VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

– Op dan gij Britten, onbevreesd

Vervolgt den roover, die de kudde jaagt,

’s Nachts zijn smoode handwerk roekeloos drijft,

En dan een schuilplaats in de rotsen zoekt.

Thomson.

Brown stond den volgenden morgen vroeg op en ging uit, om de, hoeve van

zijn nieuwen vriend te bezichtigen. In den omtrek van het huis was

alles ruw en verwaarloosd. In den kalen tuin was volstrekt geene moeite

aangewend, om den bodem geschikt en vruchtbaar te maken. Nergens zag

hij sporen van de netheid, waardoor eene Engelsche pachthoeve zulk een

bekoorlijk gezicht oplevert. Het was evenwel duidelijk te zien, dat

zulks alleen uit gebrek aan smaak of uit onkunde, en niet uit armoede

en verwaarloozing, het gewone gevolg daarvan, voortsproot. Integendeel,

een fraaie stal vol schoone melkkoeien, een andere met tien uitmuntend

gemeste ossen, twee goede spannen paarden, het noodige werkvolk, dat

vlijtig en met zijn lot tevreden scheen, met één woord, een zekere

overvloed, die, ofschoon met slordigheid gepaard, in alles zichtbaar

was, getuigde van de ruime omstandigheden van den pachter. Het huis lag

op eene zacht hellende hoogte bij de rivier, en werd dus gevrijwaard

voor al het vuil, dat anders daaromheen opgestapeld had kunnen blijven.

Op eenigen afstand was de geheele troep kinderen aan het spelen en

vermaakte zich met het bouwen van huisjes van turf rondom een ouden

eikenboom, die den naam droeg van Charlies-boom, naar een vrijbuiter,

die, volgens de overlevering, den reeds genoemden oude burcht bewoond

zou hebben. Tusschen het huis en een’ grasrijken heuvel was een diep

moeras, dat eens tot verdediging van het kasteel gediend had, waarvan

thans geene sporen meer aanwezig waren.

Brown zocht kennis met de kinderen te maken; maar toen hij nader kwam,

namen zij alle den vlucht, en slechts de beide oudsten waagden het van

verre te blijven staan en hem aan te zien.

Brown nam nu zijn weg over eenige groote steenen, die lang niet vast

lagen, maar als tot eene soort van pad door het moeras gelegd waren

naar den heuvel. Terwijl hij dien beklom, zag hij een man van boven

afkomen, in wien hij spoedig zijn vriendelijken gastheer herkende, die

nu zijn reisgewaad met een grijs geruiten herdersmantel verwisseld en,

gemakshalve, zijn verbonden hoofd met een muts uit het vel van eene

wilde kat vervaardigd, in plaats van met een hoed bedekt had. Toen

Brown, die gaarne sterke, menschen zag, hem uit den morgennevel te

voorschijn zag treden, kon hij zich niet weerhouden, de hooge gestalte,

de breede schouders en den vasten tred van den pachter te bewonderen,

en Dinmont zag met hetzelfde gevoel op den forschen, gespierden

jongeling, dien hij nu nauwkeuriger dan hij tot hiertoe gedaan had,

beschouwde. Na den gewonen morgengroet vroeg Brown zijn gastheer hoe

hij zich, na de ongemakken van den vorigen dag, bevond.

„Daar denk ik bijna niet meer om,” antwoordde de pachter; „maar mij

dunkt dat, als wij thans in het moeras waren, ieder met een fikschen

eiken knuppel gewapend, wij dan, nu ik frisch en nuchter ben, voor geen

half dozijn zulke schelmen de vlucht zouden nemen.”

„Maar is het wel voorzichtig, vriend, dat gij, na zulke zware

kneuzingen, geen uur of wat langer rust genomen hebt?”

„Daar moet een echte Bergschot niet van weten. Eens viel ik, bij eene

vossenjacht, hals over kop van den top van de Christenbury-rots en toch

sprong ik dadelijk weer op en bracht de honden op het spoor. – Neen, er

is niets dat mij zwak van hoofd maakt, tenzij een slokje te veel.

Buitendien moest ik heden morgen wel eens rondloopen, om te zien hoe

het met mijn vee gaat: want er wordt somtijds geen acht genoeg op

gegeven, als ik van huis ben. Ik heb zoo even Tam van Todshaw met eene

menigte andere buren ontmoet, die op de vossenjacht gingen. Wilt gij

ook mede? dan zal ik u mijn paard van gisteren avond geven en zelf de

merrie nemen.”

„Ik zal heden morgen wel moeten vertrekken, Mijnheer Dinmont!”

„Daar wil ik niet van hooren! Binnen veertien dagen laat ik u volstrekt

niet gaan. Neen, neen! zulke vrienden, als gij zijt, vindt men alle

avonden niet op het Bewcastler-moeras.”

„Brown, die op deze reis niet aan den tijd bepaald was, nam deze

hartelijke uitnoodiging aan, en beloofde ten minste eene week te

Charlies-hope te zullen vertoeven.

Toen zij weer te huis kwamen, wachtte de huisvrouw hen reeds met het

wel voorziene ontbijt. Zij keurde de voorgenomen vossenjacht wel niet

volkomen goed, maar scheen er ook geenszins bekommerd of verwonderd

over.

„Dandie, Dandie!” zeide zij, „gij zijt nog steeds de oude. Gij laat u

door niets waarschuwen, zoo lang tot ge eens een zwaar ongeluk krijgt.”

„Kom, kom, vrouw! gij weet immers zelve, dat zulke tochten mij nooit

kwaad gedaan hebben.”

Hij verzocht nu Brown zich met het ontbijt te haasten, daar het spoor,

uit hoofde van het ingevallen dooiweder, dien morgen voortreffelijk te

volgen zou zijn.

Hierop begaven zij zich op weg naar Otterscopescaur, waarheen Dandie

hem den weg wees. Zij verlieten spoedig het dal, kwamen bij vrij steile

bergen, langs wier zijden de bergstroomen in den wintertijd, of na

hevige regens, woedend nederstortten. Grijze nevels, de overblijfsels

der morgenwolken, hingen nog om de toppen der bergen, want de vorst was

geweken voor een fikschen regenbui. Honderden kleine beekjes stroomden

als zilverdraden langs de hellingen der bergen, en schitterden door den

doorzichtigen nevelsluier. Langs smalle paden, welke voorbij deze

steilten leidden en waarover Dinmont zonder de minste vrees

voortdraafde, naderden zij eindelijk de verzamelplaats, waar de andere

jagers zoowel te voet als te paard bijeenkwamen. Brown kon niet

begrijpen, hoe eene vossenjacht in zulk eene bergachtige streek plaats

kon hebben, waar geene andere, dan paarden aan die wegen gewoon draven

konden, en waar de rijder, die even van het spoor afweek, gevaar liep

in moerassen te verzinken of in afgronden te storten. Zijne

verwondering verminderde niet, toen hij op de jachtplaats zelve

aankwam.

Zij waren langzamerhand tot op eene aanzienlijke hoogte gekomen en

bevonden zich nu op een bergrug, die een zeer diep, maar eng dal

omsloot. Hier waren de jagers verzameld en bezig met geduchte

toebereidselen te maken, die een Engelschen jager geërgerd zouden

hebben; want daar men de uitroeiing van een schadelijk en vernielend

dier op het oog had, evenzeer als het vermaak door de jacht opgeleverd,

gunde men den armen vos veel mindere kansen om te ontsnappen dan in het

open jachtveld. Maar de sterkte van zijn hol en de gesteldheid van den

grond rondom stelden hem hiervoor schadeloos. De zijden van het dal,

gedeeltelijk kale rotsen, waren vol kloven en scheuren, en helden steil

naar beneden tot aan den kleinen stroom, die door het diepe dal

kronkelde. Slechts hier en daar waren ze met eenige struiken of

heiplanten bezet. De jagers schaarden zich te paard en te voet langs

den rand van dit nauwe en diepe dal. Bijna iedere pachter had ten

minste een koppel vurige windhonden van de grootste soort bij zich, van

denzelfden aard als gebruikt werd op de hertejacht, maar door kruising

van ras van mindere grootte. De districtsjager, een provinciaal

beambte, die eene zekere hoeveelheid meel en eene belooning voor

iederen gedooden vos ontvangt, was reeds beneden in het dal, waar de

echo’s het zware geblaf der voshonden terugkaatsten. Een goed aantal

dashonden, waaronder het geheele geslacht van Peper en Mosterd, door

een herder reeds hierheen gebracht, stonden ook bij den rand van het

dal geschaard, waar men ook allerlei andere soorten van honden

ontwaarde, terwijl de toeschouwers hunne windhonden gereed hielden om

hen op den vos los te laten, zoodra de jagers onder in het dal hem uit

zijn schuilhoek verdreven zouden hebben.

Dit tooneel, ofschoon vreemd voor het oog van een ervaren jager, had

niettemin veel bekoorlijks. Tegen den blauwen hemel schenen de heen en

weder loopende gestalten op den bergrug zich, als het ware, in de lucht

te bewegen. De ongeduldige honden, door het geblaf in de diepte nog

woedender geworden, sprongen heen en weder en rukten aan de touwen,

waarmede zij teruggehouden werden. Niet minder treffend was het

gezicht, wanneer men naar beneden zag. Een dunne nevel hing nog over

het dal, zoodat men de bewegingen der jagers daar beneden dikwijls door

dezen doorschijnenden sluier moest trachten te volgen. Soms verstrooide

een windvlaag den nevel; dan werd het geheele tooneel zichtbaar en men

ontdekte het heldere beekje, als eene glinsterende streep, door het

woeste eenzame dal kronkelen. Dan zag men de jagers, die in de diepte

wegens den grooten afstand wel dwergen schenen, vroolijk en

onbeschroomd van het eene gevaarlijke punt op het andere springen, om

de honden op het spoor te leiden. Dan werden zij weder door den nevel

verborgen en men vernam niets van het voortzetten der jacht dan het

geroep der mannen en het geblaf der honden; stemmen, die als het ware,

uit het binnenste der aarde schenen op te stijgen. Toen de vos

eindelijk van het eene hol tot het andere vervolgd, genoodzaakt was het

dal te verlaten en eene verder afgelegen schuilplaats op te zoeken,

lieten de jagers, die al zijne bewegingen van boven af nauwkeurig gade

sloegen, hunne windhonden los, die, daar zij vlugger dan de vos en even

zoo wreed en moedig waren, hem spoedig afmaakten.

Op deze wijze werden er, tot groot genoegen van de jagers, vier vossen

gedood: en zelfs Brown, die in Indië vorstelijke jachtfeesten

bijgewoond en den Nabob van Arcof bij eene tijgerjacht op een olifant

vergezeld had, betuigde dat hij zich dezen morgen uitnemend vermaakt

had. Toen de jacht geëindigd was, gingen de meeste jagers,

overeenkomstig de gastvrije gewoonten des lands, met den pachter naar

Charlies-hope, om het middagmaal te houden.

Onder het naar huis rijden reed Brown eenigen tijd naast den

districtsjager en deed hem onderscheidene vragen aangaande zijn beroep.

Weldra bemerkte hij, dat deze man zijne blikken zocht te vermijden en

scheen het hem alsof hij gaarne van zijn gezelschap en zijne gesprekken

ontslagen wilde zijn, waarvoor Brown volstrekt geene reden kon vinden.

De jager was een magere maar gespierde knaap, naar het uiterlijke zeer

geschikt voor zijn vermoeiend beroep; zijne trekken vertoonden niets

van de openhartige uitdrukking van den vroolijken jachtgezel; hij sloeg

de oogen steeds neder, en was verlegen en scheen de blikken van

dengenen, die hem sterk aanzag, te willen vermijden. Na eenige

onbeduidende woorden over de goede vangst van den dag, gaf Brown hem

eene kleinigheid en reed verder met zijn gastheer naar Charlies-hope,

waar de huisvrouw reeds alles tot hunne ontvangst gereed had.

Het vriendelijke en gulle onthaal vergoedde het gebrek aan pracht en

goeden smaak bij dit feestmaal, waartoe de schaapskooi en het

hoenderhok rijkelijk het hunne hadden bijgedragen.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 38 / 75 题