EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Gij zegt, alwijze, dat der minne kracht,

Het noodlot weet te dwingen en zegeviert;

’t Is ook niet vreemd, dat goeds het goede zoekt,

En zich vereenigt genie met hooge afkomst.

Crabbe.

V. Brown – ik wil dezen driemaal ongelukkigen naam niet voluit

schrijven – was sedert zijne kindsheid een speelbal van de fortuin

geweest; maar de natuur had hem die veerkracht van geest geschonken,

welke door tegenstand versterkt wordt. Hij was van eene groote,

gespierde gestalte; zijn gelaat, ofschoon ver van regelmatig, verried

veel verstand en geest, en wanneer hij sprak of hevig aangedaan was,

kon men het zeer belangwekkend noemen. Zijne manieren verrieden, dat

hij zich aan den krijgsdienst gewijd had, waarin hij thans tot den rang

van ritmeester opgeklommen was, daar kolonel Mannering’s opvolger het

onrecht, dat Brown door diens ingenomenheid tegen hem geleden had,

weder had zoeken goed te maken. Maar deze bevordering van Brown, zoowel

als zijne bevrijding uit zijne gevangenschap, was voorgevallen na

Mannering’s vertrek uit Indië. Brown volgde hem spoedig, daar zijn

regiment naar Europa teruggezonden werd. Bij zijne aankomst in het

vaderland deed hij aanstonds onderzoek naar de familie Mannering en

vernam zonder moeite, dat deze naar het noorden gereisd was; waarop hij

denzelfden weg insloeg, met het vaste voornemen, om zijn aanzoek bij

Julia te hervatten. Haar vader behoefde hij, naar zijn oordeel, niet

verder te ontzien, want, geheel onkundig van den argwaan, welken de

kolonel tegen hem koesterde, beschouwde hij dezen als een

heerschzuchtigen aristocraat, die zijne macht misbruikt had, om hem de

welverdiende bevordering te onthouden, en die hem tot een tweegevecht

gedwongen had, alleen omdat hij de schoone Julia, die hem geenszins

ongenegen was, en wier moeder daar niets tegen had, maar hem eerder

aanmoedigde, zijne hulde bewezen had. Hij wilde van niemand, dan van

het meisje zelve, dit was zijn vast en onherroepelijk besluit, een

weigerend antwoord aannemen. De rampen, die hij als gevolgen der

beleediging welke hem door haren vader aangedaan was, geleden had, eene

pijnlijke wonde en eene smartelijke gevangenschap, gaven hem, naar zijn

oordeel, het recht om zich met hem niet verder op te houden. In hoe

verre zijn plan gelukt was, toen zijne nachtelijke bezoeken door den

heer Mervyn ontdekt werden, is reeds bekend.

Dit onaangename voorval bewoog Brown, de herberg, waar hij zich onder

den naam van Dawson ophield, te verlaten, zoo dat kolonel Mannering’s

pogingen om hem op te sporen, mislukten. Geene zwarigheden zouden hem

nochtans van zijne onderneming terughouden, daar Julia hem alle hoop

niet benomen had. Zij had hem het gevoel, dat hij haar ingeboezemd had,

niet kunnen verbergen, en met al den moed van een verliefden ridder

besloot hij te volharden. Doch hij moge zijne denkwijze en bedoelingen

zelf ontvouwen in een brief aan zijnen boezemvriend, den kapitein

Delaserre, een Zwitser, die eene kompagnie bij zijn regiment had.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 33 / 75 题