DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Slag of stoot moet men op den straatweg afwachten!

Een winter-verhaal.

De raad van den vriendelijken pachter werd door Brown niet in den wind

geslagen; maar terwijl hij zijne vertering betaalde, bleven zijne

blikken onwillekeurig op Meg Merrilies gevestigd. Zij geleek nog even

zeer op eene heks, als toen Mannering haar voor de eerste maal op het

slot Ellangowan ontmoette. De tijd had hare zwarte lokken grijs geverwd

en rimpels in hare woeste trekken gegroefd; maar hare hooge gestalte

was nog niet gebogen en hare vlugheid niet verminderd. Door een

werkzaam, ofschoon geen eigenlijk arbeidzaam leven had zij, even als

vele vrouwen van haar aard, het volkomen gebruik van al hare ledematen

behouden, zoodat hare natuurlijke houding en bewegingen vrij,

ongedwongen en schilderachtig waren. Zij stond aan het venster van de

herberg in eene houding, die hare krachtige gestalte voordeelig deed

uitkomen, met het hoofd eenigszins achterover gebogen, opdat de groote

muts, die haar hoofd tot diep in de oogen bedekte, haar niet in hare

aandachtige beschouwing van Brown, hinderen zoude. Bij iederen toon,

welken hij uitte, scheen zij bijna onmerkbaar te schrikken. Van zijn

kant kon Brown, ofschoon hij hiervoor geene reden kon vinden, deze

zonderlinge gestalte niet zonder ontroering aanzien. „Heb ik van zulk

een gestalte gedroomd?” zeide hij bij zich zelven; „of roept deze

vrouw, met haar woest en wonderlijk uitzicht, de vreemde gedaanten,

welke ik in onze Indische pagoden gezien heb, in mijn geheugen terug?”

Terwijl hij zich met deze gedachten bezig hield en de waardin

zilvergeld zocht, om hem van een halve guinje terug te geven, trad de

Heidin eensklaps naar hem toe en greep zijne hand. Hij verwachtte, dat

zij hem waarzeggen wilde; maar hij vergiste zich: geheel andere

aandoeningen schenen haar te bezielen.

„Jongman,” sprak zij tot hem, „zeg mij, zeg mij, om Godswil, hoe uw

naam is en vanwaar gij gekomen zijt?”

„Mijn naam is Brown en ik kom uit Oost-Indië.”

„Uit Oost-Indië!” herhaalde zij, terwijl zij zijne hand zuchtend

losliet; „dan kan het niet zijn. Ik, oude zottin, die ik ben, verbeeld

mij, dat iedereen dien ik aanzie, diegene zijn moest, welken ik zoo

gaarne zien wilde. Maar uit Oost-Indië! dat kan niet zijn. Maar, wie

gij ook zijt, uw gelaat en uwe spraak herinneren mij aan oude tijden.

Vaarwel! spoed u op uwen weg, en indien gij iemand van ons volk

ontmoet, bemoei u nergens mede, en niemand zal u leed doen.”

Brown, die nu zijn geld teruggekregen had, drukte haar een zilverstuk

in de hand, groette de waardin en wandelde haastig den weg op, welken

de pachter ingeslagen was en waarop het versche spoor van diens paard

hem tot gids diende. Meg Merrilies zag hem eenigen tijd achterna en

mompelde in zich zelve: „Ik moet dien knaap wederzien – ik moet weder

naar Ellangowan. De heer is dood, en de dood vereffent alle rekeningen.

Hij was toch eens een goed mensch. De sheriff is weg en ik kan mij in

het bosch verschuilen; dus waag ik er niet veel bij. Ik wilde het lieve

Ellangowan zoo gaarne nog wederzien voor mijn dood!”

Brown ging intusschen met snelle schreden langs den moerassigen weg

door de Cumberlandsche heide. Hij kwam een eenzaam huisje voorbij, waar

Dinmont waarschijnlijk stilgehouden had; ten minste leidden de

voetstappen van een paard hem daarheen en een weinig verder weder op

den weg. „Ik wenschte wel,” dacht Brown, „dat de goede pachter hier op

mij gewacht had; ik zou hem gaarne naar den weg gevraagd hebben, die

hier al woester en woester wordt.”

En waarlijk, deze landstreek is zoo wild en woest, alsof de natuur

zelve ze tot een scheidsmuur tusschen twee vijandige volken bestemd

had. Nergens hooge bergen of rotsen, maar overal heide en moeras,

waarop slechts enkele ver van elkander verwijderde, kleine en armoedige

hutten staan. Bij deze vindt men gewoonlijk een stukje bebouwd land;

maar een paar veulens, die met vastgebonden achterpooten loopen te

weiden, geven te kennen, dat de landlieden zich hoofdzakelijk op de

paardenfokkerij toeleggen. De bewoners zijn ruwer en minder gastvrij

dan in eenig ander gedeelte van Cumberland, deels uit hoofde hunner

eigene zeden en gewoonten, deels door hunne vermenging met landloopers

en booswichten, die in deze woeste landstreek eene schuilplaats tegen

den arm der gerechtigheid zoeken. In vroegere tijden stonden de

bewoners van deze streken bij hunne meer beschaafde buren in zulk een

kwaden reuk, dat er bij de gilden te Newcastle eene afzonderlijke wet

bestond, waarbij aan ieder gildebroeder in die stad verboden werd, om

een inboorling uit deze oorden als leerling aan te nemen. Een oud

spreekwoord zegt: „geef een hond een’ slechten naam en hang hem op;” en

men mag er wel bijvoegen: „indien men een’ mensch, of een geheelen

stam, voor slecht uitkrijt, zoo zal hij er zeer gemakkelijk toe

vervallen, om iets strafwaardigs uit te voeren.” Brown had van het

gesprek tusschen de waardin, Dinmont en de Heidin iets gehoord, en

vermoedde nog meer; maar hij kende geene vrees, had niets bij zich, dat

de roofzucht uitlokken kond, en hoopte nog bij daglicht over de heide

te komen. Hierin bedroog hij zich echter; de weg was langer dan hij

dacht, en het begon reeds te schemeren, toen hij aan een uitgestrekt

moeras kwam.

Voorzichtig volgde hij een pad, dat nu eens tusschen met mos begroeide

hoogten door, dan eens over smalle, maar diepe slooten vol slijkerig

water, en soms langs hoopen puin en steenen liep, welke door zware

stortregens of watervallen van de naburige heuvels op deze lage

plaatsen gespoeld waren. Het scheen Brown bijna onmogelijk, dat een

ruiter dezen weg volgen kon. De sporen van het paard bleven evenwel nog

zichtbaar; ja hij meende soms zelfs, dat hij de hoefslagen in de verte

hoorde. Overtuigd, dat Dinmont door dit moeras niet zoo snel voortkomen

kon als hij zelf, besloot hij nog wat harder aan te stappen, in de hoop

van hem in te halen en van zijne bekendheid met het land partij te

trekken.

Eensklaps sprong de kleinen hond van onzen voetganger vooruit en begon

woedend te blaffen. Brown verdubbelde zijne schreden. Toen hij den top

van eene kleine hoogte bereikt had, zag hij in eenen hollen weg,

omstreeks een geweerschot van hem, een man, in wien hij dadelijk den

pachter herkende, met twee anderen in een wanhopig gevecht gewikkeld.

Dinmont zat niet meer te paard en verdedigde zich, zoo goed hij kon,

met zijne zware zweep. Vóór dat Brown hem echter te hulp snellen kon,

velde een hevige slag den ongelukkige ter aarde, en een van de roovers,

zich de overwinning ten nutte makende, gaf hem nog eenige geweldige

slagen op het hoofd. De andere deugniet liep op Brown toe en riep zijn

metgezel om hem te volgen, en „dat die eene reeds genoeg had!” Een van

de roovers was met eenen houwer, de andere met een’ knuppel gewapend.

Daar de weg echter vrij smal was, dacht Brown dat hij het wel met hen

zou klaren, indien zij maar geen vuurwapens bij zich hadden. Met

verschrikkelijke bedreigingen drongen de roovers op Brown in, maar

vonden spoedig, dat hunne tegenpartij even sterk als onverschrokken

was, en nadat er van weerskanten eenige slagen gevallen waren, riep een

van hen onzen voetganger toe, dat hij, „ìn ’s duivels naam, zijn weg

over de heide vervolgen kon, want dat zij niets met hem te doen

hadden.”

Brown verwierp dit voorstel, wijl hij daardoor den ongelukkigen pachter

aan de genade van de roovers, die hem hadden willen uitplunderen, zoo

niet vermoorden, overgegeven zou hebben. Het gevecht was juist weder

aangevangen, toen Dinmont onverwachts weder bijkwam, zich op de beenen

hielp en naar de kampplaats snelde. De pachter had zich, ofschoon

overvallen en alléen, zóo dapper geweerd, dat de roovers het ongeraden

vonden, deze versterking van Brown af te wachten, daar deze alleen hun

beiden genoeg te doen gaf. Zij ontvluchtten dus dwars door het moeras,

zoo hard zij konden, gevolgd door Brown’s hond, die de vijanden

gedurende het gevecht wakker in de hielen gebeten en zijn meester trouw

bijgestaan had.

„De drommel! uw hond is nu toch goed op het ongedierte los gegaan,”

waren de eerste woorden, welke de vroolijke pachter uitte, toen hij,

met een bebloed hoofd, Brown naderde en zijn redder herkende.

„Ik hoop, dat gij niet gevaarlijk gewond zijt,” hernam Brown.

„Maar een beetje; mijn hoofd kan een’ flinken klap verdragen. Ik ben er

intusschen nog al goed afgekomen, en dat heb ik aan u te danken. Maar,

vriend! nu moet gij mij helpen om mijn paard te vangen en achter mij op

gaan zitten; want indien wij ons niet spoedig weg maken, krijgen wij de

geheele bende op den hals. De anderen zullen wel niet ver af zijn.”

Het paard werd gelukkig spoedig gevangen. Brown was bezorgd, dat de

last te zwaar voor het dier zou zijn.

„Vreest gij daarvoor?” antwoordde de pachter. „Het paard kon wel zes

menschen dragen, als zijn rug maar lang genoeg was. Maar, om Godswil,

haast u! Ik zie ginds eenige lieden, waarop het niet geraden zou zijn

te wachten, dwars door het moeras aankomen.”

Brown begreep, dat het nu geen tijd was om plichtplegingen te maken;

hij steeg achter den pachter op het paard, en het sterke dier draafde

met zijn zwaren last zoo vlug voort, alsof het slechts twee kinderen te

dragen had. Dinmont, die alle paden in deze wildernis scheen te kennen,

koos den besten weg, waarbij hem echter de schranderheid van zijn paard

niet weinig te stade kwam, dat bij gevaarlijke plaatsen steeds het

veiligste pad uitzocht. Nochtans was de weg zoo slecht en moesten zij

zoo vele omwegen maken, dat zij hunne vervolgers niet veel vooruit

kwamen. „Wees niet bang,” zei de onverschrokken Schot tot zijn

reisgenoot; „als wij maar eerst de Withershins-pas bereikt hebben, dan

is de weg zoo week niet meer en zullen wij hen wel uit de oogen komen.”

Zij bereikten spoedig de genoemde plaats, eene smalle strook lands, met

een’ kleinen, zacht vlietenden stroom, vol heldergroene waterplanten

doorsneden. Dinmont wendde zijn paard naar eene plaats, waar het water

over een harderen grond scheen te vlieten; maar het dier scheen hier

den doortocht niet te willen wagen: het stak den kop naar beneden,

alsof het den moerassigen grond nader onderzoeken wilde, strekte de

voorbeenen vooruit en stond onbewegelijk, alsof het van steen was.

„Zou het niet beter zijn als wij afstegen en het paard aan zich zelf

overlieten?” vroeg Brown. „Of kunt gij het niet door den poel krijgen?”

„Neen, neen,” hernam Dinmont; „wij moeten het beestje zijn zin geven.

Het heeft meer verstand dan menig christenmensch.” Met deze woorden

liet hij den teugel schieten, schudde dien zacht en zeide: „ga nu uw

eigen’ gang. Wij zullen zien, hoe gij er ons doorbrengt!”

Het paard, nu aan zijn eigen wil overgelaten, draafde vlug naar eene

andere plaats, welke op het oog minder betoofde, maar die het dier

waarschijnlijk door ondervinding als een’ veiliger’ doortocht kende.

Het paard ging hier in het water en kwam zonder veel moeite aan de

overzijde.

„Ik ben blijde dat wij uit dat moeras zijn, waar men meer stallen voor

paarden, dan herbergen voor menschen vindt,” zeide Dinmont. „Wij komen

nu op den zoogenaamden Meisjesweg en dan hebben wij geen nood meer.”

Zij bereikten nu spoedig een ruwen straatweg, het overblijfsel van

eenen ouden Romeinschen weg, welke in eene noordelijke richting door

deze woeste streken loopt. Hier ging het vlug voort, beurtelings in

draf of galop, zoo als het paard verkoos.

„Ik zou hem nog harder kunnen laten loopen,” zei Dinmont, „maar wij

zijn toch beiden een paar lange, zware kerels en het zou jammer zijn

het beest te plagen. Ik zag zijns gelijke niet op de jaarmarkt heden.”

Brown was het volkomen met hem eens dat men het paard sparen moest, en

voegde er bij dat, nu zij buiten bereik der roovers waren, het zaak zou

zijn voor Dinmont, een doek om het hoofd te winden, uit vrees dat de

koude zijne wonden gevaarlijker zou maken.

„Waarom zou ik dat doen?” antwoordde de dappere pachter. „Het beste is,

het bloed op de wond te laten stollen; dat wint pleisters uit.”

Brown, die, als krijgsman, zoo velen gezien had, welke zwaar gewond

werden, kon de aanmerking niet terughouden, dat hij nooit iemand

ontmoet had, die zoo weinig scheen te geven om zulke ernstige wonden.

„Gekheid, vriend! Dacht gij, dat ik om zoo iets veel leven zoude maken?

– Maar binnen vijf minuten zijn wij in Schotland en gij gaat met mij

naar Charlies-hope; dat is eene uitgemaakte zaak!”

Brown nam deze gastvrije uitnoodiging gereedelijk aan. De avond viel,

toen onze ruiters eene kleine rivier in het gezicht kregen, welke door

eene bevallige bebouwde landstreek kronkelde. De heuvels waren groener

en lager dan in de streken, waardoor zij tot hiertoe gekomen waren, en

de grasrijke steilten helden zachtjes naar den stroom af. Het geheele

oord had een eenzaam, woest en toch landelijk voorkomen. Men zag geene

omheinde velden, geene wegen, ja, bijna geene sporen van bebouwing. Het

was een land, dat een patriarch tot eene weide voor zijne kudde kiezen

zou. De overblijfsels van eenige verspreid staande, vervallen torens

gaven echter te kennen, dat hier eens geheel andere, minvreedzame

menschen gewoond hadden, die vrijbuiters namelijk, van wier daden de

oorlogen tusschen Engeland en Schotland gewagen.

Het vlugge paard draafde voort langs het bekende pad, en nadat het op

eene waadbare plaats door het riviertje gegaan was, ging het snel langs

den oever, tot onze reiziger twee of drie lage, bij elkander staande

huizen bereikten. Dit was Charlies-hope, de woonplaats van den pachter,

in de landtaal „de stad” genaamd. Met een woedend geblaf werden de

aankomenden door het geheele geslacht van Mosterd en Peper, benevens

een groot aantal onbekende bondgenooten, begroet. De pachter liet zijne

welbekende stem hooren, om de rust en orde te herstellen. De meid, die

de deur opende, smeet ze oogenblikkelijk weder toe, vloog in huis en

riep luidkeels: „Vrouw, vrouw, de meester is er en nog een ander man

bij hem!” Het paard liep van zelf naar de staldeur, waar zijn hinneken

om binnen gelaten te worden, door zijne kennissen van binnen beantwoord

werd. Brown had intusschen moeite genoeg, om zijnen Wesp tegen de

andere honden te beschermen, welke, minder gastvrij dan hun meester,

grooten lust hadden, om den indringenden vreemdeling te mishandelen.

Een knecht bracht het paard spoedig in den stal. Intusschen verscheen

de huisvrouw, een aardig, mooi wijfje, en verwelkomde haren man met

ongeveinsde vreugde. „Ei, ei, vader,” riep zij, „gij zijt dezen keer

wel lang uitgebleven!” [10]

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 36 / 75 题