Zoo gij weet wat het heet barmhartig te zijn,
Keer mijn gelaat naar den muur en laat mij sterven.
Joanna Baillie.
Nadat onze reiziger afscheid van Dinmont genomen had, huurde hij een
rijtuig naar Kippletringan, waar hij eerst eenige berichten aangaande
de familie te Woodbourne wilde inwinnen, vóor dat hij het waagde, Julia
Mannering van zijne tegenwoordigheid te verwittigen. De afstand was
vrij groot, een uur of zes zeven, en de weg liep dwars door het veld.
Niettegenstaande eene hevige sneeuwjacht hadden zij reeds een paar uren
afgelegd, zonder dat de voerman in het minst scheen te twijfelen of
zich te bedenken; eerst toen het volkomen duister werd, uitte hij
eenigen twijfel, of zij wel op den weg waren. Een zeer onaangename
toestand, daar er volstrekt geen weg te onderscheiden was, en de
sneeuw, die den voerman onophoudelijk in de oogen joeg, zijne kennis
van dit oord nog meer in de war bracht en het bijna onmogelijk maakte,
het rechte spoor weder te vinden. Brown steeg eindelijk uit het rijtuig
en keek overal rond, of hij ook ergens een huis ontdekte, waar hij naar
den weg kon vragen. Maar te vergeefsch, en er bleef hem dus niets
anders over, dan op goed geluk af verder door te rijden. Zij reden door
zulke uitgestrekte plantsoenen, dat Brown vermoedde, dat zij niet ver
van een landgoed konden zijn. Eindelijk hield de voerman, nadat zij met
veel moeite nog een eindje afgelegd hadden, stil en verklaarde, dat
zijne paarden geen voet meer verzetten wilden, maar zeide tevens, dat
hij een licht tusschen de boomen zag, ’t welk zeker uit een huis moest
komen, en dat zij dáar naar den weg konden vragen. Te dien einde steeg
hij af en waadde op deze ontdekkingsreis, belast met zijn langen jas en
zijne zware laarzen, welke in dikte met het zevenvoudig schild van Ajax
hadden kunnen wedijveren, door de dikke sneeuw, tot dat Brown zijn
geduld verloor, uit het rijtuig sprong en den knaap beval bij de
paarden te blijven, terwijl hij zelf het huis wilde opzoeken; een
bevel, waaraan de voerman met vreugde gehoorzaamde.
Onze reiziger liep eenigen tijd langs de omheining waardoor het licht
scheen, totdat hij een hek en een voetpad vond, dat in het uitgestrekte
plantsoen leidde. Brown volgde dit voetpad, dat naar het licht, het
voorwerp van zijn zoeken, scheen te voeren, maar verloor het schijnsel
spoedig tusschen de boomen uit het gezicht. Het pad, dat bij den ingang
van het bosch, waardoor het ging, breed en zeer zichtbaar was, werd nu
moeielijk te onderscheiden, ofschoon het door de versch gevallene
sneeuw nog al eenigszins licht was. Terwijl hij zooveel mogelijk de
meest open plaatsen van het bosch zocht, liep hij een heelen tijd door,
zonder het licht weder te zien, of iets, dat op eene woning geleek, te
ontdekken. Evenwel oordeelde hij het best, zijn weg in dezelfde
richting te vervolgen: want het licht moest zeker uit de hut van een
boschwachter geschenen hebben, daar het te onbewegelijk stond, om het
schijnsel van een dwaallichtje te zijn. De grond werd eindelijk oneffen
en begon sterk te hellen. Brown dacht nog steeds, dat hij op een spoor,
hetwelk ten minste eens een voetpad geweest was, ging; maar het was nu
zoo oneffen en de hoogten en laagten zoo zeer door de hoe langer zoo
dichter vallende sneeuw bedekt, waarover hij zich in zijn ongeduld
weinig bekommerd had, dat hij meer dan eens viel en ernstig aan
terugkeeren begon te denken.
Eene laatste poging willende wagen, ging hij nog een weinig verder en
ontdekte tot zijne groote vreugde op geringen afstand het licht weder,
dat op dezelfde hoogte scheen te zijn als hij. Hij vond nochtans
spoedig, dat hij zich hierin bedroog. De grond liep verder zoo steil
naar beneden, dat het bleek, dat er een diep dal tusschen hem en het
voorwerp zijner nasporingen was. Voorzichtig verder afdalende, kwam hij
eindelijk beneden in een zeer diep, nauw dal, waardoor een beekje
kronkelde, welks loop bijna door de sneeuw gestremd was. Hij kwam nu
bij eenige verwoeste hutten, van welke de zwarte gevels, die bij de
witte oppervlakte, waarboven zij zich verhieven, sterk afstaken, alleen
nog stonden en waarvan de puinhoopen, welke verstrooid in het rond
lagen en met sneeuw bedekt waren, zijne schreden dikwijls zeer
belemmerden. Maar alle zwarigheden moedig trotseerende, ging hij door
de beek, kwam, na veel moeite en gevaar, op den anderen ruwen oever en
vervolgde zijnen tocht, tot dat hij het gebouw, vanwaar het licht
scheen, bereikte.
Bij het flauwe licht was: het moeielijk te ontdekken, welk soort van
gebouw dit was. Het scheen echter vierkant, niet groot en van boven
geheel vervallen te zijn. Het was waarschijnlijk in vroegere tijden de
woning van een geringen landedelman geweest, of had een aanzienlijk
man, in geval van nood, tot schuilplaats gediend. Het onderste gewelf
alleen was nog onbeschadigd en diende het gebouw, in zijn
tegenwoordigen toestand, tot dak. Brown ging op het licht af, dat door
eene lange, smalle spleet, of schietgat, zoo als men gewoonlijk in oude
kasteelen vindt, straalde. Door nieuwsgierigheid gedreven, keek hij
door deze opening, om, voor dat hij binnentrad, het inwendige van deze
vreemde plaats op te nemen. Een erger tooneel van verwoesting laat zich
bijna niet denken. Op den grond lag een vuur te branden. De rook trok
door het geheele vertrek, voor dat hij door een in een boog van het
gewelf gebroken gat een uitgang vond. Bij dit walmende licht hadden de
muren het woeste voorkomen van ten minste driehonderdjarige bouwvallen.
Een paar vaten, eenige gebroken kisten en pakken lagen in wanorde door
elkander. Maar nog meer trokken de bewoners van dit gebouw Brown’s
aandacht tot zich. Op een strooleger, waarover een deken gespreid was,
lag eene menschelijke gestalte zoo stil en onbeweeglijk, dat Brown ze
voor een lijk gehouden zou hebben, indien het gewone lijkgewaad niet
ontbroken had. Maar spoedig verried een zwaar en diep zuchten en
kermen, die den naderenden zwaren doodstrijd aankondigden, dat de zieke
nog leefde. Eene vrouwelijke gedaante, in een langen mantel gehuld, zat
op een steen bij dit ellendig leger. Zij rustte met de ellebogen op de
knieën, wendde haar gelaat van het licht eener ijzeren lamp, welke
naast haar stond, af en hield hare blikken op den stervende gevestigd.
Van tijd tot tijd bevochtigde zij hem de lippen en zong tusschenbeide,
op eene zachte, eentonige wijze, een van die gebeden of liever
tooverspreuken, welke in eenige gedeelten van Schotland en het noorden
van Engeland ìn gebruik zijn, om daardoor, zoo als het bijgeloof waant,
het scheiden der ziel van het lichaam te verlichten, even als met het
kleppen der klok geschiedde in de tijden van het katholicisme. Zij
vergezelde deze treurige tonen met eene langzame, wiegende beweging van
haar lichaam, alsof zij daardoor de maat van haar gezang wilde
aangeven. De woorden luidden bijna als volgt:
„Wat, vermoeide! toeft gij toch?
Kampt met stof en aarde nog?
Schei van ’t lichaam, loom en log!
Hoor de Misse zingen!
Maak u van uw hulsel vrij;
Sta de Moeder Gods u bij!
Heil’gen staan aan uwe zij –
Hoor de doodklok luiden!
Vrees noch sneeuw, noch hageljacht,
Noch den langen winternacht!
In de doodkist slaapt men zacht,
Om niet weer te ontwaken.
Haast u! dat geen vrees u stuit’!
De aard’ snelt voort – ’t is tijd – besluit!
Blaas den laatsten adem uit –
Zie den morgen naken!
Hier zweeg de zangster en werd door een diep, hol zuchten en steunen
beantwoord, dat den laatsten doodstrijd scheen aan te kondigen.
„Het gaat nog niets mompelde zij bij zich zelve. „Hij kan niet sterven
met zulk een zwaren last op zijne ziel. Dat houdt hem hier vast.” –
Ach, de Hemel duldt hem niet!
De aarde ontzegt hem haar gebied [14]!
„Ik moet de deur opendoen.” Zij stond op, ging naar de deur, zorg
dragende haar hoofd niet om te draaien, en lichtte, nadat zij een paar
sterke grendels voor de deur, welke, niettegenstaande het armoedige
voorkomen van het vertrek, zeer zorgvuldig gesloten was, weggeschoven
had, de klink op, waarbij zij zong;
„Slot, ontsluit u! – Strijd, bezwijk!
Kom, o Dood! en, Leven, wijk!”
Brown had intusschen zijne standplaats verlaten en stond vlak voor
haar, toen zij de deur opendeed. Zij deinsde van verbazing eene schrede
achteruit, waarop hij binnentrad en dadelijk, maar met geene aangename
gewaarwording, dezelfde oude Heidin herkende, die hij vroeger te
Bewcastle ontmoet had. Zij herkende hem oogenblikkelijk. In hare
houding en blikken verried zij eene angstige bezorgdheid, en had geheel
het voorkomen van de goedaardige reuzin in het tooversprookje, die den
vreemdeling waarschuwt, het gevaarlijke paleis van haren gemaal niet
binnen te treden. Het eerste dat zij zeide (terwijl zij de hand
bestraffende ophief) was: „Heb ik u niet gezegd, bemoei u nergens mede?
– Wacht u voor bloedige slagen. Gij komt hier bij geen vreedzaam
sterfbed.”
Bij deze woorden hief zij de lamp op en liet het licht op de woeste en
ruwe gelaatstrekken van den stervende vallen, die onder stuiptrekken
den laatsten adem uitblies. Een lap linnen, waarmede zijn hoofd
omwonden was, was met bloed bevlekt. Zelfs de dekens en het stroo waren
vol bloed, zoo dat alles verried, dat deze ongelukkige een geweldigen
dood stierf. Brown huiverde bij dit verschrikkelijk gezicht terug en
riep, zich tot de Heidin wendende: „Ellendig wijf, wie heeft dit
gedaan?”
„Zij, aan wie dit veroorloofd werd,” antwoordde Meg Merrilies, terwijl
zij een scherpen, vorschenden blik op den stervende sloeg. – „Hij heeft
een zwaren strijd gehad. Maar het is voorbij. Ik wist, dat hij den
geest zou geven, toen gij binnentradt. Dat was de laatste doodsnik –
hij is dood!”
Op dit oogenblik lieten zich van verre stemmen hooren. „Zij komen,” zei
de Heidin tegen Brown; „gij zijt een man des doods, al hadt gij zoo
vele levens, als haren op uw hoofd.”
Brown zag schielijk naar eenig wapen tot zijne verdediging rond, maar
vond niets. Nu snelde hij naar de deur, om zich achter de boomen te
verbergen er dan door eene snelle vlucht dit verblijf, dat hij voor een
moordenaarshol hield, te ontvluchten. Maar Meg Merrilies hield hem met
een krachtigen arm terug en zeide: „Hier! hier! Wees stil en gij zijt
veilig – verroer u niet, wat gij ook hoort of ziet, en u zal geen leed
geschieden.”
In deze wanhopige omstandigheden herinnerde Brown zich den vroegeren
goeden raad van de oude vrouw, en geloofde dat gehoorzaamheid het
eenige middel tot zijne redding was. Hij moest zich in een’ hoop stroo,
dat in een hoek van het vertrek tegenover den doode lag, nederleggen,
waarop zij hem zorgvuldig bedekte en eenige oude zakken, die op den
grond lagen, over hem heen wierp. Zeer begeerig te weten, wat er
gebeuren zou, schikte Brown zoo zacht mogelijk de zakken, waaronder hij
verborgen lag, zoodanig, dat hij toch iets zien kon, en verbeidde met
een kloppend hart den afloop van dit vreemd en zeer onaangenaam
voorval. De oude Heidin hield zich intusschen met den overledene bezig,
legde het lijk terecht en de armen langs de zijden, terwijl zij bij
zich zelve mompelde: „Het is best dat te doen, voor dat hij stijf
wordt.” Zij legde een houten bord met een weinig zout op de borst van
den doode, plaatste eene kaars bij zijn hoofd en eene andere bij zijne
voeten en stak beide aan. Na gedaan te hebben, begon zij weder te
zingen en wachtte de komst af van hen, wier stemmen zij van buiten
gehoord hadden.
Hoe dapper en onversaagd Brown ook was, begaf hem op dit oogenblik de
moed en vermeesterde de vrees hem zoodanig, dat het koude angstzweet
hem aan alle leden uitbrak. Het denkbeeld, door booswichten, wier
handwerk de nachtelijke moord was, uit zijn ellendigen schuilhoek
gesleept te worden, zonder wapens of het geringste middel tot zijne
verdediging dan gebeden, waarmede zij slechts zouden spotten, of
hulpkreten, die tot geen ander oor dan het hunne, konden doordringen;
de gedachte, dat zijne veiligheid enkel op het onzekere medelijden van
een wezen berustte, dat met deze schelmen in verstandhouding leefde en
wier hart door gewoonte aan roof en bedrog voor alle menschelijk gevoel
verstompt moest zijn – deze bittere gedachten doodden hem bijna. Hij
beschouwde het rimpelig, somber gelaat van de Heidin, waarop nu het
licht der lamp viel, om er iets in te vinden, ’t welk dat meêwarig
gevoel verried, dat vrouwen, zelfs de meest verdorvene, zelden geheel
kunnen onderdrukken. Er was geen enkele zachte, menschelijke trek in
het gelaat van deze vrouw. De opwelling, of wat het ook zijn mocht dat
haar gunstig voor hem innam, sproot niet uit medelijden, maar uit eene
geheime, zonderlinge mengeling van aandoeningen, welke hij zich niet
verklaren kon. Misschien had het geen anderen grond, dan eene
denkbeeldige gelijkenis, even als die welke Lady Macbeth in den
slapenden koning met haren vader meende te vinden. Soortgelijke
gedachten verdrongen elkander in zijne ziel, terwijl hij deze
wonderlijke vrouw uit zijn schuilhoek waarnam. Intusschen kwam de bende
nog niet nader en kreeg Brown grooten lust, om zijn eerste voornemen,
dit verblijf te ontvluchten, nu nog uit te voeren, bij zich zelven de
besluiteloosheid verwenschende, welke hem in een toestand gebracht had,
waar geen wederstand of vlucht mogelijk zou zijn.
Meg Merrilies scheen ook zeer waakzaam te zijn. Zij luisterde
ingespannen naar ieder geluid, dat zich buiten de oude muren hooren
liet. Soms ging zij weder naar het lijk en vond er nog steeds iets aan
te schikken en te veranderen. „Het is toch een schoon lijk!” mompelde
zij bij zich zelve, „en wel waard, dat men het goed bezorge!” Zij
haalde een langen, donkeren schippersmantel uit een hoek en gebruikte
dien tot een doodskleed. Zij liet het aangezicht bloot en legde de
kraag zoo, dat het bloedige verband daarmede bedekt werd en het lijk,
zoo als zij het noemde, „er fatsoenlijk uitzag.”
Plotseling traden eenige mannen, naar hunne kleeding en geheel
voorkomen te oordeelen roovers, in het vertrek. „Meg, gij satanskind,
hoe durft gij de deur open laten?” was de eerste begroeting, die zij
van hen ontving.
„En wie heeft ooit gehoord,” antwoordde zij, „dat men de deur van een
vertrek sluit, als er iemand ligt te sterven? Denkt gij, dat de ziel
door zulk een slot en grendels weg kan komen?”
„Is hij dan dood?” vroeg éen van hen, en ging naar het strooleger, om
naar het lijk te zien.
„Ja, ja! dood genoeg,” hernam een ander; „maar hier is iets, om ons
onder het waken bij zijn lijk wakker te houden.”
Met deze woorden haalde hij een vaatje brandewijn uit een hoek, terwijl
Meg Merrilies zich haastte, om pijpen en tabak rond te deelen. De
haast, waarmede zij dit deed, gaf Brown veel hoop, dat zij haren gast
getrouw zou zijn. Het was blijkbaar haar doel, de roovers aan het
drinken te zetten, en om op deze wijze eene ontdekking te verhoeden,
indien misschien één hunner bij toeval Brown’s schuilplaats te na mocht
komen.