoo onvriendelijk heeft leeren kennen.”
Wat kon ik hierop antwoordden, Mathilda? Ik weende oprechte tranen, bad
om vergiffenis en beloofde in het vervolg een zoet kind te zijn. En zoo
sta ik hier weder geheel alleen: want mijne eer en mijne goedaardigheid
veroorloven mij nu niet de arme Lucie weder door schertsende aanvallen
op Hazlewood te kwellen, ofschoon zij het, door haar gebrek aan
vertrouwen jegens mij, wel verdiende, en even weinig kan ik het, na dit
ernstig tooneel, wagen, met mijn vader over dit teedere punt te
spreken. Tot tijdverdrijf steek ik nu kleine rolletjes papier in den
brand, doof ze weder uit en teeken met het zwartgebrande eind
Turken-koppen op visite kaartjes (ik verzeker u, dat mij gisteren avond
de trotsche kop van Hyder Aly boven verwachting gelukt is): ik rammel
op mijn ongelukkig klavier en neem tusschenbeide een ernstig boek in de
hand, dat ik van achteren af begin te lezen.
Intusschen begint Brown’s stilzwijgen mij zeer te verontrusten. Ware
hij gedwongen, dit oord te verlaten, dan zoude hij mij zeker geschreven
hebben. Zou mijn vader misschien zijne brieven onderschept hebben? Doch
neen, dat strijdt volstrekt tegen zijne grondbeginsels. Ik geloof niet,
dat hij een brief, die heden avond aan mij gezonden werd zou openen,
zelfs indien hij daardoor verhoeden kon, dat ik morgen uit het venster
sprong. – Welk eene uitdrukking is daar aan mijne pen ontsnapt! Ik
moest mij schamen, dat ik mij die zelfs jegens u Mathilda, en ook
slechts in scherts, heb laten ontvallen. Maar ik kan het niet zeer
verdienstelijk vinden, dat ik handel zoo als het behoort. Deze Mijnheer
Van Beest Brown is immers geenszins zulk een vurig minnaar, dat hij het
voorwerp zijner genegenheid door overijling tot zulke onberadene
stappen zou verleiden. Men moet bekennen, dat hij overvloedig tijd
gebruikt, om alles goed te overleggen. Ik wil hem evenwel niet
ongehoord veroordeelen, noch twijfelen aan de mannelijke vastheid van
een karakter, dat ik zoo dikwijls bij u geprezen heb. Ware hij in staat
te twijfelen of te vreezen, of kon ik hem slechts van de schaduw van
onbestendigheid beschuldigen, dan zou ik zijn verlies weinig beklagen.
En waarom, zult gij zeggen, waarom bekommer ik mij om hetgeen Hazlewood
doet, of aan wie hij zijne oplettendheden bewijst, indien ik zulk eene
vaste en onwankelbare liefde van mijn eigen minnaar verwacht? Ik vraag
het mij zelve elken dag honderdmalen, en krijg steeds het zeer
onnoozele antwoord, dat men niet gaarne verwaarloosd wil worden,
ofschoon men geenszins de oorzaak van eene wezenlijke ongetrouwheid zou
willen zijn.
Ik schrijf u alle deze kleinigheden, omdat gij zegt dat ze u vermaken:
maar het verwondert mij hoe ze u dit kunnen doen. Ik herinner mij, hoe
gij bij onze geheimzinnige reizen naar de wereld der verdichting,
altijd het groote en romaneske bewonderdet, geschiedenissen van
ridders, dwergen, reuzen, gevangene jonkvrouwen, waarzeggers,
verschijningen, waarschuwende geesten en bloedige handen – terwijl ìk
steeds met de ingewikkelde intrigues van het gewone leven en slechts
met zooveel van het bovennatuurlijke ingenomen was, als aan een
Oosterschen genius of eene weldadige toovergodin toegeschreven wordt.
Gij wenschtet, dat uw levensloop u op den grooten oceaan, waar
doodelijke stilte met huilenden storm, wervelwinden en hemelhooge
golven afwisselen, mocht voeren, terwijl ik liever bij eene frissche
koelte met mijn scheepje op een binnenlandsch meer of stille baai wilde
zeilen, waar de vaart bezwaarlijk genoeg was, om belangwekkend te wezen
en eenige bekwaamheid te vereischen, zonder juist zeer gevaarlijk te
zijn. Me dunkt, Mathilda, dat mijn vader met zijne trotschheid op zijne
voorouders en zijn krijgsroem, met zijn ridderlijk gevoel van eer,
zijne groote talenten, zijne afgetrokkene en geheimzinnige studiën, uw
vader moest zijn! Ook moest Lucie Bertram, wier voorouders met namen,
die even moeielijk te onthouden als te spellen zijn, over dit
romantisch land geheerscht hebben, en wier geboorte, zooals ik bij
gerucht gehoord heb, onder zeer bijzondere en merkwaardige
omstandigheden plaats had, – ook deze moest uwe vriendin zijn. Ja,
zelfs onze woonplaats, omringd door bergen en met hare eenzame
wandelingen naar spookachtige bouwvallen, moest uwe woonplaats zijn.
Daarentegen moesten het schoone Dennen-park met zijne grasperken,
heesters en oranjeriën, uwe goede, stille, zachtaardige tante met haar
biduur des morgens, haar middagslaapje na den maaltijd, haar
whistpartij des avonds, mij te beurt gevallen zijn, hare vette
koetspaarden en nog vetter koetsier hierbij vooral niet te vergeten. In
dezen ruil is Brown toch niet begrepen. Zijne vriendelijke geaardheid,
zijne levendigheid en zijn rondborstig karakter passen even goed bij
mijn levensplan, als zijne krachtige gestalte, zijn schoon gelaat en
zijn verheven moed bij uw ridderlijken aard. Daar wij dus niet alles,
zonder uitzondering, kunnen verruilen, is het dunkt mij het best, te
blijven zoo als wij zijn.