UITTREKSEL.

Laat mij spoedig van u hooren, waarde Delaserre! Bedenk, dat ik alleen

door u iets van ons regiment vernemen kan en natuurlijker wijze van het

een en ander gaarne iets wensch te weten, vooral hoe het met het

krijgsgerecht over Acyre’s gedrag is afgeloopen, of Elliott majoor

wordt, en hoe het met de rekruteering gaat en hoe den jongen officieren

de regimentstafel bevalt. Naar onzen goeden vriend, den

luitenant-kolonel, behoef ik niet te vragen; toen ik op mijne reis door

Nottingham kwam, trof ik hem gelukkig in den schoot van zijn huisgezin

aan.

Welk een geluk is het voor ons, arme drommels, beste Philip, als wij

een rustplaatsje vinden tusschen het leger en het graf, indien ziekte,

staal en lood en de gevolgen van een leven vol bezwaren ons niet

vroegtijdig wegrukken. Een oud krijgsman, die zijn ontslag genomen

heeft, is overal gezocht en hoog geacht. Zelfs als hij tusschenbeide

pruttelt, gunt men hem gaarne dat genot! Maar als een rechtsgeleerde,

een geneesheer, of een geestelijke over tegenspoed of geene genoegzame

bevordering klaagt, zullen dadelijk honderd monden de reden in zijne

eigene onbekwaamheid zoeken. De eenvoudigste oude krijgsman echter, al

komt hij ook steeds op het honderdmaal gedane verhaal van eene

belegering of een veldslag terug, wordt altijd met deelneming en

achting aangehoord, als hij zijne dunne lokken schudt en met

verontwaardiging spreekt over de baardelooze knapen, die boven hem

bevorderd zijn. Gij en ik, Delaserre, beiden vreemdelingen – want wat

ben ik anders, ofschoon ik uit Schotland afkomstig ben, daar de

Engelschen mij, al kon ik mijne afkomst bewijzen, toch bezwaarlijk als

landsman erkennen zouden – wij mogen er trotsch op zijn, dat wij onze

bevordering bevochten en met het zwaard gewonnen hebben, wat wij, bij

gebrek aan geld, op geene andere wijze verkrijgen konden. De Engelschen

zijn een wijs volk. Terwijl zij zich zelven trotsch roemen en den

schijn aannemen, alsof zij alle andere volken gering achten, laten zij

ons, gelukkig, achterdeuren open, waardoor wij, door de geboorte minder

begunstigde vreemdelingen, aandeel in hunne voorrechten kunnen

verkrijgen. Dus gelijken zij, in sommige opzichten, op een snoevenden

waard, die op de deugd en smakelijkheid van zijn zesjarigen schapenbout

pocht, terwijl hij met veel genoegen aan ieder van zijne gasten een

stuk er van ronddeelt. In één woord, gij, wien trotsche bloedverwanten,

en ik, wien de luimen des noodlots den krijgsdienst deden omhelzen, wij

hebben beiden, waar wij op onze loopbaan in den Britschen krijgsdienst

ook staan blijven, de aangename bewustheid, dat het alleen komt uit

gebrek aan geld, om den tol te betalen, en niet, door dat men ons belet

den grooten weg te bewandelen. Indien gij dus den kleinen Weischel kunt

overhalen om bij ons regiment te komen, laat hem dan in Godsnaam de

vaandrigsplaats koopen, bedaard leven, zijnen dienst trouw waarnemen en

voor het overige zijne bevordering aan het noodlot overlaten.

En nu, hoop ik, zult gij ook wel brandend nieuwsgierig zijn, te weten,

wat er van mijn liefdezaak geworden is. Ik heb u reeds gezegd dat ik

goedgevonden had, met Dudley, een jongen Engelschen kunstenaar, dien ik

had leeren kennen, een voetreisje van eenige dagen door de heuvels van

Westmoreland te doen. Deze Dudley is een prettige jongen, Delaserre!

hij schildert tamelijk, teekent goed, is onderhoudend in zijne

gesprekken, blaast de fluit meesterlijk en is, bij alle zijne talenten,

zeer bescheiden en laat er zich niets op voorstaan. Bij mijne

terugkomst van ons reisje vernam ik, dat de vijand op verkenning

uitgeweest was. De heer Mervyn was, volgens het verhaal van mijn waard,

zelf met een gast in zijn schuitje het meer overgestoken. Ik vroeg

terstond „Hoe ziet hij er uit?”

De waard antwoordde: „Het was een man met een donker uitzicht, die

officier scheen te zijn en kolonel genoemd werd. De heer Mervyn

ondervroeg mij zoo scherp, alsof ik voor het gerecht stond. Ik begreep,

dat er iets achter schuilde, Mijnheer Dawson!” (Gij weet, dat dit mijn

aangenomen naam was) „Ik zeide hem niets van uwe grillen en uwe

tochtjes op het meer in het holle van den nacht – neen, neen, al kan ik

zelf geene aardigheden hebben, ik wil een’ ander het spel niet

bederven. En Mijnheer Mervyn, die altijd knorrig is, bromde over mijne

gasten, en wilde weten waarom zij onder zijne vensters landden,

ofschoon die plaats slechts als het vierde station aan den oever op de

kaart aangewezen is. Neen, neen, laten zij er zelve hunne hersenen mede

breken; wat gaat het Jozef Hodgos aan?”

Gij zult mij toestemmen, dat hier voor mij, in deze omstandigheden,

niets anders te doen was, dan mijne rekening te betalen en het veld te

ruimen, indien ik mijn eerlijken waard niet tot mijn vertrouweling

maken wilde, waartoe ik geen’ den minsten lust gevoelde. Buitendien

vernam ik, dat onze voormalige kolonel naar Schotland vertrekt en de

arme Julia medeneemt. De menschen, die zijne goederen vervoeren,

verhaalden mij, dat hij den winter op een landgoed, Woodbourne genaamd,

in het graafschap ** zal doorbrengen. Hij is nu zeker op zijne hoede;

dus moet ik hem, zonder hem op nieuw te verontrusten, zijne

verschansingen laten betrekken. En dan, mijn brave kolonel, wien ik zoo

veel dank schuldig ben, dan moogt gij aan uwe verdediging denken!

Dikwijls denk ik, waarde Delaserre, dat de geest der tegenspraak een

weinig mede in het spel komt, bij mijn verlangen om mijn voornemen door

te zetten. Me dunkt, dat ik het liever zien zou, dat ik dezen trotschen

man kon noodzaken, om zijne dochter Mevrouw Brown te noemen, dan dat ik

haar met zijne volle goedkeuring zou huwen en mijn naam, met de

koninklijke toestemming, tegen den titel en het wapen van Mannering

verruilen, al werd daardoor tevens zijn geheele vermogen mijn eigendom.

Maar er is ééne omstandigheid, die mij eenigszins huiverig maakt. Julia

is jong en romanesk. Ik zou haar niet gaarne tot een stap overhalen,

dien zij in rijperen leeftijd kon afkeuren; ook zou ik het zeer

ongaarne zien, dat zij mij, al ware het slechts door éen blik, het

verwijt deed, dat zij door mij van haar vermogen beroofd was, en nog

veel minder zou ik haar reden willen geven, om te zeggen, zoo als

sommige vrouwen haren echtgenooten al zeer spoedig verwijten, dat zij,

indien ik haar tijd gegeven had om de zaak goed te overleggen,

verstandiger en beter gehandeld zoude hebben. Neen, Delaserre, dat moet

nooit gebeuren. Deze gedachte drukt mij zwaar op het hart, daar ik best

inzie, dat een meisje, in Julia’s omstandigheden, geen volkomen en

duidelijk begrip heeft van de grootheid van het offer, dat zij brengt.

Zij kent geene ongemakken dan bij naam; en wanneer zij aan liefde en

een hutje denkt, dan is het zonder twijfel eene bekoorlijke hut, zoo

als men slechts in dichterlijke beschrijvingen, of in het park van een

edelman met twaalf duizend pond sterling jaarlijksch inkomen, vindt.

Zij kan zich de ontberingen niet voorstellen, die zij zich in eene echt

Zwitsersche hut, waarover wij, gij en ik, Delaserre, zoo dikwijls

gesproken hebben, zou moeten laten welgevallen, en kent de zwarigheden

niet, waarmede wij natuurlijk te worstelen zouden hebben, vóor dat wij

de haven bereikten. Dit is een punt, waarover ik eerst bepaald en

uitvoerig met haar moet spreken. Julia’s schoonheid en teederheid

hebben eenen onuitwischbaren indruk op mijn hart gemaakt, en toch wil

ik, om mijne eigene rust, er zeker van zijn, dat zij de voorrechten,

waarvan zij afstand zou doen, volkomen kent, vóor dat zij ze om

mijnentwil opoffert.

Ben ik te trotsch, Delaserre, als ik denk, dat zelfs deze proef gunstig

voor mijne wenschen zal uitvallen? Ben ik te ijdel, als ik

veronderstel, dat de weinige goede eigenschappen, die ik bezit,

benevens mijne tegenwoordige voldoende hoewel beperkte middelen, om in

onze behoeften te voorzien, en mijn vast besluit, om mijn leven aan

haar geluk toe te wijden, datgene vergoeden kan, waarvan zij om

mijnentwil afzien moet? Of zal het onderscheid in hare leefwijze, de

opoffering van het voorrecht hare vermaken naar welgevallen te kunnen

regelen – zal dit bij haar zwaarder wegen, dan het uitzicht op

huiselijk geluk en eene onveranderlijke, wederkeerige liefde? Ik zeg

niets van haren vader. Zijn karakter bestaat uit een zoo vreemd mengsel

van goede en slechte hoedanigheden, dat de eerste door de laatste als

het ware vernietigd worden; en datgene, wat zij als dochter ongaarne

missen zou, wordt zoo ruim opgewogen door datgene, waarvan zij gaarne

bevrijd zou willen zijn, dat ik de scheiding van vader en dochter als

eene omstandigheid beschouw, waaraan in dit bijzonder geval weinig

gewicht gehecht moet worden. Ik houd intusschen goeden moed, voor

zoover dat mogelijk is. Ik heb met te vele ongemakken en zwarigheden te

kampen gehad, om vermetel op eenen goeden uitslag te vertrouwen, en ben

te dikwijls en te wonderbaar uit den nood gered, om nu den moed te

verliezen.

Ik wenschte wel, dat gij deze landstreek zaagt. Deze natuurtooneelen

zouden u, denkt mij, wel bevallen; ten minste brengen ze mij dikwijls

uwe gloeiende schilderingen van uw geboorteland voor den geest. Voor

mij hebben ze in groote mate het bekoorlijke der nieuwheid. Van bergen

in Schotland heb ik, ofschoon men mij altijd verzekerd heeft dat ik

daar geboren ben, niets dan eene verwarde herinnering. Duidelijker

herinner ik mij, dat mijn jeugdige geest eene zekere leêgheid gevoelde,

wanneer ik op de vlakten van het eiland Zeeland staarde. Maar juist dat

gevoel en die duistere herinnering overtuigen mij, dat bergen en rotsen

mij op vroegeren leeftijd niet vreemd zijn geweest, en dat ze, ofschoon

ik mij daarvan niets dan bij tegenstelling en door de leêgheid, welke

ik gevoelde toen ik te vergeefs daar naar rondzag, kan herinneren, een

diepen indruk op mijne kinderlijke verbeelding moeten gemaakt hebben.

Ik herinner mij, toen wij voor het eerst den beroemden bergpas in het

land van Mysore beklommen, en de meesten niets dan ontzag en verbazing

ever de verhevenheid en grootschheid van dit tooneel gevoelden – dat ik

toen veel meer onder denzelfden indruk was, waarmede gij, met Cameron,

die wilde rotsen bewonderdet, en met een genot, aan vaderlandsche

herinneringen ontleend, beschouwdet. Ja, niettegenstaande mijne

opvoeding in Holland, komt een blauwe berg mij voor als een oude

vriend, en een donderende stroom als de klank van een bekend lied, dat

mij reeds als kind vermaakt heeft. Nooit was dit gevoel zoo levendig in

mij, als hier, ìn dit land vol meren en bergen, en niets spijt mij

meer, dan dat gij door den dienst verhinderd wordt, mij op mijne

tochten te vergezellen. Ik heb getracht eenige teekeningen te maken,

waarvan echter niet veel gekomen is. Maar Dudley teekent voortreffelijk

en zoo vlug, dat het bijna toovernij schijnt te zijn, terwijl ik bij

alle moeite, die ik doe, broddel en knoei, dit te donker, dat te licht

maak, en eindelijk niets dan eene gemeene karikatuurprent voor den dag

breng. Ik moet mij aan mijne fluit houden: want de muziek is de eenige

onder de schoone kunsten, die mij met hare gunst schijnt te vereeren.

Wist gij wel dat de kolonel Mannering de teekenkunst verstaat? Ik

geloof het niet: want hij versmaadde het altijd, zijne talenten aan een

zijner ondergeschikte officieren te toonen. Maar hij teekent toch

schoon. Sedert hij met Julia Mervyn-Hall verlaten heeft, is Dudley

derwaarts geroepen, om een stel teekeningen te voltooien, waarvan

Mannering de vier eerste gemaakt heeft, en door zijn overhaast vertrek

in zijn voornemen om het geheele stel af te werken verhinderd is.

Dudley zegt, dat hij zelden zulke meesterlijke, ofschoon eenvoudige

schetsen gezien heeft, en dat bij ieder daarvan eene korte beschrijving

in verzen gevoegd was. Is Saul onder de profeten? zult gij zeggen; de

kolonel Mannering een dichter? Waarlijk, deze man moet zich even zoo

veel moeite gegeven hebben om zijne bekwaamheden te verbergen, als

anderen aanwenden om er mede te pralen. Hoe trotsch en ongezellig

scheen hij onder ons! Hoe zelden was hij geneigd, zich in een gesprek

te mengen, dat algemeen onderhoudend was. En dan zijne genegenheid voor

dien onwaardigen Archer, die in alle opzichten zoo ver beneden hem

stond, enkel omdat deze de broeder was van den burggraaf Archerfield,

een armen Schotschen pair! Ik denk dat Archer, indien deze zijne

wonden, die hij in het gevecht bij Cuddyboram ontving, langer overleefd

had, wel iets geopenbaard zou hebben, dat licht over het ongerijmde in

het karakter van dezen man verspreiden kon. Hij verklaarde mij meer dan

eens, dat hij mij iets zeggen kon, dat mijn ongunstig oordeel over den

kolonel veranderen zou. Maar de dood overviel hem; en zoo hij mij

eenige voldoening schuldig was, wat sommige zijner uitdrukkingen

schenen aan te duiden, dan stierf hij, vóor dat hij mij ze geven kon.

Ik ben voornemens, bij dit schoone winterweêr nog eene lange reis te

voet door dit land te doen. Dudley, een bijna even goed voetganger als

ik, zal mij gedeeltelijk vergezellen. Op de grenzen van Cumberland

scheiden wij, en hij gaat weder naar zijne woonplaats, op eene derde

verdieping in eene achterbuurt te Londen, om, zoo als hij het noemt,

voor het „commercieele” gedeelte van zijn beroep te werken.

„Er kan,” zegt hij, „geen grooter verschil in het leven van een mensch

gevonden worden, dan tusschen het leven van een kunstenaar, wanneer

hij, vol geestdrift, de onderwerpen voor zijne teekeningen verzamelt,

en dat, hetwelk hij zich moet laten welgevallen, wanneer hij zijne

schetsen uitwerkt, en zijne stukken ten toon, en aan de grievende

onverschilligheid en dikwijls nog grievender beoordeeling van grillige

kunstvrienden, blootstelt. Gedurende den zomer van mijn jaar,” zegt

hij, „ben ik zoo vrij, als een wilde Indiaan, en vermaak mij naar

hartelust, midden onder de verhevenste natuurtooneelen, terwijl ik,

gedurende mijn winter en lente, niet alleen in een ellendig dakkamertje

opgesloten en gevangen, maar bovendien veroordeeld ben, om mij aan de

luimen van anderen te onderwerpen en dikwijls even slecht gezelschap te

dulden heb, alsof ik een wezenlijke galeiboef ware.” Ik heb hem

beloofd, hem met u in kennis te brengen, Delaserre, en ik geloof, dat

gij in zijne kunstwerken even veel smaak zult vinden, als hij in uwe

Zwitsersche geestdrift voor bergen en stroomen.

Wanneer ik van Dudley scheid, kan ik, naar men mij gezegd heeft,

gemakkelijk in Schotland komen, als ik dwars door eene woeste streek,

in het noordelijk gedeelte van Cumberland, reis; en dezen weg zal ik

nemen, ten einde den kolonel tijd te geven om zijn kamp op te slaan,

voor dat ik zijne stelling verken. Vaarwel, Delaserre! ik zal

bezwaarlijk gelegenheid vinden, om u voor mijne aankomst in Schotland

weder te schrijven.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 34 / 75 题