„Helaas, liefste Mathilda, hoe treurig is het verhaal mijner
lotgevallen! Sedert de wieg hebben rampen uwe ongelukkige vriendin
vervolgd. Om eene beuzeling moesten wij gescheiden worden: om eene
onnauwkeurige uitdrukking in mijn Italiaansch opstel en om drie valsche
noten in eene sonate van Paesiello! Maar dat ligt in het karakter van
mijnen vader, van wien ik onmogelijk zeggen kan, of ik hem meer bemin,
bewonder of vrees. Zijn voorspoed in de wereld en in den oorlog, zijne
gewoonte om elke hinderpaal, zelfs wanneer ze onoverwinnelijk scheen,
door inspanning van eigen kracht uit den weg te ruimen, – dit alles
heeft hem zoo opvliegend en onverzettelijk gemaakt, dat hij geene
tegenspraak dulden, noch inschikkelijk zijn kan ten opzichte van de
gebreken van anderen. Hierbij komt nog, dat hij zelf uitstekend bekwaam
is. Weet gij, dat er een gerucht geloopen heeft, dat ook door eenige
geheimzinnige woorden, welke mijne arme moeder zich liet ontvallen, ten
halve bevestigd werd, dat hij nog andere, thans voor de wereld
verlorene kundigheden bezit, die hem in staat stellen de donkere
schaduwbeelden van toekomstige gebeurtenissen op te roepen? Moet niet
de gedachte aan zulk eene macht, of zelfs aan de buitengewone
geestkracht en het verhevene verstand, welke de wereld daarvoor houden
mag, – moet niet reede dit den bezitter van zulke kennis met eene
geheimzinnige grootheid bekleeden? Gij zult dit dweeperij noemen, lieve
Mathilda, maar bedenk, dat ik in het land ben opgevoed, waar bijgeloof
en tooverij eene groote rol spelen, en dat ik in mijne kindsheid met
sprookjes, welke gij slechts uit eene ellendige Fransche vertaling
kent, in slaap gewiegd ben. O Mathilda, ik wenschte wel, dat gij de
donkere gezichten van mijne Indiaansche oppassters gezien hadt, terwijl
zij in stille aandacht naar het tooversprookje luisterden, dat, half
poëzie half proza, van de lippen des verhalers vloeide. Geen wonder dat
de Europeesche verdichtselen mij koud en droog voorkomen, na dat ik
gezien heb, welken verbazenden indruk de Oostersche verdichtselen op de
toehoorders maken.”