ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Ons Grietje is ’n slordige meid, geeft niets om onze lessen;

Een dochter is een last voorwaar, die niet loont onze zorgen,

Want, is zij eenmaal opgeschikt en klaar op allen zessen,

Werpt zij zich weg zoodra zij kan, liever van daag dan morgen.

Bedelaars-opera.

Na den dood van Bertram had Mannering eene kleine reis ondernomen, met

het voornemen, vóor den verkoop van het goed Ellangowan terug te komen.

Hij bezocht dus Edinburg en meer andere plaatsen, maar op zijn

terugreis naar het zuidwestelijk gedeelte van Schotland, waar ons

verhaal te huis behoort, ontving hij in eene stad, omstreeks dertig

uren van Kippletringan verwijderd, een brief van zijn vriend Mervyn,

welks inhoud niet zeer aangenaam voor hem was. Wij hebben ons het recht

aangematigd de geheimen van den heer Mannering mede te deelen en zullen

dus den lezer een uittreksel aanbieden van hetgeen zijn vriend hem

schreef.

„Vergeef mij, waarde vriend, dat ik u de smart veroorzaakt heb, de

pijnlijke wonden, waarover gij in uw brief schrijft, weder open te

scheuren. Ik had altoos gehoord, ofschoon het misschien onwaar is, dat

Brown’s oplettendheden uwe dochter gegolden hadden. Doch, hoe dit ook

geweest zij, het was niet te veronderstellen, dat zijne stoutheid, in

uwe omstandigheden, onopgemerkt en ongestraft zou blijven. Verstandige

mannen zeggen, dat wij het ons aangeboren recht van zelfverdediging

slechts aan de burgerlijke maatschappij afstaan, op die voorwaarde, dat

de bepalingen der wet ons beschermen zullen. Waar dit niet geschieden

kan, vindt de afstand geene plaats. Niemand zal, bij voorbeeld,

beweren, dat ik niet even goed als een Indiaansche wilde, die wetten

noch overheid erkent, gerechtigd ben, mijne beurs en mijn leven tegen

eenen struikroover te verdedigen. De vraag, of ik mij onderwerpen moet

of wederstand bieden mag, moet door mijn toestand en mijne hulpmiddelen

beslist worden. Indien ik echter, gewapend en gelijk in sterkte,

onrecht en geweld van iemand, hij zij mijn meerdere of mindere, duld,

zonder mij er tegen te verzetten, zal dit bezwaarlijk in mij of iemand

anders, ten zij eenen kwaker, aan godsdienstig of zedelijk gevoel

toegeschreven worden. Met een aanval op mijne eer, is het naar mijn

inzien nagenoeg hetzelfde geval. De beleediging, ofschoon onbeduidend

in zich zelve, heeft veel gewichtiger gevolgen voor het volgend leven,

dan het kwaad of nadeel, dat een straatroover iemand kan doen; en

herstel of vergoeding er van staat veel minder in de macht der openbare

gerechtigheid, of liever is volstrekt buiten haar bereik. Indien iemand

mij, Arthur Mervyn, van mijne beurs berooven wilde en ik eene middelen

tot verdediging, of geen verstand of moed had om ze te gebruiken, zou

het gerechtshof te Lancaster of Carlisle mij, door het ophangen van den

roover, recht verschaffen. – Maar wie zal zeggen, dat ik verplicht ben

op dit recht te wachten en mij eerst te laten uitplunderen, indien ik

zelf de middelen en den moed heb, om mijn eigendom te beschermen? Maar

indien mij eene beleediging aangedaan wordt, welke ik niet verdragen

kan zonder mijn karakter, bij mannen van eer, voor altijd te bezoedelen

en waarvoor de twaalf opperrechters van Engeland, benevens den

Grootkanselier mij geene vergoeding kunnen geven, hoe kan dan de wet of

de rede mij verbieden, datgene te beschermen, dat ieder man van eer

veel dierbaarder zijn moet en is, dan zijn geheel vermogen? Over het

godsdienstig gezichtspunt van de zaak wil ik niet spreken, voor dat ik

een eerwaardig geestelijke vind, die zelfverdediging, zoowel van leven

als van eigendom, veroordeelt. Indien men hare geoorloofdheid in dat

geval toestemt, kan men, dunkt mij, weinig onderscheid maken tusschen

verdediging van leven en vermogen, en verdediging van goeden naam en

eer. Dat deze laatsten door lieden van een geheel anderen stand in de

maatschappij, misschien van onbesmette zeden en onbesproken karakter,

aangerand kunnen worden, kan mijn wettig recht van zelfverdediging niet

in den weg staan. Het kan mij smarten, dat de omstandigheden mij in een

strijd met zoo iemand gewikkeld hebben; maar dezelfde smart zou ik

gevoelen, wanneer een edele vijand, in een burgeroorlog, onder mijn

zwaard viel. Ik wil niet verder over deze zaak met de Casuïsten

twisten, maar alléen nog aanmerken, dat ik door het geschrevene noch

den vechter van beroep, noch den aanvaller, in eene zaak van eer

verdedigen wil. Het is alleen mijn doel hem te verontschuldigen, die

door eene beleediging, welke niemand, zonder voor altijd zijn aanzien

en zijne achting in de maatschappij te verliezen, geduldig verdragen

kan, tot den strijd gedwongen wordt.

„Het spijt mij, dat gij voornemens zijt u in Schotland neer te zetten;

het verheugt mij echter, dat de afstand niet onmetelijk en de ligging

geheel in ons voordeel is. Van Devonshire naar Westmoreland te reizen,

kon eenen Oost-Indiër doen huiveren; maar een uitstap van Galloway of

Dumfriesshire naar ons, brengt hem eene schrede, ofschoon dan ook maar

eene kleine, nader bij de zon. Indien overigens, zoo als ik

veronderstel, het oude spookslot, waarin gij vóór vier of vijf en

twintig jaren, op uwe reis door het noorden van Schotland, voor

sterrewichelaar gespeeld hebt, tot het landgoed behoort, dat gij op het

oog hebt, dan kan ik ook niet hopen, dat gij u van den koop zult laten

afschrikken, daar ik u dat tooneel te dikwijls met kluchtige zalving

heb hooren verhalen. Ik hoop nochtans, dat de gastvrije heer nog in het

land der levenden is en dat zijn kapelaan, om wien gij ons zoo dikwijls

hebt doen lachen, deze wereld ook nog niet verlaten heeft.

„Kon ik mijn brief hier maar sluiten, waarde Mannering! want het valt

mij ten uiterste moeielijk u het verdere te verhalen, ofschoon ik u

vooruit verzekeren kan, dat gij voor geen opzettelijk wangedrag van

mijne tegenwoordige pupil, Julia Mannering, behoeft te vreezen. Maar ik

wil, als altijd, kort wezen. Zie hier de zaak, in weinige woorden.

„Uwe dochter heeft veel van den romantischen aard van haar vader, en

tevens iets van de zucht naar bewondering, welke alle schoone vrouwen

min of meer eigen is. Bovendien zal zij waarschijnlijk uwe erfgename

zijn; eene omstandigheid van weinig gewicht voor hen, die Julia met

mijne oogen beschouwen; maar een machtig lokaas voor schijnheiligen,

listigen en onwaardigen. Gij weet, hoe ik met haar over hare stille

zwaarmoedigheid, over hare eenzame wandelingen, des morgens vóor dat er

iemand op is en des avonds bij maanlicht, wanneer alles te bed ligt of,

wat hier hetzelfde is, aan de speeltafel zit, geschertst heb. Het

voorval, dat ik u hier verhalen zal, zou ook wel als eene scherts

beschouwd kunnen worden; maar ik wilde liever, dat de scherts van u dan

van mij kwam.

„In de laatste veertien dagen hoorde ik een paar malen laat in den

nacht, of zeer vroeg in den morgen, het kleine Hindo-liedje, waarmede

uwe dochter zoo ingenomen is, op de fluit blazen. Ik dacht in het eerst

dat de eene of andere bediende, die veel van muziek hield en des daags

aan zijne neiging voor deze kunst niet voldoen kon, dit stille uur

gekozen had, om de tonen, welke hij misschien onder zijn werk gehoord

had, na te volgen. Maar gisteren avond zat ik laat op mijn

studeervertrek, dat vlak onder Julia’s kamer is, en hoorde, tot mijne

verwondering, niet alleen duidelijk de fluit, maar werd ook overtuigd,

dat de tonen van het meer, onder het venster, kwamen. Nieuwsgierig, te

weten, wie ons op zulk een ongewoon uur eene serenade bracht, sloop ik

zachtjes naar mijn venster. Er waren echter andere bespieders dan ik.

Gij zult u herinneren, dat Julia dit vertrek verkoos, wegens een balkon

vóor het venster, dat op het meer uitzag. Ik hoorde, dat het venster en

de blinden opengedaan werden en dat zij met iemand sprak die van

beneden antwoordde. Ik kon mij in hare stem niet bedriegen; ik hoorde

ze te duidelijk, en de toon was zacht en vleiend. Om der waarheid niet

te kort te doen, moet ik hier nog bijvoegen, dat de stem van beneden

uiterst teêr en hartstochtelijk luidde; maar van den inhoud van het

gesprek kan ik niets zeggen. Ik schoof mijn venster open, om iets meer

van dit Spaansche rendez-vous te hooren; maar, hoe voorzichtig ik het

ook deed, werd het sprekende paar toch door het geraas gestoord, en

oogenblikkelijk werd Julia’s venster dichtgemaakt en de blinden

gesloten. Het slaan van een paar riemen in het water verried mij, dat

de mannelijke deelhebber in het gesprek zich verwijderde. Ik zag ook

inderdaad zijn schuitje, dat hij zeer behendig bestuurde, pijlsnel over

het meer vliegen. Den volgenden morgen ondervroeg ik, schijnbaar

onverschillig, eenigen der dienstboden, en hoorde dat de jachtopziener,

bij het doen der gewone ronden, tweemaal die boot, met éen man er in,

onder het huis gezien en de fluit gehoord had. Ik durfde geen verder

onderzoek doen, uit vrees van Julia onder verdenking te brengen bij

hen, die ik daarnaar vragen moest. Bij het ontbijt liet ik mij, als bij

toeval, een enkel woord over de muziek van den vorigen nacht ontvallen,

en verzeker u, dat uwe dochter beurtelings bloosde en verbleekte. Ik

gaf aanstonds eene wending aan de zaak, welke haar kon doen denken, dat

mijne aanmerking enkel toevallig was. Sedert dien tijd brandt er een

licht op mijne studeerkamer, en laat ik de blinden open, om onzen

nachtelijken gast van zijne bezoeken af te schrikken, en heb, wegens

het gure weder en de vochtige nevels van den naderenden winter,

verzocht hare eenzame wandelingen te staken. Zij onderwierp zich

hieraan met eene lijdelijkheid, die volstrekt niet in haar karakter

ligt, en welke mij, om de waarheid te zeggen, bij de geheele zaak het

minst van alles aanstaat. Julia heeft te veel van den inborst van haar

waarden vader, om zich geduldig in hare neigingen te laten dwarsboomen,

indien zij niet bij zich zelve eenigszins overtuigd ware, dat het

voorzichtig is, allen twist te vermijden.

„Hiermede is mijn verhaal geëindigd, en nu moogt gij beoordeelen, wat u

te doen staat. Ik heb mijne goede vrouw niets van de geheele zaak

gezegd, daar zij, de zwakheden van haar geslacht gaarne willende

bemantelen, er zeker veel tegen in te brengen zou hebben, dat ik u

hiervan kennis gaf. Misschien had zij ook wel in het hoofd gekregen, om

op Julia hare welsprekendheid te oefenen, welke hier, vrees ik, meer

kwaads dan goeds gedaan zou hebben, hoe machtig die ook zijn moge,

wanneer zij tegen mij, op wettige wijze, gericht is. Mogelijk zult gij

het zelf ook het voorzichtigst oordeelen, u te houden, als of gij van

dit voorval niets wist, en uwe dochter daarover niet te onderhouden.

Julia gelijkt zeer veel op zekeren vriend van mij: zij heeft eene

vlugge en levendige verbeeldingskracht en een fijn gevoel, waardoor

dikwijls zoo wel het goede als het kwade, dat men in het leven vindt,

overdreven wordt. Het is nochtans een bekoorlijk meisje, even

edelmoedig en geestig, als beminnelijk. Ik heb haar den kus, dien gij

haar gezonden hebt, van ganscher harte gegeven en, tot belooning, tikte

zij mij geducht op de vingers. Voorts bid ik u, kom zoo spoedig terug

als gij kunt, en verlaat u intusschen op de zorg van uw getrouwen

vriend,

Arthur Mervyn.

P. S. Gij zult natuurlijk wenschen te weten, of ik ook in de verte kan

gissen wie de nachtelijke fluitspeler is. Dat kan ik waarlijk niet.

Hier in den omtrek is geen jongeling, door rang en vermogen gerechtigd

naar de hand van uwe dochter te dingen, van wien ik denken kan, dat hij

zulk eene rol zou spelen. Maar aan de andere zijde van het meer, bijna

recht tegenover Mervyn-Hall, is eene verwenschte kroeg, de

verblijfplaats van allerhande voetgangers, dichters, tooneelspelers,

schilders en muziekanten, die daar komen en over ons schilderachtig

land raaskallen, verzen maken en allerhande zotheden begaan. Onze

landstreek moet wezenlijk eenigszins voor ware schoonheden boeten,

omdat daardoor deze zwerm van gekken hier heen gelokt wordt. Ware Julia

mijne dochter, dan zou ik ten haren opzichte het meest voor een’ van

deze kwasten bevreesd zijn. Zij is grootmoedig en romanesk en schrijft

iedere week zes vellen vol aan eene vriendin, en in zulk een geval is

het eene erge zaak, gebrek aan een onderwerp te hebben, hetzij dat men

het gevoel of ook slechts de pen wil oefenen. Nog eens, vaarwel! Wilde

ik deze zaak ernstiger behandelen dan ik gedaan heb, dan zou ik uw

gevoel kwetsen; ging ik ze met stilzwijgen voorbij, dan zou ik mij

zelven in een dubbelzinnig daglicht plaatsen.”

Het gevolg van dezen brief was, dat Mannering, nadat hij den

trouweloozen bode met de noodige volmacht voor Mac-Morlan, tot het

koopen van de heerlijkheid Ellangowan, afgezonden had, zijn paard weêr

naar het zuiden wendde en zich nergens ophield, tot dat hij de woning

van zijn vriend Mervyn, aan den oever van een der meren van

Westmoreland bereikt had.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 18 / 75 题