TWAALFDE HOOFDSTUK.

– De Roem – – die is des menschen afgod,

Tegenover God gesteld, der wetten oorsprong,

Die ons bevolen heeft: „Gij zult geen bloed vergieten.”

En toch, we doen het steeds; uit zucht naar roem!

Welk eerlijk man behoeft den zijnen op te houden,

Of buurmans roem te kort te doen?

De vrees om kwaad te doen, is ware dapperheid,

Het kwaad ons aangedaan niet mede te dragen,

Is ook der dapperen taak. – –

Ben Jonson.

De kolonel wandelde in gepeins verzonken, toen de gedienstige waardin

binnentrad om naar zijne bevelen te vragen. Na haar die gegeven te

hebben, verzocht hij haar een oogenblik te toeven en zeide: „indien ik

goed verstaan heb, moet de heer Bertram zijnen zoon op den ouderdom van

vijf jaren verloren hebben.”

„O ja, dit is zeker, Mijnheer!” antwoordde zij, „maar over de wijze

hoe, is veel getwist. Er zijn dienaangaande vele zotte praatjes in de

wereld gekomen. Het is nu reeds eene oude geschiedenis, en ieder

verhaalt ze op zijne wijze bij het hoekje van den haard, zoo als gij

straks hoordet. Maar zoo veel is zeker, kolonel, het kind is in zijn

vijfde jaar verdwenen en deze tijding, die voorzichtig aan Mevrouw

Bertram, welke toen hoog zwanger was, werd overgebracht, kostte haar in

denzelfden nacht het leven. Sedert dien tijd had de heer nergens lust

in, maar was voor alles onverschillig. Zijne dochter, juffrouw Lucie,

wilde wel weder orde in de huishouding brengen, toen zij ouder werd;

maar wat kon zij er ook aan doen? dat arme kind! en nu moeten zij huis

en erf verlaten.”

„Omstreeks welken lijd is het kind verdwenen?” vroeg de kolonel. „Kunt

ge u dat juist herinneren?”

„Juist in het begin van November 17..,” antwoordde de waardin, na zich

eenige oogenblikken bedacht te hebben en eenige lokale gebeurtenissen

aangehaald te hebben, om haar gezegde te staven.

De vreemdeling wandelde een paar malen zwijgend heen en weder, maar gaf

aan juffrouw Mac-Candlish een wenk nog niet heen te gaan. „Heb ik het

goed verstaan,” hernam hij eindelijk, „dat het goed Ellangowan verkocht

zal worden?”

„Of het te koop is? Ja zeker Mijnheer! morgen zal het aan den

hoogstbiedende toegewezen en het huisraad en de geheele inboedel ook

verkocht worden. Dat wil zeggen niet morgen, want dat is Zondag, maar

overmorgen, Maandag, – de Heere helpe ons! Alle menschen spreken er

schande van, dat de verkoop thans, nu er, door den ongelukkigen

Amerikaanschen oorlog, zoo weinig geld in Schotland in omloop is,

doorgedreven wordt. Maar er is zeker iemand, die het goed gaarne voor

een spotprijs wil hebben. De duivel hale hem, die –” voegde de waardin,

in drift over de oude veronderstelde onrechtvaardigheid, er bij.

„En waar zal de verkoop plaatshebben?”

„Volgens de gedane aankondigingen op het goed Ellangowan zelf, zoo als

ik gehoord heb.”

„En bij wien zijn aangaande een en ander nadere inlichtingen te

verkrijgen?”

„Bij den ondersheriff van het graafschap, een heel braaf mensch,

Mijnheer, die door het gerechtshof gevolmachtigd is. Hij is

tegenwoordig juist hier in het vlek, als gij hem gaarne spreken wilt;

en hij kan u ook meer van het verdwijnen van het kind zeggen, dan

iemand anders: want de sheriff zelf heeft zich in der tijd veel moeite

gegeven, om achter de zaak te komen.”

„En hoe heet deze heer?”

„Mac-Morlan, Mijnheer. Het is een best mensch, van wien veel goeds

gezegd wordt.”

„Verzoek hem dan beleefdelijk uit mijn naam (uit naam van den kolonel

Mannering), heden avond bij mij te komen eten en de noodige papieren

mede te brengen; en spreek gij er met niemand over juffrouw, als ik u

bidden mag.”

„Geen woord, Mijnheer;” antwoordde zij met een buiging. „Ik wenschte

wel dat gij of een ander achtenswaardig heer, die voor het vaderland

gevochten heeft,” (met een derde buiging) „het goed mocht krijgen, nu

de oude familie het toch verlaten moet, en niet die listige schelm

Glossin, die zijn opkomst aan den ondergang van zijn besten vriend te

danken heeft. En nu zal ik zelve maar mantel en overschoenen nemen en

naar Mac-Morlan gaan, om uwe bevelen te volbrengen. Het is hier vlak

bij.”

„Ik zal u zeer dankbaar wezen. Wil ook mijn knecht zeggen mijn

brieventasch naar boven te brengen.” Na deze woorden ging de waardin

heen en, na eenige oogenblikken, zat de kolonel Mannering met de pen in

de hand vóor zijne tafel. Wij nemen de vrijheid over zijnen schouder te

zien en deelen onzen lezers gaarne den inhoud van zijn schrijven mede.

Het was een brief aan den heer Arthur Mervyn, van Mervyn-Hall, in

Westmoreland. Na een kort bericht van des schrijvers wedervaren, sedert

hij van hem vertrokken was, schreef hij verder:

„En kunt gij mij nu nog mijne zwaarmoedigheid kwalijk nemen, waarde

Mervyn? Denkt gij, dat ik na vijf en twintig jaren, waarin ik

veldslagen geleverd, wonden ontvangen, gevangenschap en allerhande

soort van ongelukken ondergaan heb, nog dezelfde levendige, moedige Guy

Mannering kan zijn, die de Skiddaw met u beklom, of korhoenders op

Grosfel schoot? Dat gij, die altijd in den schoot van het stille,

huislijk geluk gebleven zijt, weinig veranderd zijt, dat uw gang nog

zoo licht, dat uwe verbeelding nog zoo vol helderen zonneschijn blijft,

is het gezegende uitwerksel van gezondheid en gemoedsgesteldheid,

verbonden met tevredenheid en eene zachte vaart op den stroom des

levens. Maar mijne loopbaan was vol bezwaren, vol twijfelingen en

dwalingen. Sedert mijne kindsheid was ik een speelbal van het toeval,

en ofschoon de wind mij dikwijls in eene veilige haven bracht, was het

toch zelden in die, waarheen de stuurman zijnen koers gericht had. Laat

ik u, maar slechts met korte woorden, de zeldzame en bonte lotgevallen

van mijne jeugd en de ongelukken van mijn mannelijken leeftijd

herinneren.

„Mijne jeugd, zult gij zeggen, is toch niet zeer rampspoedig geweest.

Alles ging wel niet naar wensch; maar toch redelijk goed. Mijn vader,

de oudste zoon van een aanzienlijk, maar verarmd geslacht, liet mij bij

zijnen dood met weinig vermogen, maar met den naam van hoofd van het

geslacht, aan de bescherming van zijne meer bemiddelde broeders over,

die mij zoo hartelijk beminden, dat zij bijna om mij twistten. Mijn

oom, de bisschop, wilde een geestelijke van mij maken en mij een goede

standplaats verschaffen; mijn oom, de koopman, wilde mij op een kantoor

plaatsen en bood mij een aandeel in de uitgebreide zaak van: Mannering

en Marshal, in Lombardstreet, aan. Zoo, tusschen deze twee zachte,

gemakkelijke, wel gevulde stoelen van de godgeleerdheid en van den

koophandel geplaatst, gleed ik, ongelukskind, tusschen beiden door en

kwam op een’ dragonderszadel terecht. Vervolgens wilde de bisschop mij

met de nicht en erfgename van den domdeken van Lincoln verbinden, en

mijn oom, de koopman, sloeg mij een huwelijk met de eenige dochter van

den grooten wijnhandelaar, den ouden Sloethorn, voor, die rijk genoeg

was om goudstukken in het water te werpen en banknoten tot garenklosjes

te gebruiken; en nochtans trok ik mijn hals uit beide strikken en huwde

– de arme, de doodarme Sophia Wellwood.

„Gij zult zeggen, dat ik over mijne militaire loopbaan in Indië,

waarheen ik mijn regiment gevolgd ben, toch eenigermate voldaan moest

zijn; en dat is ook zoo. Gij zult mij herinneren dat, ofschoon ik de

hoop van mijne beide voogden verijdelde, ik mij nochtans hun ongenoegen

niet op den hals gehaald heb, – dat de bisschop mij, bij zijn dood,

behalve zijn zegen, zijne geschrevene leerredenen en eene merkwaardige

portefeuille, met de portretten van beroemde geestelijken van de

Engelsche kerk, vermaakte; en dat mijn oom, sir Paul Mannering, mij tot

eenigen erfgenaam van zijne rijkdommen maakte. Dit hielp mij echter

niets. Ik heb u reeds vroeger gezegd, dat er iets op mijn gemoed

drukte, dat ik wel met mij in het graf zal nemen, eene eeuwigdurende

bitterheid in den kelk des levens. Ik zal u nu alles uitvoeriger

verhalen, dan ik doen durfde, toen ik onder uw gastvrij dak leefde. Gij

zult er mogelijk dikwijls over hooren spreken en misschien zal men er

vele verschillende en verdichte omstandigheden bij verhalen. Ik zal u

daarom alles openhartig mededeelen, en laat ons dan nooit weder over

die gebeurtenis en over de droefheid, waarmede ze mijne ziel vervuld

heeft, spreken.

Sophia volgde mij, zoo als gij weet, naar Indië. Zij was even

onschuldig, als vroolijk; maar, tot ons beider ongeluk, ook even

vroolijk als onschuldig. Door mijne studiën, welke ik opgegeven had, en

door mijne afgezonderde levenswijze, had ik gewoonten aangenomen, die

bestaanbaar waren met mijnen stand als bevelhebber van een regiment in

een land, waar ieder, die aanspraak maakt op den rang van een

fatsoenlijk man, gastvrijheid beoefent en verwacht. Gij weet, hoeveel

moeite wij somtijds hadden, om blanke gezichten te vinden om onze

kaders voltallig te houden. In zulk een oogenblik van verlegenheid kwam

een jongeling, Brown genaamd, als vrijwilliger bij ons regiment, en

bleef als kadet bij ons, daar hij meer smaak in den krijgsdienst vond

dan in den koophandel, waaraan hij zich tot dus ver toegewijd had. – Ik

wil mijn ongelukkig slachtoffer recht laten wedervaren. Hij gedroeg

zich bij elke gelegenheid zoo dapper, dat men hem de eerste

opengevallen officiersplaats ten volle waardig keurde. Ik moest

gedurende eenige weken wegens een tocht in de verte, afwezig zijn. Toen

ik terug kwam, vond ik dezen jongen man als huisvriend, als bezoeker

van mijne vrouw en dochter, in mijn huis. Dit mishaagde mij in vele

opzichten, ofschoon er op de zeden of het karakter van den jongen niets

te zeggen viel.

„Ik zou mij wellicht nog wel met zijne gemeenzaamheid in huis verzoend

hebben; maar ik werd door anderen opgehitst. Indien gij den Othello

naleest (ik durf het boek nooit openslaan), zult gij u eenigszins

kunnen verbeelden, wat het gevolg was; – ik bedoel hiermede mijne

vermoedens; mijne daden waren. Goddank! niet zoo misdadig. Wij hadden

eenen anderen kadet, die vurig naar de opengevallen officiersplaats

haakte. Deze maakte mij opmerkzaam op de coquetterie, zoo als ik het

noemde, door zijne inblazingen verleid, tusschen mijne vrouw en den

jongen Brown. Sophia was deugdzaam, maar trotsch op hare deugd; en,

door mijne ijverzucht verbitterd, was zij onvoorzichtig genoeg, eene

gemeenzaamheid voort te zetten en aan te moedigen, welke ik, zoo als

zij zag, afkeurde en met wantrouwen beschouwde. Tusschen Brown en mij

bestond eene soort van inwendigen tegenzin. Hij deed eenige pogingen,

om mijne vooroordeelen te overwinnen; maar door mijne vooringenomenheid

beschouwde ik ze uit een verkeerd oogpunt. Toen hij zich dus met

minachting afgewezen zag, liet hij af; en daar hij zonder

naastbestaanden, zonder vriend was, bespiedde hij natuurlijk des te

zorgvuldiger het gedrag van iemand, die beiden bezat.

„Het is vreemd, hoe smartelijk het mij valt, dezen brief te schrijven.

En toch voel ik mij geneigd, deze foltering te rekken, als of ik

daardoor de gebeurtenis, welke mijn leven zoolang verbitterd heeft,

verwijderen kon. Maar– ik moet alles verhalen, en zal kort wezen.

„Mijne vrouw was, hoewel niet jong meer, nog zeer schoon, en – laat mij

dit tot mijne rechtvaardiging zeggen – had gaarne, dat men haar

daarvoor hield. Nog eenmaal herhaal ik het, ik twijfel nooit aan hare

deugd; maar, door de listige inblazingen van Archer verleid, dacht ik,

dat zij zich weinig om de rust van mijn gemoed bekommerde, en dat de

jonge Brown haar, mij ten trots en om mij te kwellen, zoo vele

oplettendheid bewees. Hij beschouwde mij misschien van zijnen kant als

een heerschzuchtig aristocratisch gezind mensch, die zijnen rang

misbruiken wilde, om, zoo wel in het burgerlijke leven als in het

leger, diegenen, welke het lot onder hem geplaatst had, te kwellen en

te krenken. En indien hij mijne dwaze jaloezie opmerkte, dacht hij

waarschijnlijk zich het best over de kwellingen, die ik hem kon

aandoen, te kunnen wreken, door mij aan die gevoelige zijde te kwetsen.

Een mijner vrienden, een scherpziend man, wilde een onschuldiger of ten

minste minder beleedigende uitlegging aan deze oplettendheden geven, en

zocht mij te overreden, dat Brown eigenlijk een oog had op mijne

dochter Julia, en dat hij aan de moeder zooveel oplettendheden bewees,

om hare gunst te winnen. Dit dingen naar de hand mijner dochter van een

jongeling zonder naam, en wiens afkomst niemand kende, kon wel niet

zeer vleiend en aangenaam voor mij zijn; nochtans kon ik mij door deze

dwaasheid niet zoo diep beleedigd voelen, als door de groote

vermetelheid, welke ik veronderstelde. Maar, hoe dit zij, ik was

gevoelig beleedigd.

„Een klein vonkje wordt licht een heldere gloed, als alles, wat rondom

ligt, gemakkelijk vuur vat. Ik heb de onmiddellijke oorzaak van den

twist geheel vergeten; maar zoo veel herinner ik mij nog, dat het eene

kleinigheid aan de speeltafel was, welke hooge woorden en eene

uitdaging ten gevolge had. Wij ontmoetten elkander in den morgenstond,

buiten de werken van de vesting, waar ik het bevel voerde, op de

grenzen van de volkplanting. Dit was wegens Brown’s veiligheid, indien

hij overwinnaar mocht worden. Bijna wensch ik, dat hij het geworden

ware, zij het ook te mijnen koste! maar hij viel bij het eerste schot.

Wij snelden hem te hulp, maar eenige inlandsche struikroovers, Looties

genaamd, die altijd op buit loeren, overvielen ons. Met veel moeite

bereikten Archer en ik onze paarden, en niet dan na een hevig gevecht,

waarin deze gevaarlijk gewond werd, konden wij ontsnappen. Tot overmaat

van ongeluk op deze noodlottigen dag, wilde mijne vrouw, die het

oogmerk waarmede ik de vesting verliet, vermoedde, mij in haren

palankijn volgen, en werd door eene andere bende van deze roovers

overvallen en bijna gevangen genomen. Zij werd wel spoedig door eene

afdeeling van onze ruiterij gered, maar ik kan voor mij zelven niet

verbloemen, dat hare reeds zwakke gezondheid door de rampen van dien

ongelukkigen morgen hevig geschokt werd. Archer, die dacht, dat hij

zijne wonden niet overleven zoude, bekende, dat hij sommige

omstandigheden verdicht en aan andere de slechtste uitlegging gegeven

had; maar deze ophelderingen en de daarop volgende wederzijdsche

vergeving konden de vorderingen van hare ziekte niet stuiten. Zij

stierf omstreeks acht maanden na dit ongelukkig voorval en liet mij

eene eenige dochter na, die mevrouw Mervyn wel tijdelijk onder hare

bescherming heeft willen nemen. Julia was ook zeer ziek, en wel zoo

gevaarlijk, dat dit mij bewoog mijn Commando neer te leggen en naar

Europa terug te keeren, waar hare geboortelucht, de tijd en de

nieuwheid der voorwerpen rondom haar medegewerkt hebben, om hare

treurigheid te verdrijven en hare gezondheid te herstellen.

„Nu kent gij mijne geschiedenis en zult mij niet meer naar de oorzaak

van mijne zwaarmoedigheid vragen; maar veroorloof mij nu ook, mij

ongestoord aan deze neiging over te geven. Dit verhaal bevat zeker

genoeg, om den vreugdebeker, welken het dak en de roem mij, zoo als gij

dikwijls zegt, tot opbeuring van mijne latere levensjaren bereid

hebben, zoo niet te vergiftigen, ten minste te verbitteren.

„Ik kon nog menige omstandigheid hier bijvoegen, welke onze oude

leermeester, als bewijzen voor „ongeluksdagen,” aangehaald zou hebben;

maar gij zoudt lachen, als ik daarvan spreken wilde, te meer, daar gij

weet, dat ik daaraan geen geloof hecht. Intusschen heb ik, sedert ik in

het huis ben, vanwaar ik u thans schrijf, een zeldzamen samenloop van

omstandigheden vernomen, die ons, indien ik alles door degelijke

bewijzen bevestigd vind, in het vervolg eene heerlijke stof tot

overweging zal opleveren. Maar ik zal u nu niet langer lastig vallen,

daar ik iemand verwacht, om over den aankoop van een landgoed, dat

juist in deze streek geveild zal worden, te spreken. Het is een goed,

waarmede ik bijzonder ingenomen ben, en ik denk, dat mijne handelwijze

de tegenwoordige eigenaars, die het verlaten moeten, zeer gelegen zal

komen, daar iemand hier een plan heeft, om het, zoo mogelijk, onder de

waarde te koopen. Mijne hartelijke groeten aan uwe echtgenoote, en

ofschoon gij nog gaarne voor een levendig jonkman wilt doorgaan,

verzoek ik u mijne Julia voor mij te kussen. Vaarwel, waarde Mervyn.

Steeds de uwe,

Guy Mannering.”

Toen Mannering dezen brief geëindigd had, trad Mac-Morlan in het

vertrek. Het bekende karakter van den kolonel stemde den verstandigen

en braven man aanstonds tot openhartige vertrouwelijkheid. Hij

verklaarde hem de voor- en nadeelen van het goed. Het was, zeide hij,

ten minste grootendeels op den mannelijken erfgenaam gevestigd, en de

kooper zou het voordeel genieten, van een groot gedeelte van de

kooppenningen in handen te houden, als misschien de erfgenaam, die in

zijne jeugd verdwenen was, binnen zekeren bepaalden tijd weder

opdaagde.

„Maar waarom heeft de verkoop dan plaats?” vroeg Mannering.

„Het heet,” antwoordde Mac-Morlan glimlachend, „om interest van het

geld te trekken, in plaats van de onregeld betaalde, onzekere

pachtgelden van slecht bebouwde landerijen; maar eigenlijk

vooronderstelt men, om aan de wenschen en bedoelingen van zeker iemand

te voldoen, die een oog op het goed heeft, en als voornaamste

schuldeischer, door middelen, welke hij zelf het best kennen zal, de

zaak zoo ver gebracht heeft. Men denkt, dat het hem dus zeer gelegen

zou komen, het goed te koopen, zonder kooppenningen te betalen.”

Mannering overlegde met Mac-Morlan, wat er gedaan moest worden, om deze

oneerlijke bedoelingen te verijdelen. Hierna spraken zij lang over het

vreemde verdwijnen van Hendrik Bertram, juist op zijn vijfden

verjaardag, waardoor Mannering’s toevallige waarzegging, op welke hij

zich echter, zoo als men wel veronderstellen zal, niet beroemde,

vervuld geworden was. Mac-Morlan bekleedde nog niet zijn post, toen het

ongeval plaats had, maar was best bekend met alle omstandigheden en

beloofde Mannering bovendien, dat hij hem een omstandig verhaal van den

sheriff zelven, die de zaak onderzocht had, verschaffen zoude, indien

hij zich in dat gedeelte van Schotland vestigde. Met deze belofte

scheidden zij, zeer ingenomen met elkanderen en met hetgeen zij

afgehandeld hadden.

Den volgenden dag woonde Mannering de godsdienstoefening bij. Van de

familie van Ellangowan was niemand in de kerk, en men vernam, dat de

oude heer eerder erger dan beter was. Hans werd weder gezonden om hem

en zijne dochter te halen, en kwam weder zonder hen terug. Juffrouw

Bertram, hoopte echter, dat haar vader den volgenden dag vervoerd zou

kunnen worden.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 14 / 75 题