Shakspeare.
Wij moeten voortgaan met onze uittrekkels uit de brieven van Julia
Mannering, welke bewijzen dat zij een gezond verstand, goede
grondbeginselen en een gevoelig hart bezat; maar men ontdekte ook bij
haar duidelijk den invloed van eene gebrekkige opvoeding en van de
dwaasheid eener onverstandige moeder, die haren echtgenoot in haar hart
zoo lang een tiran noemde, totdat zij hem als zoodanig vreesde, en zoo
lang romans las, totdat zij op de daarin voorkomende intrigues zoo
verzot werd, dat zij hare neiging niet weerstaan kon, zelve een’
kleinen familie-roman op te zetten, waarvan hare dochter, een
zestienjarig meisje, de heldin moest wezen. Zij vond haar grootste
vermaak in kleine geheimen en listen, en beefde nochtans voor het
misnoegen, dat deze verachtelijke handelwijze bij haren echtgenoot
gaande maakte. Zoo begon zij dikwijls, enkel tot vermaak, of misschien
om aan hare zucht tot intrigue te voldoen, het een of ander stukje,
wikkelde zich er dieper in dan zij vermoedde, zocht zich er dan door
nieuwe kunstgrepen uit te redden of haren misslag te verbloemen, en
geraakte eindelijk zoo verward in hare eigen netten, dat zij zich vaak
gedwongen zag, uit vrees voor ontdekking, hare kunstgrepen en
kuiperijen, welke zij alleen uit moedwil aangevangen had, voort te
zetten.
Gelukkig had de jongeling, dien mevrouw Mannering zoo onvoorzichtig in
haren huiselijken kring toegelaten en aangemoedigd had, om zijn oog op
hare dochter te slaan, edele grondbeginselen en een fijn eergevoel,
waardoor hij een veel minder gevaarlijke huisvriend werd, dan zij hopen
of verwachten kon. Niets kon tegen hem ingebracht worden, dan zijne
onbekende afkomst; in ieder ander opzicht was hij mild door de natuur
bedeeld. De edelste hoedanigheden, gepaard met eene levendige zucht
naar roem, openden hem de schoonste vooruitzichten, en allen, die den
wakkeren jongeling opmerkzaam gadesloegen, voorspelden hem eene
schitterende loopbaan. Men kon intusschen niet verwachten, dat hij de
verzoeking, waaraan Julia’s onvoorzichtige moeder hem blootstelde, zou
weerstaan, of dat hij onverschillig zou blijven voor een meisje, dat
door hare schoonheid en bevalligheid, zelfs op plaatsen, waar zulke
bekoorlijkheden niet zulke groote zeldzaamheden zijn als in eene
afgelegene Indische vesting, zijne liefde kon rechtvaardigen. De
ongelukkige gevolgen, welke hieruit voortvloeiden, heeft Mannering in
zijn brief aan Mervyn verhaald; het zou dus overbodig zijn hierover
verder uit te weiden.
Wij zullen dus voortgaan met de uittreksels uit Julia Mannering’s
brieven aan hare vriendin.