Ons Grietje is ’n slordige meid, geeft niets om onze lessen;
Een dochter is een last voorwaar, die niet loont onze zorgen,
Want, is zij eenmaal opgeschikt en klaar op allen zessen,
Werpt zij zich weg zoodra zij kan, liever van daag dan morgen.
Bedelaars-opera.
Na den dood van Bertram had Mannering eene kleine reis ondernomen, met
het voornemen, vóor den verkoop van het goed Ellangowan terug te komen.
Hij bezocht dus Edinburg en meer andere plaatsen, maar op zijn
terugreis naar het zuidwestelijk gedeelte van Schotland, waar ons
verhaal te huis behoort, ontving hij in eene stad, omstreeks dertig
uren van Kippletringan verwijderd, een brief van zijn vriend Mervyn,
welks inhoud niet zeer aangenaam voor hem was. Wij hebben ons het recht
aangematigd de geheimen van den heer Mannering mede te deelen en zullen
dus den lezer een uittreksel aanbieden van hetgeen zijn vriend hem
schreef.
„Vergeef mij, waarde vriend, dat ik u de smart veroorzaakt heb, de
pijnlijke wonden, waarover gij in uw brief schrijft, weder open te
scheuren. Ik had altoos gehoord, ofschoon het misschien onwaar is, dat
Brown’s oplettendheden uwe dochter gegolden hadden. Doch, hoe dit ook
geweest zij, het was niet te veronderstellen, dat zijne stoutheid, in
uwe omstandigheden, onopgemerkt en ongestraft zou blijven. Verstandige
mannen zeggen, dat wij het ons aangeboren recht van zelfverdediging
slechts aan de burgerlijke maatschappij afstaan, op die voorwaarde, dat
de bepalingen der wet ons beschermen zullen. Waar dit niet geschieden
kan, vindt de afstand geene plaats. Niemand zal, bij voorbeeld,
beweren, dat ik niet even goed als een Indiaansche wilde, die wetten
noch overheid erkent, gerechtigd ben, mijne beurs en mijn leven tegen
eenen struikroover te verdedigen. De vraag, of ik mij onderwerpen moet
of wederstand bieden mag, moet door mijn toestand en mijne hulpmiddelen
beslist worden. Indien ik echter, gewapend en gelijk in sterkte,
onrecht en geweld van iemand, hij zij mijn meerdere of mindere, duld,
zonder mij er tegen te verzetten, zal dit bezwaarlijk in mij of iemand
anders, ten zij eenen kwaker, aan godsdienstig of zedelijk gevoel
toegeschreven worden. Met een aanval op mijne eer, is het naar mijn
inzien nagenoeg hetzelfde geval. De beleediging, ofschoon onbeduidend
in zich zelve, heeft veel gewichtiger gevolgen voor het volgend leven,
dan het kwaad of nadeel, dat een straatroover iemand kan doen; en
herstel of vergoeding er van staat veel minder in de macht der openbare
gerechtigheid, of liever is volstrekt buiten haar bereik. Indien iemand
mij, Arthur Mervyn, van mijne beurs berooven wilde en ik eene middelen
tot verdediging, of geen verstand of moed had om ze te gebruiken, zou
het gerechtshof te Lancaster of Carlisle mij, door het ophangen van den
roover, recht verschaffen. – Maar wie zal zeggen, dat ik verplicht ben
op dit recht te wachten en mij eerst te laten uitplunderen, indien ik
zelf de middelen en den moed heb, om mijn eigendom te beschermen? Maar
indien mij eene beleediging aangedaan wordt, welke ik niet verdragen
kan zonder mijn karakter, bij mannen van eer, voor altijd te bezoedelen
en waarvoor de twaalf opperrechters van Engeland, benevens den
Grootkanselier mij geene vergoeding kunnen geven, hoe kan dan de wet of
de rede mij verbieden, datgene te beschermen, dat ieder man van eer
veel dierbaarder zijn moet en is, dan zijn geheel vermogen? Over het
godsdienstig gezichtspunt van de zaak wil ik niet spreken, voor dat ik
een eerwaardig geestelijke vind, die zelfverdediging, zoowel van leven
als van eigendom, veroordeelt. Indien men hare geoorloofdheid in dat
geval toestemt, kan men, dunkt mij, weinig onderscheid maken tusschen
verdediging van leven en vermogen, en verdediging van goeden naam en
eer. Dat deze laatsten door lieden van een geheel anderen stand in de
maatschappij, misschien van onbesmette zeden en onbesproken karakter,
aangerand kunnen worden, kan mijn wettig recht van zelfverdediging niet
in den weg staan. Het kan mij smarten, dat de omstandigheden mij in een
strijd met zoo iemand gewikkeld hebben; maar dezelfde smart zou ik
gevoelen, wanneer een edele vijand, in een burgeroorlog, onder mijn
zwaard viel. Ik wil niet verder over deze zaak met de Casuïsten
twisten, maar alléen nog aanmerken, dat ik door het geschrevene noch
den vechter van beroep, noch den aanvaller, in eene zaak van eer
verdedigen wil. Het is alleen mijn doel hem te verontschuldigen, die
door eene beleediging, welke niemand, zonder voor altijd zijn aanzien
en zijne achting in de maatschappij te verliezen, geduldig verdragen
kan, tot den strijd gedwongen wordt.
„Het spijt mij, dat gij voornemens zijt u in Schotland neer te zetten;
het verheugt mij echter, dat de afstand niet onmetelijk en de ligging
geheel in ons voordeel is. Van Devonshire naar Westmoreland te reizen,
kon eenen Oost-Indiër doen huiveren; maar een uitstap van Galloway of
Dumfriesshire naar ons, brengt hem eene schrede, ofschoon dan ook maar
eene kleine, nader bij de zon. Indien overigens, zoo als ik
veronderstel, het oude spookslot, waarin gij vóór vier of vijf en
twintig jaren, op uwe reis door het noorden van Schotland, voor
sterrewichelaar gespeeld hebt, tot het landgoed behoort, dat gij op het
oog hebt, dan kan ik ook niet hopen, dat gij u van den koop zult laten
afschrikken, daar ik u dat tooneel te dikwijls met kluchtige zalving
heb hooren verhalen. Ik hoop nochtans, dat de gastvrije heer nog in het
land der levenden is en dat zijn kapelaan, om wien gij ons zoo dikwijls
hebt doen lachen, deze wereld ook nog niet verlaten heeft.
„Kon ik mijn brief hier maar sluiten, waarde Mannering! want het valt
mij ten uiterste moeielijk u het verdere te verhalen, ofschoon ik u
vooruit verzekeren kan, dat gij voor geen opzettelijk wangedrag van
mijne tegenwoordige pupil, Julia Mannering, behoeft te vreezen. Maar ik
wil, als altijd, kort wezen. Zie hier de zaak, in weinige woorden.
„Uwe dochter heeft veel van den romantischen aard van haar vader, en
tevens iets van de zucht naar bewondering, welke alle schoone vrouwen
min of meer eigen is. Bovendien zal zij waarschijnlijk uwe erfgename
zijn; eene omstandigheid van weinig gewicht voor hen, die Julia met
mijne oogen beschouwen; maar een machtig lokaas voor schijnheiligen,
listigen en onwaardigen. Gij weet, hoe ik met haar over hare stille
zwaarmoedigheid, over hare eenzame wandelingen, des morgens vóor dat er
iemand op is en des avonds bij maanlicht, wanneer alles te bed ligt of,
wat hier hetzelfde is, aan de speeltafel zit, geschertst heb. Het
voorval, dat ik u hier verhalen zal, zou ook wel als eene scherts
beschouwd kunnen worden; maar ik wilde liever, dat de scherts van u dan
van mij kwam.
„In de laatste veertien dagen hoorde ik een paar malen laat in den
nacht, of zeer vroeg in den morgen, het kleine Hindo-liedje, waarmede
uwe dochter zoo ingenomen is, op de fluit blazen. Ik dacht in het eerst
dat de eene of andere bediende, die veel van muziek hield en des daags
aan zijne neiging voor deze kunst niet voldoen kon, dit stille uur
gekozen had, om de tonen, welke hij misschien onder zijn werk gehoord
had, na te volgen. Maar gisteren avond zat ik laat op mijn
studeervertrek, dat vlak onder Julia’s kamer is, en hoorde, tot mijne
verwondering, niet alleen duidelijk de fluit, maar werd ook overtuigd,
dat de tonen van het meer, onder het venster, kwamen. Nieuwsgierig, te
weten, wie ons op zulk een ongewoon uur eene serenade bracht, sloop ik
zachtjes naar mijn venster. Er waren echter andere bespieders dan ik.
Gij zult u herinneren, dat Julia dit vertrek verkoos, wegens een balkon
vóor het venster, dat op het meer uitzag. Ik hoorde, dat het venster en
de blinden opengedaan werden en dat zij met iemand sprak die van
beneden antwoordde. Ik kon mij in hare stem niet bedriegen; ik hoorde
ze te duidelijk, en de toon was zacht en vleiend. Om der waarheid niet
te kort te doen, moet ik hier nog bijvoegen, dat de stem van beneden
uiterst teêr en hartstochtelijk luidde; maar van den inhoud van het
gesprek kan ik niets zeggen. Ik schoof mijn venster open, om iets meer
van dit Spaansche rendez-vous te hooren; maar, hoe voorzichtig ik het
ook deed, werd het sprekende paar toch door het geraas gestoord, en
oogenblikkelijk werd Julia’s venster dichtgemaakt en de blinden
gesloten. Het slaan van een paar riemen in het water verried mij, dat
de mannelijke deelhebber in het gesprek zich verwijderde. Ik zag ook
inderdaad zijn schuitje, dat hij zeer behendig bestuurde, pijlsnel over
het meer vliegen. Den volgenden morgen ondervroeg ik, schijnbaar
onverschillig, eenigen der dienstboden, en hoorde dat de jachtopziener,
bij het doen der gewone ronden, tweemaal die boot, met éen man er in,
onder het huis gezien en de fluit gehoord had. Ik durfde geen verder
onderzoek doen, uit vrees van Julia onder verdenking te brengen bij
hen, die ik daarnaar vragen moest. Bij het ontbijt liet ik mij, als bij
toeval, een enkel woord over de muziek van den vorigen nacht ontvallen,
en verzeker u, dat uwe dochter beurtelings bloosde en verbleekte. Ik
gaf aanstonds eene wending aan de zaak, welke haar kon doen denken, dat
mijne aanmerking enkel toevallig was. Sedert dien tijd brandt er een
licht op mijne studeerkamer, en laat ik de blinden open, om onzen
nachtelijken gast van zijne bezoeken af te schrikken, en heb, wegens
het gure weder en de vochtige nevels van den naderenden winter,
verzocht hare eenzame wandelingen te staken. Zij onderwierp zich
hieraan met eene lijdelijkheid, die volstrekt niet in haar karakter
ligt, en welke mij, om de waarheid te zeggen, bij de geheele zaak het
minst van alles aanstaat. Julia heeft te veel van den inborst van haar
waarden vader, om zich geduldig in hare neigingen te laten dwarsboomen,
indien zij niet bij zich zelve eenigszins overtuigd ware, dat het
voorzichtig is, allen twist te vermijden.
„Hiermede is mijn verhaal geëindigd, en nu moogt gij beoordeelen, wat u
te doen staat. Ik heb mijne goede vrouw niets van de geheele zaak
gezegd, daar zij, de zwakheden van haar geslacht gaarne willende
bemantelen, er zeker veel tegen in te brengen zou hebben, dat ik u
hiervan kennis gaf. Misschien had zij ook wel in het hoofd gekregen, om
op Julia hare welsprekendheid te oefenen, welke hier, vrees ik, meer
kwaads dan goeds gedaan zou hebben, hoe machtig die ook zijn moge,
wanneer zij tegen mij, op wettige wijze, gericht is. Mogelijk zult gij
het zelf ook het voorzichtigst oordeelen, u te houden, als of gij van
dit voorval niets wist, en uwe dochter daarover niet te onderhouden.
Julia gelijkt zeer veel op zekeren vriend van mij: zij heeft eene
vlugge en levendige verbeeldingskracht en een fijn gevoel, waardoor
dikwijls zoo wel het goede als het kwade, dat men in het leven vindt,
overdreven wordt. Het is nochtans een bekoorlijk meisje, even
edelmoedig en geestig, als beminnelijk. Ik heb haar den kus, dien gij
haar gezonden hebt, van ganscher harte gegeven en, tot belooning, tikte
zij mij geducht op de vingers. Voorts bid ik u, kom zoo spoedig terug
als gij kunt, en verlaat u intusschen op de zorg van uw getrouwen
vriend,
Arthur Mervyn.
P. S. Gij zult natuurlijk wenschen te weten, of ik ook in de verte kan
gissen wie de nachtelijke fluitspeler is. Dat kan ik waarlijk niet.
Hier in den omtrek is geen jongeling, door rang en vermogen gerechtigd
naar de hand van uwe dochter te dingen, van wien ik denken kan, dat hij
zulk eene rol zou spelen. Maar aan de andere zijde van het meer, bijna
recht tegenover Mervyn-Hall, is eene verwenschte kroeg, de
verblijfplaats van allerhande voetgangers, dichters, tooneelspelers,
schilders en muziekanten, die daar komen en over ons schilderachtig
land raaskallen, verzen maken en allerhande zotheden begaan. Onze
landstreek moet wezenlijk eenigszins voor ware schoonheden boeten,
omdat daardoor deze zwerm van gekken hier heen gelokt wordt. Ware Julia
mijne dochter, dan zou ik ten haren opzichte het meest voor een’ van
deze kwasten bevreesd zijn. Zij is grootmoedig en romanesk en schrijft
iedere week zes vellen vol aan eene vriendin, en in zulk een geval is
het eene erge zaak, gebrek aan een onderwerp te hebben, hetzij dat men
het gevoel of ook slechts de pen wil oefenen. Nog eens, vaarwel! Wilde
ik deze zaak ernstiger behandelen dan ik gedaan heb, dan zou ik uw
gevoel kwetsen; ging ik ze met stilzwijgen voorbij, dan zou ik mij
zelven in een dubbelzinnig daglicht plaatsen.”
Het gevolg van dezen brief was, dat Mannering, nadat hij den
trouweloozen bode met de noodige volmacht voor Mac-Morlan, tot het
koopen van de heerlijkheid Ellangowan, afgezonden had, zijn paard weêr
naar het zuiden wendde en zich nergens ophield, tot dat hij de woning
van zijn vriend Mervyn, aan den oever van een der meren van
Westmoreland bereikt had.