„Gij vraagt mij, waarom ik niet aan mijn vader zeg dat Brown nog leeft,
of ten minste, dat hij de wonde, die hij in hun ongelukkig tweegevecht
ontving, overleefd, en aan mijne moeder geschreven heeft, dat hij
geheel hersteld was en veel hoop had, spoedig uit zijne gevangenschap
te ontvluchten. Ik heb gewichtige redenen daartoe. Een krijgsman, die
in den oorlog, zijn dagelijksch werk, zoo dikwijls zijn natuurgenoot
verslagen heeft, gevoelt waarschijnlijk geene onrust bij de herinnering
aan het vermeende ongeluk, dat mij bijna van schrik deed versteenen.
Indien ik hem den brief aan mijne moeder toonde, moest er dan niet uit
volgen, dat de levendige Brown, die zijne aanspraken, waarom mijn vader
voorheen naar zijn leven gestaan heeft, hardnekkig volhoudt, veel
gevaarlijker voor de rust van zijn gemoed zou zijn, dan nu bij zijn
vermeenden dood. Indien hij uit de handen dier roovers ontsnapt, dan
zal hij, hiervan ben ik overtuigd, spoedig in Engeland komen, en dan is
het ook nog steeds vroeg genoeg, om te overleggen, hoe ik mijn’ vader
zijn bestaan ontdekken zal. Maar indien, helaas! mijne vaste en
onwankelbare hoop mij bedroog, waartoe zou ik dan een geheim
ontsluieren, waaraan zoo vele smartelijke herinneringen verbonden zijn?
Mijne waarde moeder vreesde de ontdekking er van zoo zeer, dat ik
geloof, dat zij mijn vader liever in den waan wilde laten, dat Brown’s
oplettendheden haar golden, dan hem te openbaren dat Brown eigenlijk
mij op het oog had. Mathilda! hoeveel eerbied ik ook aan de
nagedachtenis van mijne moeder verschuldigd ben, ik mag toch niet
onrechtvaardig jegens mijn vader zijn. Het dubbelzinnig gedrag van
mijne moeder kan ik, als onrechtvaardig jegens mijn vader en hoogst
gevaarlijk voor haar en mij, nooit goedkeuren. Doch, vrede zij hare
asch! Hare daden werden meer door haar hart, dan door haar hoofd
geregeld; en zou hare dochter, die al hare zwakheden geërfd heeft, de
eerste wezen, die den sluier voor hare gebreken wegtrekt?”