ACHTSTE HOOFDSTUK.

Zoo ziet de roodhuid, aan Ontarios vloed,

Op dierenvellen liggend, grootgebracht,

Zijn donker ras verdwijnen, en de blanke

Zijn woning stichten onder het geboomt’.

Bedroefd ontvlucht hij dan het sombre bosch,

Het ruischend water van den grooten stroom,

En zoekt in stille woede een toevluchtsoord,

Waar nooit een menschenvoet getreden heeft,

Een diepe duisternis zijn spoor verbergt

In wouden, stil en eenzaam als het graf.

Tooneelen der Kindsheid.

Onder het verhalen der omstandigheden van dezen kleinen oorlog, moeten

wij niet vergeten aan te merken, dat met de jaren de kleine Hendrik

Bertram een zeer levendige en flinke knaap geworden was, en spoedig den

ouderdom van vijf jaren zou bereiken. Zijn moed, die zich vroegtijdig

ontwikkelde, maakte hem tot een’ kleinen zwerver; hij kende ieder pad

in het bosch rondom den burcht van Ellangowan, en kon in zijne

kinderlijke taal verhalen, waar de fraaiste bloemen bloeiden en de

beste hazelnoten groeiden. Hij joeg de bedienden dikwijls een schrik

aan, door zijn klauteren in de bouwvallen van het oude slot, en meer

dan eens was hij stil naar het dorpje der Heidenen geslopen.

Bij zulke gelegenheden werd hij gewoonlijk door Meg Merrilies terug

gebracht, die hare gevoeligheid niet tot het kind scheen uit te

strekken, ofschoon zij, sedert haar neef als matroos geprest was,

volstrekt niet meer op het slot wilde komen. Zij zocht den aap ook op

zijne wandelingen, zong hem een heidensch liedje voor, liet hem op

haren ezel rijden en stak hem dikwijls een stuk peperkoek of een

roodwangigen appel in den zak. De van alle kanten afgewezene en

versmade verkleefdheid van deze oude vrouw aan het huis van Ellangowan

scheen daarmede voldaan te zijn, dat zij toch één voorwerp vond,

waaraan zij hare genegenheid bewijzen kon. Honderdmalen voorspelde zij,

dat de jonge Hendrik eens de roem van zijn geslacht worden zou en dat

er sedert den dood van den dapperen Arthur Mac-Dingawaie, die in den

slag bij de Bloedige Baai gesneuveld was, zulk eene spruit niet aan den

ouden boom geweest was; en dat, wat den tegenwoordigen stam betrof,

deze deugde alleen tot brandhout. Eens, toen de knaap ziek was, lag zij

den ganschen nacht onder zijn venster en zong een lied, dat zij voor

een krachtig koortsverdrijvend middel hield, en men kon haar evenmin

bewegen, in huis te komen, als om hare plaats te verlaten, vóor dat zij

vernam dat het gevaar geweken was.

Deze verkleefdheid van de Heidin verwekte argwaan, wel niet bij den

heer, die niet spoedig ergdenkend was, maar bij zijne gemalin, die

ziekelijk en droefgeestig was. De bezorgde moeder, voor de tweede maal

hoogzwanger, kon zelve niet meer uitgaan en verzocht dus den goeden

Sampson, den knaap in zijne eenzame zwerftochten te bewaken, daar het

dienstmeisje, dat op Hendrik passen moest, jong en onbedachtzaam was.

Sampson beminde zijn kweekeling en verheugde zich over den gelukkigen

uitslag van zijn onderwijs, daar hij hem reeds zoo ver gebracht had,

dat hij woorden van drie lettergrepen spellen kon. Het denkbeeld, dat

dit vroegtijdig wonder van geleerdheid – als een tweede Adam Smith [5]

– door de Heidenen ontvoerd zou worden, was hem onverdragelijk. Uit

dien hoofde nam hij volgaarne dezen post op zich, hoe tegenstrijdig die

ook zijn mocht met zijne gewone levenswijze, en het was niet onaardig

te zien, hoe hij deftig daarheen stapte, het hoofd vervuld met een

ingewikkeld wiskundig voorstel en de oogen gevestigd op een’

vijfjarigen knaap, die hem door zijn omzwerven honderdmalen in een

hachelijken toestand bracht. Tweemaal geraakte hij in het nauw door

eene koe; eens gleed hij in eene beek van de steenen af, die er in

gelegd waren, om er droogvoets over te komen, en een anderen keer zakte

hij bijna tot aan den hals in een moeras, terwijl hij eene waterlelie

voor den jongenheer plukken wilde. De boerinnen, welke hem bij deze

gelegenheid te hulp kwamen, meenden, dat de heer het opzicht over zijn

zoon even goed aan een vogelverschrikker kon toevertrouwen als aan den

meester, maar de goede Sampson verdroeg dit alles met zijn gewonen

ernst en bedaardheid. Geen ongeluk kon dezen geduldigen man iets anders

afpersen, dan het enkele woord: „wonderbaar!”

De heer Bertram had intusschen besloten, de Heidenen van Derncleugh met

wortel en tak uit te roeien. De oude bedienden schudden het hoofd over

zijn voornemen en ook Sampson waagde, hoewelk niet rechtstreeks, eene

tegenvoorstelling. Daar die echter in de orakeltaal: „Ne moveas

Camerinam,” ingekleed was, en noch de zinspeling, noch de taal, waarin

zij vervat was, voor Bertram berekend was, gingen de zaken tegen de

Heidenen haren wettelijken gang. Op iedere deur in het dorpje werd door

een’ gerechtsdienaar een teeken met krijt gemaakt, als eene plechtige

waarschuwing, om binnen den bepaalden tijd te vertrekken. De Heidenen

schenen nochtans niet geneigd, zich hieraan te onderwerpen. Eindelijk

verscheen de bepaalde tijd, de ongelukkige Sint-Maartensdag, en men

ging tot gewelddadige maatregelen over, om hen te verdrijven. Eene

groote menigte gerechtsdienaars, sterk genoeg om allen wederstand te

verijdelen, gelastte den inwoners voor de laatste maal, om vóor den

middag te vertrekken, en begonnen, toen deze niet gehoorzaamden,

volgens hunne bevelen, de daken van de hutten af te breken en de deuren

en vensters er uit te nemen, zoo als tegenwoordig nog in eenige

afgelegen streken van Schotland gebruikelijk is, wanneer een pachter

niet goedwillig vertrekken wil. De Heidenen aanschouwden dit werk der

vernieling eene poos werkeloos, onder een somber stilzwijgen, begonnen

toen hunne ezels op te zadelen en te pakken en zich gereed te maken om

te vertrekken. Hiermede waren zij, even als zwervende Tartaren, spoedig

gereed en begaven zich op weg, om nieuwe woonplaatsen te zoeken op een

grond, welks eigenaar geen vrederechter was.

Een gevoel van medelijden had den heer Bertram bewogen, geen getuige

van het verdrijven zijner oude huurlingen te zijn. Hij liet de

uitvoering zijner bevelen over aan de gerechtsdienaars, onder het

toezicht van Frans Kennedy, een ambtenaar bij het tolwezen, die sedert

eenigen tijd dikwijls op het slot kwam en van wien wij later meer te

vertellen zullen hebben. Bertram bezocht op dezen dag een oud, niet ver

van hem afwonenden vriend; maar, niettegenstaande zijne voorzorgen,

wilde het toeval, dat hij de Heidenen op hun aftocht van zijn

grondgebied niet vermijden kon. Hij ontmoette den troep in een hollen

weg tusschen steile hoogten, op de grenzen van het grondgebied van

Ellangowan. Vier of vijf mannen, in wijde jassen gekleed, welke hunne

hooge en tengere gestalten bedekten, terwijl groote hoeden met breede

neergeslagen randen, diep in de oogen gedrukt, hunne woeste trekken,

hun bruin gelaat en hunne zwarte oogen verborgen, maakten de voorhoede

uit. Twee van hen droegen lange jachtgeweren, één had een groot zwaard

zonder schede, en allen waren van den Hooglandschen dolk voorzien,

ofschoon zij niet openlijk met dit wapen praalden. Hierachter volgden

de beladene ezels en kleine karren, waarop de zwakken en hulpeloozen,

de grijsaards en kinderen van de verdreven gemeente geplaatst waren. De

vrouwen, met hare roode rokken en stroohoeden, en de oudere kinderen,

die blootshoofds, barrevoets en bijna geheel naakt liepen, waren belast

met het toezicht op den stoet. De weg was smal en liep tusschen twee

afgegraven zandheuvels door. Bertram’s rijknecht reed voor zijn heer

uit, klapte gebiedend met zijne zweep en beval den drijvers, om voor

hunne meerderen plaats te maken. Hierop werd geen acht gegeven, en nu

riep hij de mannen, die langzaam voortgingen, met eene forsche stem

toe: „Houdt toch stil met uwe beesten en maakt plaats voor den heer.”

„Hij zal zijn deel van den weg hebben,” antwoordde een Heiden van onder

zijn grooten neergeslagen hoed, zonder op te zien, „en meer zal hij ook

niet hebben; de straatweg is even vrij voor onze ezels, als voor zijn

klepper.”

Daar de toon van den man norsch, ja zelfs dreigend was, vond Bertram

het geraden, zijne waardigheid te vergeten, den trein bedaard voorbij

te gaan en zich met de ruimte, die zij hem gunnen wilden, en die

waarlijk klein genoeg was, tevreden te stellen. Om zijne gevoeligheid

over het gebrek aan achting, waarmede men hem behandelde, te verbergen,

sprak hij een van de mannen, die zonder groeten of zonder hem aan te

zien voorbijging, aan, en zeide: „Gilles Baillie! hebt gij al gehoord

of uw zoon Gabriel,” – dus heette de jonge man, die geprest was – „het

goed maakt?”

„Indien ik iets anders gehoord had,” antwoordde de oude man met een

norschen en dreigenden blik, „zoudt gij er ook van vernomen hebben,” en

hij vervolgde zijn weg, zonder verdere vragen af te wachten [6]. In het

gedrang, waardoor Bertram heen worstelen moest, ontdekte hij overal

bekende gezichten, waarop hij thans niets dan haat en verachting las,

ofschoon zij hem voorheen, zoo dikwijls hij in hunne nabijheid kwam,

een eerbied welke alleen hoogere wezens toekomt, betoond hadden. Toen

hij eindelijk het gewoel voorbij was, kon hij zich niet weerhouden,

zijn paard te wenden en den stoet achterna te zien. Eene heerlijke

groep voor het penseel van een Callot. Reeds had de voorhoede een klein

dicht kreupelbosch aan den voet van den heuvel bereikt, hetwelk den

trein langzamerhand verborg, tot dat eindelijk de laatste

achterblijvers ook verdwenen.

Nu welde een smartelijk gevoel in zijne ziel op. De menschen, welke hij

uit hun oud toevluchtsoord verdreven had, waren zeker lui en slecht;

maar had hij wel ooit iets gedaan, om hen beter te maken? Zij waren

niet slechter, dan toen zij zich als onderhoorigen van het huis van

Ellangowan beschouwen mochten; en moest juist zijne benoeming tot

vrederechter zulk eene verandering in zijn gedrag jegens hen te weeg

gebracht hebben? Hij had ten minste iets tot hunne verbetering moeten

beproeven, vóór dat hij zoo op eens zeven huisgezinnen in de wijde

wereld joeg, en hen van eene soort van bescherming beroofde, die hen

ten minste van groote misdaden terughield. Ook smartte het hem, van zoo

veel bekende gezichten te scheiden; een gevoel, waarvoor Godfried

Bertram bijzonder vatbaar was, daar zijn beperkte geest zich alleen met

de voorwerpen, die hem van nabij omringden, bemoeide. Toen hij zijn

paard weder omwenden wilde om zijn weg te vervolgen, trad Meg

Merrilies, die achter den stoet aankwam, onverwacht vóór hem.

Zij stond op eene van de hoogten, welke over den hollen weg heen

gingen, zoo dat zij veel hooger was dan Ellangowan, ofschoon deze te

paard zat, en hare lange gestalte, welke tegen den helderen blauwen

hemel nog grooter scheen, dan ze wezenlijk was, hem van bijna meer dan

menschelijke grootte voorkwam. Hare kleeding, of liever hare wijze van

die te schikken, was eenigszins vreemd. Zij had die opzettelijk

gekozen, hetzij om aan hare tooverspreuken en voorspellingen meer klem

te geven, hetzij uit gehechtheid aan eene oude overlevering betreffende

de kleeding harer voorouders. Bij deze gelegenheid droeg zij een

grooten lap rood katoen, als een tulband, om het hoofd gewonden,

waaronder hare oogen met een buitengewoon vuur schitterden. Hare lange

zwarte haren hingen in verwarde lokken van onder de plooien van dit

zonderling hoofdsieraad naar beneden. Zij stond in de houding van eene

bezielde waarzegster, en hield in hare uitgestrekte rechterhand een

takje, hetwelk zij juist scheen afgebroken te hebben.

„Ik mag verd...d zijn,” zei de rijknecht, „indien zij dit takje niet

van de jonge esschenboomen in het Dunkit-park afgesneden heeft.”

De heer antwoordde niet, en staarde onophoudelijk op de gestalte, die

boven den weg stond.

„Vervolg uw weg,” sprak de Heidin, „vervolg uw weg, heer van

Ellangowan! vervolg uw weg, Godfried Bertram! Heden hebt gij zeven

rookende haarden uitgedoofd; zie, of het vuur in uwe eigen woning

daarom helderder brandt. Van zeven hutten hebt gij het dak afgescheurd;

zie, of uw eigen dak des te vaster staat. Gij kunt uw vee in de

verwoeste woningen van Derncleugh stallen; zie toe, dat de haas zich

geen leger op de haardstede van Ellangowan maakt! Vervolg uw weg

Godfried Bertram! Waarom ziet gij ons volk achterna? Er zijn dertig

menschen; liever zouden zij honger geleden hebben, dan het u aan eene

lekkernij laten ontbreken; om u voor eene schram aan den vinger te

bewaren, zouden zij hun bloed vergoten hebben. Ja, dertig zijn er, van

het oude honderdjarige moedertje tot aan het knaapje, dat in de vorige

week geboren werd; en gij hebt ze van hunne woning beroofd, zoo dat zij

met de dieren des velds onder den blauwen hemel moeten slapen. Vervolg

uw weg, Ellangowan! onze kinderen hangen zwaar op onze moede ruggen;

zie toe, of het bed in uwe prachtige wieg daarom zachter is! Maar denk

niet, dat ik den jongen Hendrik, of het kind, dat nog geboren zal

worden, iets kwaads toewensch; daarvoor beware mij God en make uwe

kinderen liefderijk jegens de armen, en beter dan hun vader! En nu,

vervolg nu uw weg: want dit zijn de laatste woorden, welke gij ooit van

Meg Merrilies zult hooren, en dit is het laatste takje, dat ik ooit in

de beminde bosschen van Ellangowan snijden zal.”

Met deze woorden brak zij het takje, dat zij in de hand hield, smeet

het van zich op den weg, en wendde zich met de trotsche houding van een

Margaretha van Anjou, die hare vijanden verwenschte, van Bertram af.

Deze wilde spreken en tastte in den zak, om eenig geld te zoeken: maar

de Heidin wachtte noch op zijn antwoord, noch op zijne gift, en ging

den heuvel af, om hare tochtgenooten in te halen.

Ellangowan reed peinzend naar huis en, hetgeen opmerkelijk was, sprak

tegen niemand zijner huisgenooten van deze ontmoeting. De rijknecht was

echter niet zoo achterhoudend; hij verhaalde de geheele geschiedenis

aan zijne talrijke toehoorders in de keuken en eindigde met de

betuiging, dat, als de duivel ooit uit den mond van een wijf gesproken

had, hij het op dezen dag door den mond van Meg Merrilies gedaan had.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 10 / 75 题