„Men schildre Schotland weenend
Over haar onteerde wapenschild. –”
Burns.
Onder het ijverig waarnemen van zijn ambt, behartigde Bertram het
voordeel van ’s lands inkomsten. Langs de geheele zuidwestkust van
Schotland werd, uithoofde der nabijheid van het eiland Man, dat hiertoe
zeer gelegen lag, een drukke sluikhandel gedreven. De geringere
volksklasse nam bijna algemeen deel daaraan; de hoogere standen zagen
het oogluikend toe, en de tolbedienden werden dikwijls in de
uitoefening van hunnen dienst gedwarsboomd door diegenen, die hen
eigenlijk hadden moeten ondersteunen.
Op dit tijdstip was Frans Kennedy, die in dit verhaal reeds genoemd is,
als bereden tolbediende of opzichter in dit oord aangesteld; hij was
een moedig, ondernemend, werkzaam man, die reeds vele sluikgoederen
aangehaald had, en door allen, die bij dezen eerlijken handel, zooals
zij die er belang bij hadden het heetten, niet weinig gehaat werd. Hij
was de onwettige zoon van een aanzienlijk man, en deze omstandigheid,
gepaard met eene altijd vroolijke stemming en eene groote bekwaamheid
in het zingen, verschafte hem vrijen toegang tot alle fatsoenlijke
gezelschappen in den omtrek.
Kennedy kwam dikwijls te Ellangowan en was altijd welkom. Zijne
levendigheid bespaarde Bertram de moeite van te denken en zijne
gedachten uitvoerig mede te deelen. De stoute en gevaarlijke
ondernemingen, die hij in zijn dienst uitgevoerd had, leverden
heerlijke stof tot onderhoud op. De heer vond veel smaak in deze
verhalen, en het genoegen, dat Kennedy’s gezelschap hem schonk, was
voor hem eene reden te meer, om den verhaler in het uitoefenen van zijn
hatelijken en gevaarlijken dienst te handhaven en te ondersteunen.
„Frans Kennedy,” zeide hij, „was een fatsoenlijk man, hoewel niet in
den echt geboren en door het geslacht van Glengubble met dat van
Ellangowan verwant. De laatste spruit uit het huis van Glengubble zou
zijn landerijen aan de familie Ellangowan hebben nagelaten; maar bij
ongeluk ging hij eens naar Harrowgate, waar hij zekere juffrouw Jane
Hadaway ontmoette en, terloops gezegd, de groene Draak te Harrowgate in
het beste logement dàar te vinden; – maar wat Frans Kennedy betreft,
hij is in zekeren zin een edelman van geboorte en het zou schande zijn,
hem niet te helpen tegen dit gemeene smokkelaarsvolk.”
Nadat dit verbond gesloten was, gebeurde het, dat kapitein Dirk
Hatteraick eene lading sterke dranken en andere verboden waren niet ver
van Ellangowan aan land bracht. Vertrouwende op de onverschilligheid,
waarmede de heer voorheen zulke inbreuken op de wetten aanzag, deed hij
geene moeite, om zijne zaken te verbergen of te bespoedigen. Het gevolg
was, dat Frans Kennedy, voorzien van eene volmacht van Ellangowan en
ondersteund door eenige met de omstreken bekende volgelingen van
Bertram, benevens eene afdeeling soldaten, de vaten en balen overviel
en, na een wanhopig, bloedig gevecht, de in beslag genomen goederen in
triumf naar het naaste tolkantoor bracht. Dirk Hatteraick zwoer in het
Hollandsch, Duitsch en Engelsch eene verschrikkelijke wraak aan den
tolbediende en zijne helpers en bondgenooten, en ieder, die hem kende,
twijfelde in het minste niet, of hij zou woord houden.
Weinige dagen na het vertrek der Heidenen vroeg Bertram zijne
echtgenoote onder het ontbijt, of het niet juist de geboortedag van den
kleinen Hendrik was.
„Hij is heden juist vijf jaar oud,” antwoordde zij. „Nu mogen wij
immers ook het papier van den Engelschen heer inzien?”
„Neen, mijn lieve!” hernam Bertram, die gaarne zijn gezag in
kleinigheden toonde, „niet vóor morgen. Onlangs, in onze laatste
vergadering, verklaarde de sheriff, dat dies, dat dies inceptus – maar
gij verstaat geen Latijn; ik wil zeggen, dat een termijndag niet begint
voor dat die ten einde is.”
„Dat klinkt immers als wartaal, mijn waarde!”
„Dat kan wel zijn, mijn schat! maar het is toch zoo in rechten,”
antwoordde Bertram, „en van vervaldagen gesproken, ik zou wel willen,
dat die elkaâr doodsloegen, zoo als Frans Kennedy zegt, want dan zou er
een einde aan zijn, want ik heb een brief gekregen om de vervallen
interesten van Jaantje Cairn, en geen een der pachters heeft zijn huur
betaald, en zal dat ook in de eerste drie maanden niet doen, – maar,
wat Frans Kennedy betreft, die zal denkelijk heden wel komen, want hij
is naar Wigton gegaan om den kruiser te waarschuwen die daar voor anker
ligt, dat de logger van Dirk Hatteraick wèèr aan de kust is, en als hij
terugkomt, zullen we een flesch wijn op de gezondheid van den kleinen
Hendrik leegen.”
„Ik wenschte wel,” hernam de dame, „dat Frans Kennedy zich niet met
Dirk Hatteraick bemoeide. Waarom doet hij meer moeite dan anderen? Kan
hij zijn liedje niet zingen, zijn glaasje drinken en zijne bezoldiging
ontvangen even als andere eerlijke lieden, die niemand hinderen? En het
verwondert mij, Bertram, dat gij u ook in deze zaken mengt. Behoefden
wij ooit om thee of brandewijn naar het naburig vlek te zenden, toen
Dirk Hatteraick hier gerust landen kon?”
„Gij begrijpt dit niet,” antwoordde haar echtgenoot. „Meent gij dan,
dat het een ambtenaar past, zijn eigen huis tot eene bergplaats van
sluikgoederen te maken? Laat Frans Kennedy u de strafwetten
dienaangaande eens toonen! Gij weet immers zelve, dat zij hunne
verboden waren in het oude slot Ellangowan pleegden te bergen.”
„Maar, waarde Bertram, wat kwaad stak er dan ook in, dat er nu en dan
eenige vaatjes brandewijn in de gewelven van het oude slot lagen? Gij
behoefdet er immers niets van te weten. En wat schaadt het den Koning,
dat de heeren hier een goed glaasje en hunne vrouwen een kopje thee
tegen eenen matigen prijs bekomen? Het is zonde en schande, dat er
zulken hooge rechten op gelegd zijn. En voer ik er niet veel beter bij,
toen Dirk Hatteraick mij een kapsel en eene muts met Brabantsche kanten
van Antwerpen zond? Ik kan lang wachten voor dat de Koning, of Frans
Kennedy mij iets zendt. En dan ook nog uw twist met de Heidenen! Ik
verwacht elken dag, dat onze schuren in brand gestoken zullen worden.”
„Ik zeg u nog eens, liefste, dat gij dit niet begrijpt. Maar zie, daar
komt Kennedy de laan al oprijden.”
„Goed, goed,” riep zijne echtgenoote, de stem verheffende, terwijl hij
naar buiten liep; „ik wenschte wel, dat gij het zelf begreept.”
Bertram snelde zijn vriend te gemoet, die hem vroolijk ontving. „Kom,
kom toch,” riep Kennedy, „naar het oude slot! Die oude vos, Dirk
Hatteraick, wordt door des Konings honden nagejaagd, dat het een lust
is om te zien.” Met deze woorden gaf hij zijn paard aan een knaap over,
en liep naar de hoogte, waarop het oude slot lag. De heer volgde hem
met verscheiden der huisgenooten, verschrikt door het donderen van het
geschut, dat zij nu duidelijk uit zee hoorden.
Toen zij dat gedeelte der bouwvallen, vanwaar zij het ruimste uitzicht
hadden, bereikten, zagen zij een logger met volle zeilen in de baai,
die van nabij door eene oorlogssloep vervolgd werd. Beide schepen
vuurden reeds op elkander.
„Zij kunnen elkaâr nog maar eventjes raken” riep Kennedy vol vuur;
„maar zij zullen aanstonds wel nader komen. Vervloekt! hij werpt zijne
lading over boord, – vat op vat in zee. Dat is eene leelijke poets van
Hatteraick! maar ik zal het hem straks laten gevoelen. Ha! nu hebben
zij hem de loef afgewonnen. Zoo moet het zijn! Nu opgepast! nu frisch
op hem los!”
„Ik houd het er voor,” zei de oude tuinman, tot een der dienstmeiden,
„dat die Kennedy geestdronken is,” hetgeen zooveel wil zeggen bij het
volk als dat iemand spoedig sterven zal.
De jacht duurde intusschen voort. Kapitein Hatteraick, die zijn schip
meesterlijk bestuurde en alle mogelijke middelen aanwendde om te
ontsnappen, had reeds de kaap aan de linkerzijde van de baai bereikt en
zou juist omzeilen, toen een kogel de touwen van de ra trof en het
groote zeil op het dek neerbracht. Dit ongeval scheen den strijd te
zullen beslissen; maar de aanschouwers konden den uitslag niet zien:
want het schip, dat de kaap juist voorbij gezeild was, kon niet meer
bestuurd worden en verdween nu achter het voorgebergte uit hun gezicht.
De oorlogssloep zette alle zeilen bij, om het schip te bereiken; doch
was te dicht aan de kust gekomen, zoo dat zij, uit vrees van te
stranden, wenden en eenen langen gang in de baai terug maken moest,
vóor dat zij de kaap omzeilen kon.
„Vervloekt!” riep Kennedy. „Zij verliezen lading of schip, of misschien
beiden. Ik moet naar de kaap van Warroch rijden, om hun een teeken te
geven, waar het schip aan de andere zijde heengedreven is. Vaarwel voor
een uurtje Ellangowan! Zet de groote punchkom gereed, met eene menigte
citroenen. Voor den cognac zal ik zorgen als ik terugkom, en dan
drinken wij op de gezondheid van den jongenheer uit eene kom, waarin
eene boot zeilen kan.”
Dit zeggende steeg hij te paard en snelde heen. Omstreeks een mijl van
het slot, bij den ingang van het bosch, dat het voorgebergte, waarvan
de kaap van Warroch de uiterste spits uitmaakte, bedekte, ontmoette
Kennedy den kleinen Hendrik Bertram, door zijn leermeester Sampson
vergezeld. Hij had den knaap, die den vroolijken huisvriend, welke
dikwijls met hem speelde, zeer genegen was, reeds dikwijls een ridje op
zijn paard beloofd. Hendrik zag hem nauwelijks aankomen of hij drong
luidkeels op het vervullen van zijne belofte aan. Kennedy, die er geen
gevaar in zag, om den knaap dit vermaak te gunnen, en ook den ernstigen
leermeester, op wiens gelaat hij eene weigering las, een weinig plagen
wilde, hief den kleinen op zijn paard, zette hem voor zich en reed
verder. Sampson’s roepen: „Mijnheer Kennedy! wat ik u bidden mag” – was
te vergeefs, en werd onhoorbaar onder de hoefslagen van het paard. De
leermeester overlegde eene poos of hij hen volgen zou; maar daar
Kennedy een vertrouwde vriend des huizes was, en hij zich niet gaarne
met iemand inliet, die zich te buiten ging aan „lichtzinnige en profane
aardigheden,” vervolgde hij eindelijk bedaard zijn weg en keerde naar
Ellangowan terug.
De toeschouwers op het oude slot zagen nog steeds naar de oorlogssloep,
welke eindelijk, na veel tijdverlies, de kaap van Warroch omzeilde en
spoedig achter het boschrijke voorgebergte uit hun gezicht verdween.
Kort daarop werden er weder verscheiden kanonschoten in de verte
gehoord, en eenige oogenblikken later een verschrikkelijke slag, alsof
er een schip in de lucht vloog, terwijl eene dikke rookwolk achter de
boomen naar boven steeg in de blauwe lucht. Nu verlieten allen het oude
slot en keerden naar huis. Hun oordeel over het lot van den smokkelaar
was verschillend; de meesten dachten echter, dat het schip zonder
twijfel genomen moest worden, als het niet reeds gezonken was.
„Het is bijna tijd voor het middagmaal,” zeide mevrouw Bertram tegen
haren gemaal; „zou de heer Kennedy spoedig terug komen?”
„Ik verwacht hem ieder oogenblik,” antwoordde Bertram; „misschien
brengt hij wel een paar officieren van de sloep mede.”
„Maar, lieve hemel! waarom hebt gij dat niet eerder gezegd? dan had ik
de groote ronde tafel laten dekken. Buitendien eten die menschen elken
dag pekelvleesch, en, om de waarheid te zeggen, is een stuk gezouten
vleesch heden onze voornaamste schotel. En dan had ik ook een andere
japon aangetrokken, en gij hadt ook wel een’ schoonen das mogen omdoen.
Maar gij schept er behagen in, mij in verlegenheid te brengen. Neen,
dat houd ik niet uit! Maar eerst als iemand dood en begraven is, leert
men hem waardeeren.”
„Kom, kom! de drommel hale uw rundvleesch, uw kleed, uwe tafel en uwen
halsdoek! Het zal zoo ook wel gaan! Maar,” (zich tot eenen bediende,
die bij de tafel bezig was, wendende) „waar is mijnheer Sampson, Johan?
waar ìs mijnheer Sampson met den kleinen Hendrik?”
„Mijnheer Sampson is reeds meer dan twee uren te huis geweest,”
antwoordde de bediende; „maar ik geloof niet, dat de jongeheer met hem
meê gekomen is.”
„Hendrik niet met hem?” vroeg mevrouw Bertram. „Zeg aan mijnheer
Sampson, dat hij oogenblikkelijk bij mij komen moet.”
„Sampson,” zeide zij, toen hij binnentrad, „is het niet vreemd, dat
gij, die hier vrije huisvesting, vrije tafel, vrij bed en vrije wasch
en bovendien jaarlijksch twaalf pond sterling hebt, alleen om op
Hendrik te passen, – dat gij den knaap twee of drie uren achtereen uit
uwe oogen laat gaan?”
Sampson maakte bij het noemen van ieder der onderscheidene voordeelen,
aan zijnen post verbonden, welke de vergramde dame één voor één optelde
om hare berisping meer gewicht bij te zetten, eene dankbare, nederige
buiging, en verhaalde toen, dat Kennedy eigenmachtig, in spijt van
zijne tegenvoorstellingen, den kleinen Hendrik onder zijn opzicht
genomen had.
„Ik dank den Heer Kennedy in het geheel niet voor zijne genomen
moeite,” hernam zij gemelijk. „Indien hij Hendrik nu eens van het paard
liet vallen en de knaap kreupel werd, of als een kogel van het schip
hem trof, of –”
Hier viel Ellangowan haar in de rede: „of, mijne waarde, en dit is toch
waarschijnlijker dan al het andere, voorondersteld, dat zij aan boord
van de sloep of van het prijsgemaakte schip gegaan zijn en met den
vloed om de kaap komen –”
„En dan kunnen zij verdrinken,” hernam de dame.
„Waarlijk,” bracht Samson in het midden, „ik dacht, dat Kennedy reeds
een uur geleden terug gekomen was. Mij dunkt, ik heb zijn paard het
plein hooren opdraven.”
„O neen,” zei de huisknecht grijnzende; „het was de veemaagd, die de
koe naar buiten dreef”
Sampson werd rood tot over de ooren, niet over den spottenden toon van
den knecht, welken hij nooit had opgemerkt, of al had hij dat, nooit
kwalijk genomen zou hebben, maar over eene gedachte, die bij hem
opkwam.
„Hoe dit zij, ik heb niet wèl gedaan,” zeide hij; „ik had op het kind
moeten wachten.”
Met deze woorden nam hij hoed en stok, en snelde met ongewonen spoed
naar het bosch van Warroch.
Bertram twistte nog eene poos met zijne vrouw over deze zaak. Eindelijk
liet de sloep zich weder zien, maar hield, zonder de kust te naderen,
met volle zeilen westwaarts af, zoo dat zij spoedig weder uit het
gezicht verdween. Bertram was reeds zoo gewoon aan de angstige
bezorgheid van zijne echtgenoote, dat ze geen indruk meer op hem
maakte. Nu echter maakten de verlegenheid en angst, welke hij op het
gelaat zijner dienstboden las, zijne bezorgdheid gaande, en deze steeg
ten top, toen men hem buiten het vertrek riep en hem verhaalde, dat het
paard van Kennedy met gebroken teugels en met den zadel onder het lijf,
bij den stal aangekomen was. Bovendien had een boer hun in het
voorbijgaan gezegd, dat er aan de andere zijde van de kaap van Warroch
een schip brandde als een oven, en dat hij, ofschoon hij door het bosch
gekomen was, niets van Kennedy en den jongen heer gehoord of gezien
had; maar dat dominé Sampson als een dolleman in het rond liep, om hen
op te zoeken.
Alles op het slot geraakte nu in beweging. De meester snelde met alle
zijne dienstboden, zoo mannelijke als vrouwelijke, naar het bosch van
Warroch. De landlieden uit den omtrek boden, deels uit deelneming,
deels uit nieuwsgierigheid hun bijstand aan. Er werden booten bemand,
om langs het strand, dat aan de ándere zijde van de kaap van Warroch
uit hooge steile rotsen bestond, te zoeken. Men vreesde, dat de knaap
van een van deze klippen afgestort mocht zijn; maar niemand waagde het,
deze verschrikkelijke gedachte uit te spreken.
De avond was reeds gevallen, toen allen in het bosch kwamen en zich
naar alle kanten verspreidden, om de vermisten te zoeken. De donkere
lucht, het huilen van den herfstwind door de bladerlooze boomen, het
ritselen der afgevallen bladeren, en het herhaald geroep van de
zoekenden, die zich nu en dan weder naderden, in de hoop de verlorenen
te vinden – dit alles maakte het tooneel akelig en indrukwekkend.
Eindelijk kwamen allen, nadat zij het bosch nauwkeurig, hoewel
vruchteloos, doorzocht hadden, langzamerhand weder bijeen, om verder te
overleggen. De vader kon zijn verschrikkelijken angst niet langer
verbergen; maar de smart van den leermeester was bijna nog grooter.
„Gave God, dat ik voor hem gestorven ware!” riep de goede man herhaalde
malen op den toon der bitterste smart uit. De overigen, wier deelneming
minder levendig was, begonnen luidruchtig te twisten over de
waarschijnlijke, of mogelijke oorzaken van het gevreesde ongeluk.
Eenigen dachten, dat de vermisten aan boord van de sloep gegaan waren.
Anderen wilden hen in een naburig dorp zoeken; en nog anderen meenden,
dat zij misschien wel aan boord van het schip van den smokkelaar,
waarvan de vloed nu eenige planken en ander houtwerk aan land spoelde,
geweest waren.
Op dit oogenblik hoorde men van den oever een geschreeuw, zoo luid, zóo
schel, zóo doordringend, zóo verschillend van alle geluiden, welke dien
nacht door het bosch geklonken hadden, dat niemand er aan twijfelde, of
hier zoude opheldering – en verschrikkelijke opheldering gevonden
worden. Allen spoedden zich naar de plaats, vanwaar het geluid kwam.
Langs paden, waarvoor zij op een anderen tijd teruggebeefd zouden
hebben, kwamen zij bij eene kloof in de rots, waarbij eene der booten
reeds geland was.
„Hier mannen, hier!” werd er bij herhaling geroepen; „om Gods wil
hierheen, hierheen!”
Ellangowan drong door de menigte, die reeds om de ongelukkige plaats
geschaard stond, starende op het voorwerp van hun schrik. Het was het
lijk van Kennedy. Op het eerste gezicht scheen het, dat hij door een
val van de rots, die zich hier honderd voeten boven het strand verhief,
omgekomen was. Het lijk lag half in, half buiten het water. De eersten,
die het ontdekten, meenden, dat er nog leven in was, daar de opkomende
vloed den arm ophief en de kleederen bewoog. Maar spoedig zag men, dat
de laatste levensvonk uitgedoofd was.
„Ach! mijn zoon, mijn zoon!” riep de ongelukkige vader; „waar mag mijn
zoon zijn?”
Allen openden de lippen, om hoop op te wekken, welke zij zelve niet
voedden. Vliegend beklom Ellangowan de rotsen weder, wierp zich op het
eerste paard, dat hij vond, en reed woedend naar de hutten van
Derncleugh. Hier was alles duister en ledig. Toen hij afsteeg, om
nauwkeurig na te zoeken, struikelde hij over het gebroken huisraad, dat
uit de hutten geworpen, en over het dakwerk, dat op zijn bevel afgerukt
was. Nu viel hem de voorspelling, of liever de verwensching van Meg
Merrilies: „Van zeven hutten hebt gij het dak afgescheurd, zie, of uw
eigen dak des te vaster staat,” zwaar op het hart.
„Geeft mij mijn kind weder!” riep hij uit. „Brengt mij mijn zoon terug,
en alles zal vergeten en vergeven zijn.”
Toen hij deze woorden, krankzinnig van smart, uitriep, ontdekte hij een
flauw licht in eene der verwoeste woningen. Het was de hut, waarin Meg
Merrilies gewoond had. Het licht, dat van een vuur scheen te komen,
straalde niet alleen door het venster, maar ook door het afgebroken
dak.
Hij snelde er heen. De deur was gesloten. Wanhoop gaf den ongelukkigen
vader reuzenkracht. Hij stiet met zoo veel geweld tegen de deur, dat ze
opensprong. De hut was ledig, maar droeg sporen dat er kort te voren
iemand geweest was; er was vuur op den haard, er stond een ketel gereed
en men zag al de toebereidselen, om iets te koken. Terwijl Bertram
scherp in het rond zag, of hij ook iets kon vinden om zijn hoop voedsel
te geven, dat het kind nog in leven ofschoon ook in de macht der
Heidenen was, trad iemand in de hut. Het was zijn oude tuinier.
„Ach, Mijnheer,” zei de oude man, „ik had nooit gedacht, zulk een nacht
te beleven als deze! Gij moet oogenblikkelijk naar huis komen.”
„Is het kind gevonden? leeft het? hebt gij mijn zoon gevonden, Andries?
hebt gij Hendrik gevonden?”
„Neen, Mijnheer! maar –”
„Dan heeft men hem geroofd, Andries! zoo zeker als ik op Gods aardbodem
sta. Zij heeft hem gestolen; en ik ga niet van deze plaats, voor dat ik
tijding van mijn kind heb.”
„Gij moet toch naar huis komen, Mijnheer! gij moet. Wij hebben naar de
justitie gezonden, en zullen hier eene wacht plaatsen in geval de
Heidenen weerkomen mochten; – maar gij moet naar huis, Mijnheer!
Mevrouw ligt op sterven!”
Bertram vestigde een strakken, uitdrukkingloozen blik op den
ongeluksbode, herhaalde de woorden: „ligt op sterven!” alsof hij den
zin er van niet kon vatten, en liet zich door den ouden man naar zijn
paard slepen. Onder het naar huis rijden bleef hij sprakeloos; alleen
riep hij nu en dan op den toon der diepste smart uit: „Vrouw en kind
beiden – moeder en zoon beiden! Dat is zwaar – heel zwaar te dragen!”
Wie kan het nieuwe jammertooneel schilderen, dat hem wachtte? De
tijding van Kennedy’s dood werd voorzichtig op het slot verspreid, met
bijvoeging, dat de ongelukkige zonder twijfel den knaap in zijn val
medegesleept had, ofschoon het lijk niet te vinden, maar zeker door den
vloed weggespoeld was.
Mevrouw Bertram, die hoogzwanger was, werd te vroeg moeder; en vóor dat
haar gemaal tot zich zelven kon komen, om het verschrikkelijke van zijn
toestand geheel te beseffen, was hij vader van eene dochter en
weduwnaar geworden.