DERDE UITTREKSEL.

„Gij vraagt mij, waarom ik niet aan mijn vader zeg dat Brown nog leeft,

of ten minste, dat hij de wonde, die hij in hun ongelukkig tweegevecht

ontving, overleefd, en aan mijne moeder geschreven heeft, dat hij

geheel hersteld was en veel hoop had, spoedig uit zijne gevangenschap

te ontvluchten. Ik heb gewichtige redenen daartoe. Een krijgsman, die

in den oorlog, zijn dagelijksch werk, zoo dikwijls zijn natuurgenoot

verslagen heeft, gevoelt waarschijnlijk geene onrust bij de herinnering

aan het vermeende ongeluk, dat mij bijna van schrik deed versteenen.

Indien ik hem den brief aan mijne moeder toonde, moest er dan niet uit

volgen, dat de levendige Brown, die zijne aanspraken, waarom mijn vader

voorheen naar zijn leven gestaan heeft, hardnekkig volhoudt, veel

gevaarlijker voor de rust van zijn gemoed zou zijn, dan nu bij zijn

vermeenden dood. Indien hij uit de handen dier roovers ontsnapt, dan

zal hij, hiervan ben ik overtuigd, spoedig in Engeland komen, en dan is

het ook nog steeds vroeg genoeg, om te overleggen, hoe ik mijn’ vader

zijn bestaan ontdekken zal. Maar indien, helaas! mijne vaste en

onwankelbare hoop mij bedroog, waartoe zou ik dan een geheim

ontsluieren, waaraan zoo vele smartelijke herinneringen verbonden zijn?

Mijne waarde moeder vreesde de ontdekking er van zoo zeer, dat ik

geloof, dat zij mijn vader liever in den waan wilde laten, dat Brown’s

oplettendheden haar golden, dan hem te openbaren dat Brown eigenlijk

mij op het oog had. Mathilda! hoeveel eerbied ik ook aan de

nagedachtenis van mijne moeder verschuldigd ben, ik mag toch niet

onrechtvaardig jegens mijn vader zijn. Het dubbelzinnig gedrag van

mijne moeder kan ik, als onrechtvaardig jegens mijn vader en hoogst

gevaarlijk voor haar en mij, nooit goedkeuren. Doch, vrede zij hare

asch! Hare daden werden meer door haar hart, dan door haar hoofd

geregeld; en zou hare dochter, die al hare zwakheden geërfd heeft, de

eerste wezen, die den sluier voor hare gebreken wegtrekt?”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 22 / 75 题