– Men ziet, – ’t gezicht is zwart en bloedbevlekt;
De oogen puilen uit, zoo als in ’t leven nooit,
En staren als die van iemand, die geworgd werd!
Te berge rijst het haar, neusgaten wijd geopend,
De handen uitgespreid als zochten ze te grijpen,
Te kampen om het leven – tot hij bezweek.
Hendrik IV. 1ste Ged.
Den volgenden morgen met het aanbreken van den dag kwam de sheriff van
het graafschap te Ellangowan, om behoorlijk onderzoek te doen; want aan
dezen ambtenaar wordt door de wet in Schotland uitgebreide rechtsmacht
verleend, zooals onder anderen, het onderzoek van alle misdaden binnen
zijn gebied gepleegd en het verhooren en aanhouden van alle verdachte
menschen.
De man, de dit ambt bekleedde te Ellangowan tijdens deze gebeurtenis,
was van goede afkomst en goed opgevoed en werd algemeen geacht en
geëerbiedigd als een knap en flink ambtenaar.
Zijn eerste werk was, alle getuigen te hooren, wier verklaringen eenig
licht over deze geheimzinnige gebeurtenis verspreiden konden. Zijn
nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek bracht verscheidene omstandigheden
aan het licht, welke het eerste vermoeden, dat Kennedy door een
ongelukkig toeval van de rots gevallen zou zijn, volkomen wederlegden.
Het lijk was in denzelfden toestand, waarin het gevonden werd, in eene
naburige visschershut gebracht. Bij een nauwkeurig onderzoek vond men
dat het deerlijk gekneusd en verpletterd was door den verschrikkelijken
val, maar tevens ontdekte men eene diepe wonde in het hoofd, welke,
naar het gevoelen van een kundigen wondarts, met een sabel of houwer
moest toegebracht zijn. Deze ervaren man ontdekte nog andere verdachte
teekens. Het gelaat was geheel zwart, de oogen verdraaid en de
halsaderen gezwollen. De bonte halsdoek, welken de ongelukkige droeg,
zat niet zoo als het behoorde, maar veel te los; de knoop zat op eene
verkeerde plaats en was zeer vast toegetrokken; bovendien was de
geheele doek zóo gekreukeld, alsof de overledene daaraan naar den
afgrond gesleept was. Van den anderen kant was de beurs van den armen
Kennedy onaangeroerd gebleven, en zijne pistolen, die hij gewoonlijk
bij zich droeg, als hij op gevaarlijke tochten uitging, vond men ìn
zijn zak. Dit was nog vreemder, omdat hij door alle sluikhandelaars
gekend en gevreesd was als een onverschrokken man, die zich goed van
zijne wapens wist te bedienen. De sheriff vroeg, of Kennedy niet gewoon
was andere wapens te dragen. Bertram’s dienstboden wisten wel, dat hij
gewoonlijk een jachtmes, of hartsvanger droeg, maar zoo iets werd niet
bij het lijk gevonden, en niemand kon met zekerheid verklaren, of hij
dat wapen op den dag van zijn dood bij zich gehad had.
Het lijk leverde geene andere teekens op, welke eenig licht over het
lot van Kennedy konden verspreiden. Zijne kleeding was wel zeer in
wanorde en de ledematen waren gekneusd en gebroken; maar het eerste
scheen een waarschijnlijk en het laatste een zeker gevolg van zulk een
val te zijn. De handen van de overledene waren dicht geknepen en vol
gras en aarde; maar ook dit bewees niets.
De sheriff ging hierop naar de plaats, waar het lijk was, en liet zich
nauwkeurig verhalen, in welke ligging men het gevonden had. Een groot
stuk rots scheen met den ongelukkige van boven, of hem achterna
gevallen te zijn. Deze harde steenklomp was door den val zoo weinig
beschadigd, dat men, bij nauwkeurig onderzoek, ontdekken kon, waar en
hoe die met de rots verbonden geweest was. Dit kon men gemakkelijk zien
uit den verweêrden toestand van dat gedeelte van den steen, dat niet in
den grond gelegen had. Toen men nu op de rots geklommen was, om de
plaats, waar de steenklomp moest gelegen hebben, te onderzoeken, scheen
het onbetwistbaar, dat de zwaarte of de kracht van éen mensch niet
toereikend was, om den steen met zich naar buiten te scheuren, maar dat
aan den anderen kant het stuk ook zoo los gelegen had, dat het door de
vereenigde kracht van drie of vier menschen gemakkelijk van zijne
plaats had kunnen gerukt worden. De grond op den rand van den afgrond
droeg sporen van diepe voetstappen en scheen aan te duiden, dat hier
hevig geworsteld was. Dergelijke, maar minder zichtbare sporen leidden
den opmerkzamen onderzoeker naar het bosch, dat op deze plek tot den
bovensten rand van de rotsen groeide. Geduldig volgde men ze tot in het
dichtste gedeelte van het bosch; een weg, welken niemand gekozen zou
hebben, dan met het voornemen om zich te verbergen. Hier vond men,
naarmate men verder doordrong, op verschillende punten duidelijk sporen
van gepleegd geweld, of van een hevigen strijd. Dunne takjes waren
neder gescheurd, alsof een ongelukkige, die gewelddadig voortgesleept
werd, ze gegrepen had, om weerstand te bieden, en waar de grond maar
eenigszins week was, zag men vele voetstappen en vermoedelijke sporen
van bloed. Zoo veel was zeker, dat hier verscheidene personen met
geweld door het kreupelhout, dat tusschen de eiken en notenboomen
stond, gedrongen waren, en op sommige plaatsen scheen het alsof een zak
vol graan, een lijk, of iets van die zwaarte en grootte langs den grond
gesleept was. Nog was er in het kreupelbosch een klein moeras, waarvan
de slijk witachtig, waarschijnlijk met mergel vermengd was; zulke
vlekken had men ook op den rug van Kennedy’s rok gevonden. Het spoor
vervolgende, vond men, op eenigen afstand van den rand van de
noodlottige rots, eene opene plaats, welke plat getreden en kennelijk
met bloed bevlekt was, ofschoon er verwelkte bladeren op gestrooid
waren, en men door andere in haast bedachte middelen deze sporen van
een wanhopige worsteling had zoeken te verbergen. Ook vond men hier den
hartsvanger van den ongelukkige, in het kreupelhout geworpen, en niet
ver van dáar, ofschoon beter verborgen, den draagriem en de schede.
Bij een nauwkeurig onderzoek bleek het, dat sommige der voetstappen met
den voet van het ongelukkige slachtoffer overeenkwamen, dat eenige
grooter en andere kleiner waren, zoodat men vast aannemen kon, dat er
ten minste vier of vijf menschen met hem bezig geweest waren. Bovendien
zag men hier, en ook nergens dan hier, de voetstappen van een kind, en
dewijl de harde rijweg door het bosch van Warroch niet ver verwijderd
was van deze plek, moest men natuurlijk veronderstellen, dat de knaap,
onder de verwarring, in deze richting ontvlucht moest zijn. Daar men
echter niets van het kind vernam, was de sheriff, na een bedaarde
overweging van alle omstandigheden, welke hij nauwkeurig opteekende,
van gevoelen, dat Kennedy verraderlijk overvallen was en dat de
moordenaars, wie zij ook zijn mochten, zich meester van het kind
gemaakt hadden.
Nu werden alle middelen in het werk gesteld, om de schuldigen te
ontdekken. Het vermoeden was verdeeld tusschen de sluikhandelaars en de
Heidenen. Het lot van het schip van Dirk Hatteraick was aan geen
twijfel onderhevig. Twee mannen van de andere zijde van de Warrochbaai
(dus werd de inham aan de zuidzijde van kaap Warroch genoemd) hadden
van verre gezien, dat het schip, nadat het de kaap omgezeild had,
oostwaarts dreef, en, naar de bewegingen er van te oordeelen, was het
geheel ontredderd. Kort daarop zagen zij, dat het aan den grond
geraakte, begon te rooken en eindelijk geheel in brand stond. Terwijl
het in volle vlam was, voer een koninklijk schip, met de vlag in top,
om de kaap. Het geschut van het brandende schip ging los, toen het vuur
het bereikte, en eindelijk vloog het schip zelf met een
verschrikkelijken slag in de lucht. De oorlogssloep moest, om hare
eigene veiligheid, op eenen afstand blijven en zette, nadat het schip
in de lucht gevlogen was, met volle zeilen koers naar het zuiden. De
sheriff vroeg deze lieden, of er ook booten uitgezet waren. Zij hadden
geene gezien, nochtans was het wel mogelijk, dat ze door het brandende
schip en de landwaarts drijvende rookwolken voor hunne oogen verborgen
werden.
Niemand twijfelde, dat het verbrande schip aan Dirk Hatteraick
toebehoorde. Men wist, dat het aan de kust was en sedert eenigen tijd
gewacht werd.
Op verzoek van den sheriff deelde de bevelhebber van het koninklijke
schip de berichten, welke hij geven konde, mede, en gaf zelfs
uittreksels uit zijn journaal. Deze luidden, dat hij op den uitkijk was
geweest naar het schip van een smokkelaar, Dirk Hatteraick genaamd, op
requisitie en informatie van Frans Kennedy, van het tolambt. Dat
genoemde Kennedy ook aan wal op den uitkijk zou blijven, in geval
Hatteraick, die bekend stond als een zeer gevaarlijk mensch, pogen
mocht zijn vaartuig aan wal te brengen. ’s Morgens ten negen uur hadden
zij het schip van Hatteraick ontdekt en er jacht op gemaakt, en na
herhaalde signalen om bij te draaien, er op gevuurd. Het schip heesch
toen de Hamburger vlag en vuurde terug en het gevecht duurde drie uren
lang, toen men bij het omzeilen van kaap Warroch ontwaarde dat de ra
doorschoten was en het vaartuig dus onklaar was. Het oorlogschip kon
hiervan geen gebruik maken, om dat het te dicht aan wal was om de kaap
om te zeilen. Na tweemaal overstag te zijn gegaan, was dit eindelijk
gelukt, en vonden zij het smokkelaars schip in brand en schijnbaar
verlaten. De brand eenige vaten sterken dranks bereikt hebbende, die
met andere brandstoffen, waarschijnlijk met deze bedoeling op het dek
geplaatst waren, konden de booten het schip niet naderen, vooral omdat
de geladen stukken achtereenvolgens, naar mate de gloed ze bereikte,
losgingen.
Hij hield het voor zeker, dat het scheepsvolk het schip zelf in brand
gestoken en zich met de booten gered had. Hij had met zijn schip de
kusten van het eiland Man onderzocht, ten einde de schuilplaatsen van
de sluikhandelaars te ontdekken, die zich wellicht een dag of wat in de
bosschen zouden schuilhouden, en dan trachten deze wijkplaats te
verlaten; maar volstrekt geen spoor van hen gevonden.
Dit was het bericht van Willem Pritchard, bevelhebber van Z. M. schip
„de Haai,” die eindigde met te verklaren, dat het hem zeer leed deed,
dat hij het geluk niet had gehad de schurken te kunnen vinden, die de
onbeschoftheid hadden gehad te vuren op ’s Rijks vlag, terwijl hij
verzekerde, dat als hij op een lateren tocht den heer Hatteraick
ontmoette, hij niet nalaten zou hem aan wal te slepen om alles te
verantwoorden wat men tegen hem in te brengen had.
Dus vaststellende, dat het scheepsvolk van Dirk Hatteraick zich gered
had, was de dood van Kennedy gemakkelijk te verklaren, indien hij in
het bosch in handen van deze woestelingen, door het verlies van hun
schip, waarvan hij gedeeltelijk de oorzaak was, woedend tegen hem
geworden, gevallen was. Ook was het niet onwaarschijnlijk, dat zij het
kind vermoord hadden, te meer daar het bekend was, dat Hatteraick zeer
verbitterd tegen diens vader was, die zooveel ijver in het vervolgen
der smokkelaars betoond had, en ijselijke verwenschingen tegen hem
uitgebraakt had. Tegen dit vermoeden werd ingebracht, dat vijftien of
twintig menschen zich niet gemakkelijk hadden kunnen verbergen op eene
kust, waar aanstonds, na het verongelukken van hun schip, zulke
nauwkeurige nasporingen in het werk waren gesteld, en waar men, in dat
geval, ten minste hunne booten had moeten vinden. En was het wel te
denken, dat zij in een zoo bedenkelijken toestand, welke hunne vlucht
zoo gevaarlijk, ja bijna onmogelijk maakte, op die plaats bij elkander
zouden komen, om, alleen uit wraakzucht, een nutteloozen moord te
begaan? Zij, die dit gevoelen koesterden, veronderstelden, dat de
booten onbemerkt door allen, die naar het brandende schip zagen, in zee
gekomen en ver genoeg verwijderd waren, vóor dat de sloep de kaap
omzeilen kon, of dat het scheepsvolk, indien de booten door het vuur
van de oorlogssloep vernield waren, het wanhopige besluit hadden
genomen, met hun schip om te komen. Dit laatste vermoeden kreeg eenigen
grond, doordien men noch van Dirk Hatteraick, noch van zijne matrozen,
die door hunnen smokkelhandel op de geheele kust en op het eiland Man
zeer bekend waren, niettegenstaande de strengste nasporingen, iets
vernemen kon, en dewijl er slechts éen lijk, waarschijnlijk van een in
het gevecht gesneuvelden zeeman, aan het strand gespoeld was.
Er bleef dus niets anders te doen dan de namen, beschrijving en
uiterlijk van de manschappen tot het schip behoorende op te teekenen,
en om een belooning uit te schrijven voor hunne aanhouding, aan
iedereen, die zelf de moordenaar niet was, die de uitlevering en de
veroordeeling van de aanvallers van Frans Kennedy kon bewerken.
Anderen, wier gevoelen ook zeer aannemelijk scheen, wilden de schuld
van deze verschrikkelijke misdaad op de verdreven bewoners van
Derncleugh werpen. Het was bekend, dat zij door het gedrag van den heer
van Ellangowan tegen hen uiterst verbitterd waren, en verschrikkelijke
bedreigingen tegen hem uitgesproken hadden, tot welker volvoering ieder
hen in staat hield. Het stelen van het kind was ook eene daad, welke
men veel eerder aan hen, dan aan de smokkelaars toeschrijven zoude; en
kon Kennedy niet, bij zijne pogingen om het kind te redden, omgekomen
zijn? Bovendien had hij een paar dagen te voren, bij het verdrijven der
Heidenen uit Derncleugh, eene groote rol gespeeld, zoo dat er bij die
gelegenheid hevige, en dreigende woorden tusschen hem en eenige der
hoofden van den stam gewisseld waren. De ongelukkige vader en zijn
dienaar legden ook voor den sheriff eene verklaring af, betreffende
hunne laatste ontmoeting met de Heidenen op de grenzen van het
grondgebied van Ellangowan.
De woorden van Meg Merrilies vermeerderden den argwaan. Er was, zooals
de magistraat in zijn rechtsgeleerde taal opmerkte, een damnum minatum
– een bedreiging van onheil – in de woorden opgesloten en een malum
secutum – een onheil van voorspelden aard, was gevolgd. Ook meende een
meisje, dat noten in het bosch van Warroch gezocht had, dat zij Meg
Merrilies, of ten minste eene vrouw van hare buitengewone grootte en
met hare bijzondere kleeding, door het bosch had zien snellen. Het
meisje had haar bij haren naam geroepen; maar daar de gestalte van haar
weggeloopen was en haar geen antwoord gegeven had, kon zij niet weten,
of het de Heidin zelve of hare schim geweest was, en zij had gevreesd
een wezen na te sporen, in welks nabijheid het, volgens hare
uitdrukking, „niet zuiver was.” Dit verhaal scheen bevestigd te worden
door de omstandigheid, dat er op denzelfden avond vuur in den
schoorsteen van de verlaten hut van Meg Merrilies gevonden werd, wat
ook getuigd werd door Bertram en den tuinman, ofschoon het aan den
anderen kant bijna niet te denken was, dat de Heidin, indien zij
medeplichtig was aan de gruwelijke misdaad, zich zoo spoedig na de
volvoering daarvan naar eene plaats zoude begeven, waar men haar het
eerst moest zoeken. Meg Merrilies werd evenwel in hechtenis genomen en
verhoord. Zij ontkende stellig, dat zij op den dag van Kennedy’s dood
te Derncleugh of in het bosch van Warroch geweest was, en bovendien
bevestigden verscheidene van haren stam met eede, dat zij hunne
legerplaats in een dal, omstreeks tien Engelsche mijlen van Ellangowan,
in het geheel niet verlaten had. Op hunne eeden was wel niet veel te
vertrouwen; maar welke andere zekerheid kon men in deze omstandigheden
hebben? Door haar verhoor kwam er echter éene opmerkelijke
omstandigheid aan het licht. Haar arm scheen namelijk door een scherp
werktuig gewond te zijn en was met een zakdoek van den kleinen Hendrik
verbonden. Het opperhoofd van de bende verklaarde echter, dat hij haar
op dien dag met zijn dolk „getuchtigd” had; zij zelve en anderen gaven
dezelfde verklaring wegens hare wond; en daar er in de laatste maanden
zoo veel linnengoed te Ellangowan gestolen was, liet het zich
gemakkelijk verklaren, hoe Meg Merrilies aan den zakdoek gekomen was,
zonder haar juist daarom van eene snoode misdaad te betichten.
Bij haar verhoor was het opmerkelijk, dat zij bij de vragen,
betrekkelijk den dood van Kennedy, of „den douane-man,” zoo als zij hem
steeds noemde, onverschillig bleef, maar daarentegen zeer verstoord en
verontwaardigd scheen, dat men haar in staat achtte, den kleinen
Hendrik Bertram het minste leed te doen. Men liet haar echter lang in
de gevangenis zuchten, in de hoop dat er nog iets ontdekt mocht worden,
dat licht over deze geheimzinnige en bloedige daad kon verspreiden.
Daar er echter niets aan den dag kwam, werd zij ten laatste ontslagen,
maar tevens als landloopster en diefegge uit het graafschap verbannen.
Er werd evenwel hoegenaamd geen spoor van den knaap gevonden, en
eindelijk hield men op van deze onverklaarbare zaak, die in het eerst
zoo veel gerucht gemaakt, had, te spreken. Het aandenken daaraan bleef
nochtans levendig onder de benaming van „opzichterssprong” welke aan de
rots, waar Kennedy zijn dood gevonden had, gegeven werd.