– Een reusachtig genie – tegen geheele bibliotheken bestand!
Boswell’s Leven van Johnson.
De bepaalde dag, waarop Mannering en zijne dochter te Woodbourne
verwacht werden, verscheen. Het uur naderde en ieder van het kleine
gezelschap in huis had zijne bijzondere redenen tot bezorgdheid.
Mac-Morlan wenschte natuurlijk, zich in de gunst en bescherming van
zulk een rijken en invloedrijken man, als Mannering, te bevestigen. Met
behulp van zijne menschenkennis had hij spoedig bemerkt dat Mannering,
ofschoon edelmoedig en weldadig, het zwak had, eene stipte vervulling
van zijne bevelen tot in de geringste kleinigheden te verwachten en te
vorderen. Hij zag dus nauwkeurig na, of alles overeenkomstig de
wenschen en bevelen van den kolonel ingericht was, en doorliep, in deze
onzekerheid, meer dan eens het geheele huis van de vliering tot de
stallen. Zijne vrouw bewoog zich in een kleineren kring, waartoe alleen
de eetkamer, het vertrek van de huishoudster en de keuken behoorden.
Zij vreesde niets anders, dan dat het middagmaal niet goed zou zijn, en
daardoor haren roem, als eene zorgvuldige en bekwame huisvrouw,
benadeeld zou worden. Zelfs Sampson werd in zooverre in zijne gewone
gemoedsrust en lijdelijkheid gestoord, dat hij tweemaal naar het
venster liep, dat op den weg uitzag, en beide malen uitriep: „Waarom
toeven de wielen van hun rijtuig zoo lang?”
Lucie, de bedaardste onder de wachtenden, had hare eigene treurige
gedachten. Zij was nu op het punt, om aan de zorg, ja bijna aan de
weldadigheid van vreemdelingen overgelaten te worden, wier karakter,
hoe vriendelijk het haar tot hiertoe ook voorgekomen was, zij toch niet
dan onvolkomen kende. Vol angstige verwachting gingen voor haar de
oogenblikken van onzekerheid voorbij.
Eindelijk hoorde men het ratelen van den wagen. De bedienden, die reeds
aangekomen waren, plaatsten zich in het groote portaal, om hun meester
en meesteres te ontvangen, met een vertoon van gewicht en eene drukte,
welke voor Lucie, die aan geen gezelschap, noch aan de zeden en
gebruiken der groote wereld gewoon was, iets verontrustends hadden,
Mac-Morlan ging naar de deur, om den heer en de dame des huizes te
ontvangen, en na weinige oogenblikken waren zij in de zaal.
Mannering, die volgens gewoonte de reis te paard gedaan had, trad met
zijne dochter aan den arm binnen. Julia was eerder klein dan groot,
maar had eene zeer fraaie gestalte, doordringende donkere oogen en lang
gitzwart haar, dat zeer goed bij het levendige, geestige gelaat stond,
waarop een weinig hoogmoed en een weinig beschroomdheid, veel
scherpzinnigheid en eenige aanleg tot bijtende scherts geteekend
stonden. „Ik zal niet van haar houden,” dacht Lucie bij het eerste
gezicht; bij den tweeden blik dacht zij: „ik zal toch wel veel van haar
houden.”
Julia was om het ruwe winterweder tot aan de kin in mantel en pels
gehuld; haar vader droeg zijnen militairen overrok. Hij boog voor
mevrouw Mac-Morlan, voor wie Julia ook eene beleefde, maar zeer kleine
neiging maakte. Hierop leidde Mannering zijne dochter naar Lucie, en
deze vriendelijk, ja bijna met vaderlijke teederheid bij de hand
vattende, zeide hij: „Julia, dit is Lucie Bertram, die mijne goede
vrienden hier, naar ik hoop, overgehaald hebben, om ons huis met een
langdurig bezoek te vereeren. Het zal mij bijzonder verheugen, als gij
Woodbourne voor haar zoo aangenaam kunt maken, als Ellangowan voor mij
was, toen ik voor den eersten keer, als reiziger, dit land bezocht.”
Julia beloofde dit met eene buiging en vatte liefderijk de hand harer
nieuwe vriendin. Mannering wendde zich nu tot Sampson, die, sedert de
kolonel in de kamer was gekomen, zonder ophouden buigingen had gemaakt
en zijn rug boog, even als een kunstbeeld dat dezelfde bewegingen
gedurig herhaalt, totdat de wil des kunstenaars ze doet ophouden.
Mannering wierp een strengen, bestraffenden blik op zijne dochter,
niettegenstaande hij zelf eenige moeite had om het lachen te
onderdrukken, waartoe deze oogenschijnlijk veel lust had, terwijl hij
den braven man met de volgende woorden aan haar voorstelde: „Mijn goede
vriend, de heer Sampson, die mijne boekverzameling in orde zal brengen,
zoodra ze aankomt, en van wiens groote geleerdheid ik nog veel nut hoop
te trekken.”
„Ik ben overtuigd, papa, dat wij dezen heer veel dank verschuldigd
zijn, en om mijne dankbetuiging klem bij te zetten, moet ik bekennen,
dat ik nooit het oogenblik zal vergeten, waarop wij hem voor ’t eerst
ontmoetten.” – Haar vader fronsde de wenkbrauwen en hij vervolgde
haastig, zich tot Lucie wendende: „juffrouw Bertram, wij hebben heden
eene lange reis afgelegd: veroorloof mij, dat ik mij eenige
oogenblikken vóór het middagmaal verwijder!”
Hierop verstrooide zich het geheele gezelschap, behalve Sampson, wien
het nooit in de gedachten kwam om zich te kleeden, dan wanneer hij
opstond, of zich uit te kleeden, behalve als hij naar bed ging. Hij
bleef dus alleen en herkauwde intusschen een wiskunstig betoog, tot het
gezelschap weder bij elkander kwam om naar de eetzaal te gaan.
Des avonds nam Mannering de gelegenheid waar, om zijne dochter een
oogenblik alleen te spreken, en hield met haar het volgende gesprek.
„Hoe bevallen u uwe gasten, Julia?”
„O! juffrouw Bertram bijzonder; maar die geestelijke is een origineel,
lieve vader, dien geen mensch bijna zonder lachen kan aanzien.”
„Zoo lang hij onder mijn dak woont, Julia, moet een ieder dàt leeren.”
„Lieve hemel, vader! zelfs de bedienden konden niet ernstig blijven!”
„Dan mogen zij mijne liverei uittrekken, en lachen, als zij niet meer
in mijn dienst zijn. Sampson is een man, dien ik om zijne eenvoudige
oprechtheid en goedhartigheid hoogacht.”
„Ook ben ik overtuigd van zijne milddadigheid,” hernam Julia lachende,
„want hij kan geen lepel vol soep naar den mond brengen, zonder aan
alles, wat nabij hem is, iets mede te deelen.”
„Julia, gij zijt onverbeterlijk; onthoud dit echter wel: ik verwacht,
dat gij uwen spotlust zooveel in toom zult houden, dat gij noch dezen
waardigen man, noch Lucie Bertram, die iedere beleediging, hem
aangedaan, misschien grievender zal krenken dan hem zelven, beleedigt.
En nu, goede nacht, kindlief, – maar laat ik u nog dit zeggen: Sampson
heeft wel niet de Gratiën gehuldigd, maar er zijn vele dingen in deze
wereld, die wezenlijk veel belachelijker zijn dan eenvoudigheid van
karakter en onbeschaafde manieren.”
Een paar dagen later verlieten de heer Mac-Morlan en zijne vrouw, na
een hartelijk afscheid, Woodbourne, waar de nieuwe huishouding thans
behoorlijk ingericht was. De beide meisjes oefenden zich onderling en
deelden elkanders genoegens. Mannering werd aangenaam verrast door de
ontdekking, dat Lucie Bertram zeer bedreven was in het Fransch en
Italiaansch, wat zij mede aan den ijver van Sampson, die zich in
stilte, door onvermoeide vlijt, de meeste nieuwe zoo wel als de oude
talen eigen gemaakt had, te danken had. Van de toonkunst verstond zij
weinig of niets, maar hare nieuwe vriendin ondernam, om haar daarin te
onderwijzen; waartegen deze aan Lucie de gewoonte om groote wandelingen
te doen, het paardrijden en den noodigen moed, om alle soorten van
weder te trotseeren, leerde. Mannering zorgde dat het haar, tot
uitspanning in de lange winteravonden, aan geene boeken, waarin
onderhoud en leering gepaard gingen, ontbrak. Dus verliepen de avonden,
te meer daar hij zelf met veel smaak en gevoel voorlas, zeer aangenaam.
Spoedig werd Woodbourne, waar zoo veel tot gezellig verkeer uitlokte,
door de meeste aanzienlijke familiën uit den omtrek bezocht, zoo dat de
kolonel weldra diegenen tot zijn omgang kon uitkiezen, die hem het best
bevielen. Karel Hazlewood werd bijzonder door hem onderscheiden en
bezocht hem dikwijls met volkomene toestemming van zijne ouders, die
dachten, dat men de gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, en de
schoone Julia, met hare Indische schatten, was een prijs, die wèl
eenige moeite waardig was. Verblind door dit vooruitzicht, vergaten zij
het gevaar, dat zij reeds eenmaal gevreesd hadden; namelijk, dat hun
zoon in plaats van koel zijn belang te raadplegen, zijne genegenheid op
Lucie Bertram vestigen kon; op de arme Lucie, die niets in de wereld
bezat dan een fraai gelaat, eene goede afkomst en een zeer beminnelijk
karakter. Mannering was voorzichtiger. Hij beschouwde zich als Lucie
Bertram’s voogd, en ofschoon hij zich in ’t geheel niet verplicht
rekende, haren omgang met een jongeling te beletten, voor welken zij in
alle opzichten, het verschil in vermogen niet medegerekend, eene
geschikte partij was, legde hij hun verkeer toch ongevoelig zoo veel
dwang op, als noodig was, om eene verklaring en wederzijdsche
verbintenis te voorkomen, vóor dat de jongeling iets meer van de wereld
en het leven gezien en den leeftijd bereikt had, waarop niemand hem het
recht zou kunnen betwisten, om voor zich zelven in eene zaak, waarvan
het geheele geluk des levens voornamelijk afhangt, te beslissen.
Terwijl dit een en ander de opmerkzaamheid der overige bewoners van
Woodbourne bepaalde, was Sampson met lijf en ziel bezig om de
bisschoppelijke boekverzameling, welke van Liverpool verzonden en van
de haven, waar het schip aangekomen was, op een veertigtal karren naar
het landgoed gebracht was, in orde te brengen. Onbeschrijfelijk was
zijne vreugde, toen hij op den vloer van het vertrek den rijken inhoud
der kisten uitgepakt zag, welken hij in de kasten rangschikken zou.
Grijnzend zwaaide hij met de armen als de wieken van een windmolen,
spalkte den mond wijd open en juichte zijn: „Ver–ba–zend!” dat het huis
er van dreunde. „Nooit,” zeide hij, „had hij zoo vele boeken bij
elkander gezien, behalve in de bibliotheek der hoogeschool,” en verrukt
door het denkbeeld de opzichter van dezen heerlijken schat te zijn,
stond hij, in zijne eigene oogen, bijna gelijk met den bibliothecaris
der akademie, dien hij altijd als den grootsten en gelukkigsten man ter
wereld beschouwd had. Zijne vreugde verminderde niet, toen hij de
boeken vluchtig inzag. Sommige werken over de fraaie letteren,
gedichten, tooneelspelen en gedenkschriften wierp hij wel verachtelijk
met een: „Is het anders niet?” of: „nutteloos goed!” ter zijde; maar de
meeste en dikste werken waren van geheel anderen aard. De bisschop, een
zeer geleerde geestelijke van den ouden stempel, had zijne kasten met
werken over godgeleerde geschillen, bijbeluitleggingen en bijbels in
onderscheidene talen, kerkvaders en predikatiën, welke ieder tien
hedendaagsche korte leerredenen konden opleveren, andere oude en nieuwe
wetenschappelijke werken, benevens de beste en zeldzaamste drukken der
klassieke schrijvers gevuld. Over deze eerwaardige boekverzameling van
den overleden bisschop liet Sampson de oogen met verrukking gaan. Hij
maakte er eenen catalogus van, welken hij zoo sierlijk en zorgvuldig
schreef, als ooit een minnaar een teeder briefje aan zijne beminde, en
plaatste ieder boekdeel, met al den eerbied, welken eene vrouw voor
eene oude Chineesche porseleinen vaas kan hebben, op de daarvoor
bestemde plank. Bij al zijn ijver vorderde de arbeid zeer langzaam.
Dikwijls sloeg hij een boek open, wanneer hij de ladder half
opgeklommen was, en vond hij iets, dat zijne weetgierigheid uitlokte,
dan vergat hij alles rondom zich en las, zonder zijne ongemakkelijke
standplaats te verlaten, steeds voort, tot een bediende hem bij den
rokspand trok en hem aankondigde, dat men met het middagmaal op hem
wachtte. Dan begaf hij zich naar de eetkamer, verslond zijne spijzen
bijna zonder kauwen, antwoordde, op goed geluk af, ja en neen, op alle
vragen, die hem gedaan werden, en snelde weder naar het boekvertrek,
zoodra hij zijn servet nedergelegd had, of soms daarmede als met een
voorspelder om den hals fladderende.
Wij verlaten hier de voornaamste personen van ons verhaal in een voor
hen aangename positie, die echter den lezer weinig onderhoudends kan
opleveren, en vatten de geschiedenis op van iemand, die hem tot hiertoe
bijna niet den bij naam bekend is, en alle deelneming, welke het
ongeluk toekomt, met recht mag vorderen.