Jan Schraap, – mijn goed, mijn goud zijn weg,
Koop nu mijn land van mij!
Geef me wat goud, o brave Jan,
Mijn land ten uwe zij!
Jan ving daarop te rekenen aan;
De som kwam keurig uit;
Hij gaf hem voor elken schellings waard
Niet meer dan twee drie duit.
De Erfgenaam van Linne.
De Jan Schraap van Ellangowan was nog knapper dan die van wien de
dichter spreekt. Het gelukte hem bezit van de landerijen te krijgen
zonder een enkelen duit uit te betalen.
Zoodra Lucie Bertram deze smartelijke en, in de laatste dagen, geheel
onverwachte tijding kreeg, bespoedigde zij hare toebereidselen, om
onverwijld de vaderlijke woning te verlaten. Mac-Morlan bood haar
hierbij de behulpzame hand en verzocht haar zoo vriendelijk en
dringend, om in zijn huis te vertoeven tot zij antwoord van hare nicht
ontvangen, of een vast levensplan gemaakt zoude hebben, dat zij meende,
zulk eene welgemeende en hartelijke uitnoodiging niet van de hand te
kunnen wijzen zonder onbeleefd te zijn. De echtgenoote van Mac-Morlan
was eene zeer beschaafde vrouw, door geboorte en manieren best
berekend, om zulk een bezoek te ontvangen en Lucie het verblijf in haar
huis aangenaam te maken. Daar juffrouw Bertram nu niet langer voor
huisvesting behoefde te zorgen en van eene vriendelijke ontvangst
verzekerd was, maakte zij zich met een lichter hart gereed, om den
weinigen dienstboden van haren vader hun loon te betalen en vaarwel te
zeggen, wat, door de plaats hebbende omstandigheden, dubbel treffend
voor haar moest zijn. Zij ontvingen allen nog eene kleinigheid, boven
hetgeen zij te vorderen hadden, en namen onder dankzeggingen en
heilwenschen afscheid van hunne jonge meesteres. Er bleef niemand meer
in het vertrek dan de heer Mac-Morlan, die gekomen was om zijn gast
naar zijn huis te geleiden, dominé Sampson en Lucie Bertram.
„En nu,” zeide het arme meisje, „nu moet ik nog een’ mijner oudste en
beste vrienden vaarwel zeggen. God zegene u, beste Mijnheer Sampson, en
vergelde u al het goede, dat gij, vooral door uw’ onderricht, aan mij
gedaan hebt, en beloone u voor uwe vriendschap jegens mijn gestorven
vader! Ik hoop, dat ik nog dikwijls van u mag hooren!” Met deze woorden
drukte zij hem een papier met eenige goudstukken in de hand en stond
op, om de kamer te verlaten.
Sampson stond ook op, maar bleef sprakeloos van verbazing voor haar
staan. Het denkbeeld, van Lucie te scheiden, waarheen deze zich ook
mocht begeven, was in zijne eenvoudige ziel niet opgekomen. Hij legde
het geld op de tafel.
„Het is zeker te weinig,” zeide Mac-Morlan, die Sampson’s bedoeling
verkeerd opvatte, „maar de tegenwoordige omstandigheden –”
Sampson wenkte ongeduldig met de hand. „Het is niet om het geld,” zeide
hij, „om het geld is het niet – maar dat ik, die gedurende meer dan
twintig jaren mij aan haars vaders disch verzadigd heb, haar nu
verlaten, haar in smart en droefheid verlaten zal. – Neen, juffrouw
Lucie, dat kan uwe bedoeling niet zijn! Gij zoudt uws vaders ouden hond
niet verstooten, en zoudt gij mij erger behandelen dan een dier? Neen,
Lucie Bertram! zoo lang ik leef, kan ik niet van u scheiden. Ik zal u
niet tot last zijn, daar zal ik wel voor zorgen. Maar, gelijk Ruth tot
Naomi sprak: „verg niet dat ik u verlaten en zonder u terug zou keeren.
Waar gij henen gaat, zal ik henen gaan waar gij blijft, daar zal ik
blijven; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; waar gij sterft,
daar zal ik sterven en ook mijn graf hebben. Jehova straffe mij, zoo
iets, dan de dood alleen, ons van elkander zal scheiden.”
Bij deze woorden, het langste antwoord dat Sampson ooit gegeven had,
stroomden den goeden man de tranen uit de oogen. Lucie en Mac-Morlan
werden, door deze onverwachte uitbarsting van zijn gevoel en de uiting
van zijne onwankelbare gehechtheid, diep getroffen.
„Sampson,” zeide Mac-Morlan met vochtige oogen, „mijn huis is groot
genoeg; indien gij daar vertoeven wilt, zoo lang juffrouw Bertram mij
met haar bezoek wil vereeren, zal ik mij gelukkig rekenen, zulk eenen
waardigen en getrouwen vriend onder mijn dak te hebben.”
Om alle mogelijke tegenwerpingen van Lucie tegen het medebrengen van
zulk eenen onverwachten begeleider te voorkomen, voegde hij er op
kiesche wijze bij: „mijne zaken vorderen dikwijls eenen beteren
rekenaar, dan ik onder mijne klerken heb; het zou mij dus zeer
aangenaam zijn, als gij mij nu en dan daarbij wildet helpen.”
„Zeer gaarne, zeer gaarne,” antwoordde Sampson levendig; „ik versta het
gewone en het Italiaansche boekhouden.”
De voerman, die intusschen in de kamer gekomen was, om te berichten dat
het rijtuig gereed stond, was onbemerkt getuige van alles en verzekerde
naderhand aan de waardin van Kippletringan, dat „dit het roerendste en
treffendste tooneel was, dat hij ooit gezien had, het sterven van den
grijzen schimmel was er niets bij.” Deze onbeduidende omstandigheid had
later gewichtige gevolgen voor Sampson.
Mevrouw Mac-Morlan heette hare gasten hartelijk welkom. Haar gemaal
vertelde haar, even als den overigen huisgenooten, dat hij Sampson’s
hulp tot het uitpluizen van eenige verwarde rekeningen noodig had, en
dat deze, gemakshalve, zoo lang dit duurde, bij hem zoude inwonen.
Mac-Morlan’s wereldkennis bewoog hem de zaak op deze wijze voor te
stellen, daar hij wel inzag, dat Sampson, hoe eerbiedwaardig zijne
trouwe verkleefdheid zoo wel voor zijn hart als voor de familie
Ellangowan ook was, nochtans ongeschikt was als gezelschap van de dames
en, over het geheel, als begeleider van een mooi, jong meisje van
zeventien jaar, een vrij belachelijke figuur maakte.
Sampson verrichtte alles, wat Mac-Morlan hem toevertrouwde, met veel
ijver. Spoedig bemerkte men echter, dat hij iederen morgen, na het
ontbijt, op een bepaald uur verdween en tegen den tijd van het
middagmaal terug kwam. Den namiddag besteedde hij aan het kantoorwerk.
Eindelijk trad hij op een Zaterdag met zegevierende blikken voor
Mac-Morlan en legde twee goudstukken op tafel. „Waartoe moet dat
dienen, Sampson?” vroeg deze.
„Ten eerste, om u voor de onkosten, welke ik u veroorzaak, schadeloos
te stellen; het overige is ten behoeve van Mejuffrouw Bertram.”
„Maar, beste Sampson, uw werk op mijn kantoor vergoedt mij alles
rijkelijk; ik blijf nog in uw schuld, vriend!”
„Dan is alles voor juffrouw Bertram,” hernam Sampson dadelijk.
„Maar dominé! maar dit geld –”
„Is eerlijk verdiend, Mijnheer Mac-Morlan! Het is de milde belooning
van een jongen heer, dien ik dagelijks drie uren onderwijs in de oude
talen geef.”
Na eenige vragen bleek het, dat deze milde leerling niemand anders dan
de jonge Hazlewood was. Deze nam zijne lessen ten huize van vrouw
Candlisch, die Sampson’s belangelooze verkleefdheid overal ten hoogste
roemde en hem daardoor zulk eenen onvermoeiden en edelmoedigen leerling
verschaft had.
Mac-Morlan was hierover zeer verwonderd. Dominé Sampson was wel een
zeer geleerd en uitmuntend man en de klassieke schrijvers waren zonder
twijfel wel waard gelezen te worden; maar dat een jongeling van twintig
jaren zulk eene vurige zucht voor de letteren zou hebben, dat hij
dagelijks een paar uren ver heen en terug reed, enkel om onderwijs van
Sampson te ontvangen, kwam hem toch vrij ongeloofelijk voor. Er was
weinig list noodig, om Sampson uit te hooren, daar de eerlijke man
nooit aan strikvragen dacht. „Weet juffrouw Bertram wel, hoe gij uwen
tijd besteedt, vriend?”
„Tot nog toe niet. Mijnheer Karel Hazlewood heeft mij bevolen, dat voor
haar geheim te houden, uit vrees, dat zij anders zwarigheid zou maken,
den kleinen bijstand, die hieruit voor haar voortvloeit, aan te nemen;
maar het kan zeker niet lang voor haar verborgen blijven, daar de jonge
heer voornemens is, bij gelegenheid, zijne lessen hier in huis te
nemen.”
„Zoo! zoo! Is dat zijn bedoeling. Nu wordt het mij duidelijk. Maar zeg
mij eens, Sampson, brengt gij deze drie uren enkel met lessen en
vertalen door?”
„Dat juist niet, wij voeren tusschenbeide ook wel gesprekken, om het
leeren te veraangenamen: Neque semper arcum tendit Apollo.” (Apollo
houdt den boog niet altijd gespannen.)
Mac-Morlan vroeg verder naar den hoofdinhoud van die gesprekken.
„Wij spreken over onze voormalige ontmoetingen op Ellangowan, maar ook
zeer dikwijls over juffrouw Lucie. Mijn leerling gelijkt in dat opzicht
op mij, Mijnheer Mac-Morlan. Wanneer ik over haar begin te spreken,
weet ik nooit wanneer ik ophouden zal; en, zoo als ik dikwerf
schertsende zeg,” voegde hij er bij; „zij ontrooft ons de helft onzer
uren.”
„Zoo, zoo,” dacht Mac-Morlan, „waait de wind uit dien hoek!” Hij had
ook reeds vroeger iets van eene goede verstandhouding tusschen de jonge
lieden gehoord.
Hij overlegde nu, welke houding voor Lucie en ook voor hem zelven het
raadzaamst zou zijn, daar de oude Hazlewood machtig rijk, eerzuchtig en
wraakgierig was, en bij eene verbintenis voor zijn zoon bovenal rijkdom
en aanzien verlangde. Eindelijk besloot hij, bij de eerste gelegenheid,
dat hij Lucie, van wier verstand en doorzicht hij een gunstig denkbeeld
koesterde, alleen zoude aantreffen, haar de zaak als een onbeduidend
nieuws mede te deelen. Dit deed hij zoo natuurlijk mogelijk. „Ik wensch
u geluk, juffrouw Bertram, met onzen vriend Sampson’s fortuin; hij
heeft een’ leerling gekregen, die hem voor zes lessen in de week in het
Grieksch en Latijn twee guinjes betaalt.”
„Waarlijk? dat verheugt mij evenzeer, als het mij verwondert. Maar wie
kan zoo edelmoedig zijn? Is kolonel Mannering teruggekomen?”
„Neen, neen, de kolonel Mannering niet; maar wat denkt gij van uw
kennis Karel Hazlewood? Hij spreekt er over, om zijne lessen hier te
nemen. Ik hoop, dat wij dit zullen kunnen schikken.”
Een hooge blos bedekte Lucie’s wangen. „Om ’s hemels wil, Mijnheer
Mac-Morlan!” zeide zij, „veroorloof dat niet; Karel Hazlewood heeft
daarover reeds verdriet genoeg gehad.”
„Over de klassieke schrijvers, mijne lieve? Het gaat den meesten jongen
heeren zeker wel eens zoo; maar tegenwoordig studeert hij uit eigene
verkiezing.”
Lucie antwoordde niet en haar gastheer deed geene pogingen om het
gesprek verder voort te zetten, daar zij over zijn bericht scheen na te
denken om bij zich zelve een besluit te nemen.
Den volgenden dag vond zij gelegenheid, om met Sampson te spreken. Zij
betuigde hem zeer vriendelijk haren hartelijken dank voor zijne
belangelooze gehechtheid en hare vreugde over zijne voordeelige lessen,
maar gaf hem tevens te kennen, dat de wijze, waarop hij thans het
opzicht over Karel Hazlewood’s studiën hield, zoo lastig voor zijn
leerling zijn moest, dat hij beter doen zoude, zoo lang dit onderwijs
duurde, van haar te scheiden en bij zijn kweekeling in huis, of, ten
minste, zoo dicht mogelijk bij hem te wonen.
Sampson wilde, zoo als zij wel verwacht had, van dit voorstel niets
hooren. Hij wilde haar niet verlaten, al kon hij ook onderwijzer van
den prins van Walles worden. „Maar ik zie het wel,” voegde hij er bij;
„gij zijt te trotsch, om mijnen bijstand aan te nemen; ik word u
misschien tot last.”
„Neen, waarlijk niet! Gij waart mijns vaders oudste en bijna eenige
vriend. Ik ben niet trotsch, dat weet God; ik heb er geene reden toe.
In andere dingen kunt gij doen, wat u goed dunkt; maar doe mij het
genoegen en zeg den jongen Hazlewood, dat gij met mij over zijne
studiën gesproken hebt en dat ik van gevoelen was, dat er niet aan te
denken, ja dat het onmogelijk voor hem zou zijn, zijne lessen hier in
huis te nemen.”
Sampson verliet haar geheel ter neer geslagen, en toen hij de deur
dicht deed, kon hij zich niet weerhouden, de uitroeping van Virgilius
over de veranderlijkheid der vrouwen, „varium et mutabile,” tusschen de
tanden te mompelen. Den volgenden dag kwam hij met een droevig gelaat
bij Lucie en overhandigde haar een brief. „Karel Hazlewood wil met
zijne lessen uitscheiden,” zeide hij; „maar hij heeft mij grootmoedig
schadeloos gesteld voor hetgeen ik hierbij verlies. Hoe zal hij echter
zich zelven het verlies der kundigheden, welke hij onder mijne leiding
verkregen zou hebben, vergoeden? Ook ten opzichte van het schrijven had
hij mijn onderwijs zoo noodig. Hij besteedde een geheel uur, om dit
kleine briefje te schrijven, en bedierf vier pennen en menig vel
papier. In drie weken zou hij eene vaste, vlugge, duidelijke, leesbare
hand gekregen hebben – ik had eenen meesterlijken schrijver van hem
gemaakt. Maar, Gods wil geschiede.”
De brief was kort en vol klachten over de wreedheid van juffrouw
Bertram, die niet alleen weigerde hem te zien, maar hem zelfs niet
vergunnen wilde, zijdelings naar haar welzijn te vernemen en haar
eenigen dienst te bewijzen. Aan het slot verzekerde hij, dat hare
strengheid te vergeefs en niet in staat zou zijn, zijne genegenheid te
doen wankelen.
Sampson kreeg, door medewerking van vrouw Mac-Candlish, wel weder
eenige andere leerlingen, maar van een geheel anderen stand en op verre
na zoo mild niet in het beloonen van zijn onderwijs als Karel
Hazlewood. Hij verdiende iets en stelde er zijnen grootsten roem in,
zijne geringe verdiensten, waarvan hij slechts eene kleinigheid voor
rook- en snuiftabak aftrok, wekelijks aan Mac-Morlan ter hand te
stellen.
En nu moeten wij Kippletringan verlaten, om naar den held onzer
geschiedenis om te zien, opdat onze lezers niet vreezen mogen, hem nog
eenmaal gedurende een vierde van eene eeuw uit het oog te verliezen.