VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De Liddelstroom, – tot nu toe onbekend,

Tenzij in liedren door het minnend hart gedicht –

Voert helder stroomend naar het westen heen

De kristalle, heldre golfjes. –

De kunst om gezond te blijven.

De tegenwoordige pachters in het zuiden van Schotland zijn veel

beschaafder dan hunne voorvaders, en de zeden en gewoonten, welke hier

geschilderd worden, zijn óf geheel verdwenen óf ten minste zeer

veranderd. Zonder hunne landelijke eenvoudigheid van zeden verloren te

hebben, kennen zij thans veel, dat aan vroegere geslachten onbekend

was, en dat niet alleen tot verbetering van hunne bezittingen, maar ook

tot veraangenaming van het leven dient. Hunne huizen zijn

gemakkelijker, hunne leefwijze is meer overeenkomstig met die der

beschaafde wereld, en eene edele zucht naar kennis, de schoonste

weelde, is in de laatste dertig jaren in hunne bergstreken opgewekt.

Het onmatig drinken, voorheen hunne hoofdondeugd, neemt van dag tot dag

sterk af; en hunne gastvrijheid, die steeds nog groot blijft, heeft,

zoo te zeggen, een beschaafder karakter aangenomen en is binnen

behoorlijke grenzen bepaald.

„Plaagt u de drommel?” sprak de pachter tot zijne vrouw, terwijl hij

zich zachtjes en met een liefdevollen blik uit hare armen losmaakte;

„plaagt u de drommel, Ailie? Ziet gij dien vreemden heer niet?”

Ailie keerde zich om, ten einde zich te verontschuldigen. „Waarlijk,

Mijnheer, ik was zoo verheugd mijn man te zien, dat – Maar, goede

Hemel! wat is er met u beiden voorgevallen?” riep zij uit, toen zij met

beide de mannen in de kamer gekomen was en bij het kaarslicht zag, dat

haar man gewond en de kleederen van zijn reisgenoot even als de zijne

met bloed bevlekt waren. „Gij zijt zeker weder met de paardenkoopers

van Newcastle aan het vechten geweest, Dandie! Foei! een gehuwd man,

die zoo vele lieve kinderen heeft, als gij, moest beter bedenken,

hoeveel het leven van een vader waard is.” – Bij deze woorden stonden

de goede vrouw de tranen in de oogen.

„Stil, stil, moedertje!” antwoordde haar man met een hartelijken kus.

„Verontrust u maar niet, het heeft niets te beduiden. Deze heer kan u

zeggen, hoe het gekomen is. Ik had mij even bij Lourie Lowthers

opgehouden, om een glaasje te drinken, en toen ik nu welgemoed mijn weg

door het moeras vervolgde, sprongen twee landloopers uit een kuil op

mij los, scheurden mij van het paard en takelden mij, ofschoon ik mij

met mijne zweep woedend verdedigde, erg genoeg toe: en bij den hemel,

vrouw, ware deze eerlijke jongen niet toegeloopen, zij zouden mij meer

slagen gegeven hebben dan mij lief was, en meer geld afgenomen dan ik

missen kon. Naast God, zijt gij hem dus dank verschuldigd.”

Bij deze woorden haalde hij eene groote lederen brieventasch uit den

zak, die hij zijne vrouw ter bewaring gaf.

„God zegene dezen heer! dat wensch ik van ganscher harte. Maar hoe

kunnen wij het anders vergelden, dan door hem voedsel en huisvesting te

geven, welke wij ook den armsten niet weigeren, tenzij, – eene blik op

de brieventasch werpende, welke haar bedoeling met de meest mogelijke

kieschheid uitdrukte – tenzij zulks op eene andere wijze gebeuren kon?”

Brown wist de edelmoedige dankbaarheid, welke de pachtersvrouw in hare

eenvoudigheid op eene zoo ongekunstelde en tevens kiesche wijze aan den

dag legde, naar waarde te schatten. Daar hij echter bemerkte, dat zijne

eenvoudige, nu gescheurde en met bloed bedekte kleeding hem tot een

voorwerp van medelijden maakte, haastte hij zich te verklaren dat hij

Brown heette, ritmeester bij het ** regiment dragonders was en, zoowel

uit verkiezing als zuinigheid, te voet reisde. Daarop herinnerde hij de

vriendelijke gastvrouw, dat het noodig zoude zijn, dat zij naar de

wonden van haren man keek, welke deze niet door hem had willen laten

onderzoeken.

Vrouw Dinmont, die er meer aan gewoon was haren man met een gat in ’t

hoofd te huis te zien komen, dan aan het bezoek van eenen dragonder

officier, zag eenigszins verlegen naar het niet meer geheel schoone

tafelgoed, en bedacht zich eenige oogenblikken, hoe zij het met het

avondeten zou maken. Zij klopte daarop haren man op den schouder en

verzocht hem te gaan zitten, er bijvoegende, dat hij een dolle stijfkop

was, die zich zelven en anderen gedurig in vechtpartijen wikkelde.

Dinmont deed, om met de bezorgdheid zijner vrouw den spot te drijven,

eerst een paar vroolijke sprongen door het vertrek, vóor dat hij zich

nederzette om zijn rond, zwartharig hoofd door haar te laten

onderzoeken. Brown dacht, dat hij den regiments-heelmeester bij

lichtere wonden wel eens een ernstiger gezicht had zien trekken. De

vrouw toonde echter eenige kennis van de heelkunde te bezitten; zij

knipte de bebloede haren, die haar bij de behandeling hinderden, weg,

legde wat pluksel met eene zalf, welke in het geheele dal voor het

beste heelmiddel gehouden werd, en wier genezende kracht door de

gevolgen van kermisnachten dikwijls proefondervindelijk bevestigd was,

op de wonden, deed er zorgvuldig een verband over, en zette eindelijk

haren man, hoeveel deze er ook tegen inbracht, eene slaapmuts op het

hoofd, om alles behoorlijk in orde te houden. Eenige kneuzingen aan

voorhoofd en schouders moesten met brandewijn gewasschen worden, wat de

gekwetste echter niet toeliet, vóor dat het geneesmiddel een zwaren tol

aan zijne lippen betaald had. Toen zij hiermede gereed was, bood zij

Brown ook vriendelijk hare hulp aan.

Deze verzekerde dat hij ze niet behoefde, en niets noodig had dan eene

waschkom en een handdoek.

„Daaraan had ik eerder moeten denken,” antwoordde zij. „ik heb er

eigenlijk wel aan gedacht, maar ik durfde de deur niet opendoen; onze

kinderen staan daar allen voor, die arme schapen; ze willen zoo gaarne

bij vader komen.”

Dit gezegde verklaarde de beteekenis van een hard getrommel en gekerm

dat Brown, niet zonder verwondering, buiten de kamer hoorde, van welke

de moeder, zoodra zij het bemerkte, de deur gegrendeld had. Nauwelijks

opende zij ze nu, om waschwater en een handdoek te halen (want het kwam

haar niet in de gedachte om haren gast in een ander vertrek te

brengen), of een drom blondharige kinderen stormde de kamer in. Eenigen

kwamen uit den stal, waarheen zij geweest waren, om het geliefde paard

met een gedeelte van hunne boterhammen te verwelkomen; anderen uit de

keuken, waar zij naar de vertellingen en liedjes van de oude Lijsje

geluisterd hadden. Het jongste was half naakt uit bed geklommen, en

wilde met geweld vader ook zien en hem vragen, wat hij hun van de

onderscheidene jaarmarkten, die hij bezocht had, medegebracht had. Onze

ridder van het bebloede hoofd kuste en omhelsde ze eerst allen, en

deelde vervolgens fluitjes, trompetten en peperkoek uit. Toen eindelijk

hunne vreugde over de ontvangene schatten en de tehuiskomst van hun

vader onverdragelijk luidruchtig werd, riep hij zijn gast toe: „Het is

moeders schuld, ritmeester! zij geeft den kinderen te veel hunnen zin.”

„Lieve hemel!” zeide Ailie, die juist met eene kom met water en een

handdoek de kamer intrad, „wat zal ik er aan doen? Ik heb hun immers

niets anders te geven, die arme kinderen!”

Eindelijk liet Dinmont zijn vaderlijk gezag gelden en, deels vleiende,

deels dreigende en gedeeltelijk de kinderen buiten de deur schuivende,

zuiverde hij het vertrek van de geheele wilde schaar, behalve een knaap

en een meisje, de beide oudsten, die zich, zoo als hij zeide, reeds

behoorlijk wisten te gedragen. Om dezelfde reden, maar met veel minder

omstandigheden, werden alle honden weggejaagd, behalve de eerwaardige

oudsten, de grijze Peper en Mosterd, die door menigvuldige tuchtigingen

en hun hoogen ouderdom zoo verdraagzaam geworden waren, dat zij den

kleinen Wesp, die tot hiertoe onder den stoel zijns meesters eene

schuilplaats had gezocht, na eenige wederzijdsche brommende

verklaringen, veroorloofden, een gedroogd schapenvel, met de wol naar

boven, waarop zij lagen, met hen te deelen.

De zorgvuldige huisvrouw had intusschen ter eere van haren gast een

paar kippen geofferd, welke, uit gebrek aan tijd om ze anders gereed te

maken, op den rooster gebraden waren en dampend op de tafel gezet

werden. Een ontzachlijk groot stuk koud gezouten rundvleesch, eieren,

boter, gebak en een overvloed van pannekoeken van gerstemeel, benevens

voortreffelijk zelfgebrouwen bier en eene flesch brandewijn, maakten

het feestelijk onthaal uit. Weinige krijgslieden zouden, na een

moeielijken dag, en een gevecht bovendien, iets op zulk een maaltijd

hebben aan te merken, en ook Brown deed den gerechten veel eer aan.

Terwijl de huisvrouw, na geëindigden maaltijd, eene groote, stevige

dienstmaagd, met wangen even rood als haar strik in het haar, hielp, om

het tafelgereedschap op te ruimen en suiker en heet water in de plaats

te brengen (wat zij bijna in haren ijver, om een kapitein in levenden

lijve goed te bekijken, vergeten zou hebben), nam Brown de gelegenheid

waar, om zijn gastheer te vragen of het hem niet berouwde, dat hij de

waarschuwing van de Heidin in den wind geslagen had.

„Wie weet, of het mij geholpen zou hebben?” antwoordde hij. „Het is een

raar volk. Misschien was ik de eene bende ontsnapt, om de andere in

handen te vallen. Ik wil dit echter niet stellig beweren; en als dat

oude wijf te Charlies-hope kwam, zou zij een flesch brandewijn en een

pond tabak voor den winter hebben. Het is een drommels raar volk, de

Heidenen, zoo als mijn oude vader placht te zeggen. Zij zijn het ergste

daar, waar men hen het slechtst voorgaat; zij hebben zoo wel hunne

goede als hunne kwade zijde.”

Onder deze en andere gesprekken moesten de bierkan en punchkom nog eens

aangesproken worden. Maar daarop weigerde Brown volstrekt om langer op

te blijven zitten en meer te drinken, buitengewone vermoeidheid en

slaperigheid, als gevolgen van zijne lange wandeling en het doorgestane

gevecht, voorwendende, daar hij wel inzag, dat voorstellingen bij zijn

gastheer niets zouden baten en dit het eenige middel was, om dezen voor

het gevaar te vrijwaren, om zijne opene wonden en zijn bebloed hoofd

door onmatigheid te benadeelen. Een klein slaapkamertje met een

uitmuntend bed stonden voor den reiziger gereed, en de gastvrouw

verzekerde, dat hij er meê tevreden kon zijn, „daar het linnen

gewasschen was in de Tooverbron, gebleekt werd op de witte zandheuvels

en door de meid en haar zelve gerekt en gevouwen – en dat, als zij eene

koningin was, zij niet meer voor hem zou kunnen doen.” De kleine Wesp

lekte zijn meester de handen en legde zich, na bekomen verlof, op de

deken aan zijne voeten neder, terwijl de oogen van den reiziger weldra

door een weldadigen slaap gesloten werden.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 37 / 75 题