„Ik heb hem wedergezien, Mathilda! ik heb hem tweemaal gezien. Ik heb
alle mogelijke gronden aangevoerd, om hem te overtuigen, dat deze
geheime bijeenkomsten voor ons beiden gevaarlijk zijn; ja ik heb
getracht hem te overreden, zijne uitzichten op wereldsch geluk te
vervolgen, zonder verder acht op mij te slaan, en te gelooven, dat ik
mij gelukkig genoeg gevoelde, nu ik wist dat bij niet onder het zwaard
van mijn vader gevallen was. Hij antwoordde, – maar hoe kan ik alles
zeggen, wat hij antwoordde? De hoop, welke mijne moeder hem toestond te
koesteren, deed hij als zijn wettig recht gelden, en hij zocht mij tot
eenen dwazen stap, tot eene verbintenis zonder de toestemming van mijn
vader, over te halen. Maar, Mathilda, hiertoe kan hij mij nooit
overhalen. Ik ben standvastig gebleven, ik heb het verraderlijk gevoel,
dat luide voor hem begon te pleiten, overwonnen, maar hoe zal ik mij
redden uit dit ongelukkig doolhof, waarin het noodlot en eigene
dwaasheid ons gewikkeld hebben?
Het hoofd begint mij te draaien, Mathilda! zoo lang heb ik hierover
nagedacht, en nog vind ik er niets beters op, dan mijnen vader alles
openhartig te bekennen. Hij verdient dit uit hoofde zijner
onophoudelijke goedheid jegens mij; en sedert ik zijn karakter meer van
nabij heb gadegeslagen, meen ik opgemerkt te hebben, dat hij slechts
dan hard is, wanneer hij bedrog of misleiding vermoedt. Zijn karakter
werd misschien vroeger door iemand, die hem dierbaar was, in dit
opzicht miskend. Hij helt ook eenigszins tot het romaneske over, en ik
heb gezien dat het verhaal van eene edelmoedige daad, een trek van
heldenmoed of deugdzame zelfverloochening, tranen uit zijne oogen
lokten, die bij een gewoon ongeluk droog bleven. Maar Brown houdt
staande dat mijn vader persoonlijk tegen hem ingenomen is. En dan nog
zijne onbekende afkomst, waarlijk, dat zou een steen des aanstoots
wezen. Ik hoop, lieve Mathilda, dat geen uwer voorvaderen ooit bij
Poitiers of Azincourt gevochten heeft! Indien mijn vader niet zoo veel
eerbied voor de nagedachtenis van den ouden Sir Miles Mannering had,
zou ik met niet half zoo veel angst mijn hart voor hem openleggen.”