„Alles is voorbij, Mathilda! Ik zal nooit den moed hebben, mijn hart
voor mijn vader bloot te leggen. Ja, ik vrees zeer, dat hij reeds langs
een anderen weg achter mijn geheim gekomen is; en hierdoor wordt alle
hoop vernietigd, welke ik op eene openhartige en vrijmoedige bekentenis
had durven bouwen.
Gisteren nacht kwam Brown, als naar gewoonte, en zijne fluit
verkondigde mij dat hij naderde. Wij waren overeengekomen, dat hij
steeds dit teeken zou gebruiken, in de hoop dat Brown, indien hij door
een’ der huisgenoten opgemerkt mocht worden, voor een’ dier
bewonderaars der natuur zou doorgaan, die door de heerlijke landstreek
zoo menigvuldig herwaarts gelokt worden, en, in hunne geestdrift, het
meer of de oevers daarvan op alle uren bezoeken en dikwijls door muziek
hun gevoel lucht geven. De tonen der muziek moesten mij ook tot een
voorwendsel dienen, indien men mij op het balkon mocht bespeuren. Maar
gisteren nacht, juist toen ik sterk op mijn voornemen aandrong, om
alles openhartig aan mijnen vader te bekennen, dat door hem even
ernstig bestreden werd, hoorden wij het venster in mijnheer Mervyn’s
studeervertrek, dat juist onder mijne kamer is, zachtjes open doen Ik
gaf Brown een teeken om zich te verwijderen, en trad snel van het
balkon, in de flauwe hoop, dat onze bijeenkomst onopgemerkt gebleven
zou zijn.
Maar helaas, Mathilda! deze hoop verdween, zoodra ik het gelaat van den
heer Mervyn den volgenden morgen bij het ontbijt zag. Zijne
veelbeteekenende blikken schenen mij te zeggen, dat hij alles wist, en
door zijne vertrouwelijkheid tergde hij mij zoo zeer, dat ik boozer had
moeten worden, dan ik nóg ooit in mijn leven geweest ben, indien ik het
slechts had durven wagen, maar ik moest voorzichtig zijn. Mijne
wandelingen zijn nu binnen de grenzen van zijn erf, waar de goede man
mij zonder veel ongemak vergezellen kan, beperkt. Ik heb reeds een paar
malen bemerkt, dat hij mijne gedachten poogde te doorgronden en op mijn
gelaat zocht te lezen, wat er in mijn hart omging. Meer dan eens heeft
hij over de fluit gesproken en de waakzaamheid en den trouw zijner
honden geroemd. Ook hield hij lofspraken op zijn heer, die nooit
verzuimt met geladen geweer de ronde te doen, en liet zich zelfs iets
van voetangels en klemmen ontvallen. Ik zou ongaarne een ouden vriend
van mijn vader in zijn eigen huis beleedigen, maar ik verlang er naar,
hem te toonen dat ik mijns vaders dochter ben; en ik ben zeker, dat de
heer Mervyn daarvan overtuigd zal wezen, wanneer ik ooit aan mijne
drift toegeef en hem op deze zinspelingen en wenken antwoord. Eén ding
weet ik zeker en daarvoor ben ik hem hartelijk dankbaar: hij heeft aan
zijne vrouw geen woord gezegd. Lieve hemel, welke lessen zoude ik dan
niet hebben moeten aanhooren over de gevaren der liefde en der
nachtlucht op het meer! welke prêken over het gevaarlijke van
verkoudheden en fortuinzoekers, en over het nut en voordeel van
gesloten vensters en het gebruiken van een kopje slemp! Ik kan het
schertsen niet laten, Mathilda, ofschoon ik in mijn hart bedroefd en
treurig ben. Wat Brown nu doen zal, weet ik niet; ik vermoed nochtans,
dat de vrees voor ontdekking hem vooreerst van zijne nachttochtjes
terughouden zal. Hij heeft zijn verblijf genomen in eene herberg aan de
overzijde van het meer, onder de naam van Dawson – men kan niet
ontkennen, dat hij zeer ongelukkig in de keus van namen is. Hij heeft
den krijgsdienst, geloof ik, nog niet verlaten, maar spreekt geen woord
over zijne tegenwoordige uitzichten.
Mijn angst stijgt ten top, daar mijn vader plotselijk en, naar het
schijnt, zeer slecht geluimd teruggekomen is. Onze goede gastvrouw
verwachtte hem eerst over acht dagen, zoo als ik uit een levendig
gesprek, dat zij met hare huishoudster hield, vernomen heb; maar ik
vermoed, dat zijne komst niet zoo onverwacht was voor zijn vriend
Mervyn. Hij was jegens mij zoo bijzonder koel en stijf, dat daardoor
mij de moed begaf, om mij aan zijne grootmoedigheid over te geven. Het
is hem mislukt, in het zuidwesten van Schotland een landgoed, waarmede
hij zeer ingenomen was, te koopen, en hieraan schrijft hij zijne
verdrietige luim toe; maar ik geloof niet, dat zijn humeur door zulk
eene kleinigheid bedorven zou worden. Zijn eerste tocht na zijne
aankomst was met de schuit van den heer Mervyn dwars over het meer naar
de herberg, waarvan ik u gesproken heb. Verbeeld u eens, met welken
angst ik zijne terugkomst verwachtte. Wie kon de gevolgen berekenen,
indien hij Brown gezien en herkend had! Hij kwam intusschen terug,
zonder naar het scheen iets bemerkt te hebben. Ik hoor, dat hij
voornemens is een huis te huren in de nabijheid van dat zelfde
Ellangowan, waarvan ik zoo veel moet hooren, daar hij denkt, dat dat
goed, hetwelk hij zoo vurig wenscht te bezitten, spoedig weder te koop
zal zijn. Ik zend dezen brief niet af, voor dat ik met mijns vaders
voornemens nauwkeurig bekend ben.
„Ik heb nu met mijn vader gesproken, zoo vertrouwelijk gesproken, als
ik denk, dat hij mij toestaan wil. Heden morgen, na het ontbijt,
verzocht hij mij, met hem in de bibliotheek te gaan; mijne knieën
knikten en, zonder overdrijving, Mathilda, ik kon hem nauwelijks naar
de kamer volgen. Ik vreesde, ik weet niet wat. Van mijne kindsheid af
heb ik alles rondom hem voor zijne donkere blikken zien beven. Hij
verzocht mij te gaan zitten, en nooit heb ik een bevel zoo gaarne
gehoorzaamd: want waarlijk, ik kon nauwelijks blijven staan. Hij
wandelde de kamer steeds op en neder. Gij hebt mijn vader gezien en ook
door u is het niet onopgemerkt gebleven, dat zijne trekken bijzonder
sprekend zijn. Zijne oogen zijn natuurlijk licht van kleur, maar ze
worden donkerder en schieten vlammen, als hij ontroerd of toornig
wordt. Ook heeft hij de gewoonte, bij hevige aandoeningen, zijne lippen
in te trekken, een teeken, dat de aangeboren drift van zijn gemoed met
zijne door langdurige pogingen verworven zelfbeheersching in strijd is.
Het was de eerste maal, dat ik mij sedert zijne terugkomst uit
Schotland met hem alleen bevond, en ik twijfelde niet dat hij spreken
wilde over het onderwerp, dat mij de meeste vrees inboezemde.
Tot mijne onuitsprekelijke blijdschap was mijne vrees ongegrond. Wat
mijn vader van mijnheer Mervyn’s vermoedens of ontdekkingen weten
mocht, hij was niet voornemens over deze zaak te spreken. In mijn angst
verheugde mij dit zeer, ofschoon de wezenlijkheid, ingeval hij de
geruchten welke hem ter ooren konden gekomen zijn waarlijk onderzocht
had, niets geweest zou zijn in vergelijking van hetgeen hij misschien
vermoed had. Maar, hoe zeer mijn moed bij deze onverwachte uitkomst
geklommen was, waagde ik het toch niet het gesprek te beginnen, maar
wachtte stilzwijgend op zijne bevelen.
„Julia,” zeide hij, „mijn zaakwaarnemer in Schotland schrijft mij, dat
het hem gelukt is een fatsoenlijk gemeubeleerd huis, van al het noodige
voor mijn huisgezin voorzien, voor mij te huren: het ligt geen uur
gaans van het landgoed, dat ik koopen wilde.” – Hier zweeg hij en
scheen mijn antwoord te verwachten.
„Ieder verblijf, dat u bevalt, vader, zal mij aangenaam zijn.”
„Hm! maar het is mijn plan niet, Julia, dat gij den ganschen winter
geheel alleen in dit huis wonen zult.”
Mijnheer en mevrouw Mervyn, dacht ik bij mij zelve, en zeide: „ieder
gezelschap, dat u aangenaam is –”
„O! dat is al te onderdanig,” viel hij mij in de rede. „Onderworpenheid
is eene uitmuntende deugd in de beoefening; maar uwe gedurige herhaling
van die woorden doet mij aan de eindelooze buigingen van onze zwarte
dienaren in Indië denken. Met één woord, Julia, ik weet dat ge gaarne
gezelschap hebt, en ben voornemens, de dochter van een overleden vriend
te verzoeken, eenige maanden bij ons door te brengen.”
„Toch om ’s hemels wil geene gouvernante, vader!” riep ik ongelukkige
uit, terwijl mijn angst voor het oogenblik mijne voorzichtigheid
overwon.
„Neen, geene gouvernante, Julia,” antwoordde mijn vader ernstig; „maar
een meisje, in de school van den tegenspoed opgevoed, door wier
uitmuntend voorbeeld gij, naar ik hoop, de kunst zult leeren, u zelve
te beheerschen.”
Het scheen mij te gevaarlijk hierop te antwoorden, en ik zweeg dus
eenige oogenblikken. Eindelijk vroeg ik: „Is dat meisje uit Schotland,
vader?
Een droog – ja! was zijn antwoord.
„Heeft zij veel van het Schotsche accent?” vervolgde ik.
„Wat drommel!” antwoordde mijn vader driftig; „denkt gij, dat ik mij om
de uitspraak van a’s, aa’s, i’s en ie’s bekommer? Ik zeg u, Julia, dat
ik zeer ernstig spreek. Gij hebt eene groote neiging tot vriendschap,
dat is, gij maakt u gaarne gemeenzaam en vertrouwelijk, en noemt dit
vriendschap (was dit niet zeer hard, Mathilda?) „Om u nu gelegenheid te
geven, ten minste met eene waardige vriendin om te gaan, heb ik
besloten dat dit meisje gedurende eenige maanden onze gast zal zijn, en
ik verwacht dat gij haar alle oplettendheid zult bewijzen, die het
ongeluk en de deugd toekomt.”
„Zonder twijfel, lieve vader! – Heeft mijne aanstaande vriendin rood
haar?”
Mijn vader wierp mij een strengen blik toe. Gij zult misschien zeggen,
dat ik het verdiende; maar ik geloof, dat de booze geest mij soms tot
zulke tergende vragen aandrijft.
„Zij overtreft u even zeer ten opzichte van uiterlijke schoonheid, als
in voorzichtigheid en genegenheid voor hare vrienden.”
„Maar houdt gij deze meerderheid dan voor eene aanbeveling? – Maar
neen, beste vader! ik zie dat gij alles, wat ik zeg, veel te ernstig
opneemt. Wie het meisje ook zijn moge, zij zal geene reden hebben om
over gebrek aan oplettendheid van mijn kant te klagen, daar zij door u
aanbevolen wordt. Heeft zij eene kamenier bij zich?” vervolgde ik na
eene korte tusschenpoos; „anders moet ik voor haar zorgen.”
„Neen – neen – eigenlijk geen bediende; de geestelijke, die bij haren
vader woonde, een zeer braaf man, vergezelt haar, en ik geloof dat er
voor dezen ook nog wel plaats in ons huis te vinden zal wezen.”
„Lieve hemel! een geestelijke, vader?”
„Ja, Julia, een geestelijke; verwondert u dat zoo? Hadden wij ook geen
geestelijke bij ons, toen wij in Indië waren?”
„O ja! maar toen waart gij bevelhebber, lieve vader!”
„Dat ben ik nog, Julia, ten minste in mijne eigene familie.”
„Zonder twijfel, vader! Maar zal hij dan de godsdienstoefeningen naar
de gebruiken der Engelsche kerk bij ons waarnemen?”
Bij deze vraag zette ik zulk een onnoozel gezicht, dat zijn ernst
overwonnen werd. „Kom, Julia,” zeide hij, „gij zijt een ondeugend
meisje; knorren helpt niet bij u. Het meisje, dat ik tot uw gezelschap
bestemd heb, zult gij zonder twijfel leeren liefhebben; de man, dien
ik, bij gebrek van een beter woord, kapelaan genoemd heb, is een zeer
waardig, doch ook, in sommige opzichten, eenigszins belachelijk man,
die het nooit bemerken zal dat gij om hem lacht, als gij het niet al te
hardop doet.”
„Die trek in zijn karakter bevalt mij uitmuntend, beste vader! Maar
ligt het huis, dat wij betrekken zullen, even aangenaam als dit?”
„Misschien niet zoo goed naar uw zin. Er is geen meer onder de
vensters, en gij zult zeker geene andere muziek hooren, dan die gij
zelve in huis zult maken.”
Deze laatste slag maakte een einde aan den scherpen wedstrijd van ons
vernuft: want gij zult begrijpen, Mathilda, dat ik daardoor geheelenal
den moed tot antwoorden verloren had.
Maar mijn moed is toch, zoo als gij uit deze samenspraak misschien
duidelijk zult bespeuren, ongevoelig en, als het ware, ondanks mij
zelve geklommen. Brown in leven, vrij en in Engeland! Angst en
verlegenheid kan en moet ik verdragen. Over een paar dagen vertrekken
wij van hier naar onze nieuwe woonplaats. Ik zal niet in gebreke
blijven, u te schrijven hoe ik over onze Schotsche gasten denk, die
mijn vader, zoo als ik met grond vermoed, als een paar achtbare
verspieders in huis denkt te nemen, als een soort van Rozencrantz en
Guldenstern [7], de eene in een priesters-, de andere in een
vrouwenrok. Hoe verschillend van het gezelschap, dat ik zoo gaarne
gehad zou hebben! Ik zal oogenblikkelijk na mijne komst in onze nieuwe
woonplaats schrijven en u de verdere lotgevallen melden van uwe
Julia Mannering.”