ZESDE UITTREKSEL.

„Ik heb hem wedergezien, Mathilda! ik heb hem tweemaal gezien. Ik heb

alle mogelijke gronden aangevoerd, om hem te overtuigen, dat deze

geheime bijeenkomsten voor ons beiden gevaarlijk zijn; ja ik heb

getracht hem te overreden, zijne uitzichten op wereldsch geluk te

vervolgen, zonder verder acht op mij te slaan, en te gelooven, dat ik

mij gelukkig genoeg gevoelde, nu ik wist dat bij niet onder het zwaard

van mijn vader gevallen was. Hij antwoordde, – maar hoe kan ik alles

zeggen, wat hij antwoordde? De hoop, welke mijne moeder hem toestond te

koesteren, deed hij als zijn wettig recht gelden, en hij zocht mij tot

eenen dwazen stap, tot eene verbintenis zonder de toestemming van mijn

vader, over te halen. Maar, Mathilda, hiertoe kan hij mij nooit

overhalen. Ik ben standvastig gebleven, ik heb het verraderlijk gevoel,

dat luide voor hem begon te pleiten, overwonnen, maar hoe zal ik mij

redden uit dit ongelukkig doolhof, waarin het noodlot en eigene

dwaasheid ons gewikkeld hebben?

Het hoofd begint mij te draaien, Mathilda! zoo lang heb ik hierover

nagedacht, en nog vind ik er niets beters op, dan mijnen vader alles

openhartig te bekennen. Hij verdient dit uit hoofde zijner

onophoudelijke goedheid jegens mij; en sedert ik zijn karakter meer van

nabij heb gadegeslagen, meen ik opgemerkt te hebben, dat hij slechts

dan hard is, wanneer hij bedrog of misleiding vermoedt. Zijn karakter

werd misschien vroeger door iemand, die hem dierbaar was, in dit

opzicht miskend. Hij helt ook eenigszins tot het romaneske over, en ik

heb gezien dat het verhaal van eene edelmoedige daad, een trek van

heldenmoed of deugdzame zelfverloochening, tranen uit zijne oogen

lokten, die bij een gewoon ongeluk droog bleven. Maar Brown houdt

staande dat mijn vader persoonlijk tegen hem ingenomen is. En dan nog

zijne onbekende afkomst, waarlijk, dat zou een steen des aanstoots

wezen. Ik hoop, lieve Mathilda, dat geen uwer voorvaderen ooit bij

Poitiers of Azincourt gevochten heeft! Indien mijn vader niet zoo veel

eerbied voor de nagedachtenis van den ouden Sir Miles Mannering had,

zou ik met niet half zoo veel angst mijn hart voor hem openleggen.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 28 / 75 题