VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Jan Schraap, – mijn goed, mijn goud zijn weg,

Koop nu mijn land van mij!

Geef me wat goud, o brave Jan,

Mijn land ten uwe zij!

Jan ving daarop te rekenen aan;

De som kwam keurig uit;

Hij gaf hem voor elken schellings waard

Niet meer dan twee drie duit.

De Erfgenaam van Linne.

De Jan Schraap van Ellangowan was nog knapper dan die van wien de

dichter spreekt. Het gelukte hem bezit van de landerijen te krijgen

zonder een enkelen duit uit te betalen.

Zoodra Lucie Bertram deze smartelijke en, in de laatste dagen, geheel

onverwachte tijding kreeg, bespoedigde zij hare toebereidselen, om

onverwijld de vaderlijke woning te verlaten. Mac-Morlan bood haar

hierbij de behulpzame hand en verzocht haar zoo vriendelijk en

dringend, om in zijn huis te vertoeven tot zij antwoord van hare nicht

ontvangen, of een vast levensplan gemaakt zoude hebben, dat zij meende,

zulk eene welgemeende en hartelijke uitnoodiging niet van de hand te

kunnen wijzen zonder onbeleefd te zijn. De echtgenoote van Mac-Morlan

was eene zeer beschaafde vrouw, door geboorte en manieren best

berekend, om zulk een bezoek te ontvangen en Lucie het verblijf in haar

huis aangenaam te maken. Daar juffrouw Bertram nu niet langer voor

huisvesting behoefde te zorgen en van eene vriendelijke ontvangst

verzekerd was, maakte zij zich met een lichter hart gereed, om den

weinigen dienstboden van haren vader hun loon te betalen en vaarwel te

zeggen, wat, door de plaats hebbende omstandigheden, dubbel treffend

voor haar moest zijn. Zij ontvingen allen nog eene kleinigheid, boven

hetgeen zij te vorderen hadden, en namen onder dankzeggingen en

heilwenschen afscheid van hunne jonge meesteres. Er bleef niemand meer

in het vertrek dan de heer Mac-Morlan, die gekomen was om zijn gast

naar zijn huis te geleiden, dominé Sampson en Lucie Bertram.

„En nu,” zeide het arme meisje, „nu moet ik nog een’ mijner oudste en

beste vrienden vaarwel zeggen. God zegene u, beste Mijnheer Sampson, en

vergelde u al het goede, dat gij, vooral door uw’ onderricht, aan mij

gedaan hebt, en beloone u voor uwe vriendschap jegens mijn gestorven

vader! Ik hoop, dat ik nog dikwijls van u mag hooren!” Met deze woorden

drukte zij hem een papier met eenige goudstukken in de hand en stond

op, om de kamer te verlaten.

Sampson stond ook op, maar bleef sprakeloos van verbazing voor haar

staan. Het denkbeeld, van Lucie te scheiden, waarheen deze zich ook

mocht begeven, was in zijne eenvoudige ziel niet opgekomen. Hij legde

het geld op de tafel.

„Het is zeker te weinig,” zeide Mac-Morlan, die Sampson’s bedoeling

verkeerd opvatte, „maar de tegenwoordige omstandigheden –”

Sampson wenkte ongeduldig met de hand. „Het is niet om het geld,” zeide

hij, „om het geld is het niet – maar dat ik, die gedurende meer dan

twintig jaren mij aan haars vaders disch verzadigd heb, haar nu

verlaten, haar in smart en droefheid verlaten zal. – Neen, juffrouw

Lucie, dat kan uwe bedoeling niet zijn! Gij zoudt uws vaders ouden hond

niet verstooten, en zoudt gij mij erger behandelen dan een dier? Neen,

Lucie Bertram! zoo lang ik leef, kan ik niet van u scheiden. Ik zal u

niet tot last zijn, daar zal ik wel voor zorgen. Maar, gelijk Ruth tot

Naomi sprak: „verg niet dat ik u verlaten en zonder u terug zou keeren.

Waar gij henen gaat, zal ik henen gaan waar gij blijft, daar zal ik

blijven; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; waar gij sterft,

daar zal ik sterven en ook mijn graf hebben. Jehova straffe mij, zoo

iets, dan de dood alleen, ons van elkander zal scheiden.”

Bij deze woorden, het langste antwoord dat Sampson ooit gegeven had,

stroomden den goeden man de tranen uit de oogen. Lucie en Mac-Morlan

werden, door deze onverwachte uitbarsting van zijn gevoel en de uiting

van zijne onwankelbare gehechtheid, diep getroffen.

„Sampson,” zeide Mac-Morlan met vochtige oogen, „mijn huis is groot

genoeg; indien gij daar vertoeven wilt, zoo lang juffrouw Bertram mij

met haar bezoek wil vereeren, zal ik mij gelukkig rekenen, zulk eenen

waardigen en getrouwen vriend onder mijn dak te hebben.”

Om alle mogelijke tegenwerpingen van Lucie tegen het medebrengen van

zulk eenen onverwachten begeleider te voorkomen, voegde hij er op

kiesche wijze bij: „mijne zaken vorderen dikwijls eenen beteren

rekenaar, dan ik onder mijne klerken heb; het zou mij dus zeer

aangenaam zijn, als gij mij nu en dan daarbij wildet helpen.”

„Zeer gaarne, zeer gaarne,” antwoordde Sampson levendig; „ik versta het

gewone en het Italiaansche boekhouden.”

De voerman, die intusschen in de kamer gekomen was, om te berichten dat

het rijtuig gereed stond, was onbemerkt getuige van alles en verzekerde

naderhand aan de waardin van Kippletringan, dat „dit het roerendste en

treffendste tooneel was, dat hij ooit gezien had, het sterven van den

grijzen schimmel was er niets bij.” Deze onbeduidende omstandigheid had

later gewichtige gevolgen voor Sampson.

Mevrouw Mac-Morlan heette hare gasten hartelijk welkom. Haar gemaal

vertelde haar, even als den overigen huisgenooten, dat hij Sampson’s

hulp tot het uitpluizen van eenige verwarde rekeningen noodig had, en

dat deze, gemakshalve, zoo lang dit duurde, bij hem zoude inwonen.

Mac-Morlan’s wereldkennis bewoog hem de zaak op deze wijze voor te

stellen, daar hij wel inzag, dat Sampson, hoe eerbiedwaardig zijne

trouwe verkleefdheid zoo wel voor zijn hart als voor de familie

Ellangowan ook was, nochtans ongeschikt was als gezelschap van de dames

en, over het geheel, als begeleider van een mooi, jong meisje van

zeventien jaar, een vrij belachelijke figuur maakte.

Sampson verrichtte alles, wat Mac-Morlan hem toevertrouwde, met veel

ijver. Spoedig bemerkte men echter, dat hij iederen morgen, na het

ontbijt, op een bepaald uur verdween en tegen den tijd van het

middagmaal terug kwam. Den namiddag besteedde hij aan het kantoorwerk.

Eindelijk trad hij op een Zaterdag met zegevierende blikken voor

Mac-Morlan en legde twee goudstukken op tafel. „Waartoe moet dat

dienen, Sampson?” vroeg deze.

„Ten eerste, om u voor de onkosten, welke ik u veroorzaak, schadeloos

te stellen; het overige is ten behoeve van Mejuffrouw Bertram.”

„Maar, beste Sampson, uw werk op mijn kantoor vergoedt mij alles

rijkelijk; ik blijf nog in uw schuld, vriend!”

„Dan is alles voor juffrouw Bertram,” hernam Sampson dadelijk.

„Maar dominé! maar dit geld –”

„Is eerlijk verdiend, Mijnheer Mac-Morlan! Het is de milde belooning

van een jongen heer, dien ik dagelijks drie uren onderwijs in de oude

talen geef.”

Na eenige vragen bleek het, dat deze milde leerling niemand anders dan

de jonge Hazlewood was. Deze nam zijne lessen ten huize van vrouw

Candlisch, die Sampson’s belangelooze verkleefdheid overal ten hoogste

roemde en hem daardoor zulk eenen onvermoeiden en edelmoedigen leerling

verschaft had.

Mac-Morlan was hierover zeer verwonderd. Dominé Sampson was wel een

zeer geleerd en uitmuntend man en de klassieke schrijvers waren zonder

twijfel wel waard gelezen te worden; maar dat een jongeling van twintig

jaren zulk eene vurige zucht voor de letteren zou hebben, dat hij

dagelijks een paar uren ver heen en terug reed, enkel om onderwijs van

Sampson te ontvangen, kwam hem toch vrij ongeloofelijk voor. Er was

weinig list noodig, om Sampson uit te hooren, daar de eerlijke man

nooit aan strikvragen dacht. „Weet juffrouw Bertram wel, hoe gij uwen

tijd besteedt, vriend?”

„Tot nog toe niet. Mijnheer Karel Hazlewood heeft mij bevolen, dat voor

haar geheim te houden, uit vrees, dat zij anders zwarigheid zou maken,

den kleinen bijstand, die hieruit voor haar voortvloeit, aan te nemen;

maar het kan zeker niet lang voor haar verborgen blijven, daar de jonge

heer voornemens is, bij gelegenheid, zijne lessen hier in huis te

nemen.”

„Zoo! zoo! Is dat zijn bedoeling. Nu wordt het mij duidelijk. Maar zeg

mij eens, Sampson, brengt gij deze drie uren enkel met lessen en

vertalen door?”

„Dat juist niet, wij voeren tusschenbeide ook wel gesprekken, om het

leeren te veraangenamen: Neque semper arcum tendit Apollo.” (Apollo

houdt den boog niet altijd gespannen.)

Mac-Morlan vroeg verder naar den hoofdinhoud van die gesprekken.

„Wij spreken over onze voormalige ontmoetingen op Ellangowan, maar ook

zeer dikwijls over juffrouw Lucie. Mijn leerling gelijkt in dat opzicht

op mij, Mijnheer Mac-Morlan. Wanneer ik over haar begin te spreken,

weet ik nooit wanneer ik ophouden zal; en, zoo als ik dikwerf

schertsende zeg,” voegde hij er bij; „zij ontrooft ons de helft onzer

uren.”

„Zoo, zoo,” dacht Mac-Morlan, „waait de wind uit dien hoek!” Hij had

ook reeds vroeger iets van eene goede verstandhouding tusschen de jonge

lieden gehoord.

Hij overlegde nu, welke houding voor Lucie en ook voor hem zelven het

raadzaamst zou zijn, daar de oude Hazlewood machtig rijk, eerzuchtig en

wraakgierig was, en bij eene verbintenis voor zijn zoon bovenal rijkdom

en aanzien verlangde. Eindelijk besloot hij, bij de eerste gelegenheid,

dat hij Lucie, van wier verstand en doorzicht hij een gunstig denkbeeld

koesterde, alleen zoude aantreffen, haar de zaak als een onbeduidend

nieuws mede te deelen. Dit deed hij zoo natuurlijk mogelijk. „Ik wensch

u geluk, juffrouw Bertram, met onzen vriend Sampson’s fortuin; hij

heeft een’ leerling gekregen, die hem voor zes lessen in de week in het

Grieksch en Latijn twee guinjes betaalt.”

„Waarlijk? dat verheugt mij evenzeer, als het mij verwondert. Maar wie

kan zoo edelmoedig zijn? Is kolonel Mannering teruggekomen?”

„Neen, neen, de kolonel Mannering niet; maar wat denkt gij van uw

kennis Karel Hazlewood? Hij spreekt er over, om zijne lessen hier te

nemen. Ik hoop, dat wij dit zullen kunnen schikken.”

Een hooge blos bedekte Lucie’s wangen. „Om ’s hemels wil, Mijnheer

Mac-Morlan!” zeide zij, „veroorloof dat niet; Karel Hazlewood heeft

daarover reeds verdriet genoeg gehad.”

„Over de klassieke schrijvers, mijne lieve? Het gaat den meesten jongen

heeren zeker wel eens zoo; maar tegenwoordig studeert hij uit eigene

verkiezing.”

Lucie antwoordde niet en haar gastheer deed geene pogingen om het

gesprek verder voort te zetten, daar zij over zijn bericht scheen na te

denken om bij zich zelve een besluit te nemen.

Den volgenden dag vond zij gelegenheid, om met Sampson te spreken. Zij

betuigde hem zeer vriendelijk haren hartelijken dank voor zijne

belangelooze gehechtheid en hare vreugde over zijne voordeelige lessen,

maar gaf hem tevens te kennen, dat de wijze, waarop hij thans het

opzicht over Karel Hazlewood’s studiën hield, zoo lastig voor zijn

leerling zijn moest, dat hij beter doen zoude, zoo lang dit onderwijs

duurde, van haar te scheiden en bij zijn kweekeling in huis, of, ten

minste, zoo dicht mogelijk bij hem te wonen.

Sampson wilde, zoo als zij wel verwacht had, van dit voorstel niets

hooren. Hij wilde haar niet verlaten, al kon hij ook onderwijzer van

den prins van Walles worden. „Maar ik zie het wel,” voegde hij er bij;

„gij zijt te trotsch, om mijnen bijstand aan te nemen; ik word u

misschien tot last.”

„Neen, waarlijk niet! Gij waart mijns vaders oudste en bijna eenige

vriend. Ik ben niet trotsch, dat weet God; ik heb er geene reden toe.

In andere dingen kunt gij doen, wat u goed dunkt; maar doe mij het

genoegen en zeg den jongen Hazlewood, dat gij met mij over zijne

studiën gesproken hebt en dat ik van gevoelen was, dat er niet aan te

denken, ja dat het onmogelijk voor hem zou zijn, zijne lessen hier in

huis te nemen.”

Sampson verliet haar geheel ter neer geslagen, en toen hij de deur

dicht deed, kon hij zich niet weerhouden, de uitroeping van Virgilius

over de veranderlijkheid der vrouwen, „varium et mutabile,” tusschen de

tanden te mompelen. Den volgenden dag kwam hij met een droevig gelaat

bij Lucie en overhandigde haar een brief. „Karel Hazlewood wil met

zijne lessen uitscheiden,” zeide hij; „maar hij heeft mij grootmoedig

schadeloos gesteld voor hetgeen ik hierbij verlies. Hoe zal hij echter

zich zelven het verlies der kundigheden, welke hij onder mijne leiding

verkregen zou hebben, vergoeden? Ook ten opzichte van het schrijven had

hij mijn onderwijs zoo noodig. Hij besteedde een geheel uur, om dit

kleine briefje te schrijven, en bedierf vier pennen en menig vel

papier. In drie weken zou hij eene vaste, vlugge, duidelijke, leesbare

hand gekregen hebben – ik had eenen meesterlijken schrijver van hem

gemaakt. Maar, Gods wil geschiede.”

De brief was kort en vol klachten over de wreedheid van juffrouw

Bertram, die niet alleen weigerde hem te zien, maar hem zelfs niet

vergunnen wilde, zijdelings naar haar welzijn te vernemen en haar

eenigen dienst te bewijzen. Aan het slot verzekerde hij, dat hare

strengheid te vergeefs en niet in staat zou zijn, zijne genegenheid te

doen wankelen.

Sampson kreeg, door medewerking van vrouw Mac-Candlish, wel weder

eenige andere leerlingen, maar van een geheel anderen stand en op verre

na zoo mild niet in het beloonen van zijn onderwijs als Karel

Hazlewood. Hij verdiende iets en stelde er zijnen grootsten roem in,

zijne geringe verdiensten, waarvan hij slechts eene kleinigheid voor

rook- en snuiftabak aftrok, wekelijks aan Mac-Morlan ter hand te

stellen.

En nu moeten wij Kippletringan verlaten, om naar den held onzer

geschiedenis om te zien, opdat onze lezers niet vreezen mogen, hem nog

eenmaal gedurende een vierde van eene eeuw uit het oog te verliezen.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 17 / 75 题