ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Elliotts en Armstrongs waren allen bij elkaâr,

Een schoone troep van dappre liên, dat wist men wel, voorwaar?

Ballade van Johnnie Armstrong.

De beide volgende dagen werden met de gewone landelijke vermaken

doorgebracht en leveren dus weinig aantrekkelijks voor den lezer op;

maar Brown moest nog een feest bijwonen, dat haast alleen aan Schotland

eigen is en eene soort van zalmjacht genoemd kan worden. Deze jacht,

waarbij de visch met eene speer met weerhaken, of een soort van

drietand met langen steel, vervolgd en gedood wordt, is in de monding

van de Esk en andere zalmrijke rivieren in Schotland veel in gebruik.

Soms heeft ze bij dag, doch meestentijds des nachts plaats. De visch

wordt dan bij het licht van fakkels, of van bekkens, gevuld met

brandende stukken van teertonnen, welke een sterk maar ongelijk licht

over het water verspreiden, opgespoord.

Bij deze gelegenheid was eene breede, vrij diepe plaats der rivier tot

de zalmvangst uitgekozen. Eenigen van het gezelschap zaten in eene oude

wrakke boot, terwijl de anderen langs den oever liepen, met hunne

toortsen en speren zwaaiden en dus de zalmen vervolgden, waarvan

sommigen zochten te ontsnappen door tegen den stroom op te zwemmen,

terwijl anderen zich voor de nasporingen hunner vervolgers onder

boomwortels en groote stukken steen zochten te verbergen. Deze laatsten

werden bij het geringste teeken door de visschers in de boot ontdekt;

de beweging van eene vin, het opstijgen van eene luchtbel was genoeg,

om dezen ervarenen jagers te doen weten, welke richting zij aan hunne

harpoenen moesten geven

Allen, die aan deze zalmjacht gewoon waren, vonden er een bijzonder

vermaak in. Maar Brown, die in de behandeling van de speer of drietand

niet geoefend was, werd zijne vergeefsche pogingen spoedig moede, daar

hij, in plaats van den bedoelden zalm, meestal de stukken rots op den

bodem der rivier trof, en de schok hem alles behalve prettig door den

arm voer. Ook smartte het hem, de doodstuipen der getroffen zalmen,

welke in de boot lagen te spartelen en die met hun bloed verfden, van

zoo nabij te aanschouwen, ofschoon hij dit gevoel, hetwelk toch niemand

verstaan zou hebben, zorgvuldig verborg. Hij verzocht dus dat men hem

aan wal zou zetten, en beklom den steilen oever, vanwaar hij het

tooneel veel beter overzien kon. Dikwijls dacht hij aan zijn vriend

Dudley, als hij de schilderachtige werking van het sterke roode licht

op de schoone oevers, waaronder de boot voortgleed, beschouwde. Nu

verdween het licht bijna in de verte en geleek op een ster, die op het

water scheen te zweven, even als de lichtjes, welke de watergod,

volgens de oude volksvertelling, uit de diepte doet opstijgen, om het

vochtige graf zijner offers aan te wijzen. Dan naderde het weder en

werd al grooter en helderder, tot dat de hoogflikkerende vlam oever,

rotsen en boomen zichtbaar maakte en een roodachtigen gloed daarover

verspreidde, en ze vervolgens, onder het verder gaan, langzamerhand

weder met schemering en duisternis bedekte. Bij hetzelfde licht zag hij

de gestalten in de boot, die nu hunne wapens opgeheven hielden, zich

dan bukten om toe te stooten en dan weder rechtop stonden, allen door

denzelfden rooden gloed gekleurd, welke hun het voorkomen van

verschijningen uit het Pandaemonium gaven.

Na zich eenigen tijd met dit gezicht vermaakt te hebben, keerde Brown

langzaam naar de pachthoeve terug en bleef van tijd tot tijd stil

staan, om naar de bezige visschers te zien. Gewoonlijk zijn er twee of

drie bij elkander, waarvan de eene de toorts draagt, terwijl de anderen

hunne speren gereed houden, om naar den visch te steken. Brown bemerkte

een visscher, die eenen zwaren zalm, welken hij reeds getroffen had,

maar niet geheel en al uit het water kon krijgen, niet meester kon

worden, en trad nader bij den oever, om den uitslag te zien. De man,

die op dit oogenblik de fakkel hield, was de districtsjager, wiens

norsch: en onvriendelijk gedrag Brown vroeger reeds met verwondering

opgemerkt had. „Hier, Mijnheer! kom hier! zie eens wat een visch!” „Hij

heeft een’ rug als een gemest varken!” riepen de omstanders Brown toe,

toen zij hem zagen aankomen.

„Druk den drietand neer! druk hem beter neer! Houd hem toch vast! Hebt

gij dan geen merg meer in de beenderen?” riepen de jagers, die op den

oever waren, den man toe, die tot aan de heupen tusschen ijsschotsen in

het water tegen de kracht van den visch en den sterken stroom stond te

worstelen en niet best wist, hoe hij zijn buit in veiligheid zou

brengen. „Houd uw fakkel omhoog, jager!” riep Brown, toen hij naderbij

kwam, den fakkeldrager toe, wiens norsch gelaat hij reeds bij het

sterke licht herkend had. Maar nauwelijks hoorde en herkende de kerel

Brown’s stem, of hij liet de fakkel, in plaats van die hooger te

houden, schijnbaar toevallig in het water vallen.

„Dat u de duivel –!” riep de visscher, toen de brandende toorts voor

den stroom afdreef en spoedig uitdoofde; „plaagt u de duivel, Gabriël?

Ik kan hem zonder licht niet meester worden! Een schooneren zalm hebt

gij nooit gezien; als ik hem maar aan land kon krijgen om hem in den

schoorsteen te hangen” [11].

Eenige mannen sprongen in het water om den visscher te helpen, en de

zalm, die, toen hij gewogen werd, dertig pond zwaar was, werd gelukkig

op den oever gebracht.

Dit gedrag van den jager verwonderde Brown niet weinig. Hij herinnerde

zich echter niet, dat hij zijn gelaat ooit vroeger gezien had, en kon

volstrekt niet begrijpen, waarom deze man, zoo als klaarblijkelijk het

geval was, zijne blikken zocht te vermijden. Was het misschien een van

de roovers, die hem weinige dagen te voren aangerand hadden? Dit

vermoeden was niet geheel onwaarschijnlijk, ofschoon Brown in des mans

gestalte en gelaat geene bewijzen daarvoor vond. Maar met grond kon hij

ook geene vergelijking maken: de roovers hadden hunne hoeden te diep in

de oogen getrokken, wijde jassen aan en geene bijzonder kennelijke

gestalte gehad. Hij besloot hierover met zijn gastheer te spreken, maar

begreep, dat het, om zekere redenen, verstandig zou zijn, dat tot den

volgenden morgen uit te stellen.

Met rijken buit beladen, keerden de visschers huiswaarts. Meer dan

honderd zalmen waren er bij deze gelegenheid gevangen. De beste werden

voor de pachters zelven uitgezocht; de overige onder hunne herders,

arbeiders en andere geringe lieden, die bij de jacht tegenwoordig

geweest waren, verdeeld, die ze in hunne hutten rookten, om ze, als een

lekker beetje, bij hunne gewone winterspijs, aardappelen en uien, te

nuttigen. Intusschen liet Dinmont rijkelijk bier en brandewijn onder

hen ronddeelen en in een grooten ketel een paar zalmen voor hun

avondmaal koken. Toen zij goed en wel aan den maaltijd zaten, trad

Brown met zijn opgeruimden gastheer en de andere pachters in de groote,

rookerige keuken, waar het smakelijke gerecht op een groote eiken tafel

dampte. Allen waren van harte vroolijk en juichten onder schertsen en

lachen. Brown zocht overal naar het donkere gelaat van den vossenjager;

maar de man was nergens te zien. Eindelijk vroeg hij naar hem en zeide:

„Dat was een domme streek van een van u allen, om zijne fakkel juist in

het water te laten vallen, toen zijn kameraad met dien grooten visch

bezig was.”

„Dom!” hernam een van de herders (dezelfde jonge held, die den zalm

gestoken had), „hij verdiende er, ik weet niet wat, voor; het licht uit

te dooven, als men den visch in zijne kneukels heeft! Ik ben overtuigd,

dat Gabriël de fakkel opzettelijk in het water liet vallen. Hij kan

niet dulden, dat een ander iets beter doet dan hij zelf.”

„Hij zal zich wel schamen,” zeide een derde; „anders zou hij hier niet

wegblijven. Gabriël houdt evenveel van wat goeds, als een van ons

allen.”

„Is hij hier, uit deze landstreek, geboortig?” vroeg Brown.

„Neen, hij is eerst sedert kort aangesteld, maar hij is een flinke

jager. Hij is van Dumfries, of ten minste van dien kant van daan.”

„En hoe is zijn naam eigenlijk?”

„Gabriël.”

„Maar hoe meer dan Gabriël?”

„Ja, dat weet de lieve hemel! wij bekommeren ons hier niet veel om de

achternamen van de menschen. En zij zijn in onderscheidene oorden zoo

verschillend.”

„Hoor, Mijnheer,” zei een oude herder, terwijl hij opstond, „hier in de

omstreek heeten de menschen allen Armstrong, Elliot, of zoo iets; wij

hebben hier maar zeer weinig namen [12]. Ter onderscheiding voeren de

heeren en pachters den naam van de plaats, welke zij bewonen; bij

voorbeeld, Tam van Todshaw, Hobbie van Sorbitrees, en onze goede

meester hier van Charlies-hope. En dan moet gij weten, Mijnheer, dat de

geringe menschen door bijnamen onderscheiden worden, die gewoonlijk van

iemands beroep afkomstig zijn. Zoo noemen wij, bij voorbeeld, dezen

knaap Gabriël Vos of Jager Gabriël. Hij is nog niet lang hier geweest

en ik geloof niet, dat iemand hem bij een anderen naam kent. Maar wij

moeten achter zijn rug geen kwaad van hem spreken: want hij is een

flinke vossenjager, ofschoon hij misschien nog niet zoo goed met den

drietand kan omgaan, als sommigen onder ons.

Spoedig hierop verwijderde Brown zich met zijn gastheer en de andere

pachters, ten einde de luidruchtige vreugde bij dezen maaltijd door

hunne tegenwoordigheid niet langer te storen, en zelven den avond onder

onschuldige scherts en gezellige vroolijkheid door te brengen.

Intusschen zouden de mannen bij hunne punchkom de grenzen der matigheid

misschien overschreden hebben, indien niet verscheidene naburige

pachtersvrouwen, welke mede te Charlies-hope gekomen waren om dezen

gedenkwaardigen avond te vieren, hiertegen gewaakt hadden. Toen zij de

punchkom zoo dikwijls zagen vullen, dat zij gevaar liepen dat hare

tegenwoordigheid vergeten zou worden, trokken zij, onder aanvoering van

de huisvrouw, moedig op de drinkebroeders los en haalden hen spoedig

over, om eenen vroolijken dans te beginnen, waartoe reeds bij voorraad

een paar muziekanten besteld waren, zoodat Bacchus spoedig door Venus

op de vlucht gejaagd werd.

De volgende dag was aan eene otterjacht gewijd, en den hierop volgenden

ging Brown met zijn gastheer op de dassenvangst uit. Nadat de jonge

Peper bij deze gelegenheid, in een gevecht met een das, eenen voorpoot

en Mosterd de tweede bijna het leven verloren had, verzocht Brown, als

eene bijzondere gunst, aan den heer Dinmont, den armen das, die zich

zoo dapper verdedigd had, niet langer te vervolgen en verder ongestoord

in zijn hol te laten.

De pachter, die dit verzoek, wanneer iemand anders het gedaan had,

ongetwijfeld met verachting van de hand gewezen zou hebben, vergenoegde

zich thans Brown hierover zijne verbazing te betuigen. „Dat is wel een

wonderlijk verzoek!” zeide hij. „Maar, daar gij u voor hem in de bres

stelt, zoo zal de drommel den hond halen, die hem weer te na komt, als

ik er bij ben. Ja, wij zullen het dier teekenen en het des ritmeesters

das noemen. Het verheugt mij, dat ik u hiermede een dienst kan doen.

Maar lieve hemel! ìk begrijp niet, hoe gij u zoo om een das bekommeren

kunt!”

Na verloop van eene week, welke Brown onder soortgelijke vermaken bij

zijn braven gastheer, van wiens hartelijke vriendschap hij de

duidelijkste bewijzen ontvangen had, doorbracht, zeide hij de oevers

van de Liddel en het gastvrije Charlies-hope vaarwel. Al de kinderen,

wier lieveling hij reeds geworden was, weenden bij zijn vertrek, en hij

moest hun wel twintigmaal beloven, dat hij spoedig weder komen en dan

al hunne lievelingsdeuntjes zoo lang op de fluit zou voorspelen, totdat

zij ze van buiten kenden.

„Kom weder ritmeester!” zei een onbeschroomde kleine jongen, „en Jenny

zal uwe vrouw worden.” Het meisje, omstreeks elf jaar oud, liep weg en

verschool zich achter hare moeder.

„Ritmeester, kom terug!” riep een poezelig zesjarig meisje, terwijl zij

hem haar mondje tot een kus toehield, „en ik wil zelve uwe vrouw

wezen.”

Waarlijk, dacht Brown, men moest een hart van steen hebben, om zonder

aandoening van zulke goede, brave menschen te kunnen scheiden.

Ook de goede huisvrouw bood den vertrekkenden gast hare wang aan, met

de eerbare zedigheid en de eenvoudige vriendelijkheid van vroegere

dagen. „Wij kunnen zeker slechts weinig, zeer weinig doen,” zeide zij,

„maar – als ik maar iets wist, dat –”

„Lieve vrouw Dinmont,” viel Brown haar in de rede, „ik zal de vrijheid

nemen u een verzoek te doen. Wilt gij zoo goed zijn, mij zulk eene

grijze schouderdeken te laten weven, als uw man draagt?” Hij had,

gedurende zijn kort verblijf in dit oord, de taal en het gevoel van de

bewoners leeren kennen en wist met hoeveel genoegen men zijn verzoek

hooren zou.

„Dat zult gij hebben,” antwoordde de vrouw, terwijl hare oogen van

vreugde schitterden, „en zoo goed, als er ooit een gemaakt is, of er

moest geen draad wol meer in het land zijn. Ik zal er morgen met den

wever te Castletown over spreken. En nu vaarwel, Mijnheer! Mocht gij

zelf zoo gelukkig zijn, als gij maar iemand toewenscht het te zijn – en

dat zou ik niet tegen iedereen durven zeggen!”

Ik moet niet verzuimen mede te deelen, dat onze reiziger zijn getrouwen

metgezel, den kleinen Wesp, te Charlies-hope achterliet, daar hij

vooruitzag, dat zijn hond een lastig gezelschap zou zijn, in geval hij

zich misschien om de eene of andere reden verborgen of onbekend moest

houden. De oudste knaap nam het op zich, voor Wesp te zorgen, en

beloofde met de woorden van een oud lied, dat de hond

„Een stukje van zijn brood, een plaatsjen op zijn bed”

zou hebben en nooit bij het gevaarlijke tijdverdrijf, waarbij het

geslacht van Mosterd en Peper zoo dikwijls verminkt was geworden,

gebruikt zou worden.

In deze bergstreek houdt men veel van paardrijden. Iedere landbouwer

rijdt goed en zit den geheelen dag in den zadel. Het is waarschijnlijk,

dat de uitgestrektheid der graslanden en de noodzakelijkheid om ze eens

vlug te kunnen in oogenschouw nemen, deze gewoonte bevorderde, – of

wellicht zou een ijverige oudheidkenner ze kunnen nasporen tot de

tijden van den „Laatsten der Minestreelen”, [13] toen de alarmvuren een

twintigduizend ruiters bijeenbrachten. Hoe dit ook zij, het blijft

onbetwistbaar dat zij van paardrijden houden en slechts met moeite

gelooven, dat iemand anders dan uit zuinigheid of noodzaak te voet

gaat.

Dinmont drong er dus sterk op aan, dat Brown de reis te paard zou doen.

Hij wilde hem dan ook tot aan de naaste stad in Dumfries-shire

vergezellen, vanwaar Brown zijne voorgenomen reis naar Woodbourne, de

verblijfplaats van Julia Mannering, verder voortzetten wilde.

Onderweg vroeg Brown zijn reisgezel naar den vossenjager, maar Dinmont

kon hem weinig van den man zeggen, daar hij eerst in den tijd, dat deze

de jaarmarkten in het Hoogland bezocht, zijne betrekking gekregen had.

„Het schijnt een gemeene vent,” antwoordde Dinmont; „ja, ik zou wel

zeggen, dat hij Heidensch bloed in de aderen heeft. Maar hij is geen

van de schurken, die ons in het moeras aangerand hebben; daar kunt gij

gerust op wezen: die zou ik zeer goed herkennen als ik ze eens weder te

zien kreeg. Onder de Heidenen vindt men echter niet enkel slechte

lieden, en wanneer ik dat oude rimpelige wijf eens weder ontmoet, geef

ik haar zeker iets om tabak te koopen: want ik ben nu bijna overtuigd,

dat zij het goed met mij meende.”

Toen het oogenblik der scheiding kwam, hield de brave pachter Brown

lang zwijgend bij de hand en zeide eindelijk: „Ritmeester, het gaat van

het jaar zoo goed met de wol, dat ik daarvan de geheele pacht kan

betalen; en als nu mijn vrouwtje haar nieuw kleed en de kinderen ook

ieder iets nieuws gekregen hebben, weet ik niet, wat ik met het overige

geld zal doen. Ik wilde het gaarne aan eene veilige hand toevertrouwen;

want het is veel te veel, om in brandewijn en suiker te verdoen. Nu heb

ik wel eens gehoord, dat gij, heeren van het leger, u somtijds een

hoogeren rang kunt koopen, en indien u nu bij zulk eene gelegenheid een

paar honderd pond sterling konden helpen, zou mij een stukje papier van

uwe hand even lief zijn als mijn geld, en gij kunt naar uw eigen

goedvinden den tijd bepalen, wanneer gij het mij terug geven wilt.

Daarmede zoudt gij mij een grooten dienst doen.”

Brown wist de kieschheid van den pachter, die onder den schijn van eene

gunst te verzoeken hem een dienst aanbood, naar eisch te waardeeren.

Hij bedankte zijn welmeenenden vriend hartelijk en verzekerde hem, dat

hij zonder schroom zijne toevlucht tot zijne beurs zou nemen, als de

omstandigheden dit mochten vereischen. Hierop scheidden zij onder

betuiging van wederzijdsche hoogachting.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 39 / 75 题