„Zij melden mij, des rechters vonnis luidde,
Dat al wat gij bezit, verbeurd zou zijn. –
Hier stond een woestaard, met een gretig oog
De handen leggend op het zilverwerk;
Daar dreef een tweede, grijnzend, bitteren spot
Over uw val – en had bezit genomen
Van het aloude, zoo beminde huisraad.”
Otway.
„Den volgenden morgen steeg Mannering vroegtijdig te paard, en sloeg,
door zijn bediende vergezeld, den weg naar Ellangowan in. Hij behoefde
niet naar den weg te vragen, daar eene verkooping ten platte lande als
eene algemeene vergaderplaats, waar men zich vermaken zal, beschouwd
wordt en van alle kanten nieuwsgierigen of gegadigden naar het slot
stroomden. Na een aangenamen rid van omstreeks een uur, ontdekte hij de
torens van den ouden burcht. De gedachte aan de verschillende
aandoeningen, waarmede hij zoo vele jaren geleden een laatsten blik op
deze bouwvallen geworpen had, ontroerde zijne ziel. Het landschap was
nog hetzelfde; maar hoe waren de gevoelens, de verwachtingen en
uitzichten van den toeschouwer veranderd! Toen waren het leven en de
liefde nieuw voor hem, en zijne verwachtingen door beider stralen
verguld. En nu, teleurgesteld in zijne liefde, verzadigd van roem en
alles, wat de wereld geluk noemt, was zijn hart vervuld met bittere en
smartelijke herinneringen, en hoopte hij niets meer, dan een eenzaam
verblijf te vinden, waar hij zich ongestoord aan zijne zwaarmoedigheid,
die hem tot aan het graf vergezellen zoude, kon overgeven. „Maar
waarom,” sprak hij bij zich zelven, „waarom zou ik over verlorene hoop
en verijdelde uitzichten klagen? Zouden de oude geweldenaars, welke
deze ontzachelijke torens gebouwd hebben, om tot eene vesting voor hun
geslacht te dienen en om de zetel van hunne macht te zijn, zouden deze
ooit gedroomd hebben, dat er een dag komen kon, waarop de laatste telg
van hun geslacht, als bedelaar, uit zijne bezittingen verdreven zou
worden! Maar de natuur blijft altijd onveranderlijk goed. Even schoon
zal de zon deze bouwvallen beschijnen, of ze het eigendom zijn van een
vreemdeling of van eenen lagen bedrieger, die de wet misbruikt, als of
het vaandel van den eersten stichter van „de torens wapperde.”
Onder zulke overdenkingen kwam Mannering aan de deur van het huis, dat
dien dag voor een’ ieder open stond. Hij trad met anderen binnen, die
de vertrekken doorkruisten, om iets van hunne gading uit te zoeken, of
enkel om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. Er ligt iets treurigs in
zulk een tooneel, zelfs onder de gunstigste omstandigheden. De verwarde
toestand van het huisraad, dat van zijne plaats genomen is om
gemakkelijk bezichtigd en door de koopers weggehaald te kunnen worden,
is onaangenaam voor het oog. Die voorwerpen, welke, behoorlijk en
netjes geschikt, er goed en fraai uitzien, schijnen dan oud en slecht,
en de vertrekken, ontbloot van alles, wat ze gemakkelijk en aangenaam
maakt, hebben een vervallen en treurig voorkomen. Ook stuit het, de
heiligdommen van huiselijke gezelligheid en afzondering voor de blikken
van nieuwsgierigen en van het gemeen opengesteld te zien, en hunne ruwe
aanmerkingen en lompe spotternijen over gebruiken en meubelen, welke
hun vreemd zijn, te hooren – eene vroolijke tijdkorting, die door den
brandewijn, welke bij zulke gelegenheden in Schotland vlijtig rondgaat,
nog meer opgewekt wordt. Dit alles is het gewone gevolg van zulke
omstandigheden, als men op Ellangowan zag; maar de gedachte, dat zij
hier het geheele verval van een oud en aanzienlijk geslacht aanduidden,
maakte ze dubbel gewichtig en pijnlijk
Het duurde vrij lang, voor dat de Kolonel Mannering iemand vond, die
geneigd was, zijne herhaalde vragen naar den heer Ellangowan zelven te
beantwoorden. Eindelijk verhaalde hem eene oude meid, die zich, toen
hij het haar vroeg, de oogen met haar voorschoot afdroogde, dat
Mijnheer iets beter was en men hoopte, dat hij dienzelfden dag het huis
nog zou kunnen verlaten. „juffrouw Lucie,” vervolgde zij, „verwachtte
ieder oogenblik het rijtuig, en, in aanmerking van het jaargetijde dat
het weêr zoo schoon was, had men den ouden heer in zijn gemakkelijke
stoel naar het grasperk voor het oude slot gedragen, opdat hij dit
treurig tooneel niet zou zien.”
Mannering ging daarheen, om hem op te zoeken, en zag spoedig de kleine
groep, die uit vier personen bestond. De heuvel was steil, zoo dat hij
tijd had, hen te beschouwen en te overleggen op welke wijze hij hen
aanspreken zou.
Bertram, verlamd en bijna niet in staat zich te bewegen, zat in zijn
gemakkelijken armstoel, met eene slaapmuts op het hoofd, in een
kamerjapon gehuld, de voeten in dekens gewikkeld. Achter hem stond
dominé Sampson, dien Mannering oogenblikkelijk herkende; met de handen
over elkander op de rotting, waarop hij leunde. De tijd had geenerlei
verandering bij hem te weeg gebracht, behalve dat zijn zwarte rok valer
van kleur was geworden en zijne magere wangen nog meer ingevallen
waren, dan toen Mannering hem het laatst gezien had. Aan de eene zijde
van den ouden man stond eene bloeiende schoonheid, een meisje van
omstreeks zeventien jaren, die de kolonel voor zijne dochter hield. Zij
keek van tijd tot tijd angstig naar de laan, als of zij het rijtuig
verwachtte, en tusschenbeide legde zij de dekens terecht, om haren
vader voor de koude te beschutten, of beantwoordde de vragen, die hij
gemelijk en verdrietig scheen te doen. Zij waagde het niet naar het
woonhuis te zien, ofschoon de stemmen van de vergaderde menigte hare
aandacht tot zich trekken moesten. De vierde persoon was een rank,
welgekleed jongeling, die in de bekommering van juffrouw Bertram en in
hare bezorgdheid voor den toestand van haar vader scheen te deelen.
Deze jongeling was de eerste, die den kolonel bespeurde, en hij ging
hem aanstonds te gemoet, alsof hij hem op eene beleefde wijze beletten
wilde, de treurige groep te naderen. Mannering bleef staan en
verklaarde zich. Hij verhaalde hem, dat hij een vreemdeling was, dien
de heer Bertram voorheen vriendelijk en gastvrij onthaald had; dat hij
zich op zulk een treurig tijdstip niet opgedrongen zou hebben, indien
het hem niet voorgekomen was, dat de ongelukkigen ook van hunne
vrienden verlaten waren, en dat hij alleen wenschte om de diensten, die
in zijne macht stonden, aan den heer Bertram en diens dochter aan te
bieden.
Hierop bleef hij op eenigen afstand van den armstoel staan. Zijn oude
kennis staarde hem met verdoofde oogen aan en scheen hem volstrekt niet
te herkennen. Sampson scheen te diep in treurigheid verzonken te zijn,
om zijne tegenwoordigheid te bemerken. De jongeling sprak alleen met
Lucie, die bedeesd nader trad en Mannering voor zijne goedheid dankte;
„maar,” vervolgde zij, terwijl er tranen in hare oogen kwamen, „ik
vrees, dat mijn vader zich niets meer van u herinneren kan.”
Nu ging zij met den kolonel naar den armstoel en zeide: „Vader! hier is
de heer Mannering, een oud vriend, die u komt bezoeken, om naar uwen
welstand te vernemen.”
„Hij is van harte welkom,” hernam de oude heer, terwijl hij zich in
zijn stoel ophief en eene buiging poogde te maken. Een glans van
gastvrije tevredenheid scheen hierbij over zijn bleek gelaat te zweven.
– „Maar, lieve Lucie! laat ons naar huis gaan; gij kunt dien heer niet
in de koude laten staan. – Dominé krijg den sleutel van den wijnkelder;
mijnheer Man ... Ma ... onze gast zal, na zijn rid, wel iets willen
gebruiken.”
Mannering was onuitsprekelijk getroffen, terwijl hij deze verwelkoming
vergeleek met de wijze, waarop hij door denzelfden man ontvangen was,
toen hij hem voor de eerste maal ontmoette. Hij kon zijne tranen niet
weerhouden; en door deze zichtbare ontroering won hij aanstonds het
vertrouwen van de hulpelooze dochter.
„Ach!” zeide zij, „dit treft zelfs een vreemdeling! maar het is
misschien beter voor mijn vader, dat hij in zulk eenen toestand is, dan
dat hij alles wist en zien kon.”
Op dit oogenblik kwam een livereibediende op den heuvel en zeide
zachtjes tegen den jongeling: „Mevrouw uwe moeder wacht ginds met
ongeduld op u, om voor haar op het zwart ebbenhouten kabinet te bieden,
en Lady Johanna Devorgoil is bij haar: gij moet oogenblikkelijk komen.”
„Zeg hun, dat gij mij niet vinden kondt, Tom, – of, wacht – zeg, dat ik
naar de paarden zie.”
„Neen, neen!” zeide Lucie Bertram ernstig; „indien gij de ellende van
dezen ongelukkigen dag niet verzwaren wilt, ga dan zonder dralen naar
uw gezelschap. Deze heer zal ons wel naar het rijtuig willen geleiden.”
„Zonder twijfel,” hernam Mannering; „uw jonge vriend kan op mijne
dienstvaardigheid vertrouwen.”
„Vaarwel dan!” zeide Karel, nadat hij Lucie iets in het oor gefluisterd
had, en snelde toen van den heuvel af, als of hij vreesde, bij
langzamere schreden zijn voornemen niet getrouw te zullen blijven.
„Waar loopt Karel Hazlewood heen?” vroeg de zieke, die waarschijnlijk
reeds aan zijne tegenwoordigheid en oppassing gewoon was; „waar loopt
Karel Hazlewood toch heen? waarom gaat hij nu weg?”
„Hij komt dadelijk terug,” zeide Lucie vriendelijk.
Nu hoorde men onderscheidene stemmen van den kant der bouwvallen (de
lezer herinnert zich, dat het oude slot met het strand gemeenschap had)
en de sprekers kwamen den trap op. „Ja,” zeide een stem „hier is
overvloed van schelpen, zoo als gij te recht aanmerkt, en indien iemand
een nieuw huis wilde bouwen, wat zeker wel noodig is, die vindt eene
menigte goede gehouwen steenen in dit oude duivelsnest.”
„Mijn hemel!” riep juffrouw Bertram tegen Sampson, „dat is de stem van
den ellendigen Glossin. Als mijn vader hem ziet, zal de arme man het
met den dood bekoopen.”
Sampson keerde zich dadelijk om, en ging met groote schreden heen, om
te zien of Lucie goed gehoord had. Toen Glossin van onder de poort der
bouwvallen trad, riep Sampson hem toe: „verwijder u! verwijder u! wilt
gij eerst dooden en dan bezit nemen?”
„Zachtjes, zachtjes, dominé Sampson!” antwoordde Glossin trotsch,
„indien gij op den kansel niet preeken kunt, hier verlangen wij geene
predicatie. Wij houden ons aan het recht, vriend! en laten het
Evangelie aan u over.”
Reeds sedert eenigen tijd kon de ongelukkige zieke den naam van dezen
man niet zonder de hevigste ontroering hooren noemen, en ook nu had
zijne stem eene oogenblikkelijke uitwerking. Bertram sprong zonder hulp
op, en wendde zich tot hem. De doodelijke bleekheid van zijn gelaat
stak verschrikkelijk af bij de hevigheid zijner taal. „Uit mijne oogen,
slang!” riep hij; „uit mijn gezicht, koude slang, die ik gekoesterd
heb, tot ze mij beet! Vreest gij niet, dat de muren van mijne
vaderlijke woning neerstorten en u armen en beenen verbrijzelen zullen?
Vreest gij niet, dat de grond in het slot van Ellangowan gapen zal om u
te verslinden? Waart gij niet zonder vriend, zonder huis, zonder geld,
toen ik u liefderijk de hand bood? en wilt gij niet mij en dat
onschuldige meisje, van alles ontbloot uit het huis verdrijven, waarin
wij en de onzen gedurende duizend jaren huisvesting gevonden hebben?”
Indien Glossin alleen geweest ware, zou hij waarschijnlijk weggeslopen
zijn; maar de gedachte dat er buiten zijn begeleider, een landmeter,
nog een vreemdeling tegenwoordig was, deed hem zijne toevlucht tot
onbeschaamdheid nemen. Maar zelfs voor zijne schaamteloosheid was deze
onderneming te moeielijk. „Mijnheer, – Mijnheer Bertram!” stamelde hij;
„gij moest mij niet beschuldigen, maar uwe eigene onvoorzichtigheid –”
Mannering’s verontwaardiging steeg ten top. „Mijnheer,” sprak hij tot
Glossin, „zonder in bijzonderheden over dezen redetwist te willen
treden, moet ik u zeggen, dat gij daartoe een zeer ongeschikten tijd,
plaats en gezelschap hebt gekozen. Gij zult mij verplichten met te
vertrekken, zonder iets meer te zeggen.”
Glossin, een groot, sterk, gespierd man, wilde het liever tegen een
vreemdeling opnemen, dien hij hoopte door zijn snoeven schrik aan te
jagen, dan zijne slechte zaak tegen zijnen beleedigden begunstiger vol
te houden en sprak op trotschen toon: „Ik weet niet, wie gij zijt,
Mijnheer! maar ik zal niet dulden, dat iemand zich zulke verwenschte
vrijheden tegen mij veroorlooft.”
Mannering was driftig van aard. Zijne oogen schoten vlammen. Hij
naderde Glossin toornig en zeide: „Dat gij mij niet kent, doet niets
ter zake. Ik ken u; indien gij niet oogenblikkelijk van dezen heuvel
afgaat, zonder éen enkel woord te spreken – bij den hemel, die boven
ons is, dan zult gij met ééne schrede van boven naar beneden vliegen.”
De gebiedende toon van den rechtvaardigen toorn bracht eensklaps de
woede van den zwetser tot bedaren. Hij weifelde, keerde zich om,
mompelde tusschen de tanden, dat hij het alleen deed om de dame geen’
schrik aan te jagen, en bevrijdde het gezelschap van zijne hatelijke
tegenwoordigheid.
De knecht van de waardin te Kippletringan, welke den heer en zijne
dochter met een rijtuig zou afhalen, was intusschen genaderd. Toen hij
hoorde, wat hier voorviel, zeide hij overluid: „Indien hij was blijven
staan, zou ik hem geholpen hebben, dien lagen schelm!”
Hij berichtte nu, dat bet rijtuig gereed stond. Het was echter reeds te
laat. Door de hevige inspanning bij deze laatste uitbarsting van zijne
verontwaardiging waren de zwakke krachten van Bertram geheel uitgeput,
en toen hij weder op zijn stoel nederzeeg, blies bij, bijna zonder
doodstrijd, den laatsten adem uit.
Het uitdooven der levensvonk veroorzaakte zoo weinig verandering in
zijne trekken, dat het weeklagen van zijne dochter, toen deze zag dat
zijn oog gebroken was, en voelde dat zijn pols stil stond, het eerst
zijn dood aan de omstanders aankondigde.