ACHTSTE UITTREKSEL.

„Alles is voorbij, Mathilda! Ik zal nooit den moed hebben, mijn hart

voor mijn vader bloot te leggen. Ja, ik vrees zeer, dat hij reeds langs

een anderen weg achter mijn geheim gekomen is; en hierdoor wordt alle

hoop vernietigd, welke ik op eene openhartige en vrijmoedige bekentenis

had durven bouwen.

Gisteren nacht kwam Brown, als naar gewoonte, en zijne fluit

verkondigde mij dat hij naderde. Wij waren overeengekomen, dat hij

steeds dit teeken zou gebruiken, in de hoop dat Brown, indien hij door

een’ der huisgenoten opgemerkt mocht worden, voor een’ dier

bewonderaars der natuur zou doorgaan, die door de heerlijke landstreek

zoo menigvuldig herwaarts gelokt worden, en, in hunne geestdrift, het

meer of de oevers daarvan op alle uren bezoeken en dikwijls door muziek

hun gevoel lucht geven. De tonen der muziek moesten mij ook tot een

voorwendsel dienen, indien men mij op het balkon mocht bespeuren. Maar

gisteren nacht, juist toen ik sterk op mijn voornemen aandrong, om

alles openhartig aan mijnen vader te bekennen, dat door hem even

ernstig bestreden werd, hoorden wij het venster in mijnheer Mervyn’s

studeervertrek, dat juist onder mijne kamer is, zachtjes open doen Ik

gaf Brown een teeken om zich te verwijderen, en trad snel van het

balkon, in de flauwe hoop, dat onze bijeenkomst onopgemerkt gebleven

zou zijn.

Maar helaas, Mathilda! deze hoop verdween, zoodra ik het gelaat van den

heer Mervyn den volgenden morgen bij het ontbijt zag. Zijne

veelbeteekenende blikken schenen mij te zeggen, dat hij alles wist, en

door zijne vertrouwelijkheid tergde hij mij zoo zeer, dat ik boozer had

moeten worden, dan ik nóg ooit in mijn leven geweest ben, indien ik het

slechts had durven wagen, maar ik moest voorzichtig zijn. Mijne

wandelingen zijn nu binnen de grenzen van zijn erf, waar de goede man

mij zonder veel ongemak vergezellen kan, beperkt. Ik heb reeds een paar

malen bemerkt, dat hij mijne gedachten poogde te doorgronden en op mijn

gelaat zocht te lezen, wat er in mijn hart omging. Meer dan eens heeft

hij over de fluit gesproken en de waakzaamheid en den trouw zijner

honden geroemd. Ook hield hij lofspraken op zijn heer, die nooit

verzuimt met geladen geweer de ronde te doen, en liet zich zelfs iets

van voetangels en klemmen ontvallen. Ik zou ongaarne een ouden vriend

van mijn vader in zijn eigen huis beleedigen, maar ik verlang er naar,

hem te toonen dat ik mijns vaders dochter ben; en ik ben zeker, dat de

heer Mervyn daarvan overtuigd zal wezen, wanneer ik ooit aan mijne

drift toegeef en hem op deze zinspelingen en wenken antwoord. Eén ding

weet ik zeker en daarvoor ben ik hem hartelijk dankbaar: hij heeft aan

zijne vrouw geen woord gezegd. Lieve hemel, welke lessen zoude ik dan

niet hebben moeten aanhooren over de gevaren der liefde en der

nachtlucht op het meer! welke prêken over het gevaarlijke van

verkoudheden en fortuinzoekers, en over het nut en voordeel van

gesloten vensters en het gebruiken van een kopje slemp! Ik kan het

schertsen niet laten, Mathilda, ofschoon ik in mijn hart bedroefd en

treurig ben. Wat Brown nu doen zal, weet ik niet; ik vermoed nochtans,

dat de vrees voor ontdekking hem vooreerst van zijne nachttochtjes

terughouden zal. Hij heeft zijn verblijf genomen in eene herberg aan de

overzijde van het meer, onder de naam van Dawson – men kan niet

ontkennen, dat hij zeer ongelukkig in de keus van namen is. Hij heeft

den krijgsdienst, geloof ik, nog niet verlaten, maar spreekt geen woord

over zijne tegenwoordige uitzichten.

Mijn angst stijgt ten top, daar mijn vader plotselijk en, naar het

schijnt, zeer slecht geluimd teruggekomen is. Onze goede gastvrouw

verwachtte hem eerst over acht dagen, zoo als ik uit een levendig

gesprek, dat zij met hare huishoudster hield, vernomen heb; maar ik

vermoed, dat zijne komst niet zoo onverwacht was voor zijn vriend

Mervyn. Hij was jegens mij zoo bijzonder koel en stijf, dat daardoor

mij de moed begaf, om mij aan zijne grootmoedigheid over te geven. Het

is hem mislukt, in het zuidwesten van Schotland een landgoed, waarmede

hij zeer ingenomen was, te koopen, en hieraan schrijft hij zijne

verdrietige luim toe; maar ik geloof niet, dat zijn humeur door zulk

eene kleinigheid bedorven zou worden. Zijn eerste tocht na zijne

aankomst was met de schuit van den heer Mervyn dwars over het meer naar

de herberg, waarvan ik u gesproken heb. Verbeeld u eens, met welken

angst ik zijne terugkomst verwachtte. Wie kon de gevolgen berekenen,

indien hij Brown gezien en herkend had! Hij kwam intusschen terug,

zonder naar het scheen iets bemerkt te hebben. Ik hoor, dat hij

voornemens is een huis te huren in de nabijheid van dat zelfde

Ellangowan, waarvan ik zoo veel moet hooren, daar hij denkt, dat dat

goed, hetwelk hij zoo vurig wenscht te bezitten, spoedig weder te koop

zal zijn. Ik zend dezen brief niet af, voor dat ik met mijns vaders

voornemens nauwkeurig bekend ben.

„Ik heb nu met mijn vader gesproken, zoo vertrouwelijk gesproken, als

ik denk, dat hij mij toestaan wil. Heden morgen, na het ontbijt,

verzocht hij mij, met hem in de bibliotheek te gaan; mijne knieën

knikten en, zonder overdrijving, Mathilda, ik kon hem nauwelijks naar

de kamer volgen. Ik vreesde, ik weet niet wat. Van mijne kindsheid af

heb ik alles rondom hem voor zijne donkere blikken zien beven. Hij

verzocht mij te gaan zitten, en nooit heb ik een bevel zoo gaarne

gehoorzaamd: want waarlijk, ik kon nauwelijks blijven staan. Hij

wandelde de kamer steeds op en neder. Gij hebt mijn vader gezien en ook

door u is het niet onopgemerkt gebleven, dat zijne trekken bijzonder

sprekend zijn. Zijne oogen zijn natuurlijk licht van kleur, maar ze

worden donkerder en schieten vlammen, als hij ontroerd of toornig

wordt. Ook heeft hij de gewoonte, bij hevige aandoeningen, zijne lippen

in te trekken, een teeken, dat de aangeboren drift van zijn gemoed met

zijne door langdurige pogingen verworven zelfbeheersching in strijd is.

Het was de eerste maal, dat ik mij sedert zijne terugkomst uit

Schotland met hem alleen bevond, en ik twijfelde niet dat hij spreken

wilde over het onderwerp, dat mij de meeste vrees inboezemde.

Tot mijne onuitsprekelijke blijdschap was mijne vrees ongegrond. Wat

mijn vader van mijnheer Mervyn’s vermoedens of ontdekkingen weten

mocht, hij was niet voornemens over deze zaak te spreken. In mijn angst

verheugde mij dit zeer, ofschoon de wezenlijkheid, ingeval hij de

geruchten welke hem ter ooren konden gekomen zijn waarlijk onderzocht

had, niets geweest zou zijn in vergelijking van hetgeen hij misschien

vermoed had. Maar, hoe zeer mijn moed bij deze onverwachte uitkomst

geklommen was, waagde ik het toch niet het gesprek te beginnen, maar

wachtte stilzwijgend op zijne bevelen.

„Julia,” zeide hij, „mijn zaakwaarnemer in Schotland schrijft mij, dat

het hem gelukt is een fatsoenlijk gemeubeleerd huis, van al het noodige

voor mijn huisgezin voorzien, voor mij te huren: het ligt geen uur

gaans van het landgoed, dat ik koopen wilde.” – Hier zweeg hij en

scheen mijn antwoord te verwachten.

„Ieder verblijf, dat u bevalt, vader, zal mij aangenaam zijn.”

„Hm! maar het is mijn plan niet, Julia, dat gij den ganschen winter

geheel alleen in dit huis wonen zult.”

Mijnheer en mevrouw Mervyn, dacht ik bij mij zelve, en zeide: „ieder

gezelschap, dat u aangenaam is –”

„O! dat is al te onderdanig,” viel hij mij in de rede. „Onderworpenheid

is eene uitmuntende deugd in de beoefening; maar uwe gedurige herhaling

van die woorden doet mij aan de eindelooze buigingen van onze zwarte

dienaren in Indië denken. Met één woord, Julia, ik weet dat ge gaarne

gezelschap hebt, en ben voornemens, de dochter van een overleden vriend

te verzoeken, eenige maanden bij ons door te brengen.”

„Toch om ’s hemels wil geene gouvernante, vader!” riep ik ongelukkige

uit, terwijl mijn angst voor het oogenblik mijne voorzichtigheid

overwon.

„Neen, geene gouvernante, Julia,” antwoordde mijn vader ernstig; „maar

een meisje, in de school van den tegenspoed opgevoed, door wier

uitmuntend voorbeeld gij, naar ik hoop, de kunst zult leeren, u zelve

te beheerschen.”

Het scheen mij te gevaarlijk hierop te antwoorden, en ik zweeg dus

eenige oogenblikken. Eindelijk vroeg ik: „Is dat meisje uit Schotland,

vader?

Een droog – ja! was zijn antwoord.

„Heeft zij veel van het Schotsche accent?” vervolgde ik.

„Wat drommel!” antwoordde mijn vader driftig; „denkt gij, dat ik mij om

de uitspraak van a’s, aa’s, i’s en ie’s bekommer? Ik zeg u, Julia, dat

ik zeer ernstig spreek. Gij hebt eene groote neiging tot vriendschap,

dat is, gij maakt u gaarne gemeenzaam en vertrouwelijk, en noemt dit

vriendschap (was dit niet zeer hard, Mathilda?) „Om u nu gelegenheid te

geven, ten minste met eene waardige vriendin om te gaan, heb ik

besloten dat dit meisje gedurende eenige maanden onze gast zal zijn, en

ik verwacht dat gij haar alle oplettendheid zult bewijzen, die het

ongeluk en de deugd toekomt.”

„Zonder twijfel, lieve vader! – Heeft mijne aanstaande vriendin rood

haar?”

Mijn vader wierp mij een strengen blik toe. Gij zult misschien zeggen,

dat ik het verdiende; maar ik geloof, dat de booze geest mij soms tot

zulke tergende vragen aandrijft.

„Zij overtreft u even zeer ten opzichte van uiterlijke schoonheid, als

in voorzichtigheid en genegenheid voor hare vrienden.”

„Maar houdt gij deze meerderheid dan voor eene aanbeveling? – Maar

neen, beste vader! ik zie dat gij alles, wat ik zeg, veel te ernstig

opneemt. Wie het meisje ook zijn moge, zij zal geene reden hebben om

over gebrek aan oplettendheid van mijn kant te klagen, daar zij door u

aanbevolen wordt. Heeft zij eene kamenier bij zich?” vervolgde ik na

eene korte tusschenpoos; „anders moet ik voor haar zorgen.”

„Neen – neen – eigenlijk geen bediende; de geestelijke, die bij haren

vader woonde, een zeer braaf man, vergezelt haar, en ik geloof dat er

voor dezen ook nog wel plaats in ons huis te vinden zal wezen.”

„Lieve hemel! een geestelijke, vader?”

„Ja, Julia, een geestelijke; verwondert u dat zoo? Hadden wij ook geen

geestelijke bij ons, toen wij in Indië waren?”

„O ja! maar toen waart gij bevelhebber, lieve vader!”

„Dat ben ik nog, Julia, ten minste in mijne eigene familie.”

„Zonder twijfel, vader! Maar zal hij dan de godsdienstoefeningen naar

de gebruiken der Engelsche kerk bij ons waarnemen?”

Bij deze vraag zette ik zulk een onnoozel gezicht, dat zijn ernst

overwonnen werd. „Kom, Julia,” zeide hij, „gij zijt een ondeugend

meisje; knorren helpt niet bij u. Het meisje, dat ik tot uw gezelschap

bestemd heb, zult gij zonder twijfel leeren liefhebben; de man, dien

ik, bij gebrek van een beter woord, kapelaan genoemd heb, is een zeer

waardig, doch ook, in sommige opzichten, eenigszins belachelijk man,

die het nooit bemerken zal dat gij om hem lacht, als gij het niet al te

hardop doet.”

„Die trek in zijn karakter bevalt mij uitmuntend, beste vader! Maar

ligt het huis, dat wij betrekken zullen, even aangenaam als dit?”

„Misschien niet zoo goed naar uw zin. Er is geen meer onder de

vensters, en gij zult zeker geene andere muziek hooren, dan die gij

zelve in huis zult maken.”

Deze laatste slag maakte een einde aan den scherpen wedstrijd van ons

vernuft: want gij zult begrijpen, Mathilda, dat ik daardoor geheelenal

den moed tot antwoorden verloren had.

Maar mijn moed is toch, zoo als gij uit deze samenspraak misschien

duidelijk zult bespeuren, ongevoelig en, als het ware, ondanks mij

zelve geklommen. Brown in leven, vrij en in Engeland! Angst en

verlegenheid kan en moet ik verdragen. Over een paar dagen vertrekken

wij van hier naar onze nieuwe woonplaats. Ik zal niet in gebreke

blijven, u te schrijven hoe ik over onze Schotsche gasten denk, die

mijn vader, zoo als ik met grond vermoed, als een paar achtbare

verspieders in huis denkt te nemen, als een soort van Rozencrantz en

Guldenstern [7], de eene in een priesters-, de andere in een

vrouwenrok. Hoe verschillend van het gezelschap, dat ik zoo gaarne

gehad zou hebben! Ik zal oogenblikkelijk na mijne komst in onze nieuwe

woonplaats schrijven en u de verdere lotgevallen melden van uwe

Julia Mannering.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 30 / 75 题