NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Door zachte hoogten omgeven,

Met beuken en eiken begroeid,

Waar, ruischend door groene dreven,

Een kabblend kristal beekje vloeit, –

Warton.

Woodbourne, het landgoed, dat Mannering door tusschenkomst van den heer

Mac-Morlan gehuurd had, lag vriendelijk aan den voet van een

boschrijken heuvel, die het ruime en gemakkelijke huis tegen het oosten

en noorden beschutte. De voorgevel zag op een klem, door eene rij oude

boomen omringd grasperk uit, waarachter eenige bouwlanden lagen, die

zich uitstrekten tot aan de rivier, waarop men uit de vensters van het

huis het uitzicht had. Een vrij groote, ofschoon ouderwetsche tuin,

eene goed voorziene duiventil en zoo veel land, als tot het gerijf der

bewoners noodig was, maakten dit kleine landgoed, zooals de

advertentiën het uitdrukken, „in alle opzichten tot een geschikt

verblijf voor eene aanzienlijke familie.”

Hier besloot Mannering, ten minste voor eenigen tijd, zich te vestigen,

Ofschoon uit Indië gekomen, had hij volstrekt geene zucht, om met zijn

rijkdom te pralen, en was inderdaad te trotsch om ijdel te zijn. Uit

dien hoofde wilde hij als een welgesteld man op zijn landgoed leven,

zonder de weelde die men destijds als het bijzondere kenmerk van een

Oostindisch ambtenaar beschouwde, in zijne huishouding in te voeren of

toe te laten.

Hij had de heerlijkheid van Ellangowan nog steeds op het oog, waarvan

Glossin misschien, naar Mac-Morlan’s denkbeelden, zich spoedig zou

moeten ontdoen, daar eenige der schuldeischers hem het recht

betwistten, zulk een aanzienlijk gedeelte der kooppenningen in handen

te houden, en het zeer twijfelachtig was, of hij de geheele som wel zou

kunnen betalen. Mac-Morlan hield zich verzekerd, dat hij, in dat geval,

gaarne zijn koop afstaan zou, indien men hem iets meer bood dan den

prijs, waarvoor hij het goed gekocht had. Het zal misschien vreemd

schijnen, dat Mannering zoo bijzonder aan eene plaats gehecht was,

welke hij slechts eenmaal in zijne jongelingsjaren, en voor zoo korten

tijd, bezocht had; maar, hetgeen daar voorgevallen was, had zijne

verbeelding sterk getroffen. Dáar scheen een noodlot te heerschen, dat

de merkwaardigste gebeurtenissen in zijne eigene familie met de

lotgevallen van de bewoners van Ellangowan verbond, en hij was bezield

met een geheim verlangen, om dat terras zijn eigendom te noemen, waarop

hij uit de sterren een lot voorspeld had, dat in den jongen erfgenaam

van dat geslacht zoo wonderbaar vervuld was, en zoo treffend

overeenkwam met een ongelukkig voorval in zijne eigene familie.

Bovendien kon hij, nu dit denkbeeld eenmaal wortel in zijn ziel had

geschoten, ook niet dan zeer ongaarne zijn plan door een mensch als

Glossin verijdeld zien. Dus verbond zich zijn hoogmoed met zijne

neiging, om het voornemen te versterken, zoo mogelijk het landgoed te

koopen.

Men zou echter eene onrechtvaardigheid jegens Mannering begaan, indien

men niet erkende dat ook zijn wensch, om de ongelukkige Lucie van

dienst te zijn, een groot aandeel in zijn besluit had. Het nut, dat

Julia uit het gezelschap van Lucie Bertram, op wier voorzichtigheid en

gezond verstand bij zich gerust verlaten kon, zou kunnen trekken, was

door hem niet onopgemerkt gebleven, en zijne achting voor haar was nog

zeer vermeerderd, sedert Mac-Morlan hem onder het zegel der strengste

geheimhouding haar gedrag jegens den jongen Hazlewood had toevertrouwd.

Mannering’s voorstel, om bij hem in te wonen, kon misschien hare

kieschheid beleedigen, indien zij zich daardoor van de tooneelen harer

jeugd en de weinige menschen, die zij hare vrienden noemde, moest

verwijderen; maar zij kon zich gemakkelijk laten overhalen, om eenigen

tijd als gast te Woodbourne door te brengen, zonder zich eenigszins

vernederd te gevoelen. Lucie Bertram nam, na eenig beraad, het verzoek

aan, om eenige weken bij Julia Mannering te vertoeven. Zij gevoelde

maar al te goed, dat het hoofddoel van Mannering was, hoezeer hij uit

kieschheid de waarheid zocht te verbloemen, haar in haar ongeluk te

ondersteunen en te beschermen. Te zelfder tijd ontving zij van mevrouw

Bertram, hare bloedverwante, aan wie zij geschreven had, zulk een

koelen en troosteloozen brief terug, als zij ooit had kunnen

verwachten. De brief bevatte wel eene kleinigheid aan geld, maar tevens

eene dringende vermaning, om daarmede zeer zuinig om te gaan. Zij

raadde, of liever vermaande Lucie zeer ernstig, alle pogingen in het

werk te stellen, om bij eene stille familie te Kippletringan, of in

dien omtrek, in den kost te komen. Ten slotte verzekerde zij Lucie

evenwel dat, ofschoon haar eigen inkomen zeer bekrompen was, zij hare

nicht toch geen gebrek zou laten lijden. Deze koude, gevoellooze brief

perste Lucie tranen af, te meer daar de goede dame, bij het leven van

Lucie’s moeder, omstreeks drie jaren lang gastvrij te Ellangowan

onthaald was en eerst, toen haar eene erfenis van 400 pond sterling

jaarlijksch inkomen te beurt viel, dat gastvrije huis verlaten had,

waar zij anders tot aan den dood van den eigenaar eene gewenschte

schuilplaats zou hebben gevonden. Lucie had veel lust om deze armzalige

gift, welke de hoogmoed der oude dame, na een harden strijd met hare

gierigheid, afgedwongen had, terug te zenden, maar na eenig beraad

bestoot zij aan hare bloedverwante te schrijven, dat zij deze geringe

som niet als een geschenk, maar als geleend geld zou behouden, dat zij

hoopte haar spoedig weder te kunnen betalen, en raadpleegde haar tevens

over de uitnoodiging, welke zij van den kolonel Mannering en zijne

dochter ontvangen had. Reeds met den omgaanden post ontving zij een

antwoord op dezen brief, uit vrees dat eene ijdele kieschheid of

dwaasheid, zoo als hare oude nicht het noemde, haar verleiden mocht, om

zulk een gunstig aanbod van de hand te wijzen en daardoor hare

bloedverwanten tot last te blijven. Er bleef Lucie dus geene keus over,

tenzij zij haren tegenwoordigen gastheer, den braven Mac-Morlan, die te

milddadig was, om rijk te zijn, nog langer lastig wilde vallen: want

door wie zij in het eerst zoo dringend uitgenoodigd was, hadden

allengskens, het zij zwijgend, hetzij onder het uiten van hun misnoegen

over de voorkeur, die zij aan Mac-Morlan’s uitnoodiging gegeven had,

opgehouden zich om haar te bekommeren.

Het lot van Dominé Sampson zou treurig genoeg geweest zijn, indien het

van iemand anders dan van Mannering, die steeds een bewonderaar van

origineele menschen was, had afgehangen. Mac-Morlan had hem omstandig

verhaald, hoe de brave man ten opzichte van de dochter van zijn

overleden begunstiger gehandeld had. In antwoord op dien brief vroeg

Mannering, of Sampson nog die bewonderenswaardige stilzwijgendheid

bezat, waardoor hij zich te Ellangowan zoo bijzonder onderscheidde.

Toen de kolonel hierop een bevestigend antwoord ontving, schreef hij in

zijn volgenden brief aan Mac-Morlan: „Ik verzoek u, den goeden Sampson

te laten weten, dat ik zijne hulp noodig zal hebben, om de

boekverzameling, die ik van mijn oom, den bisschop, geërfd heb en die

ik per scheepsgelegenheid naar Schotland laat brengen, te rangschikken

en er een catalogus van te maken. Ook zal hij eenige papieren moeten

afschrijven en in orde brengen. Bepaal zijne belooning zoo, als u

goeddunkt. Bezorg den armen man eene behoorlijke kleeding en laat hem

met juffrouw Bertram te Woodbourne komen.

De brave Mac-Morlan was zeer verheugd over deze opdracht. Lang dacht

hij er over na, hoe hij het aanleggen zou, om den goeden man van

kleeding te doen veranderen, wat toch volstrekt noodzakelijk was, daar

zijne tegenwoordige kleêren in een beklagenswaardigen toestand waren.

Gaf men hem het geld, om zelf het noodige aan te schaffen, dan liep hij

groot gevaar zich belachelijk te maken: want als Sampson, ofschoon dit

eene groote zeldzaamheid was, een enkele maal zelf nieuwe

kleedingstukken aankocht, was zijne keus doorgaans zoo vreemd, dat hij

de geheele dorpsjeugd verscheidene dagen achter zich aan kreeg. Ook kon

men niet zoo maar in eens een kleermaker bij hem zenden, om hem de maat

te nemen, en hem dan de nieuwe kleederen, als of hij een’ schooljongen

ware, in huis laten brengen, daar hij dit waarschijnlijk zeer kwalijk

zon nemen. Mac-Morlan besloot eindelijk Lucie Bertram om raad te vragen

en om hare bemiddeling te verzoeken. Zij antwoordde hem, dat, ofschoon

zij zich geenszins het bestuur over de garderobe van een heer kon

aanmatigen, er nochtans niets gemakkelijker was, dan Sampson op nieuw

te kleeden.

„Wanneer mijn vader,” zeide zij, „toen wij nog te Ellangowan woonden

zag dat een kleedingstuk van Sampson vernieuwd moest worden, moest een

dienstbode des nachts in zijne kamer gaan (de goede man slaapt heel

vast), de oude kleeren wegnemen en nieuwe er voor in de plaats leggen.

Men merkte nooit op, dat Sampson op deze verandering in zijn uiterlijk

de minste acht sloeg.”

Mac-Morlan ging dus naar eenen bekwamen kleermaker, die na eene

opmerkzame beschouwing van den ouden man, op zich nam, om twee stel

kleederen, het eene zwart, het andere donkergrijs, voor Sampson te

maken, die hem (zoo als de kunstenaar zich uitdrukte) zoo goed zitten

zouden, als iets voor een man van zulk eene wonderlijke gestalte, met

de bloote hulp van menschelijke scharen en naalden, gemaakt kon worden.

Nadat de kleederen te huis gekomen waren, wilde Mac-Morlan zijn

voornemen wijselijk slechts langzamerhand uitvoeren, nam dienzelfden

nacht een zeer noodzakelijk stuk van zijne kleeding weg en legde het

nieuwe er voor in de plaats. Toen deze verwisseling onopgemerkt scheen

te blijven, ging Mac-Morlan spoedig tot het vest en eindelijk tot den

rok over. Toen Sampson dus, als het ware, geheel herschapen en voor het

eerst van zijn leven behoorlijk gekleed was, meende men toch te

bemerken, dat de goede man eene verwarde en duistere bewustheid had,

dat er eene verandering in zijn uitwendigen mensch had plaats gehad.

Zoo dikwijls men nu dit gevoel op zijn gelaat kon lezen en de goede man

eenen strakken blik op de mouw van zijnen rok, of op zijne knieën

vestigde, waar hij waarschijnlijk eenige oude lappen, of blauwe stoppen

op een zwarten grond, welke daardoor eenigszins naar borduurwerk

zweemden, miste, zocht men zijne opmerkzaambeid op iets anders te

leiden, totdat hij door den tijden het gebruik aan zijne nieuwe

kleeding gewoon was geworden. De eenige aanmerking, welke hij ooit over

deze zaak maakte, was, dat de lucht te Kippletringan gunstig voor de

kleederen scheen te zijn, daar zijn rok er bijna nog even nieuw uitzag,

als toen hij hem voor de eerste maal aantrok, en dat was, toen hij zijn

examen als predikant zou doen.

Toen hij het grootmoedig aanbod van Mannering vernam, wierp hij eerst

een bezorgden en vragenden blik op Lucie Bertram, alsof hij vreesde dat

hij daardoor van haar zou moeten scheiden; maar zoodra Mac-Morlan hem

verzekerde, dat Lucie cok eenigen tijd als gast te Woodbourne zou

doorbrengen, wreef hij zich de groote handen en barstte in een

schaterlach uit. Na deze ongewone uiting zijner vreugde, bleef hij voor

het overige in de geheele zaak geheel lijdelijk.

Het was bepaald, dat de heer Mac-Morlan en zijne vrouw het huis eenige

dagen vóor Mannering’s aankomst betrekken zouden, zoowel om alles in

orde te brengen, als om Lucie Bertram’s overgang in zijne familie met

de meest kiesche verschooning van haar gevoel te doen plaats hebben.

Dien ten gevolge betrok de familie Woodbourne, de aanstaande woning van

den kolonel, in het begin van de maand December.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 31 / 75 题