„Ik heb zoo even uwen aangenamen, uwen hoogstwelkomen brief ontvangen.
Hartelijk dank, dierbare vriendin, voor uwe deelneming en uwe
raadgevingen! Ik kan ze niet, dan door een onbegrensd vertrouwen
vergelden.
Gij vraagt mij van welke afkomst Brown dan eigenlijk is, dat mijn vader
hierin zoo veel aanstootelijks vindt. Het verhaal zijner geschiedenis
is kort. Hij is afkomstig uit Schotland en, daar hij vroeg ouderloos
bleef, werd hij door bloedverwanten in Holland opgevoed. Hij werd voor
den handel bestemd en zeer jong naar een onzer Oostindische koloniën,
waar zijn pleegvader een’ handelsvriend had, gezonden. Maar toen hij in
Indië aankwam, was deze vriend overleden, zoo dat hem niets anders
overbleef, dan eene plaats als klerk op een kantoor te zoeken. Het
uitbarsten van den oorlog en de verlegenheid, waarin wij in het eerst
geraakten, gaven allen jongen lieden, die geneigd waren deze loopbaan
te omhelzen, gelegenheid, om bij het leger geplaatst te worden; en
Brown, die grooten lust voor den krijgsdienst had, was de eerste, die
eene loopbaan, welke tot rijkdom voeren kon, vaarwel zeide, om den weg
des roems te bewandelen. Het overige van zijne geschiedenis is u
bekend. Verbeeld u nu de verbittering mijns vaders, die den handel
veracht (ofschoon het grootste deel van zijn vermogen, door mijn
oudoom, in dien eerbiedwaardigen stand verworven is) en in het
bijzonder de Hollanders niet genegen is; denk eens, hoe mijn vader het,
naar alle waarschijnlijkheid, opnemen zou, wanneer van Beest Brown, die
uit medelijden door het huis van Beest en van Bruggen opgevoed werd, om
de hand zijner eenige dochter vroeg! Neen, Mathilda! dat zou nooit goed
gaan! Ik ben waarlijk ook zoo kinderachtig, dat ik mij nauwelijks
onthouden kan, mijns vaders aristocratische gevoelens te deelen.
Mevrouw Van Beest Brown! Die naam heeft inderdaad niet veel
uitlokkends. – Wat zijn wij toch kinderachtig!”