TIENDE HOOFDSTUK.

– Men ziet, – ’t gezicht is zwart en bloedbevlekt;

De oogen puilen uit, zoo als in ’t leven nooit,

En staren als die van iemand, die geworgd werd!

Te berge rijst het haar, neusgaten wijd geopend,

De handen uitgespreid als zochten ze te grijpen,

Te kampen om het leven – tot hij bezweek.

Hendrik IV. 1ste Ged.

Den volgenden morgen met het aanbreken van den dag kwam de sheriff van

het graafschap te Ellangowan, om behoorlijk onderzoek te doen; want aan

dezen ambtenaar wordt door de wet in Schotland uitgebreide rechtsmacht

verleend, zooals onder anderen, het onderzoek van alle misdaden binnen

zijn gebied gepleegd en het verhooren en aanhouden van alle verdachte

menschen.

De man, de dit ambt bekleedde te Ellangowan tijdens deze gebeurtenis,

was van goede afkomst en goed opgevoed en werd algemeen geacht en

geëerbiedigd als een knap en flink ambtenaar.

Zijn eerste werk was, alle getuigen te hooren, wier verklaringen eenig

licht over deze geheimzinnige gebeurtenis verspreiden konden. Zijn

nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek bracht verscheidene omstandigheden

aan het licht, welke het eerste vermoeden, dat Kennedy door een

ongelukkig toeval van de rots gevallen zou zijn, volkomen wederlegden.

Het lijk was in denzelfden toestand, waarin het gevonden werd, in eene

naburige visschershut gebracht. Bij een nauwkeurig onderzoek vond men

dat het deerlijk gekneusd en verpletterd was door den verschrikkelijken

val, maar tevens ontdekte men eene diepe wonde in het hoofd, welke,

naar het gevoelen van een kundigen wondarts, met een sabel of houwer

moest toegebracht zijn. Deze ervaren man ontdekte nog andere verdachte

teekens. Het gelaat was geheel zwart, de oogen verdraaid en de

halsaderen gezwollen. De bonte halsdoek, welken de ongelukkige droeg,

zat niet zoo als het behoorde, maar veel te los; de knoop zat op eene

verkeerde plaats en was zeer vast toegetrokken; bovendien was de

geheele doek zóo gekreukeld, alsof de overledene daaraan naar den

afgrond gesleept was. Van den anderen kant was de beurs van den armen

Kennedy onaangeroerd gebleven, en zijne pistolen, die hij gewoonlijk

bij zich droeg, als hij op gevaarlijke tochten uitging, vond men ìn

zijn zak. Dit was nog vreemder, omdat hij door alle sluikhandelaars

gekend en gevreesd was als een onverschrokken man, die zich goed van

zijne wapens wist te bedienen. De sheriff vroeg, of Kennedy niet gewoon

was andere wapens te dragen. Bertram’s dienstboden wisten wel, dat hij

gewoonlijk een jachtmes, of hartsvanger droeg, maar zoo iets werd niet

bij het lijk gevonden, en niemand kon met zekerheid verklaren, of hij

dat wapen op den dag van zijn dood bij zich gehad had.

Het lijk leverde geene andere teekens op, welke eenig licht over het

lot van Kennedy konden verspreiden. Zijne kleeding was wel zeer in

wanorde en de ledematen waren gekneusd en gebroken; maar het eerste

scheen een waarschijnlijk en het laatste een zeker gevolg van zulk een

val te zijn. De handen van de overledene waren dicht geknepen en vol

gras en aarde; maar ook dit bewees niets.

De sheriff ging hierop naar de plaats, waar het lijk was, en liet zich

nauwkeurig verhalen, in welke ligging men het gevonden had. Een groot

stuk rots scheen met den ongelukkige van boven, of hem achterna

gevallen te zijn. Deze harde steenklomp was door den val zoo weinig

beschadigd, dat men, bij nauwkeurig onderzoek, ontdekken kon, waar en

hoe die met de rots verbonden geweest was. Dit kon men gemakkelijk zien

uit den verweêrden toestand van dat gedeelte van den steen, dat niet in

den grond gelegen had. Toen men nu op de rots geklommen was, om de

plaats, waar de steenklomp moest gelegen hebben, te onderzoeken, scheen

het onbetwistbaar, dat de zwaarte of de kracht van éen mensch niet

toereikend was, om den steen met zich naar buiten te scheuren, maar dat

aan den anderen kant het stuk ook zoo los gelegen had, dat het door de

vereenigde kracht van drie of vier menschen gemakkelijk van zijne

plaats had kunnen gerukt worden. De grond op den rand van den afgrond

droeg sporen van diepe voetstappen en scheen aan te duiden, dat hier

hevig geworsteld was. Dergelijke, maar minder zichtbare sporen leidden

den opmerkzamen onderzoeker naar het bosch, dat op deze plek tot den

bovensten rand van de rotsen groeide. Geduldig volgde men ze tot in het

dichtste gedeelte van het bosch; een weg, welken niemand gekozen zou

hebben, dan met het voornemen om zich te verbergen. Hier vond men,

naarmate men verder doordrong, op verschillende punten duidelijk sporen

van gepleegd geweld, of van een hevigen strijd. Dunne takjes waren

neder gescheurd, alsof een ongelukkige, die gewelddadig voortgesleept

werd, ze gegrepen had, om weerstand te bieden, en waar de grond maar

eenigszins week was, zag men vele voetstappen en vermoedelijke sporen

van bloed. Zoo veel was zeker, dat hier verscheidene personen met

geweld door het kreupelhout, dat tusschen de eiken en notenboomen

stond, gedrongen waren, en op sommige plaatsen scheen het alsof een zak

vol graan, een lijk, of iets van die zwaarte en grootte langs den grond

gesleept was. Nog was er in het kreupelbosch een klein moeras, waarvan

de slijk witachtig, waarschijnlijk met mergel vermengd was; zulke

vlekken had men ook op den rug van Kennedy’s rok gevonden. Het spoor

vervolgende, vond men, op eenigen afstand van den rand van de

noodlottige rots, eene opene plaats, welke plat getreden en kennelijk

met bloed bevlekt was, ofschoon er verwelkte bladeren op gestrooid

waren, en men door andere in haast bedachte middelen deze sporen van

een wanhopige worsteling had zoeken te verbergen. Ook vond men hier den

hartsvanger van den ongelukkige, in het kreupelhout geworpen, en niet

ver van dáar, ofschoon beter verborgen, den draagriem en de schede.

Bij een nauwkeurig onderzoek bleek het, dat sommige der voetstappen met

den voet van het ongelukkige slachtoffer overeenkwamen, dat eenige

grooter en andere kleiner waren, zoodat men vast aannemen kon, dat er

ten minste vier of vijf menschen met hem bezig geweest waren. Bovendien

zag men hier, en ook nergens dan hier, de voetstappen van een kind, en

dewijl de harde rijweg door het bosch van Warroch niet ver verwijderd

was van deze plek, moest men natuurlijk veronderstellen, dat de knaap,

onder de verwarring, in deze richting ontvlucht moest zijn. Daar men

echter niets van het kind vernam, was de sheriff, na een bedaarde

overweging van alle omstandigheden, welke hij nauwkeurig opteekende,

van gevoelen, dat Kennedy verraderlijk overvallen was en dat de

moordenaars, wie zij ook zijn mochten, zich meester van het kind

gemaakt hadden.

Nu werden alle middelen in het werk gesteld, om de schuldigen te

ontdekken. Het vermoeden was verdeeld tusschen de sluikhandelaars en de

Heidenen. Het lot van het schip van Dirk Hatteraick was aan geen

twijfel onderhevig. Twee mannen van de andere zijde van de Warrochbaai

(dus werd de inham aan de zuidzijde van kaap Warroch genoemd) hadden

van verre gezien, dat het schip, nadat het de kaap omgezeild had,

oostwaarts dreef, en, naar de bewegingen er van te oordeelen, was het

geheel ontredderd. Kort daarop zagen zij, dat het aan den grond

geraakte, begon te rooken en eindelijk geheel in brand stond. Terwijl

het in volle vlam was, voer een koninklijk schip, met de vlag in top,

om de kaap. Het geschut van het brandende schip ging los, toen het vuur

het bereikte, en eindelijk vloog het schip zelf met een

verschrikkelijken slag in de lucht. De oorlogssloep moest, om hare

eigene veiligheid, op eenen afstand blijven en zette, nadat het schip

in de lucht gevlogen was, met volle zeilen koers naar het zuiden. De

sheriff vroeg deze lieden, of er ook booten uitgezet waren. Zij hadden

geene gezien, nochtans was het wel mogelijk, dat ze door het brandende

schip en de landwaarts drijvende rookwolken voor hunne oogen verborgen

werden.

Niemand twijfelde, dat het verbrande schip aan Dirk Hatteraick

toebehoorde. Men wist, dat het aan de kust was en sedert eenigen tijd

gewacht werd.

Op verzoek van den sheriff deelde de bevelhebber van het koninklijke

schip de berichten, welke hij geven konde, mede, en gaf zelfs

uittreksels uit zijn journaal. Deze luidden, dat hij op den uitkijk was

geweest naar het schip van een smokkelaar, Dirk Hatteraick genaamd, op

requisitie en informatie van Frans Kennedy, van het tolambt. Dat

genoemde Kennedy ook aan wal op den uitkijk zou blijven, in geval

Hatteraick, die bekend stond als een zeer gevaarlijk mensch, pogen

mocht zijn vaartuig aan wal te brengen. ’s Morgens ten negen uur hadden

zij het schip van Hatteraick ontdekt en er jacht op gemaakt, en na

herhaalde signalen om bij te draaien, er op gevuurd. Het schip heesch

toen de Hamburger vlag en vuurde terug en het gevecht duurde drie uren

lang, toen men bij het omzeilen van kaap Warroch ontwaarde dat de ra

doorschoten was en het vaartuig dus onklaar was. Het oorlogschip kon

hiervan geen gebruik maken, om dat het te dicht aan wal was om de kaap

om te zeilen. Na tweemaal overstag te zijn gegaan, was dit eindelijk

gelukt, en vonden zij het smokkelaars schip in brand en schijnbaar

verlaten. De brand eenige vaten sterken dranks bereikt hebbende, die

met andere brandstoffen, waarschijnlijk met deze bedoeling op het dek

geplaatst waren, konden de booten het schip niet naderen, vooral omdat

de geladen stukken achtereenvolgens, naar mate de gloed ze bereikte,

losgingen.

Hij hield het voor zeker, dat het scheepsvolk het schip zelf in brand

gestoken en zich met de booten gered had. Hij had met zijn schip de

kusten van het eiland Man onderzocht, ten einde de schuilplaatsen van

de sluikhandelaars te ontdekken, die zich wellicht een dag of wat in de

bosschen zouden schuilhouden, en dan trachten deze wijkplaats te

verlaten; maar volstrekt geen spoor van hen gevonden.

Dit was het bericht van Willem Pritchard, bevelhebber van Z. M. schip

„de Haai,” die eindigde met te verklaren, dat het hem zeer leed deed,

dat hij het geluk niet had gehad de schurken te kunnen vinden, die de

onbeschoftheid hadden gehad te vuren op ’s Rijks vlag, terwijl hij

verzekerde, dat als hij op een lateren tocht den heer Hatteraick

ontmoette, hij niet nalaten zou hem aan wal te slepen om alles te

verantwoorden wat men tegen hem in te brengen had.

Dus vaststellende, dat het scheepsvolk van Dirk Hatteraick zich gered

had, was de dood van Kennedy gemakkelijk te verklaren, indien hij in

het bosch in handen van deze woestelingen, door het verlies van hun

schip, waarvan hij gedeeltelijk de oorzaak was, woedend tegen hem

geworden, gevallen was. Ook was het niet onwaarschijnlijk, dat zij het

kind vermoord hadden, te meer daar het bekend was, dat Hatteraick zeer

verbitterd tegen diens vader was, die zooveel ijver in het vervolgen

der smokkelaars betoond had, en ijselijke verwenschingen tegen hem

uitgebraakt had. Tegen dit vermoeden werd ingebracht, dat vijftien of

twintig menschen zich niet gemakkelijk hadden kunnen verbergen op eene

kust, waar aanstonds, na het verongelukken van hun schip, zulke

nauwkeurige nasporingen in het werk waren gesteld, en waar men, in dat

geval, ten minste hunne booten had moeten vinden. En was het wel te

denken, dat zij in een zoo bedenkelijken toestand, welke hunne vlucht

zoo gevaarlijk, ja bijna onmogelijk maakte, op die plaats bij elkander

zouden komen, om, alleen uit wraakzucht, een nutteloozen moord te

begaan? Zij, die dit gevoelen koesterden, veronderstelden, dat de

booten onbemerkt door allen, die naar het brandende schip zagen, in zee

gekomen en ver genoeg verwijderd waren, vóor dat de sloep de kaap

omzeilen kon, of dat het scheepsvolk, indien de booten door het vuur

van de oorlogssloep vernield waren, het wanhopige besluit hadden

genomen, met hun schip om te komen. Dit laatste vermoeden kreeg eenigen

grond, doordien men noch van Dirk Hatteraick, noch van zijne matrozen,

die door hunnen smokkelhandel op de geheele kust en op het eiland Man

zeer bekend waren, niettegenstaande de strengste nasporingen, iets

vernemen kon, en dewijl er slechts éen lijk, waarschijnlijk van een in

het gevecht gesneuvelden zeeman, aan het strand gespoeld was.

Er bleef dus niets anders te doen dan de namen, beschrijving en

uiterlijk van de manschappen tot het schip behoorende op te teekenen,

en om een belooning uit te schrijven voor hunne aanhouding, aan

iedereen, die zelf de moordenaar niet was, die de uitlevering en de

veroordeeling van de aanvallers van Frans Kennedy kon bewerken.

Anderen, wier gevoelen ook zeer aannemelijk scheen, wilden de schuld

van deze verschrikkelijke misdaad op de verdreven bewoners van

Derncleugh werpen. Het was bekend, dat zij door het gedrag van den heer

van Ellangowan tegen hen uiterst verbitterd waren, en verschrikkelijke

bedreigingen tegen hem uitgesproken hadden, tot welker volvoering ieder

hen in staat hield. Het stelen van het kind was ook eene daad, welke

men veel eerder aan hen, dan aan de smokkelaars toeschrijven zoude; en

kon Kennedy niet, bij zijne pogingen om het kind te redden, omgekomen

zijn? Bovendien had hij een paar dagen te voren, bij het verdrijven der

Heidenen uit Derncleugh, eene groote rol gespeeld, zoo dat er bij die

gelegenheid hevige, en dreigende woorden tusschen hem en eenige der

hoofden van den stam gewisseld waren. De ongelukkige vader en zijn

dienaar legden ook voor den sheriff eene verklaring af, betreffende

hunne laatste ontmoeting met de Heidenen op de grenzen van het

grondgebied van Ellangowan.

De woorden van Meg Merrilies vermeerderden den argwaan. Er was, zooals

de magistraat in zijn rechtsgeleerde taal opmerkte, een damnum minatum

– een bedreiging van onheil – in de woorden opgesloten en een malum

secutum – een onheil van voorspelden aard, was gevolgd. Ook meende een

meisje, dat noten in het bosch van Warroch gezocht had, dat zij Meg

Merrilies, of ten minste eene vrouw van hare buitengewone grootte en

met hare bijzondere kleeding, door het bosch had zien snellen. Het

meisje had haar bij haren naam geroepen; maar daar de gestalte van haar

weggeloopen was en haar geen antwoord gegeven had, kon zij niet weten,

of het de Heidin zelve of hare schim geweest was, en zij had gevreesd

een wezen na te sporen, in welks nabijheid het, volgens hare

uitdrukking, „niet zuiver was.” Dit verhaal scheen bevestigd te worden

door de omstandigheid, dat er op denzelfden avond vuur in den

schoorsteen van de verlaten hut van Meg Merrilies gevonden werd, wat

ook getuigd werd door Bertram en den tuinman, ofschoon het aan den

anderen kant bijna niet te denken was, dat de Heidin, indien zij

medeplichtig was aan de gruwelijke misdaad, zich zoo spoedig na de

volvoering daarvan naar eene plaats zoude begeven, waar men haar het

eerst moest zoeken. Meg Merrilies werd evenwel in hechtenis genomen en

verhoord. Zij ontkende stellig, dat zij op den dag van Kennedy’s dood

te Derncleugh of in het bosch van Warroch geweest was, en bovendien

bevestigden verscheidene van haren stam met eede, dat zij hunne

legerplaats in een dal, omstreeks tien Engelsche mijlen van Ellangowan,

in het geheel niet verlaten had. Op hunne eeden was wel niet veel te

vertrouwen; maar welke andere zekerheid kon men in deze omstandigheden

hebben? Door haar verhoor kwam er echter éene opmerkelijke

omstandigheid aan het licht. Haar arm scheen namelijk door een scherp

werktuig gewond te zijn en was met een zakdoek van den kleinen Hendrik

verbonden. Het opperhoofd van de bende verklaarde echter, dat hij haar

op dien dag met zijn dolk „getuchtigd” had; zij zelve en anderen gaven

dezelfde verklaring wegens hare wond; en daar er in de laatste maanden

zoo veel linnengoed te Ellangowan gestolen was, liet het zich

gemakkelijk verklaren, hoe Meg Merrilies aan den zakdoek gekomen was,

zonder haar juist daarom van eene snoode misdaad te betichten.

Bij haar verhoor was het opmerkelijk, dat zij bij de vragen,

betrekkelijk den dood van Kennedy, of „den douane-man,” zoo als zij hem

steeds noemde, onverschillig bleef, maar daarentegen zeer verstoord en

verontwaardigd scheen, dat men haar in staat achtte, den kleinen

Hendrik Bertram het minste leed te doen. Men liet haar echter lang in

de gevangenis zuchten, in de hoop dat er nog iets ontdekt mocht worden,

dat licht over deze geheimzinnige en bloedige daad kon verspreiden.

Daar er echter niets aan den dag kwam, werd zij ten laatste ontslagen,

maar tevens als landloopster en diefegge uit het graafschap verbannen.

Er werd evenwel hoegenaamd geen spoor van den knaap gevonden, en

eindelijk hield men op van deze onverklaarbare zaak, die in het eerst

zoo veel gerucht gemaakt, had, te spreken. Het aandenken daaraan bleef

nochtans levendig onder de benaming van „opzichterssprong” welke aan de

rots, waar Kennedy zijn dood gevonden had, gegeven werd.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 12 / 75 题