NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Als schoolvriendinnen, in der kindschheid onschuld,

Hebben we, Hermia, gelijk aan twee godinnen,

Op een stuk doek de bloem geschapen

Met onze naalden. Op een kussen zittend

Hebben we hetzelfde lied gezamenlijk gezongen,

In handenarbeid, stem, gedachte en beweging

Steeds eensgezind.

Shakspeare.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Hoe is het mogelijk, waarde Mathilda, dat gij mij verdenkt, alsof

mijne vriendschap verkoeld en mijne genegenheid onbestendig ware? Zou

ik kunnen vergeten, dat gij de vriendin zijt, de uitverkorene van mijn

hart, in wier trouwen boezem ik ieder gevoel, dat uwe arme Julia zich

bewust is, uitgestort heb? Even zoo onrechtvaardig beschuldigt gij mij,

dat ik uwe vriendschap aan mijne genegenheid voor Lucie Bertram

opoffer. Ik verzeker u, dat zij de eigenschappen niet bezit, welke ik

in eene boezemvriendin verlang. Zij is zeker een beminnelijk meisje; ik

houd veel van haar en ik moet bekennen, dat onze morgen- en

avondbezigheden mij minder tijd tot schrijven overgelaten hebben, dan

tot onze afgesprokene regelmatige briefwisseling vereischt wordt. – Het

ontbreekt haar geheel aan de talenten eener hoogere beschaving, behalve

eene meer dan gewone kennis der Fransche en Italiaansche talen, welke

zij aan het zeldzaamste menschelijk gedrocht, dat gij ooit gezien hebt,

te danken heeft. Dezen man heeft mijn vader als eene soort van

bibliothecaris aangesteld en beschermt hem, geloof ik, enkel om te

toonen, dat hij zich om het oordeel der wereld niet bekommert. Mijn

vader schijnt besloten te hebben, dat niets voor belachelijk gehouden

zal worden, zoo lang het hem toebehoort of tot hem in betrekking staat.

Zoo herinner ik mij, dat hij in Indië eens ergens een hond met kromme

beenen, een langen rug en groote, neerhangende ooren gevonden had.

Allen smaak en het gevoelen van anderen ten trots, maakte hij dit

leelijke dier tot zijn lieveling en voerde het eens als een bewijs van

Brown’s moedwil, zoo als hij het noemde, aan, dat deze het gewaagd had,

Bingo’s kromme beenen en hangende ooren te berispen. Op mijn woord,

Mathilda, ik geloof dat zijne ingenomenheid met dezen wonderlijken

schoolgeleerde op een soortgelijken grond rust. Dit schepsel eet met

ons aan tafel, waar hij eerst een gebed uitspreekt op een toon, die

bijna even hard klinkt als het geschreeuw van den vischverkooper op het

plein. Vervolgens werpt hij het eten bij brokken door de keel, alsof

hij eene kar moest laden, waarschijnlijk zonder te beseffen wat hij

verzwelgt. Na den maaltijd laat hij weder eenige onnatuurlijke geluiden

hooren, welke eene dankzegging moeten verbeelden, verlaat dan met

groote schreden de kamer, om zich onder een hoop zware, oude folianten

te begraven, die er even zoo onhebbelijk uitzien als hij zelf. Ik zou

dit schepsel nog wel mogen lijden, als ik maar iemand bij mij had met

wien ik lachen kon; maar als ik slechts iets zeg, dat zelfs maar zweemt

naar schertsen over Mijnheer Sampson (zoo is de afschuwelijke naam van

den afschuwelijken man), trekt Lucie Bertram zulk een jammerlijk

gezicht, dat ik allen moed verlies om verder te gaan, en mijn vader

fronst het voorhoofd, zijne oogen schieten vlammen, hij bijt zich op de

lip en zegt dan iets, dat zeer krenkend en beleedigend voor mijn gevoel

is.

„Maar het was mijn voornemen niet, u over dezen geleerden, zoo wel in

de nieuwe als oude talen bedreven man te onderhouden: ik wilde u alleen

zeggen, dat hij Lucie Bertram heel grondig in de eerste onderwezen

heeft, en ik geloof dat zij het enkel aan haar eigen gezond verstand,

of stijfhoofdigheid, te danken heeft, dat zij ook niet Grieksch en

Latijn – misschien zelfs Hebreeuwsch, wat weet ik het! – heeft moeten

leeren. Zij bezit inderdaad veel kennis en ik verzeker u, dat ik mij

dagelijks verwonder over de gave, welke zij schijnt te bezitten, om

zich zelve bezig te houden door het vroeger gelezene in hare gedachten

terug te roepen en te regelen. Wij lezen elken morgen te zamen en ik

begin veel meer van het Italiaansch te houden, dan toen wij – gij en ik

namelijk – door dien ingebeelden zot Cicipici (zóó moet zijn naam

gespeld worden en niet Chichipichi; gij ziet hieruit, dat ik reeds vrij

wat geleerd heb) gekweld werden.

„Maar misschien bemin ik Lucie Bertram minder om de bekwaamheid, welke

zij bezit, dan om haar gebrek aan andere talenten. Zij weet niets van

de muziek, en van het dansen niet meer dan de geringste boer hier uit

den omtrek, waar de landlieden echter, over het algemeen

hartstochtelijke dansers zijn. Ik ben dus op mijne beurt ook hare

leermeesteres. Zij neemt zeer dankbaar mijn onderricht op het klavier

aan en ik heb haar ook reeds eenige passen van onzen dansmeester La

Pique geleerd, die mij, zoo als gij weet, voor eene veelbelovende

leerling hield.

Des avonds leest mijn vader ons dikwijls iets vóor, en ik verzeker u,

dat hij beter poëzie voordraagt, dan iemand anders dien ik ooit gehoord

heb, – niet zoo als zekere toneelspeler, die bij het lezen staroogde,

het voorhoofd fronste, zijn gezicht verdraaide, met handen en voeten

werkte, en zulke hevige gebaren maakte, alsof hij, geheel gekleed,

zijne rol op het tooneel speelde. Mijn vader heeft eene geheel andere

manier. Hij leest als een beschaafd man, die door gevoel, door smaak,

door stembuiging, en niet door gebaren of geschreeuw indruk maakt.

Lucie Bertram rijdt bijzonder goed en, door haar voorbeeld

aangemoedigd, kan ik haar thans op hare tochtjes te paard vergezellen.

Ook gaan wij, in weêrwil van de koude, dikwijls wandelen. Ik heb dus,

over het geheel, niet zoo veel tijd meer om te schrijven, als vroeger.

Buitendien, lieve Mathilda, moet ik de gewone verontschuldiging van

alle geestelooze briefschrijvers inbrengen, namelijk, dat ik niets te

zeggen heb! Mijne hoop, mijne vrees, mijne bezorgdheid aangaande Brown

hebben veel van haar gewicht verloren, sedert ik weet, dat hij in

vrijheid en gezond is. En mij dunkt ook, dat hij mij nu ook wel eens

bericht van zijn doen en laten had mogen geven. Onze betrekking tot

elkaâr moge onvoorzichtig zijn; het zou echter in het geheel niet

vleiend voor mij zijn, als de heer Van Beest Brown dit het eerst inzag

en zich dien ten gevolge terugtrok. Indien hij zoo denkt, kan ik hem

verzekeren, dat wij niet veel in gevoelen verschillen: want het komt

mij soms voor, dat ik mij in deze zaak zeer onverstandig gedragen heb.

Ik heb evenwel zulk eene gunstige gedachte van den armen Brown, dat ik

niets anders denken kan, dan dat zijn stilzwijgen door iets bijzonders

veroorzaakt wordt.

Maar om weder op Lucie Bertram terug te komen, – Neen, zij kan nooit

uwe mededingster in mijne genegenheid worden, liefste Mathilda! en uwe

teedere ijverzucht is dus geheel ongegrond. Zij is, ik beken het, een

zeer aardig, gevoelig en teêrhartig meisje, en er zijn weinig menschen

in wier vriendschap ik, bij wezenlijke rampen, liever troost zoude

zoeken. Maar deze overkomen ons zoo zelden, dat men eene vriendin

noodig heeft, die zoo wel voor onze ingebeelde ongelukken als voor

wezenlijke rampen deelneming betoont. De hemel weet het en gij weet

het, lieve Mathilda, dat deze kwalen van het hart even zeer den balsem

der deelneming en vriendschap behoeven, als meer zichtbare en ernstige

rampen. Lucie Bertram heeft niets van deze vriendelijke deelneming, in

het minste niet, lieve Mathilda! Als ik aan de koorts ziek lag, zou zij

nacht op nacht bij mij waken, om mij met onvermoeid geduld op te

passen; maar voor de koorts van het hart, die mijne Mathilda zoo

dikwijls verzacht heeft, heeft zij niet meer gevoel, dan haar oude

leermeester. En dit ergert mij nog te meer, daar deze deftige juffer

zelve ook een’ minnaar heeft, en dat hunne wederzijdsche genegenheid

(want voor wederkeerig houd ik ze) zeer vele bezwaren oplevert,

romanesk en daardoor belangwekkend is. Zij was eens, zoo als gij zonder

twijfel weet, de erfgename van een groot vermogen, dat, deels door de

verkwisting haars vaders, deels door de laagheid van een

nietswaardigen, in wien hij blind vertrouwen stelde, verloren gegaan

is. Een der schoonste jongelingen, hier in den omtrek, bemint haar;

maar, daar hij de erfgenaam van groote goederen is, wil zij, uit hoofde

van de ongelijkheid van hun vermogen, zijne liefde niet begunstigen.

Bij al deze bescheidenheid, zelfbeheersching, zedigheid en zoo voort,

is Lucie echter een slim meisje. Ik houd mij verzekerd, dat zij den

jongen Hazlewood bemint, en even zeker weet ik dat hij het gist, of

liever er van overtuigd is, en haar naar alle waarschijnlijkheid tot de

bekentenis van hare liefde brengen zou, indien mijn vader, of zij zelve

hem hiertoe gelegenheid wilde geven. Maar gij moet weten, dat mijn

vader er altijd op uit is, om Lucie Bertram die oplettendheden te

bewijzen, welke een jongeling, in de omstandigheden van Hazlewood,

anders de beste gelegenheden tot eene verklaring zouden aanbieden. Ik

wenschte wel, dat mijn lieve vader er voor zorgde, zich zelven de straf

niet op den hals te halen, welke er gewoonlijk op volgt, wanneer men

zich, zonder noodzaak, in eens anders zaken mengt. Ik verzeker u, ware

ik in Hazlewood’s plaats, ik zou zijne komplimenten, zijne buigingen,

dat mantel omhangen, dat shawl omdoen en bij de hand opleiden, niet

zonder argwaan aanzien, en waarlijk, ik geloof, dat Hazlewood er soms

even zoo over denkt. Verbeeld u nu eens, welk eene zotte figuur uwe

arme Julia bij zulke gelegenheden maakt! Hier bewijst mijn vader mijne

vriendin alle mogelijke oplettendheden; dáar bewaakt Hazlewood iederen

blik uit haar oog, ieder woord, dat van hare lippen vloeit; en ik heb

niet eens de ellendige voldoening, de aandacht van éen menschelijk

wezen tot mij te trekken, zelfs niet die van onzen wonderlijken

geestelijke: want ook deze zit met open mond en vestigt zijne groote,

uitpuilende oogen, onbewegelijk als een standbeeld, bewonderend op

Lucie Bertram.

Dit alles maakt mij soms boos en soms doet het mijne zenuwen aan. Vóor

eenige dagen was ik zoo verstoord op mijn vader en de beide minnenden,

omdat zij in het geheel niet aan mij dachten of mijne tegenwoordigheid

schenen te bemerken, dat ik een aanval op Hazlewood deed, welken hij,

zonder onbeleefd te zijn, niet ontwijken kon. Bij zijne verdediging

werd hij ongevoelig warm. Ik verzeker u, Mathilda, dat hij een even

geestig, als schoon mensch is, en dat ik mij niet kan herinneren, hem

ooit in zulk een voordeelig daglicht gezien te hebben. Maar midden

onder ons levendig en aangenaam gesprek trof een zachte zucht van

juffer Lucie mijn oor. Ik was veel te edelmoedig, om verder gebruik van

mijne overwinning te maken, al ware ik ook niet bang geweest voor mijn

vader. Tot mijn geluk was hij juist verdiept in eene uitvoerige

beschrijving der bijzondere zeden en gewoonten van zekeren Indiaanschen

volkstam, in de binnenlanden, en juist bezig om ze door teekeningen op

Lucie Bertram’s borduurpatronen op te helderen, waarvan hij drie geheel

en al bedierf, door zijne schetsen der Oostersche kleeding over de

teekening van hare patronen heen te maken. Maar ik denk, dat zij op dat

oogenblik even weinig aan haar eigen kleed, als aan de Indiaansche

tulbanden dacht. Het was echter gelukkig voor mij, dat mijn vader niet

alles bemerkte: want hij ziet anders zoo scherp als een valk, en is een

gezworen vijand van alles, wat maar eenigszins naar koketterie zweemt.

Hazlewood hoorde dezen nauwelijks hoorbaren zucht ook, Mathilda! Hij

kreeg dadelijk berouw over de vluchtige oplettendheden, welke hij op

zulk een onwaardig voorwerp als uwe Julia verspild had, en trad met

eene waarlijk kluchtige uitdrukking van schuldbewustheid naar de

werktafel van Lucie. Hij maakte eene onbeduidende aanmerking en haar

antwoord was van dien aard, dat slechts het scherpe oor van een

minnenden of nieuwsgierigen opmerker het iets koeler en droger dan

gewoonlijk kon vinden. De held, die zich zelven beschuldigde, gevoelde

het verwijt en stond beschaamd. Gij zult mij toestemmen, dat de

edelmoedigheid van mij vorderde dat ik als bemiddelaarster optrad. Ik

mengde mij dus op den kalmen toon van een onoplettenden,

onverschilligen derden persoon in het gesprek, bracht het langzamerhand

op den gewonen toon en plaatste hen eindelijk, nadat ik eene poos tot

middel van gemeenschap, waardoor zij met elkander verkozen te spreken,

gediend had, aan het ernstig en diepzinnig schaakspel. Ik ging toen

zelve naar mijn vader, die nog steeds met zijne teekeningen bezig was,

om hem, volgens mijn plicht, een weinig te plagen. De schaakspelers

zaten in onze ruime, ouderwetsche woonkamer, niet ver van den haard,

bij eene kleine werktafel; mijn vader op eenigen afstand aan eene

groote tafel, waarop het licht stond en eenige boeken lagen. De kamer

zelve is rijk aan allerlei donkere hoeken en met sombere, geborduurde

tapijten behangen, die dingen voorstellen, welke de kunstenaar, die ze

maakte, niet zonder moeite zou kunnen verklaren.

„Vader,” vroeg ik, „is het schaken een zeer onderhoudend spel?”

„Dat zegt men,” antwoordde hij, zonder mij met zijne oplettendheid te

verwaardigen.

„Ik maak het op uit de aandacht, die Hazlewood en Lucie er aan wijden.”

Mijn vader keek haastig op en hield het penseel een oogenblik werkeloos

in de hand. Waarschijnlijk ontdekte hij niets, dat zijn argwaan

opwekte; want hij begon gerust weder voort te teekenen aan de plooien

van een Mahrattentulband, toen ik hem weder stoorde met te vragen –

„Hoe oud is Lucie Bertram, vader?”

„Hoe zou ik dat weten? Naar ik veronderstel omstreeks zoo oud, als

gij.”

„Ik zou denken, dat zij ouder moet zijn, vader! Gij houdt mij altijd

voor, hoeveel beter zij de honneurs bij de theetafel weet waar te

nemen, dan ik. Wel, vader! indien gij haar het recht eens gaaft, om

altijd de eerste plaats te bekleeden?”

„Hoor, lieve Julia, gij zijt of eene volslagene zottin, of gij hebt

meer lust om kwaad te stichten, dan ik tot nog toe van u gedacht heb.”

„O lieve vader! leg, wat ik zeg, op het gunstigst uit. Om alles in de

wereld zou ik voor geene zottin gehouden willen worden.”

„Maar waarom spreekt gij dan als eene zottin?”

„Wel vader, ik vind waarlijk niet dat, hetgeen ik zoo even gezegd heb,

zoo dwaas is. Een ieder weet, dat gij een zeer schoon man zijt” (een

glimlach werd even zichtbaar), „namelijk voor uw leeftijd,” (hier

betrok zijn gelaat weder), „welke nog geenszins ver gevorderd kan

genoemd worden, en ik weet wezenlijk niet, waarom gij uwe neiging,

indien gij er lust toe hebt, niet zoudt volgen. Ik gevoel, dat ik maar

een onbezonnen meisje ben, en indien eene meer ernstige gezellin u

gelukkiger kon maken –”

Mijn vader vatte mijne hand met een mengsel van misnoegen en

liefderijken ernst, waarin eene scherpe berisping over mijn schertsen

met zijn gevoel voor mij opgesloten lag. „Julia!” zeide hij, „ik zie

veel van uwen moedwil door de vingers, daar ik me verbeeld dat ik het

eenigermate verdiend heb, door niet nauwkeurig genoeg op uwe opvoeding

te hebben gelet. Ik wil echter niet dat gij uw overmoed bij zulk een

teeder onderwerp den teugel viert. Indien gij het gevoel van uwen vader

jegens uwe gestorvene moeder niet eerbiedigt, vergeet dan ten minste de

geheiligde rechten van het ongeluk niet, en bedenk dat Lucie Bertram,

indien slechts éen woord van zulk eene scherts haar ter ooren kwam,

zich gedwongen zou zien, hare tegenwoordige schuilplaats te verlaten en

zich, zonder beschermer, in eene wereld te begeven, welke zij reeds als

zoo onvriendelijk heeft leeren kennen.”

Wat kon ik hierop antwoordden, Mathilda? Ik weende oprechte tranen, bad

om vergiffenis en beloofde in het vervolg een zoet kind te zijn. En zoo

sta ik hier weder geheel alleen: want mijne eer en mijne goedaardigheid

veroorloven mij nu niet de arme Lucie weder door schertsende aanvallen

op Hazlewood te kwellen, ofschoon zij het, door haar gebrek aan

vertrouwen jegens mij, wel verdiende, en even weinig kan ik het, na dit

ernstig tooneel, wagen, met mijn vader over dit teedere punt te

spreken. Tot tijdverdrijf steek ik nu kleine rolletjes papier in den

brand, doof ze weder uit en teeken met het zwartgebrande eind

Turken-koppen op visite kaartjes (ik verzeker u, dat mij gisteren avond

de trotsche kop van Hyder Aly boven verwachting gelukt is): ik rammel

op mijn ongelukkig klavier en neem tusschenbeide een ernstig boek in de

hand, dat ik van achteren af begin te lezen.

Intusschen begint Brown’s stilzwijgen mij zeer te verontrusten. Ware

hij gedwongen, dit oord te verlaten, dan zoude hij mij zeker geschreven

hebben. Zou mijn vader misschien zijne brieven onderschept hebben? Doch

neen, dat strijdt volstrekt tegen zijne grondbeginsels. Ik geloof niet,

dat hij een brief, die heden avond aan mij gezonden werd zou openen,

zelfs indien hij daardoor verhoeden kon, dat ik morgen uit het venster

sprong. – Welk eene uitdrukking is daar aan mijne pen ontsnapt! Ik

moest mij schamen, dat ik mij die zelfs jegens u Mathilda, en ook

slechts in scherts, heb laten ontvallen. Maar ik kan het niet zeer

verdienstelijk vinden, dat ik handel zoo als het behoort. Deze Mijnheer

Van Beest Brown is immers geenszins zulk een vurig minnaar, dat hij het

voorwerp zijner genegenheid door overijling tot zulke onberadene

stappen zou verleiden. Men moet bekennen, dat hij overvloedig tijd

gebruikt, om alles goed te overleggen. Ik wil hem evenwel niet

ongehoord veroordeelen, noch twijfelen aan de mannelijke vastheid van

een karakter, dat ik zoo dikwijls bij u geprezen heb. Ware hij in staat

te twijfelen of te vreezen, of kon ik hem slechts van de schaduw van

onbestendigheid beschuldigen, dan zou ik zijn verlies weinig beklagen.

En waarom, zult gij zeggen, waarom bekommer ik mij om hetgeen Hazlewood

doet, of aan wie hij zijne oplettendheden bewijst, indien ik zulk eene

vaste en onwankelbare liefde van mijn eigen minnaar verwacht? Ik vraag

het mij zelve elken dag honderdmalen, en krijg steeds het zeer

onnoozele antwoord, dat men niet gaarne verwaarloosd wil worden,

ofschoon men geenszins de oorzaak van eene wezenlijke ongetrouwheid zou

willen zijn.

Ik schrijf u alle deze kleinigheden, omdat gij zegt dat ze u vermaken:

maar het verwondert mij hoe ze u dit kunnen doen. Ik herinner mij, hoe

gij bij onze geheimzinnige reizen naar de wereld der verdichting,

altijd het groote en romaneske bewonderdet, geschiedenissen van

ridders, dwergen, reuzen, gevangene jonkvrouwen, waarzeggers,

verschijningen, waarschuwende geesten en bloedige handen – terwijl ìk

steeds met de ingewikkelde intrigues van het gewone leven en slechts

met zooveel van het bovennatuurlijke ingenomen was, als aan een

Oosterschen genius of eene weldadige toovergodin toegeschreven wordt.

Gij wenschtet, dat uw levensloop u op den grooten oceaan, waar

doodelijke stilte met huilenden storm, wervelwinden en hemelhooge

golven afwisselen, mocht voeren, terwijl ik liever bij eene frissche

koelte met mijn scheepje op een binnenlandsch meer of stille baai wilde

zeilen, waar de vaart bezwaarlijk genoeg was, om belangwekkend te wezen

en eenige bekwaamheid te vereischen, zonder juist zeer gevaarlijk te

zijn. Me dunkt, Mathilda, dat mijn vader met zijne trotschheid op zijne

voorouders en zijn krijgsroem, met zijn ridderlijk gevoel van eer,

zijne groote talenten, zijne afgetrokkene en geheimzinnige studiën, uw

vader moest zijn! Ook moest Lucie Bertram, wier voorouders met namen,

die even moeielijk te onthouden als te spellen zijn, over dit

romantisch land geheerscht hebben, en wier geboorte, zooals ik bij

gerucht gehoord heb, onder zeer bijzondere en merkwaardige

omstandigheden plaats had, – ook deze moest uwe vriendin zijn. Ja,

zelfs onze woonplaats, omringd door bergen en met hare eenzame

wandelingen naar spookachtige bouwvallen, moest uwe woonplaats zijn.

Daarentegen moesten het schoone Dennen-park met zijne grasperken,

heesters en oranjeriën, uwe goede, stille, zachtaardige tante met haar

biduur des morgens, haar middagslaapje na den maaltijd, haar

whistpartij des avonds, mij te beurt gevallen zijn, hare vette

koetspaarden en nog vetter koetsier hierbij vooral niet te vergeten. In

dezen ruil is Brown toch niet begrepen. Zijne vriendelijke geaardheid,

zijne levendigheid en zijn rondborstig karakter passen even goed bij

mijn levensplan, als zijne krachtige gestalte, zijn schoon gelaat en

zijn verheven moed bij uw ridderlijken aard. Daar wij dus niet alles,

zonder uitzondering, kunnen verruilen, is het dunkt mij het best, te

blijven zoo als wij zijn.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 42 / 75 题