Door zachte hoogten omgeven,
Met beuken en eiken begroeid,
Waar, ruischend door groene dreven,
Een kabblend kristal beekje vloeit, –
Warton.
Woodbourne, het landgoed, dat Mannering door tusschenkomst van den heer
Mac-Morlan gehuurd had, lag vriendelijk aan den voet van een
boschrijken heuvel, die het ruime en gemakkelijke huis tegen het oosten
en noorden beschutte. De voorgevel zag op een klem, door eene rij oude
boomen omringd grasperk uit, waarachter eenige bouwlanden lagen, die
zich uitstrekten tot aan de rivier, waarop men uit de vensters van het
huis het uitzicht had. Een vrij groote, ofschoon ouderwetsche tuin,
eene goed voorziene duiventil en zoo veel land, als tot het gerijf der
bewoners noodig was, maakten dit kleine landgoed, zooals de
advertentiën het uitdrukken, „in alle opzichten tot een geschikt
verblijf voor eene aanzienlijke familie.”
Hier besloot Mannering, ten minste voor eenigen tijd, zich te vestigen,
Ofschoon uit Indië gekomen, had hij volstrekt geene zucht, om met zijn
rijkdom te pralen, en was inderdaad te trotsch om ijdel te zijn. Uit
dien hoofde wilde hij als een welgesteld man op zijn landgoed leven,
zonder de weelde die men destijds als het bijzondere kenmerk van een
Oostindisch ambtenaar beschouwde, in zijne huishouding in te voeren of
toe te laten.
Hij had de heerlijkheid van Ellangowan nog steeds op het oog, waarvan
Glossin misschien, naar Mac-Morlan’s denkbeelden, zich spoedig zou
moeten ontdoen, daar eenige der schuldeischers hem het recht
betwistten, zulk een aanzienlijk gedeelte der kooppenningen in handen
te houden, en het zeer twijfelachtig was, of hij de geheele som wel zou
kunnen betalen. Mac-Morlan hield zich verzekerd, dat hij, in dat geval,
gaarne zijn koop afstaan zou, indien men hem iets meer bood dan den
prijs, waarvoor hij het goed gekocht had. Het zal misschien vreemd
schijnen, dat Mannering zoo bijzonder aan eene plaats gehecht was,
welke hij slechts eenmaal in zijne jongelingsjaren, en voor zoo korten
tijd, bezocht had; maar, hetgeen daar voorgevallen was, had zijne
verbeelding sterk getroffen. Dáar scheen een noodlot te heerschen, dat
de merkwaardigste gebeurtenissen in zijne eigene familie met de
lotgevallen van de bewoners van Ellangowan verbond, en hij was bezield
met een geheim verlangen, om dat terras zijn eigendom te noemen, waarop
hij uit de sterren een lot voorspeld had, dat in den jongen erfgenaam
van dat geslacht zoo wonderbaar vervuld was, en zoo treffend
overeenkwam met een ongelukkig voorval in zijne eigene familie.
Bovendien kon hij, nu dit denkbeeld eenmaal wortel in zijn ziel had
geschoten, ook niet dan zeer ongaarne zijn plan door een mensch als
Glossin verijdeld zien. Dus verbond zich zijn hoogmoed met zijne
neiging, om het voornemen te versterken, zoo mogelijk het landgoed te
koopen.
Men zou echter eene onrechtvaardigheid jegens Mannering begaan, indien
men niet erkende dat ook zijn wensch, om de ongelukkige Lucie van
dienst te zijn, een groot aandeel in zijn besluit had. Het nut, dat
Julia uit het gezelschap van Lucie Bertram, op wier voorzichtigheid en
gezond verstand bij zich gerust verlaten kon, zou kunnen trekken, was
door hem niet onopgemerkt gebleven, en zijne achting voor haar was nog
zeer vermeerderd, sedert Mac-Morlan hem onder het zegel der strengste
geheimhouding haar gedrag jegens den jongen Hazlewood had toevertrouwd.
Mannering’s voorstel, om bij hem in te wonen, kon misschien hare
kieschheid beleedigen, indien zij zich daardoor van de tooneelen harer
jeugd en de weinige menschen, die zij hare vrienden noemde, moest
verwijderen; maar zij kon zich gemakkelijk laten overhalen, om eenigen
tijd als gast te Woodbourne door te brengen, zonder zich eenigszins
vernederd te gevoelen. Lucie Bertram nam, na eenig beraad, het verzoek
aan, om eenige weken bij Julia Mannering te vertoeven. Zij gevoelde
maar al te goed, dat het hoofddoel van Mannering was, hoezeer hij uit
kieschheid de waarheid zocht te verbloemen, haar in haar ongeluk te
ondersteunen en te beschermen. Te zelfder tijd ontving zij van mevrouw
Bertram, hare bloedverwante, aan wie zij geschreven had, zulk een
koelen en troosteloozen brief terug, als zij ooit had kunnen
verwachten. De brief bevatte wel eene kleinigheid aan geld, maar tevens
eene dringende vermaning, om daarmede zeer zuinig om te gaan. Zij
raadde, of liever vermaande Lucie zeer ernstig, alle pogingen in het
werk te stellen, om bij eene stille familie te Kippletringan, of in
dien omtrek, in den kost te komen. Ten slotte verzekerde zij Lucie
evenwel dat, ofschoon haar eigen inkomen zeer bekrompen was, zij hare
nicht toch geen gebrek zou laten lijden. Deze koude, gevoellooze brief
perste Lucie tranen af, te meer daar de goede dame, bij het leven van
Lucie’s moeder, omstreeks drie jaren lang gastvrij te Ellangowan
onthaald was en eerst, toen haar eene erfenis van 400 pond sterling
jaarlijksch inkomen te beurt viel, dat gastvrije huis verlaten had,
waar zij anders tot aan den dood van den eigenaar eene gewenschte
schuilplaats zou hebben gevonden. Lucie had veel lust om deze armzalige
gift, welke de hoogmoed der oude dame, na een harden strijd met hare
gierigheid, afgedwongen had, terug te zenden, maar na eenig beraad
bestoot zij aan hare bloedverwante te schrijven, dat zij deze geringe
som niet als een geschenk, maar als geleend geld zou behouden, dat zij
hoopte haar spoedig weder te kunnen betalen, en raadpleegde haar tevens
over de uitnoodiging, welke zij van den kolonel Mannering en zijne
dochter ontvangen had. Reeds met den omgaanden post ontving zij een
antwoord op dezen brief, uit vrees dat eene ijdele kieschheid of
dwaasheid, zoo als hare oude nicht het noemde, haar verleiden mocht, om
zulk een gunstig aanbod van de hand te wijzen en daardoor hare
bloedverwanten tot last te blijven. Er bleef Lucie dus geene keus over,
tenzij zij haren tegenwoordigen gastheer, den braven Mac-Morlan, die te
milddadig was, om rijk te zijn, nog langer lastig wilde vallen: want
door wie zij in het eerst zoo dringend uitgenoodigd was, hadden
allengskens, het zij zwijgend, hetzij onder het uiten van hun misnoegen
over de voorkeur, die zij aan Mac-Morlan’s uitnoodiging gegeven had,
opgehouden zich om haar te bekommeren.
Het lot van Dominé Sampson zou treurig genoeg geweest zijn, indien het
van iemand anders dan van Mannering, die steeds een bewonderaar van
origineele menschen was, had afgehangen. Mac-Morlan had hem omstandig
verhaald, hoe de brave man ten opzichte van de dochter van zijn
overleden begunstiger gehandeld had. In antwoord op dien brief vroeg
Mannering, of Sampson nog die bewonderenswaardige stilzwijgendheid
bezat, waardoor hij zich te Ellangowan zoo bijzonder onderscheidde.
Toen de kolonel hierop een bevestigend antwoord ontving, schreef hij in
zijn volgenden brief aan Mac-Morlan: „Ik verzoek u, den goeden Sampson
te laten weten, dat ik zijne hulp noodig zal hebben, om de
boekverzameling, die ik van mijn oom, den bisschop, geërfd heb en die
ik per scheepsgelegenheid naar Schotland laat brengen, te rangschikken
en er een catalogus van te maken. Ook zal hij eenige papieren moeten
afschrijven en in orde brengen. Bepaal zijne belooning zoo, als u
goeddunkt. Bezorg den armen man eene behoorlijke kleeding en laat hem
met juffrouw Bertram te Woodbourne komen.
De brave Mac-Morlan was zeer verheugd over deze opdracht. Lang dacht
hij er over na, hoe hij het aanleggen zou, om den goeden man van
kleeding te doen veranderen, wat toch volstrekt noodzakelijk was, daar
zijne tegenwoordige kleêren in een beklagenswaardigen toestand waren.
Gaf men hem het geld, om zelf het noodige aan te schaffen, dan liep hij
groot gevaar zich belachelijk te maken: want als Sampson, ofschoon dit
eene groote zeldzaamheid was, een enkele maal zelf nieuwe
kleedingstukken aankocht, was zijne keus doorgaans zoo vreemd, dat hij
de geheele dorpsjeugd verscheidene dagen achter zich aan kreeg. Ook kon
men niet zoo maar in eens een kleermaker bij hem zenden, om hem de maat
te nemen, en hem dan de nieuwe kleederen, als of hij een’ schooljongen
ware, in huis laten brengen, daar hij dit waarschijnlijk zeer kwalijk
zon nemen. Mac-Morlan besloot eindelijk Lucie Bertram om raad te vragen
en om hare bemiddeling te verzoeken. Zij antwoordde hem, dat, ofschoon
zij zich geenszins het bestuur over de garderobe van een heer kon
aanmatigen, er nochtans niets gemakkelijker was, dan Sampson op nieuw
te kleeden.
„Wanneer mijn vader,” zeide zij, „toen wij nog te Ellangowan woonden
zag dat een kleedingstuk van Sampson vernieuwd moest worden, moest een
dienstbode des nachts in zijne kamer gaan (de goede man slaapt heel
vast), de oude kleeren wegnemen en nieuwe er voor in de plaats leggen.
Men merkte nooit op, dat Sampson op deze verandering in zijn uiterlijk
de minste acht sloeg.”
Mac-Morlan ging dus naar eenen bekwamen kleermaker, die na eene
opmerkzame beschouwing van den ouden man, op zich nam, om twee stel
kleederen, het eene zwart, het andere donkergrijs, voor Sampson te
maken, die hem (zoo als de kunstenaar zich uitdrukte) zoo goed zitten
zouden, als iets voor een man van zulk eene wonderlijke gestalte, met
de bloote hulp van menschelijke scharen en naalden, gemaakt kon worden.
Nadat de kleederen te huis gekomen waren, wilde Mac-Morlan zijn
voornemen wijselijk slechts langzamerhand uitvoeren, nam dienzelfden
nacht een zeer noodzakelijk stuk van zijne kleeding weg en legde het
nieuwe er voor in de plaats. Toen deze verwisseling onopgemerkt scheen
te blijven, ging Mac-Morlan spoedig tot het vest en eindelijk tot den
rok over. Toen Sampson dus, als het ware, geheel herschapen en voor het
eerst van zijn leven behoorlijk gekleed was, meende men toch te
bemerken, dat de goede man eene verwarde en duistere bewustheid had,
dat er eene verandering in zijn uitwendigen mensch had plaats gehad.
Zoo dikwijls men nu dit gevoel op zijn gelaat kon lezen en de goede man
eenen strakken blik op de mouw van zijnen rok, of op zijne knieën
vestigde, waar hij waarschijnlijk eenige oude lappen, of blauwe stoppen
op een zwarten grond, welke daardoor eenigszins naar borduurwerk
zweemden, miste, zocht men zijne opmerkzaambeid op iets anders te
leiden, totdat hij door den tijden het gebruik aan zijne nieuwe
kleeding gewoon was geworden. De eenige aanmerking, welke hij ooit over
deze zaak maakte, was, dat de lucht te Kippletringan gunstig voor de
kleederen scheen te zijn, daar zijn rok er bijna nog even nieuw uitzag,
als toen hij hem voor de eerste maal aantrok, en dat was, toen hij zijn
examen als predikant zou doen.
Toen hij het grootmoedig aanbod van Mannering vernam, wierp hij eerst
een bezorgden en vragenden blik op Lucie Bertram, alsof hij vreesde dat
hij daardoor van haar zou moeten scheiden; maar zoodra Mac-Morlan hem
verzekerde, dat Lucie cok eenigen tijd als gast te Woodbourne zou
doorbrengen, wreef hij zich de groote handen en barstte in een
schaterlach uit. Na deze ongewone uiting zijner vreugde, bleef hij voor
het overige in de geheele zaak geheel lijdelijk.
Het was bepaald, dat de heer Mac-Morlan en zijne vrouw het huis eenige
dagen vóor Mannering’s aankomst betrekken zouden, zoowel om alles in
orde te brengen, als om Lucie Bertram’s overgang in zijne familie met
de meest kiesche verschooning van haar gevoel te doen plaats hebben.
Dien ten gevolge betrok de familie Woodbourne, de aanstaande woning van
den kolonel, in het begin van de maand December.