ZEVENDE UITTREKSEL.

„Ik heb zoo even uwen aangenamen, uwen hoogstwelkomen brief ontvangen.

Hartelijk dank, dierbare vriendin, voor uwe deelneming en uwe

raadgevingen! Ik kan ze niet, dan door een onbegrensd vertrouwen

vergelden.

Gij vraagt mij van welke afkomst Brown dan eigenlijk is, dat mijn vader

hierin zoo veel aanstootelijks vindt. Het verhaal zijner geschiedenis

is kort. Hij is afkomstig uit Schotland en, daar hij vroeg ouderloos

bleef, werd hij door bloedverwanten in Holland opgevoed. Hij werd voor

den handel bestemd en zeer jong naar een onzer Oostindische koloniën,

waar zijn pleegvader een’ handelsvriend had, gezonden. Maar toen hij in

Indië aankwam, was deze vriend overleden, zoo dat hem niets anders

overbleef, dan eene plaats als klerk op een kantoor te zoeken. Het

uitbarsten van den oorlog en de verlegenheid, waarin wij in het eerst

geraakten, gaven allen jongen lieden, die geneigd waren deze loopbaan

te omhelzen, gelegenheid, om bij het leger geplaatst te worden; en

Brown, die grooten lust voor den krijgsdienst had, was de eerste, die

eene loopbaan, welke tot rijkdom voeren kon, vaarwel zeide, om den weg

des roems te bewandelen. Het overige van zijne geschiedenis is u

bekend. Verbeeld u nu de verbittering mijns vaders, die den handel

veracht (ofschoon het grootste deel van zijn vermogen, door mijn

oudoom, in dien eerbiedwaardigen stand verworven is) en in het

bijzonder de Hollanders niet genegen is; denk eens, hoe mijn vader het,

naar alle waarschijnlijkheid, opnemen zou, wanneer van Beest Brown, die

uit medelijden door het huis van Beest en van Bruggen opgevoed werd, om

de hand zijner eenige dochter vroeg! Neen, Mathilda! dat zou nooit goed

gaan! Ik ben waarlijk ook zoo kinderachtig, dat ik mij nauwelijks

onthouden kan, mijns vaders aristocratische gevoelens te deelen.

Mevrouw Van Beest Brown! Die naam heeft inderdaad niet veel

uitlokkends. – Wat zijn wij toch kinderachtig!”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 29 / 75 题