„Gij kent mijn hartsgeheim, lieve Mathilda! Gij weet, welke gevoelens
ik voor Brown koester; ik zeg niet, hoe dierbaar mij zijn aandenken is;
want ik ben overtuigd, dat hij nog leeft en mij getrouw is. Hij werd in
zijne liefde jegens mij door mijne overledene moeder aangemoedigd.
Misschien was dit zeer onvoorzichtig, wanneer men de vooroordeelen van
mijn vader ten opzichte van rang en geboorte in aanmerking neemt. Maar
was het wel van mij, die toen bijna nog een kind was, te verwachten,
dat ik wijzer zou zijn dan moeder, onder wier opzicht ik natuurlijk
geplaatst was? Mijn vader, die altijd door zijn dienst als krijgsman
bezig gehouden werd, zag ik slechts zelden, en men leerde mij meer met
eerbiedige vrees, dan met liefdevol vertrouwen tot hem op te zien. Gave
God, dat het anders geweest ware! Het zou thans misschien beter voor
ons allen zijn!”