– Op dan gij Britten, onbevreesd
Vervolgt den roover, die de kudde jaagt,
’s Nachts zijn smoode handwerk roekeloos drijft,
En dan een schuilplaats in de rotsen zoekt.
Thomson.
Brown stond den volgenden morgen vroeg op en ging uit, om de, hoeve van
zijn nieuwen vriend te bezichtigen. In den omtrek van het huis was
alles ruw en verwaarloosd. In den kalen tuin was volstrekt geene moeite
aangewend, om den bodem geschikt en vruchtbaar te maken. Nergens zag
hij sporen van de netheid, waardoor eene Engelsche pachthoeve zulk een
bekoorlijk gezicht oplevert. Het was evenwel duidelijk te zien, dat
zulks alleen uit gebrek aan smaak of uit onkunde, en niet uit armoede
en verwaarloozing, het gewone gevolg daarvan, voortsproot. Integendeel,
een fraaie stal vol schoone melkkoeien, een andere met tien uitmuntend
gemeste ossen, twee goede spannen paarden, het noodige werkvolk, dat
vlijtig en met zijn lot tevreden scheen, met één woord, een zekere
overvloed, die, ofschoon met slordigheid gepaard, in alles zichtbaar
was, getuigde van de ruime omstandigheden van den pachter. Het huis lag
op eene zacht hellende hoogte bij de rivier, en werd dus gevrijwaard
voor al het vuil, dat anders daaromheen opgestapeld had kunnen blijven.
Op eenigen afstand was de geheele troep kinderen aan het spelen en
vermaakte zich met het bouwen van huisjes van turf rondom een ouden
eikenboom, die den naam droeg van Charlies-boom, naar een vrijbuiter,
die, volgens de overlevering, den reeds genoemden oude burcht bewoond
zou hebben. Tusschen het huis en een’ grasrijken heuvel was een diep
moeras, dat eens tot verdediging van het kasteel gediend had, waarvan
thans geene sporen meer aanwezig waren.
Brown zocht kennis met de kinderen te maken; maar toen hij nader kwam,
namen zij alle den vlucht, en slechts de beide oudsten waagden het van
verre te blijven staan en hem aan te zien.
Brown nam nu zijn weg over eenige groote steenen, die lang niet vast
lagen, maar als tot eene soort van pad door het moeras gelegd waren
naar den heuvel. Terwijl hij dien beklom, zag hij een man van boven
afkomen, in wien hij spoedig zijn vriendelijken gastheer herkende, die
nu zijn reisgewaad met een grijs geruiten herdersmantel verwisseld en,
gemakshalve, zijn verbonden hoofd met een muts uit het vel van eene
wilde kat vervaardigd, in plaats van met een hoed bedekt had. Toen
Brown, die gaarne sterke, menschen zag, hem uit den morgennevel te
voorschijn zag treden, kon hij zich niet weerhouden, de hooge gestalte,
de breede schouders en den vasten tred van den pachter te bewonderen,
en Dinmont zag met hetzelfde gevoel op den forschen, gespierden
jongeling, dien hij nu nauwkeuriger dan hij tot hiertoe gedaan had,
beschouwde. Na den gewonen morgengroet vroeg Brown zijn gastheer hoe
hij zich, na de ongemakken van den vorigen dag, bevond.
„Daar denk ik bijna niet meer om,” antwoordde de pachter; „maar mij
dunkt dat, als wij thans in het moeras waren, ieder met een fikschen
eiken knuppel gewapend, wij dan, nu ik frisch en nuchter ben, voor geen
half dozijn zulke schelmen de vlucht zouden nemen.”
„Maar is het wel voorzichtig, vriend, dat gij, na zulke zware
kneuzingen, geen uur of wat langer rust genomen hebt?”
„Daar moet een echte Bergschot niet van weten. Eens viel ik, bij eene
vossenjacht, hals over kop van den top van de Christenbury-rots en toch
sprong ik dadelijk weer op en bracht de honden op het spoor. – Neen, er
is niets dat mij zwak van hoofd maakt, tenzij een slokje te veel.
Buitendien moest ik heden morgen wel eens rondloopen, om te zien hoe
het met mijn vee gaat: want er wordt somtijds geen acht genoeg op
gegeven, als ik van huis ben. Ik heb zoo even Tam van Todshaw met eene
menigte andere buren ontmoet, die op de vossenjacht gingen. Wilt gij
ook mede? dan zal ik u mijn paard van gisteren avond geven en zelf de
merrie nemen.”
„Ik zal heden morgen wel moeten vertrekken, Mijnheer Dinmont!”
„Daar wil ik niet van hooren! Binnen veertien dagen laat ik u volstrekt
niet gaan. Neen, neen! zulke vrienden, als gij zijt, vindt men alle
avonden niet op het Bewcastler-moeras.”
„Brown, die op deze reis niet aan den tijd bepaald was, nam deze
hartelijke uitnoodiging aan, en beloofde ten minste eene week te
Charlies-hope te zullen vertoeven.
Toen zij weer te huis kwamen, wachtte de huisvrouw hen reeds met het
wel voorziene ontbijt. Zij keurde de voorgenomen vossenjacht wel niet
volkomen goed, maar scheen er ook geenszins bekommerd of verwonderd
over.
„Dandie, Dandie!” zeide zij, „gij zijt nog steeds de oude. Gij laat u
door niets waarschuwen, zoo lang tot ge eens een zwaar ongeluk krijgt.”
„Kom, kom, vrouw! gij weet immers zelve, dat zulke tochten mij nooit
kwaad gedaan hebben.”
Hij verzocht nu Brown zich met het ontbijt te haasten, daar het spoor,
uit hoofde van het ingevallen dooiweder, dien morgen voortreffelijk te
volgen zou zijn.
Hierop begaven zij zich op weg naar Otterscopescaur, waarheen Dandie
hem den weg wees. Zij verlieten spoedig het dal, kwamen bij vrij steile
bergen, langs wier zijden de bergstroomen in den wintertijd, of na
hevige regens, woedend nederstortten. Grijze nevels, de overblijfsels
der morgenwolken, hingen nog om de toppen der bergen, want de vorst was
geweken voor een fikschen regenbui. Honderden kleine beekjes stroomden
als zilverdraden langs de hellingen der bergen, en schitterden door den
doorzichtigen nevelsluier. Langs smalle paden, welke voorbij deze
steilten leidden en waarover Dinmont zonder de minste vrees
voortdraafde, naderden zij eindelijk de verzamelplaats, waar de andere
jagers zoowel te voet als te paard bijeenkwamen. Brown kon niet
begrijpen, hoe eene vossenjacht in zulk eene bergachtige streek plaats
kon hebben, waar geene andere, dan paarden aan die wegen gewoon draven
konden, en waar de rijder, die even van het spoor afweek, gevaar liep
in moerassen te verzinken of in afgronden te storten. Zijne
verwondering verminderde niet, toen hij op de jachtplaats zelve
aankwam.
Zij waren langzamerhand tot op eene aanzienlijke hoogte gekomen en
bevonden zich nu op een bergrug, die een zeer diep, maar eng dal
omsloot. Hier waren de jagers verzameld en bezig met geduchte
toebereidselen te maken, die een Engelschen jager geërgerd zouden
hebben; want daar men de uitroeiing van een schadelijk en vernielend
dier op het oog had, evenzeer als het vermaak door de jacht opgeleverd,
gunde men den armen vos veel mindere kansen om te ontsnappen dan in het
open jachtveld. Maar de sterkte van zijn hol en de gesteldheid van den
grond rondom stelden hem hiervoor schadeloos. De zijden van het dal,
gedeeltelijk kale rotsen, waren vol kloven en scheuren, en helden steil
naar beneden tot aan den kleinen stroom, die door het diepe dal
kronkelde. Slechts hier en daar waren ze met eenige struiken of
heiplanten bezet. De jagers schaarden zich te paard en te voet langs
den rand van dit nauwe en diepe dal. Bijna iedere pachter had ten
minste een koppel vurige windhonden van de grootste soort bij zich, van
denzelfden aard als gebruikt werd op de hertejacht, maar door kruising
van ras van mindere grootte. De districtsjager, een provinciaal
beambte, die eene zekere hoeveelheid meel en eene belooning voor
iederen gedooden vos ontvangt, was reeds beneden in het dal, waar de
echo’s het zware geblaf der voshonden terugkaatsten. Een goed aantal
dashonden, waaronder het geheele geslacht van Peper en Mosterd, door
een herder reeds hierheen gebracht, stonden ook bij den rand van het
dal geschaard, waar men ook allerlei andere soorten van honden
ontwaarde, terwijl de toeschouwers hunne windhonden gereed hielden om
hen op den vos los te laten, zoodra de jagers onder in het dal hem uit
zijn schuilhoek verdreven zouden hebben.
Dit tooneel, ofschoon vreemd voor het oog van een ervaren jager, had
niettemin veel bekoorlijks. Tegen den blauwen hemel schenen de heen en
weder loopende gestalten op den bergrug zich, als het ware, in de lucht
te bewegen. De ongeduldige honden, door het geblaf in de diepte nog
woedender geworden, sprongen heen en weder en rukten aan de touwen,
waarmede zij teruggehouden werden. Niet minder treffend was het
gezicht, wanneer men naar beneden zag. Een dunne nevel hing nog over
het dal, zoodat men de bewegingen der jagers daar beneden dikwijls door
dezen doorschijnenden sluier moest trachten te volgen. Soms verstrooide
een windvlaag den nevel; dan werd het geheele tooneel zichtbaar en men
ontdekte het heldere beekje, als eene glinsterende streep, door het
woeste eenzame dal kronkelen. Dan zag men de jagers, die in de diepte
wegens den grooten afstand wel dwergen schenen, vroolijk en
onbeschroomd van het eene gevaarlijke punt op het andere springen, om
de honden op het spoor te leiden. Dan werden zij weder door den nevel
verborgen en men vernam niets van het voortzetten der jacht dan het
geroep der mannen en het geblaf der honden; stemmen, die als het ware,
uit het binnenste der aarde schenen op te stijgen. Toen de vos
eindelijk van het eene hol tot het andere vervolgd, genoodzaakt was het
dal te verlaten en eene verder afgelegen schuilplaats op te zoeken,
lieten de jagers, die al zijne bewegingen van boven af nauwkeurig gade
sloegen, hunne windhonden los, die, daar zij vlugger dan de vos en even
zoo wreed en moedig waren, hem spoedig afmaakten.
Op deze wijze werden er, tot groot genoegen van de jagers, vier vossen
gedood: en zelfs Brown, die in Indië vorstelijke jachtfeesten
bijgewoond en den Nabob van Arcof bij eene tijgerjacht op een olifant
vergezeld had, betuigde dat hij zich dezen morgen uitnemend vermaakt
had. Toen de jacht geëindigd was, gingen de meeste jagers,
overeenkomstig de gastvrije gewoonten des lands, met den pachter naar
Charlies-hope, om het middagmaal te houden.
Onder het naar huis rijden reed Brown eenigen tijd naast den
districtsjager en deed hem onderscheidene vragen aangaande zijn beroep.
Weldra bemerkte hij, dat deze man zijne blikken zocht te vermijden en
scheen het hem alsof hij gaarne van zijn gezelschap en zijne gesprekken
ontslagen wilde zijn, waarvoor Brown volstrekt geene reden kon vinden.
De jager was een magere maar gespierde knaap, naar het uiterlijke zeer
geschikt voor zijn vermoeiend beroep; zijne trekken vertoonden niets
van de openhartige uitdrukking van den vroolijken jachtgezel; hij sloeg
de oogen steeds neder, en was verlegen en scheen de blikken van
dengenen, die hem sterk aanzag, te willen vermijden. Na eenige
onbeduidende woorden over de goede vangst van den dag, gaf Brown hem
eene kleinigheid en reed verder met zijn gastheer naar Charlies-hope,
waar de huisvrouw reeds alles tot hunne ontvangst gereed had.
Het vriendelijke en gulle onthaal vergoedde het gebrek aan pracht en
goeden smaak bij dit feestmaal, waartoe de schaapskooi en het
hoenderhok rijkelijk het hunne hadden bijgedragen.