Geen huis of haard bezitten wij,
Geen vrouw, geen kind, geen goed
De donkre nacht is dag voor ons,
Wij schuw’n des daglichts gloed.
Joanna Baillie.
Brown kon nu zijne vijanden tellen. Zij waren vijf in getal. Twee van
hen, groote, forsche mannen, schenen òf echte zeelieden te zijn, òf
waren landloopers, die daarvoor wilden doorgaan. De drie anderen, een
oud man en twee jongens, waren veel tengerder en schenen, naar hun
zwart haar en de donkere kleur van hun gelaat te oordeelen, tot den
stam van Meg te behooren.
De beker, waaruit zij brandewijn dronken, ging vlijtig rond. „Op zijne
gelukkige reis!” riep een van de zeelieden, terwijl hij den beker aan
de lippen zette; „hij heeft een onstuimigen nacht getroffen om naar den
hemel te varen.”
Wij laten de schrikbarende verwenschingen weg, waarmede deze eerlijke
lieden hun gesprek kruidden, en geven slechts hetgeen minder
aanstootelijk luidt weêr.
„O! die geeft om geen weer of wind. Bij zijn leven heeft hem zoo menige
noordoosten-storm om de ooren geblazen.”
„Gisteren voor de laatste maal,” hernam een ander op norschen toon; „en
nu mag de oude Meg om een laatsten goeden wind voor hem bidden, even
als zij zoo dikwijls gedaan heeft.”
„Voor hem zal ik niet bidden,” zeide Meg, „en ook voor u niet. De
tijden zijn, sedert langen tijd, ten kwade veranderd. Voorheen waren de
mannen nog mannen en streden in het open veld, maar waren geene
sluipmoordenaars. Toen waren de aanzienlijken goedhartig en lieten een
armen Heiden met geene ledige handen gaan; maar onder deze was ook
niemand, van den grooten Johnnie Faa af tot aan den kleinen Christiaan
toe, die nog in de mand gedragen werd, welke hun de geringste
kleinigheid ontstolen zou hebben. Maar gij hebt den goeden ouden weg
verlaten, en geen wonder, dat gij zoo dikwijls de ketenen moet schuren
of aan den galg komt. Ja gij zijt geheel veranderd. Gij eet des
landmans brood, gij drinkt zijn drank, gij slaapt op het stroo in zijne
schuur, en tot belooning breekt gij zijn huis in en snijdt hem de keel
af! Bedenkt, hoe gij eens sterven zult! Hij worstelde lang met den dood
en had een zwaren strijd. Hij kon noch leven, noch sterven. Maar gij –
het halve land zal nog bijeen komen, om u lieden aan den galg te zien
bengelen!”
Bij deze voorzegging van Meg barstten de mannen in een woest gelach
uit.
„Waarom zijt gij dan weder hier gekomen, vervloekte oude heks?” zei een
van de Heidenen. „Kondt gij niet blijven, waar gij waart, en bij de
Cumberlandsche boeren voor waarzegster spelen? Scheer u naar buiten,
oude draak, en pas op, of er ook iemand op ons spoor is. Dat is het
eenige, waarvoor gij nu goed zijt.”
„Is dat het eenige, waarvoor ik nu goed genoeg ben? In het groote
gevecht tusschen ons volk en dat van Patrico Salmon, was ik wel tot
iets beters te gebruiken. Indien deze vuisten,” (hier hief zij de
handen omhoog), „je toen niet geholpen hadden, zou Jean Baillie je
geworgd hebben, bespottelijke zwetser dat gij zijt!”
Hier brak de troep weder in een schaterend gelach uit ten koste van den
held, dien deze amazone, volgens haar zeggen, geholpen had.
„Hoor, moeder!” zeide een van de zeelieden, „hier is een volle beker
voor u; laat nu dien lummel met rust!”
Meg dronk den beker ledig en ging voor den schuilhoek van Brown zitten,
zoodat het moeilijk was dien te naderen, zonder dat zij opstond.
Niemand scheen haar echter te willen storen.
De mannen gingen rondom het vuur zitten en schenen met elkander te
raadplegen, maar spraken zoo zacht en in zulk eene wonderlijke
gauwdieventaal, dat Brown niet veel van hun gesprek verstaan kon. Hij
begreep evenwel, dat zij zeer verbitterd waren op iemand. „Hij zal zijn
deel wel krijgen,” zeide de eene, en fluisterde zijn kameraad iets in
het oor.
„Daar wil ik niets mede te doen hebben,” antwoordde de andere.
„Wordt gij bang, Jaap?”
„Neen, waarachtig, niet banger dan gij! Maar ik wil niet! Voor vijftien
of twintig jaren geleden, heeft iets soortgelijks ons geheele handwerk
ook bedorven. – Hebt gij wel van den Sprong gehoord?”
„Die dáar ligt” antwoordde hij, op het lijk wijzende, „heeft mij er van
verhaald. – Wat lachte hij, toen hij ons toonde, hoe hij hem naar
beneden wierp!”
„Dat kan zijn; maar het bedierf ons handwerk voor langen tijd.”
„Hoe kon dat wezen?” vroeg de andere boef.
„Het volk trok zich terug en wilde zich nergens mede inlaten, en het
gerecht zat ons zoo na op de hielen, zoo dat –”
„Ik ben toch van gedachte, dat wij den kerel in een donkeren nacht
overvallen en hem niet verschoonen moeten.”
„Maar de oude Meg is ingeslapen,” zeide een ander. „Zij begint te
suffen en vreest voor hare eigene schaduw. Zij zal nog uit de school
klappen, als wij niet goed oppassen.”
„Vrees daar niet voor,” hernam de oude Heiden. „Meg is van de echte
soort; zij is de laatste van de bende, die afvallig zou worden. Maar
zij heeft hare eigene grillen en zegt soms rare dingen.”
Hun gesprek duurde nog eenigen tijd in hunne dieventaal vol teekenen en
wenken voort, zonder dat zij het onderwerp, waarover zij spraken, eene
enkele maal met klare en duidelijke woorden noemden, tot dat eindelijk
een van hen aanmerkte, dat Meg nu vast sliep, of ten minste scheen te
slapen en een’ van de jongens beval den zwarten Peter binnen te brengen
om hem te onderzoeken. De kerel ging naar de deur en kwam met een
valies terug, dat Brown oogenblikkelijk als zijn eigen herkende.
Aanstonds kwam hem de ongelukkige voerman, welken hij bij het rijtuig
gelaten had, in de gedachten. Hadden de roovers hem vermoord, of zou
hij zich misschien door de vlucht gered hebben? Zulke akelige
denkbeelden doorsneden zijne ziel. Vol angst gaf hij op alles, wat er
voorviel, nauwkeurig acht en luisterde, terwijl de booswichten den
inhoud van het valies uitpakten en bewonderden ingespannen toe, of hij
ook iets hoorde, waaruit hij het lot van den voerman zou kunnen
opmaken. Maar de roovers waren te verheugd over hun buit en hielden
zich te veel met het beschouwen en nazien er van bezig, om zich over de
wijze, hoe zij dien gekregen hadden, uit te laten. Het valies bevatte
onderscheidene kleedingstukken, een paar pistolen, eene lederen tasch
met eenige papieren, eenig geld en enkele kleinigheden. Op een anderen
tijd zou Brown niet zoo geduldig aangezien hebben, dat zulke schelmen
zijn eigendom zoo, zonder plichtplegingen, verdeelden en zich nog ten
koste van den beroofde vroolijk maakten; maar op dit gevaarlijk
oogenblik kon hij aan niets dan aan zelfbehoud denken.
Nadat de roovers den inhoud van het valies nauwkeurig onderzocht en
onderling verdeeld hadden, gingen zij weder aan het drinken, waarmede
zij het grootste gedeelte van den nacht doorbrachten. Brown vleide zich
eene poos, dat zij zich zóó dronken zoude drinken, dat zij alle besef
verloren, en dat hij dan gemakkelijk zou kunnen ontvluchten; maar hun
gevaarlijk handwerk had hen zoo voorzichtig gemaakt, dat zij het bij
eenen duchtigen roes lieten en toen met drinken uitscheidden. Vier van
hen gingen eindelijk liggen slapen, terwijl de vijfde de wacht hield.
Na eene wacht van twee uren, werd hij door een’ ander’ afgelost. De
schildwacht maakte de slapenden, na afloop van de tweede wacht, wakker,
en tot Brown’s groote vreugde schenen zij zich allen tot het vertrek
gereed te maken, daar ieder de goederen, die hem ten deel gevallen
waren, oppakte. Er was echter eerst nog iets te verrichten. Twee van
hen haalden, na eenig zoeken, wat Brown niet weinig beangstigde, een
houweel en eene spade voor den dag; een derde vond een steekbijl van
achter het stroo, waarop het lijk lag. Met deze werktuigen verlieten
zij het vertrek, terwijl de beide zeelieden, als wachters,
achterbleven. Een half uur later kwam een van de eersten terug en
fluisterde de anderen iets in het oor. Hierop wikkelden zij het lijk in
den mantel en droegen het weg.
Nu ontwaakte Meg Merrilies uit haren wezenlijken of geveinsden slaap en
beval Brown, nadat zij eenige oogenblikken buiten de deur rondgezien
had met eene zachte stem, haar oogenblikkelijk te volgen. Hij
gehoorzaamde; maar toen hij de hut verliet, wilde hij gaarne zijn geld,
of ten minste zijne papieren weder medenemen; zij verbood het echter
ten stelligste. Hij bedacht nu ook, dat alle verdenking op de oude
vrouw, die naar alle waarschijnlijkheid zijn leven gered had, moest
vallen, als er iets vermist werd, en gaf zijn voornemen, om zich van
een gedeelte van zijn eigendom weder meester te maken, op, terwijl hij
alleen een houwer medenam, welken een van de roovers tusschen het stroo
geworpen had. Thans, uit zijne benauwde ligplaats verlost en in het
bezit van dit wapen, gevoelde hij zich zoo gerust, alsof hij reeds meer
dan ten halve aan het gevaar, waarin hij verkeerd had, ontsnapt was.
Hij was nog wel wat stijf door de koude en door de gedwongen houding,
waarin hij den geheelen nacht had moeten liggen, maar de frissche
morgenlucht en de beweging herstelden spoedig het gebrek aan
doostraling in zijne verkleumde en verdoofde ledematen, toen hij de
Heidin naar buiten volgde.
Het was een koude wintermorgen. De sneeuw, die alles bedekte,
vermeerderde het flauwe licht der morgenschemerìng. Brown keek
opmerkzaam rond, ten einde de plek bij gelegenheid te kunnen herkennen.
De kleine, bijna geheel vervallen toren, waarin hij dezen merkwaardigen
nacht doorgebracht had, stond op de punt van eene vooruitspringende
rots, die over de beek hing. Slechts aan de zijde van het dal was de
rots beklimbaar; aan de andere drie zijden was die zoo steil, dat Brown
den vorigen avond aan meer dan één gevaar ontsnapt was: want had hij,
zoo als hij werkelijk eenmaal voornemens was, beproefd om rond het
gebouw heen te gaan, dan zou hij onvermijdelijk door een vreeselijken
val verpletterd zijn geworden. Het dal was zoo nauw, dat de met sneeuw,
in plaats van met bladen, beladen toppen der van weerskanten staande
boomen elkander op sommige plaatsen raakten en dus een soort van
bevroren gewelf over het beekje vormden, dat langzaam beneden door het
dal kronkelde en door de donkere kleur van onder de sneeuw te
onderscheiden was. Op éene plaats was het dal iets wijder. Hier lagen
op eene kleine vlakte, tusschen de beek en den steilen rand van het
dal, de bouwvallen van het gehucht, waardoor Brown den vorigen avond
gekomen was. De vervallene, aan de binnenzijde zwart berookte gevels
schenen nog zwarter door de sneeuw, welke hier en daar tegen de muren
aangewaaid was en alles in den omtrek met een helder wit kleed bedekte.
Brown kon dit winterachtig, treurig tooneel slechts vluchtig
beschouwen, daar zijne leidsvrouw, na een oogenblik stil gestaan te
hebben als het ware om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, nu weder
met snelle schreden haren weg vervolgde. Hij bemerkte, niet zonder
argwaan, dat zij een pad koos, waarop reeds onderscheidene voetstappen
gedrukt stonden, welke, naar zijne gedachten, van niemand anders dan
van de booswichten, die den nacht in den toren doorgebracht hadden,
konden zijn. Zijn argwaan verdween na eenig nadenken. Het was niet te
vermoeden, dat de vrouw, die hem in eenen volkomen weerloozen toestand
aan hare bende kon overgeleverd hebben, hem nu, terwijl hij gewapend en
in het vrije veld was, en veel meer kans had, om zich met goed gevolg
te verdedigen of te ontvluchten, verraden zou. Hij volgde haar dus met
vertrouwen, zonder een woord te zeggen. Zij gingen over de beek op
dezelfde plaats, waar hunne voorgangers waarschijnlijk ook gegaan
waren. De voetstappen liepen vervolgens door het verwoeste dorp en
vandaar dieper in het dal, dat hier weder zeer nauw werd. De Heidin
volgde echter dit spoor niet verder, maar sloeg een zeer ruw en oneffen
zijpad in, dat tegen de hoogte, welke over het gehucht hing, opliep.
Dit voetpad was op vele plaatsen geheel door sneeuw bedekt en
verborgen, waardoor het gaan onzeker en onveilig werd. Dit verhinderde
evenwel Meg Merrilies niet, haren weg met vaste en zekere schreden te
vervolgen; een bewijs, dat zij met de streek volkomen bekend was. Toen
zij eindelijk den top der hoogte langs een steil en gevaarlijk pad,
hetzelfde waar langs Brown den vorigen avond in het dal gekomen was,
bereikt hadden, kon hij zich niet genoeg verwonderen, hoe hij hier
zonder halsbreken afgekomen was. Hier breidde zich eene uitgestrekte
opene vlakte uit, welke aan de eene zijde door dichte, uitgestrekte
plantsoenen omringd was.
Meg ging nog steeds langs den rand, tot dat zij stemmen van beneden
hoorde. Toen wees zij op een naburig, vrij groot bosch en zeide: „de
weg naar Kippletringan is aan de andere zijde van dit bosch. Haast u,
zoo veel gij kunt! Er ligt meer aan uw leven gelegen, dan aan dat van
andere lieden. Maar – gij hebt alles verloren – wacht een oogenblik!”
Zij zocht in een grooten zak en haalde eene morsige beurs voor den dag.
„Menige aalmoes hebben Meg en de haren van uw geslacht ontvangen.
Gelukkig heeft zij lang genoeg geleefd, om dit, ofschoon in geringe
mate, te vergelden!” Met deze woorden stopte zij hem de beurs in de
hand.
„De vrouw is krankzinnig,” dacht Brown; maar het was thans de tijd niet
om dit nader te onderzoeken, daar de stemmen, welke hij beneden in het
dal hoorde, zeer waarschijnlijk die van de roovers waren. „Hoe zal ik u
dit geld teruggeven?” zeide hij, „op welke wijze den dienst vergelden,
dien gij mij bewezen hebt?”
„Ik verlang slechts twee dingen,” antwoordde de Heidin snel en zacht.
„Het eerste is, dat gij nooit éen woord spreken zult van alles, wat gij
dezen nacht gezien hebt; het andere, dat gij dit oord niet verlaten
zult, voor dat gij mij weerziet en dat gij in de herberg, the Gordon
Arms, bericht laat, waar gij te vinden zijt; en dat gij, als ik u roep,
hetzij in de kerk of op de markt, op eene bruiloft of bij eene
begrafenis, op Zondag of op Zaterdag, hetzij gij gegeten hebt of honger
lijdt, – dat gij dan alles laat staan en tot mij komt.”
„Dat zal u echter weinig nut en voordeel aanbrengen, moeder!”
„Maar u des te meer; en daarop komt het aan. Ik ben niet krankzinnig,
ofschoon ik genoeg ondervonden heb, om mij het verstand te doen
verliezen. Ik ben niet krankzinnig, ik raaskal niet en ben niet
dronken; ik weet, wat ik verlang! Ik weet ook, dat het Gods wil geweest
is, u in groote gevaren te beschermen, en dat ik het werktuig zijn zal,
om u weder in uws vaders plaats te herstellen. Geef mij dus uw woord en
bedenk, dat gij mij dezen gezegenden nacht uw leven te danken hebt!”
„Er is zeker wel wat woeste hevigheid in haar gedrag,” dacht Brown,
„maar die schijnt eerder uit bewustzijn van kracht, dan uit
krankzinnigheid voort te spruiten.”
„Welaan dan, moeder!” zeide hij, „de gunst, welke gij verlangt, is zoo
klein en onbeduidend, dat ik geene reden vind, om die niet toe te
staan. Ik zal daardoor ten minste gelegenheid hebben, om u uw geld met
interest terug te geven. Gij zijt wel eene wonderlijke schuldeischer,
maar –”
„Maak maar, dat gij voortkomt,” riep zij, met de hand wenkende.
„Bekommer u niet om het geld; het is uw eigen: maar denk aan uwe
belofte en waag het niet, mij te volgen of mij achterna te zien.” Dit
zeggende daalde zij zoo snel weder in het dal af, dat de ijskegels en
sneeuwklompen haar achterna rolden.
Ondanks haar verbod, zocht Brown eene plaats, vanwaar hij ongezien in
het dal kon kijken, en niet zonder moeite (daar hij zeer voorzichtig te
werk moest gaan) slaagde hij eindelijk. Hij vond eene geschikte plaats
op de punt van eene vooruitspringende rots, die zich steil tusschen de
boomen verhief. Hier knielde hij in de sneeuw neder, stak het hoofd
voorzichtig vooruit en kon op deze wijze alles waarnemen, wat beneden
in het dal voorviel. Hij ontdekte, zoo als hij wel verwacht had, het
gezelschap van den vorigen nacht, waarbij zich een paar andere mannen
gevoegd hadden. Zij hadden de sneeuw aan den voet van de rots
weggeruimd en een diep gat gegraven, dat tot een graf dienen moest. Zij
stonden nu daaromheen en lieten er iets, in een’ schippersmantel
gewikkeld, in neder, dat Brown dadelijk begreep het lijk van den man te
zijn, dien hij had zien sterven. Nu bleven zij eenige oogenblikken in
die diepte stilstaan, alsof zij door het verlies van hun makker
eenigszins getroffen waren. Maar indien zulk een gevoel bij hen
ontwaakt was, gaven zij zich niet lang daaraan over: want spoedig
kwamen aller handen in beweging, om het graf te vullen. Toen Brown
bemerkte, dat zij hiermede bijna gereed waren, vond hij het geraden,
den wenk van de Heidin te volgen en zoo spoedig mogelijk het bosch in
te snellen.
Zoodra hij zich onder de boomen in veiligheid achtte, was zijne eerste
gedachte, de beurs van de Heidin te onderzoeken. Hij had ze zonder
bezwaar aangenomen, ofschoon er, bij de gedachte aan den stand en het
karakter van de geefster, een gevoel bij hem ontwaakte, als of zijn eer
daardoor gekrenkt werd. Maar hij vond zich uit eene ernstige, ofschoon
slechts oogenblikkelijke verlegenheid gered. Zijn geld was, op eenige
weinige zilverstukken na, in zijn valies, en dus in de handen der
vrienden van Meg. Het moest eenigen tijd duren, vóor dat hij antwoord
kreeg, wanneer hij aan zijn zaakwaarnemer schreef, en ook, indien hij
zich aan zijn vriendelijken gastheer te Charlies-hope wenden wilde, die
hem zeer gaarne met eenig geld helpen zou. Hij besloot zich intusschen
van Meg’s beurs te bedienen, vertrouwende, dat hij haar die spoedig,
met ruime winst, weder ter hand zou kunnen stellen. „Er zal zeker niet
veel in zijn,” zeide hij bij zich zelven, „en ik durf wel wedden, dat
de goede vrouw ook haar aandeel van mijne banknoten heeft, om zich voor
dit offer schadeloos te stellen.”
Met deze gedachten opende hij de lederen beurs, en verwachtte er op het
meest drie of vier guinjes in te vinden. Maar hoe groot was zijne
verbazing toen hij, behalve een aantal goudstukken uit onderscheidene
landen, die te zamen omstreeks honderd pond sterling uitmaakten, ook
nog verscheidene kostbare ringen en andere met juweelen bezette
kleinooden daarin vond, die hem bij de vluchtige beschouwing, welke de
tijd hem veroorloofde, zeer kostbaar voorkwamen.
Hij was even verlegen als verwonderd, toen hij zich dus in het bezit
van een vermogen zag, dat het zijne, naar het hem voorkwam, verre
overtrof, maar dat, naar alle waarschijnlijkheid, door dezelfde
verfoeielijke middelen verworven was, waardoor hij zijn eigendom
verloren had. Zijne eerste gedachte was, zich bij den naasten
vrederechter te vervoegen, den schat, welken hij zoo onverwacht in
zijne bewaring gekregen had, in diens handen te stellen en tevens eene
verklaring af te leggen aangaande de merkwaardige omstandigheden, die
hierbij plaats gevonden hadden. Een kort nadenken deed hem echter van
besluit veranderen. Vooreerst zou hij daardoor zijne belofte van
stilzwijgen verbreken en de veiligheid, ja misschien het leven van deze
vrouw in gevaar brengen, die haar eigen leven gewaagd had om het zijne
te redden, en hem vrijwillig met dezen schat begiftigd had. Hare
edelmoedigheid zou dan de oorzaak van haar verderf zijn; en daaraan
viel niet te denken. Daarbij was hij een vreemdeling en, ten minste
vooreerst, buiten staat om zijn stand en zijne geloofwaardigheid met
voldoende bewijzen tot genoegen van een dommen of eigenzinnigen
dorpsrechter te staven.
„Ik zal de zaak rijpelijk overwegen,” zeide hij; „misschien ligt er
hier in de omstreken, in het een of ander dorp, een regiment, in welk
geval mijne kennis van den dienst en mijne vriendschap met zoo vele
officieren van het leger ongetwijfeld voldoende zullen zijn, om mijn
stand en rang door middelen, welke een burgerlijk ambtenaar misschien
niet zou weten te waardeeren, te bewijzen. En dan zal ik ook, met
behulp van den bevelhebber, de zaak wel zoo kunnen plooien, dat de arme
krankzinnige Heidin, wier dwaling, of vooringenomenheid, zoo gelukkig
voor mij geweest is, gespaard blijft. Een burgerlijke rechter kon zich
verplicht rekenen, haar dadelijk te laten vatten; en welke gevolgen dat
voor haar hebben zou, is vrij zeker. Neen! zij heeft mij eerlijk
behandeld; zij verlaat zich op mijne eer, en al ware zij de duivel
zelf, zij zal zich hierin niet bedrogen vinden. Zij zal het voorrecht
van een krijgsgerecht genieten, waar het punt van de eer de
gestrengheid der wet kan matigen. Buitendien zie ik haar misschien te
Kipple – Couple – of hoe zij de plaats noemde – weder; dan kan ik haar
alles weder ter hand stellen, en laat de wet het dan naderhand terug
eischen, als zij eens opgepakt wordt. Intusschen maak ik eene slechte
figuur voor iemand, die de eer heeft in dienst van zijne Majesteit te
zijn, daar ik inderdaad thans niet veel beter dan een heeler van
gestolen goederen ben.”
Na deze overwegingen nam Brown drie of vier guinjes uit den schat van
de Heidin, om daarmede vooreerst in zijne behoeften te voorzien, maakte
de beurs weder dicht en besloot ze niet weder te openen, vóor dat hij
het hem toevertrouwde goed weder aan haar, van wie hij het ontvangen
had, teruggeven, of in landen van een openbaren ambtenaar overgeven
kon. Toen dacht hij aan den medegenomen houwer en wilde dien eerst in
het bosch laten liggen; maar, bij nadere overweging, kon hij niet
besluiten, zich van dit wapen te ontdoen, zoo lang hij niet buiten
gevaar was de roovers weder te ontmoeten. In zijne, hoewel eenvoudige,
reiskleeding blonk de krijgsman ook wel zoo veel door, dat zulk een
wapen hem niet vreemd stond. Buitendien was het dragen van wapens bij
eene burgerlijke kleeding, ofschoon eene verouderde gewoonte, toch nog
niet zóo geheelenal in onbruik geraakt, dat iemand, die dat verkoos te
doen, bijzonder in het oog liep. Hij besloot dus zijn zwaard te
behouden, stak de beurs van de Heidin in een verborgen zak, en ging
opgeruimd door het bosch, om den weg naar Kippletringan te zoeken.