De Elliotts en Armstrongs waren allen bij elkaâr,
Een schoone troep van dappre liên, dat wist men wel, voorwaar?
Ballade van Johnnie Armstrong.
De beide volgende dagen werden met de gewone landelijke vermaken
doorgebracht en leveren dus weinig aantrekkelijks voor den lezer op;
maar Brown moest nog een feest bijwonen, dat haast alleen aan Schotland
eigen is en eene soort van zalmjacht genoemd kan worden. Deze jacht,
waarbij de visch met eene speer met weerhaken, of een soort van
drietand met langen steel, vervolgd en gedood wordt, is in de monding
van de Esk en andere zalmrijke rivieren in Schotland veel in gebruik.
Soms heeft ze bij dag, doch meestentijds des nachts plaats. De visch
wordt dan bij het licht van fakkels, of van bekkens, gevuld met
brandende stukken van teertonnen, welke een sterk maar ongelijk licht
over het water verspreiden, opgespoord.
Bij deze gelegenheid was eene breede, vrij diepe plaats der rivier tot
de zalmvangst uitgekozen. Eenigen van het gezelschap zaten in eene oude
wrakke boot, terwijl de anderen langs den oever liepen, met hunne
toortsen en speren zwaaiden en dus de zalmen vervolgden, waarvan
sommigen zochten te ontsnappen door tegen den stroom op te zwemmen,
terwijl anderen zich voor de nasporingen hunner vervolgers onder
boomwortels en groote stukken steen zochten te verbergen. Deze laatsten
werden bij het geringste teeken door de visschers in de boot ontdekt;
de beweging van eene vin, het opstijgen van eene luchtbel was genoeg,
om dezen ervarenen jagers te doen weten, welke richting zij aan hunne
harpoenen moesten geven
Allen, die aan deze zalmjacht gewoon waren, vonden er een bijzonder
vermaak in. Maar Brown, die in de behandeling van de speer of drietand
niet geoefend was, werd zijne vergeefsche pogingen spoedig moede, daar
hij, in plaats van den bedoelden zalm, meestal de stukken rots op den
bodem der rivier trof, en de schok hem alles behalve prettig door den
arm voer. Ook smartte het hem, de doodstuipen der getroffen zalmen,
welke in de boot lagen te spartelen en die met hun bloed verfden, van
zoo nabij te aanschouwen, ofschoon hij dit gevoel, hetwelk toch niemand
verstaan zou hebben, zorgvuldig verborg. Hij verzocht dus dat men hem
aan wal zou zetten, en beklom den steilen oever, vanwaar hij het
tooneel veel beter overzien kon. Dikwijls dacht hij aan zijn vriend
Dudley, als hij de schilderachtige werking van het sterke roode licht
op de schoone oevers, waaronder de boot voortgleed, beschouwde. Nu
verdween het licht bijna in de verte en geleek op een ster, die op het
water scheen te zweven, even als de lichtjes, welke de watergod,
volgens de oude volksvertelling, uit de diepte doet opstijgen, om het
vochtige graf zijner offers aan te wijzen. Dan naderde het weder en
werd al grooter en helderder, tot dat de hoogflikkerende vlam oever,
rotsen en boomen zichtbaar maakte en een roodachtigen gloed daarover
verspreidde, en ze vervolgens, onder het verder gaan, langzamerhand
weder met schemering en duisternis bedekte. Bij hetzelfde licht zag hij
de gestalten in de boot, die nu hunne wapens opgeheven hielden, zich
dan bukten om toe te stooten en dan weder rechtop stonden, allen door
denzelfden rooden gloed gekleurd, welke hun het voorkomen van
verschijningen uit het Pandaemonium gaven.
Na zich eenigen tijd met dit gezicht vermaakt te hebben, keerde Brown
langzaam naar de pachthoeve terug en bleef van tijd tot tijd stil
staan, om naar de bezige visschers te zien. Gewoonlijk zijn er twee of
drie bij elkander, waarvan de eene de toorts draagt, terwijl de anderen
hunne speren gereed houden, om naar den visch te steken. Brown bemerkte
een visscher, die eenen zwaren zalm, welken hij reeds getroffen had,
maar niet geheel en al uit het water kon krijgen, niet meester kon
worden, en trad nader bij den oever, om den uitslag te zien. De man,
die op dit oogenblik de fakkel hield, was de districtsjager, wiens
norsch: en onvriendelijk gedrag Brown vroeger reeds met verwondering
opgemerkt had. „Hier, Mijnheer! kom hier! zie eens wat een visch!” „Hij
heeft een’ rug als een gemest varken!” riepen de omstanders Brown toe,
toen zij hem zagen aankomen.
„Druk den drietand neer! druk hem beter neer! Houd hem toch vast! Hebt
gij dan geen merg meer in de beenderen?” riepen de jagers, die op den
oever waren, den man toe, die tot aan de heupen tusschen ijsschotsen in
het water tegen de kracht van den visch en den sterken stroom stond te
worstelen en niet best wist, hoe hij zijn buit in veiligheid zou
brengen. „Houd uw fakkel omhoog, jager!” riep Brown, toen hij naderbij
kwam, den fakkeldrager toe, wiens norsch gelaat hij reeds bij het
sterke licht herkend had. Maar nauwelijks hoorde en herkende de kerel
Brown’s stem, of hij liet de fakkel, in plaats van die hooger te
houden, schijnbaar toevallig in het water vallen.
„Dat u de duivel –!” riep de visscher, toen de brandende toorts voor
den stroom afdreef en spoedig uitdoofde; „plaagt u de duivel, Gabriël?
Ik kan hem zonder licht niet meester worden! Een schooneren zalm hebt
gij nooit gezien; als ik hem maar aan land kon krijgen om hem in den
schoorsteen te hangen” [11].
Eenige mannen sprongen in het water om den visscher te helpen, en de
zalm, die, toen hij gewogen werd, dertig pond zwaar was, werd gelukkig
op den oever gebracht.
Dit gedrag van den jager verwonderde Brown niet weinig. Hij herinnerde
zich echter niet, dat hij zijn gelaat ooit vroeger gezien had, en kon
volstrekt niet begrijpen, waarom deze man, zoo als klaarblijkelijk het
geval was, zijne blikken zocht te vermijden. Was het misschien een van
de roovers, die hem weinige dagen te voren aangerand hadden? Dit
vermoeden was niet geheel onwaarschijnlijk, ofschoon Brown in des mans
gestalte en gelaat geene bewijzen daarvoor vond. Maar met grond kon hij
ook geene vergelijking maken: de roovers hadden hunne hoeden te diep in
de oogen getrokken, wijde jassen aan en geene bijzonder kennelijke
gestalte gehad. Hij besloot hierover met zijn gastheer te spreken, maar
begreep, dat het, om zekere redenen, verstandig zou zijn, dat tot den
volgenden morgen uit te stellen.
Met rijken buit beladen, keerden de visschers huiswaarts. Meer dan
honderd zalmen waren er bij deze gelegenheid gevangen. De beste werden
voor de pachters zelven uitgezocht; de overige onder hunne herders,
arbeiders en andere geringe lieden, die bij de jacht tegenwoordig
geweest waren, verdeeld, die ze in hunne hutten rookten, om ze, als een
lekker beetje, bij hunne gewone winterspijs, aardappelen en uien, te
nuttigen. Intusschen liet Dinmont rijkelijk bier en brandewijn onder
hen ronddeelen en in een grooten ketel een paar zalmen voor hun
avondmaal koken. Toen zij goed en wel aan den maaltijd zaten, trad
Brown met zijn opgeruimden gastheer en de andere pachters in de groote,
rookerige keuken, waar het smakelijke gerecht op een groote eiken tafel
dampte. Allen waren van harte vroolijk en juichten onder schertsen en
lachen. Brown zocht overal naar het donkere gelaat van den vossenjager;
maar de man was nergens te zien. Eindelijk vroeg hij naar hem en zeide:
„Dat was een domme streek van een van u allen, om zijne fakkel juist in
het water te laten vallen, toen zijn kameraad met dien grooten visch
bezig was.”
„Dom!” hernam een van de herders (dezelfde jonge held, die den zalm
gestoken had), „hij verdiende er, ik weet niet wat, voor; het licht uit
te dooven, als men den visch in zijne kneukels heeft! Ik ben overtuigd,
dat Gabriël de fakkel opzettelijk in het water liet vallen. Hij kan
niet dulden, dat een ander iets beter doet dan hij zelf.”
„Hij zal zich wel schamen,” zeide een derde; „anders zou hij hier niet
wegblijven. Gabriël houdt evenveel van wat goeds, als een van ons
allen.”
„Is hij hier, uit deze landstreek, geboortig?” vroeg Brown.
„Neen, hij is eerst sedert kort aangesteld, maar hij is een flinke
jager. Hij is van Dumfries, of ten minste van dien kant van daan.”
„En hoe is zijn naam eigenlijk?”
„Gabriël.”
„Maar hoe meer dan Gabriël?”
„Ja, dat weet de lieve hemel! wij bekommeren ons hier niet veel om de
achternamen van de menschen. En zij zijn in onderscheidene oorden zoo
verschillend.”
„Hoor, Mijnheer,” zei een oude herder, terwijl hij opstond, „hier in de
omstreek heeten de menschen allen Armstrong, Elliot, of zoo iets; wij
hebben hier maar zeer weinig namen [12]. Ter onderscheiding voeren de
heeren en pachters den naam van de plaats, welke zij bewonen; bij
voorbeeld, Tam van Todshaw, Hobbie van Sorbitrees, en onze goede
meester hier van Charlies-hope. En dan moet gij weten, Mijnheer, dat de
geringe menschen door bijnamen onderscheiden worden, die gewoonlijk van
iemands beroep afkomstig zijn. Zoo noemen wij, bij voorbeeld, dezen
knaap Gabriël Vos of Jager Gabriël. Hij is nog niet lang hier geweest
en ik geloof niet, dat iemand hem bij een anderen naam kent. Maar wij
moeten achter zijn rug geen kwaad van hem spreken: want hij is een
flinke vossenjager, ofschoon hij misschien nog niet zoo goed met den
drietand kan omgaan, als sommigen onder ons.
Spoedig hierop verwijderde Brown zich met zijn gastheer en de andere
pachters, ten einde de luidruchtige vreugde bij dezen maaltijd door
hunne tegenwoordigheid niet langer te storen, en zelven den avond onder
onschuldige scherts en gezellige vroolijkheid door te brengen.
Intusschen zouden de mannen bij hunne punchkom de grenzen der matigheid
misschien overschreden hebben, indien niet verscheidene naburige
pachtersvrouwen, welke mede te Charlies-hope gekomen waren om dezen
gedenkwaardigen avond te vieren, hiertegen gewaakt hadden. Toen zij de
punchkom zoo dikwijls zagen vullen, dat zij gevaar liepen dat hare
tegenwoordigheid vergeten zou worden, trokken zij, onder aanvoering van
de huisvrouw, moedig op de drinkebroeders los en haalden hen spoedig
over, om eenen vroolijken dans te beginnen, waartoe reeds bij voorraad
een paar muziekanten besteld waren, zoodat Bacchus spoedig door Venus
op de vlucht gejaagd werd.
De volgende dag was aan eene otterjacht gewijd, en den hierop volgenden
ging Brown met zijn gastheer op de dassenvangst uit. Nadat de jonge
Peper bij deze gelegenheid, in een gevecht met een das, eenen voorpoot
en Mosterd de tweede bijna het leven verloren had, verzocht Brown, als
eene bijzondere gunst, aan den heer Dinmont, den armen das, die zich
zoo dapper verdedigd had, niet langer te vervolgen en verder ongestoord
in zijn hol te laten.
De pachter, die dit verzoek, wanneer iemand anders het gedaan had,
ongetwijfeld met verachting van de hand gewezen zou hebben, vergenoegde
zich thans Brown hierover zijne verbazing te betuigen. „Dat is wel een
wonderlijk verzoek!” zeide hij. „Maar, daar gij u voor hem in de bres
stelt, zoo zal de drommel den hond halen, die hem weer te na komt, als
ik er bij ben. Ja, wij zullen het dier teekenen en het des ritmeesters
das noemen. Het verheugt mij, dat ik u hiermede een dienst kan doen.
Maar lieve hemel! ìk begrijp niet, hoe gij u zoo om een das bekommeren
kunt!”
Na verloop van eene week, welke Brown onder soortgelijke vermaken bij
zijn braven gastheer, van wiens hartelijke vriendschap hij de
duidelijkste bewijzen ontvangen had, doorbracht, zeide hij de oevers
van de Liddel en het gastvrije Charlies-hope vaarwel. Al de kinderen,
wier lieveling hij reeds geworden was, weenden bij zijn vertrek, en hij
moest hun wel twintigmaal beloven, dat hij spoedig weder komen en dan
al hunne lievelingsdeuntjes zoo lang op de fluit zou voorspelen, totdat
zij ze van buiten kenden.
„Kom weder ritmeester!” zei een onbeschroomde kleine jongen, „en Jenny
zal uwe vrouw worden.” Het meisje, omstreeks elf jaar oud, liep weg en
verschool zich achter hare moeder.
„Ritmeester, kom terug!” riep een poezelig zesjarig meisje, terwijl zij
hem haar mondje tot een kus toehield, „en ik wil zelve uwe vrouw
wezen.”
Waarlijk, dacht Brown, men moest een hart van steen hebben, om zonder
aandoening van zulke goede, brave menschen te kunnen scheiden.
Ook de goede huisvrouw bood den vertrekkenden gast hare wang aan, met
de eerbare zedigheid en de eenvoudige vriendelijkheid van vroegere
dagen. „Wij kunnen zeker slechts weinig, zeer weinig doen,” zeide zij,
„maar – als ik maar iets wist, dat –”
„Lieve vrouw Dinmont,” viel Brown haar in de rede, „ik zal de vrijheid
nemen u een verzoek te doen. Wilt gij zoo goed zijn, mij zulk eene
grijze schouderdeken te laten weven, als uw man draagt?” Hij had,
gedurende zijn kort verblijf in dit oord, de taal en het gevoel van de
bewoners leeren kennen en wist met hoeveel genoegen men zijn verzoek
hooren zou.
„Dat zult gij hebben,” antwoordde de vrouw, terwijl hare oogen van
vreugde schitterden, „en zoo goed, als er ooit een gemaakt is, of er
moest geen draad wol meer in het land zijn. Ik zal er morgen met den
wever te Castletown over spreken. En nu vaarwel, Mijnheer! Mocht gij
zelf zoo gelukkig zijn, als gij maar iemand toewenscht het te zijn – en
dat zou ik niet tegen iedereen durven zeggen!”
Ik moet niet verzuimen mede te deelen, dat onze reiziger zijn getrouwen
metgezel, den kleinen Wesp, te Charlies-hope achterliet, daar hij
vooruitzag, dat zijn hond een lastig gezelschap zou zijn, in geval hij
zich misschien om de eene of andere reden verborgen of onbekend moest
houden. De oudste knaap nam het op zich, voor Wesp te zorgen, en
beloofde met de woorden van een oud lied, dat de hond
„Een stukje van zijn brood, een plaatsjen op zijn bed”
zou hebben en nooit bij het gevaarlijke tijdverdrijf, waarbij het
geslacht van Mosterd en Peper zoo dikwijls verminkt was geworden,
gebruikt zou worden.
In deze bergstreek houdt men veel van paardrijden. Iedere landbouwer
rijdt goed en zit den geheelen dag in den zadel. Het is waarschijnlijk,
dat de uitgestrektheid der graslanden en de noodzakelijkheid om ze eens
vlug te kunnen in oogenschouw nemen, deze gewoonte bevorderde, – of
wellicht zou een ijverige oudheidkenner ze kunnen nasporen tot de
tijden van den „Laatsten der Minestreelen”, [13] toen de alarmvuren een
twintigduizend ruiters bijeenbrachten. Hoe dit ook zij, het blijft
onbetwistbaar dat zij van paardrijden houden en slechts met moeite
gelooven, dat iemand anders dan uit zuinigheid of noodzaak te voet
gaat.
Dinmont drong er dus sterk op aan, dat Brown de reis te paard zou doen.
Hij wilde hem dan ook tot aan de naaste stad in Dumfries-shire
vergezellen, vanwaar Brown zijne voorgenomen reis naar Woodbourne, de
verblijfplaats van Julia Mannering, verder voortzetten wilde.
Onderweg vroeg Brown zijn reisgezel naar den vossenjager, maar Dinmont
kon hem weinig van den man zeggen, daar hij eerst in den tijd, dat deze
de jaarmarkten in het Hoogland bezocht, zijne betrekking gekregen had.
„Het schijnt een gemeene vent,” antwoordde Dinmont; „ja, ik zou wel
zeggen, dat hij Heidensch bloed in de aderen heeft. Maar hij is geen
van de schurken, die ons in het moeras aangerand hebben; daar kunt gij
gerust op wezen: die zou ik zeer goed herkennen als ik ze eens weder te
zien kreeg. Onder de Heidenen vindt men echter niet enkel slechte
lieden, en wanneer ik dat oude rimpelige wijf eens weder ontmoet, geef
ik haar zeker iets om tabak te koopen: want ik ben nu bijna overtuigd,
dat zij het goed met mij meende.”
Toen het oogenblik der scheiding kwam, hield de brave pachter Brown
lang zwijgend bij de hand en zeide eindelijk: „Ritmeester, het gaat van
het jaar zoo goed met de wol, dat ik daarvan de geheele pacht kan
betalen; en als nu mijn vrouwtje haar nieuw kleed en de kinderen ook
ieder iets nieuws gekregen hebben, weet ik niet, wat ik met het overige
geld zal doen. Ik wilde het gaarne aan eene veilige hand toevertrouwen;
want het is veel te veel, om in brandewijn en suiker te verdoen. Nu heb
ik wel eens gehoord, dat gij, heeren van het leger, u somtijds een
hoogeren rang kunt koopen, en indien u nu bij zulk eene gelegenheid een
paar honderd pond sterling konden helpen, zou mij een stukje papier van
uwe hand even lief zijn als mijn geld, en gij kunt naar uw eigen
goedvinden den tijd bepalen, wanneer gij het mij terug geven wilt.
Daarmede zoudt gij mij een grooten dienst doen.”
Brown wist de kieschheid van den pachter, die onder den schijn van eene
gunst te verzoeken hem een dienst aanbood, naar eisch te waardeeren.
Hij bedankte zijn welmeenenden vriend hartelijk en verzekerde hem, dat
hij zonder schroom zijne toevlucht tot zijne beurs zou nemen, als de
omstandigheden dit mochten vereischen. Hierop scheidden zij onder
betuiging van wederzijdsche hoogachting.