VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De klok slaat één – wij letten op den tijd

Alleen als zijne vlucht ons aangekondigd wordt,

’t Was wijs te zorgen, dat men ’t hooren moet.

Plechtig, als englentaal, treft mij der klokken klank.

Young.

De zedeles, welke de dichter zoo kunstig gehaald heeft uit de

noodzakelijke wijze om de vlucht der uren aan te kondigen, mag wel

toegepast worden op het aantal daarvan, die des menschen leven

uitmaken. Wij zien de ouden van jaren, de zwakken, en menschen die in

gevaarlijke ondernemingen gewikkeld zijn, en allen, die als het ware op

den rand van het graf staan, zonder eenige les te trekken uit het

gevaar waarin zij verkeeren, tot hun laatste uur werkelijk geslagen is,

dan, om éen kort oogenblik ten minste:

„– Schrikken ons hoop en vreeze op

En staren bevend over den smallen rand

Van ’s levens afgrond – en zien wat?

Een bodemlooze diepte – en somb’re eeuwigheid,

Die hij niet ontgaat, –

De talrijke nieuwsgierigen en lediggangers, die met het uitzicht van

zich te vermaken, of, zoo als zij het zelven noemden, „om zaken te

doen” op Ellangowan gekomen waren, bekommerden zich er weinig om, wat

zij, die bij deze gelegenheid leden, gevoelden. Weinigen wisten

inderdaad iets van deze ongelukkige familie. De vader, ongelukkig, zwak

van geest en in stille afzondering levende, was sedert vele jaren, als

het ware, door zijne medemenschen vergeten; zijne dochter was onbekend

opgegroeid. Maar toen het bekend werd, dat den ongelukkigen Bertram het

hart door smart gebroken was, toen hij het huis zijner voorvaderen

verlaten moest, werd plotseling eene algemeene deelneming opgewekt,

even als de wateren uit de rotsen stroomen, als de profeet ze met zijn

staf aanraakt. Men sprak met achting van den hoogen ouderdom en den

onbevlekten naam van dit geslacht, en de heilige, aan het ongeluk

verschuldigde, eerbied, waarop in Schotland zelden te vergeefs

aanspraak gemaakt wordt, werd hier met recht betoond.

Mac-Morlan kondigde dadelijk aan, dat de geheele verkoop geen voortgang

zou hebben en dat hij de dochter vooreerst in het bezit zou laten, tot

zij met hare vrienden raadplegen en de begrafenis van haren vader

bezorgen kon.

Bij de algemeene deelneming had Glossin eerst eenige oogenblikken

gezwegen; maar toen hij zag, dat de algemeene verontwaardiging der

menschen niet tegen hem gericht was, verstoutte hij zich, te eischen

dat de verkooping voortgaan zoude.

„Ik neem het op mij, ze uit te stellen,” antwoordde Mac-Morlan, „en ben

verantwoordelijk voor de gevolgen. Ik zal het ook behoorlijk bekend

maken, wanneer de verkoop plaats zal hebben. Het is in ’t voordeel van

alle belanghebbenden, dat de landerijen den hoogstmogelijken prijs

opbrengen, en dat is zeker in dit oogenblik niet te verwachten. Ik neem

alle verantwoordelijkheid op mij.”

Glossin verwijderde zich uit het vertrek en verliet spoedig en

heimelijk het huis, waarschijnlijk tot zijn geluk, daar Hans, de

voerman, reeds bezig was, om eenen talrijken troep barrevoets gaande

jongens te bewijzen, dat het zeer geraden zou zijn, hem met een hagel

van steenen van het landgoed af te jagen.

Eenige vertrekken werden in der haast voor Lucie en het lijk haars

vaders in orde gebracht. Mannering dacht nu, dat zijne verdere

bemiddeling niet meer noodig was en zelfs verkeerd uitgelegd zou kunnen

worden. Bovendien bemerkte hij, dat verscheidene met het geslacht

Ellangowan vermaagschapte familiën, die inderdaad hunne voornaamste

aanspraak op eenig aanzien op deze verwantschap grondden, nu geneigd

waren aan hunne stamboomen eene schatting te betalen, waartoe het

ongeluk van hunne bloedverwanten hen nooit had kunnen bewegen. Zeven

aanzienlijke en rijke mannen betwistten elkander de eer, de begrafenis

van Bertram te regelen, even als een zevental steden zich de eer

betwistten om de geboorteplaats van Homerus te zijn, ofschoon geen

hunner hem bij zijn leven eene schuilplaats had aangeboden. Daar

Mannering nu begreep, dat zijne tegenwoordigheid verder nutteloos was,

besloot hij een reisje van veertien dagen te doen, na verloop van

welken tijd de uitgestelde veiling van het goed Ellangowan plaats zoude

hebben.

Vóór zijn vertrek verzocht hij echter Sampson te spreken. Toen de arme

man vernam, dat een vreemd heer naar hem vroeg, verscheen hij zonder

dralen. Op zijn ingevallen gelaat, welks trekken door de zoo korteling

geleden smart nog scherper geworden waren, was de verwondering over het

onverwacht verzoek te lezen. Hij maakte een paar diepe buigingen voor

Mannering, bleef vervolgens rechtop voor hem staan en wachtte geduldig

op diens bevelen.

„Gij kunt waarschijnlijk niet gissen,” zeide Mannering, „wat een

vreemdeling u te zeggen heeft?”

„Misschien wildet gij mij verzoeken, eenen jongeling in de fraaie

letteren en andere humaniora te onderwijzen: maar ik kan niet – ik kan

niet – ik heb nog iets van groot belang te verrichten.”

„Neen, Mijnheer Sampson, zoo ver gaan mijne wenschen niet. Ik heb geen

zoon, en mijne eenige dochter zoudt gij vermoedelijk voor geen

geschikte leerling houden.”

„Zeker niet,” hernam de argelooze man. „Intusschen heb ik juffrouw

Lucie in alle nuttige kundigheden opgeleid, ofschoon de huishoudster

haar in de nuttelooze kunst van knippen, zoomen en andere

huishoudelijke zaken onderwezen heeft.”

„Nu, het is juist over juffrouw Lucie dat ik spreken wilde. Gij kunt u

mijn gelaat denkelijk niet herinneren?”

Sampson, die gewoonlijk zeer afgetrokken was, herinnerde zich noch den

sterrewichelaar van vroegere jaren, noch den vreemdeling, die de partij

van zijn beschermer tegen Glossin gekozen had, zoo verward waren zijne

gedachten door den plotselijken dood van zijn vriend.

„Nu, dat doet niets ter zake,” vervolgde Mannering. „Ik ben een oude

bekende van uwen gestorven vriend, in staat en geneigd, om zijne

dochter in hare tegenwoordige omstandigheden te helpen. Buitendien ben

ik voornemens het goed te koopen, en wensch uit dien hoofde, dat het

huis en alles goed in orde gehouden worde: wilt gij nu zoo goed zijn,”

vervolgde hij, terwijl hij Sampson eene goudbeurs in de hand stak,

„deze kleine som voor de gewone huiselijke uitgaven te gebruiken?”

„Ver–ba–zend!” riep de verraste dominé uit. „Maar wilt gij niet wachten

–”

„Onmogelijk, Mijnheer Sampson! onmogelijk,” hernam Mannering, terwijl

hij zich verwijderde.

„Ver–ba–zend!” herhaalde Sampson en volgde den kolonel, met de beurs in

de hand, tot aan de trap. „Maar ten opzichte van dit geld –”

Mannering vloog zoo snel mogelijk de trappen af.

„Ver–ba–zend!” riep Sampson nu voor de derde maal en stond bij de

huisdeur. „Maar, wat dit geld aangaat –”

Maar Mannering zat reeds te paard en hoorde hem niet meer. De dominé,

die nooit voor zich zelven, noch voor een’ ander, het vierde gedeelte

van deze som, welke toch niet meer dan twintig guinjes bedroeg, in

bezit had gehad, overlegde bij zich zelven hoe hij met dit blinkende,

aan hem toevertrouwde goud handelen zou. Gelukkig vond hij ook in

Mac-Morlan eenen belangeloozen raadgever, die hem de beste middelen aan

de hand gaf, om het ten voordeele van miss Bertram te gebruiken, daar

er geen twijfel was, tot welk oogmerk de gever het bestemd had.

Verscheidene adellijke familiën noodigden Lucie Bertram nu dringend

uit, om van hare welwillende gastvrijheid gebruik te maken. Zij

gevoelde echter eenen natuurlijken tegenzin, eer als een voorwerp van

medelijden dan van gastvrijheid bij eene of andere familie in te wonen,

en besloot den raad en het gevoelen van haars vaders naaste

bloedverwante, mejuffrouw Margareta Bertram van Singleside, eene oude

ongehuwde dame, aan wie zij haren tegenwoordigen ongelukkigen toestand

geschreven had, af te wachten.

Haar vader werd deftig, maar zonder veel praal begraven, en nu kon de

ongelukkige wees zich slechts als de enkele bewoonster van het huis

beschouwen, waarin zij geboren was en den zwakken grijsaard met zoo

veel geduld en zorgvuldigheid opgepast had. Mac-Morlan gaf haar hoop,

dat zij niet onverwachts of onvriendelijk van deze schuilplaats beroofd

zou worden; maar het toeval wilde het anders.

Twee dagen vóor den bepaalden verkoopdag verwachtte Mac-Morlan ieder

oogenblik Mannering’s terugkomst, of ten minste een brief met eene

volmacht, om het landgoed voor hem te koopen. Maar te vergeefs; geen

van beide kwam. Toen de bepaalde dag aanbrak, ging hij zelf naar het

postkantoor; maar er waren nog geene brieven voor hem. Nu zocht hij

zich te overreden, dat de kolonel tegen den tijd van het ontbijt zou

komen, en verzocht zijne vrouw, haar best porselein voor den dag te

halen en alles tot ontvangst van den gast gereed te maken. Maar ook

deze hoop werd verijdeld. „Had ik dit kunnen vooruitzien,” zeide hij in

zich zelven, „ik zou geheel Schotland doorgereisd hebben, om iemand te

vinden, die tegen Glossin kon en wilde opbieden.”

Maar helaas! het was te laat. Het bepaalde uur sloeg en de gegadigden

verzamelden zich reeds in de herberg te Kippletringan, waar de

verkooping nu plaats zou hebben. Mac-Morlan verspilde met

voorbereidingen zoo veel tijd, als hij welstaanshalve maar konde, en

las de koopvoorwaarden zoo langzaam voor, alsof het zijn eigen

doodvonnis geweest ware. Zoo dikwijls de deur van het vertrek geopend

werd, keek hij op; maar zijne hoop werd hoe langer hoe flauwer. Hij

luisterde naar ieder gedruisch op straat, of hij ook het rollen van een

rijtuig of getrappel van paarden kon ontdekken; maar te vergeefs. Nu

kwam de troostrijke gedachte bij hem op, dat Mannering een’ ander

gevolmachtigd kon hebben, en gaarne zou hij het gebrek aan vertrouwen

op hem, dat daarin zou doorstralen, over het hoofd gezien hebben. Maar

ook deze hoop verdween. Glossin bood den hoogsten prijs voor de

heerlijkheid Ellangowan met alle landerijen. Daar hier niets tegen in

te brengen was en er geen hooger bieder optrad, zag Mac-Morlan zich

gedwongen na het aftoopen van een’ zandlooper, het gewone tijdperk, dat

den kooper toegestaan wordt om behoorlijke zekerheid te stellen, te

verklaren, dat de verkoop wettig gesloten en genoemde Gilbert Glossin

kooper van gezegde heerlijkheid en landerijen geworden was. De brave

ambtenaar weigerde aan een prachtig gastmaal, waarop Gilbert Glossin,

nu heer van Ellangowan, het overige gezelschap onthaalde, deel te

nemen, en ging zeer ontstemd naar huis. Hij zocht zijn misnoegen lucht

te geven door klachten over de onbestendigheid en luimen van de

Indische rijkaards, die geen veertien dagen lang, weten wat zij willen.

Maar zelfs deze troost zou hem spoedig benomen worden.

Des avonds om zes uur kwam er namelijk een renbode, „zoo dronken als

een zwijn,” gelijk de dienstmeid zich uitdrukte, met een’ langen brief

van den kolonel, welken hij vier dagen vroeger uit eene stad omstreeks

dertig uren van Kippletringan afgezonden had, inhoudende eene

behoorlijke volmacht voor Mac-Morlan, of voor wien ook, die door hem

aangewezen mocht worden, om de heerlijkheid Ellangowan met hare

aanhoorigheden te koopen. Mannering meldde tevens, dat eene gewichtige

familiezaak hem naar Westmoreland riep en verzocht hem, zijne brieven

onder adres van den heer Arthur Mervyn van Mervyn-Hall te zenden.

Mac-Morlan wierp in zijne eerste drift de volmacht de onschuldige

dienstbode naar het hoofd, en kon zich niet dan met moeite weerhouden,

zijne gramschap aan den renbode te koelen, door wiens traagheid en

dronkenschap hij zoo deerlijk teleurgesteld was.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 16 / 75 题