TWEEDE UITTREKSEL.

„Gij kent mijn hartsgeheim, lieve Mathilda! Gij weet, welke gevoelens

ik voor Brown koester; ik zeg niet, hoe dierbaar mij zijn aandenken is;

want ik ben overtuigd, dat hij nog leeft en mij getrouw is. Hij werd in

zijne liefde jegens mij door mijne overledene moeder aangemoedigd.

Misschien was dit zeer onvoorzichtig, wanneer men de vooroordeelen van

mijn vader ten opzichte van rang en geboorte in aanmerking neemt. Maar

was het wel van mij, die toen bijna nog een kind was, te verwachten,

dat ik wijzer zou zijn dan moeder, onder wier opzicht ik natuurlijk

geplaatst was? Mijn vader, die altijd door zijn dienst als krijgsman

bezig gehouden werd, zag ik slechts zelden, en men leerde mij meer met

eerbiedige vrees, dan met liefdevol vertrouwen tot hem op te zien. Gave

God, dat het anders geweest ware! Het zou thans misschien beter voor

ons allen zijn!”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 21 / 75 题