Zoo ziet de roodhuid, aan Ontarios vloed,
Op dierenvellen liggend, grootgebracht,
Zijn donker ras verdwijnen, en de blanke
Zijn woning stichten onder het geboomt’.
Bedroefd ontvlucht hij dan het sombre bosch,
Het ruischend water van den grooten stroom,
En zoekt in stille woede een toevluchtsoord,
Waar nooit een menschenvoet getreden heeft,
Een diepe duisternis zijn spoor verbergt
In wouden, stil en eenzaam als het graf.
Tooneelen der Kindsheid.
Onder het verhalen der omstandigheden van dezen kleinen oorlog, moeten
wij niet vergeten aan te merken, dat met de jaren de kleine Hendrik
Bertram een zeer levendige en flinke knaap geworden was, en spoedig den
ouderdom van vijf jaren zou bereiken. Zijn moed, die zich vroegtijdig
ontwikkelde, maakte hem tot een’ kleinen zwerver; hij kende ieder pad
in het bosch rondom den burcht van Ellangowan, en kon in zijne
kinderlijke taal verhalen, waar de fraaiste bloemen bloeiden en de
beste hazelnoten groeiden. Hij joeg de bedienden dikwijls een schrik
aan, door zijn klauteren in de bouwvallen van het oude slot, en meer
dan eens was hij stil naar het dorpje der Heidenen geslopen.
Bij zulke gelegenheden werd hij gewoonlijk door Meg Merrilies terug
gebracht, die hare gevoeligheid niet tot het kind scheen uit te
strekken, ofschoon zij, sedert haar neef als matroos geprest was,
volstrekt niet meer op het slot wilde komen. Zij zocht den aap ook op
zijne wandelingen, zong hem een heidensch liedje voor, liet hem op
haren ezel rijden en stak hem dikwijls een stuk peperkoek of een
roodwangigen appel in den zak. De van alle kanten afgewezene en
versmade verkleefdheid van deze oude vrouw aan het huis van Ellangowan
scheen daarmede voldaan te zijn, dat zij toch één voorwerp vond,
waaraan zij hare genegenheid bewijzen kon. Honderdmalen voorspelde zij,
dat de jonge Hendrik eens de roem van zijn geslacht worden zou en dat
er sedert den dood van den dapperen Arthur Mac-Dingawaie, die in den
slag bij de Bloedige Baai gesneuveld was, zulk eene spruit niet aan den
ouden boom geweest was; en dat, wat den tegenwoordigen stam betrof,
deze deugde alleen tot brandhout. Eens, toen de knaap ziek was, lag zij
den ganschen nacht onder zijn venster en zong een lied, dat zij voor
een krachtig koortsverdrijvend middel hield, en men kon haar evenmin
bewegen, in huis te komen, als om hare plaats te verlaten, vóor dat zij
vernam dat het gevaar geweken was.
Deze verkleefdheid van de Heidin verwekte argwaan, wel niet bij den
heer, die niet spoedig ergdenkend was, maar bij zijne gemalin, die
ziekelijk en droefgeestig was. De bezorgde moeder, voor de tweede maal
hoogzwanger, kon zelve niet meer uitgaan en verzocht dus den goeden
Sampson, den knaap in zijne eenzame zwerftochten te bewaken, daar het
dienstmeisje, dat op Hendrik passen moest, jong en onbedachtzaam was.
Sampson beminde zijn kweekeling en verheugde zich over den gelukkigen
uitslag van zijn onderwijs, daar hij hem reeds zoo ver gebracht had,
dat hij woorden van drie lettergrepen spellen kon. Het denkbeeld, dat
dit vroegtijdig wonder van geleerdheid – als een tweede Adam Smith [5]
– door de Heidenen ontvoerd zou worden, was hem onverdragelijk. Uit
dien hoofde nam hij volgaarne dezen post op zich, hoe tegenstrijdig die
ook zijn mocht met zijne gewone levenswijze, en het was niet onaardig
te zien, hoe hij deftig daarheen stapte, het hoofd vervuld met een
ingewikkeld wiskundig voorstel en de oogen gevestigd op een’
vijfjarigen knaap, die hem door zijn omzwerven honderdmalen in een
hachelijken toestand bracht. Tweemaal geraakte hij in het nauw door
eene koe; eens gleed hij in eene beek van de steenen af, die er in
gelegd waren, om er droogvoets over te komen, en een anderen keer zakte
hij bijna tot aan den hals in een moeras, terwijl hij eene waterlelie
voor den jongenheer plukken wilde. De boerinnen, welke hem bij deze
gelegenheid te hulp kwamen, meenden, dat de heer het opzicht over zijn
zoon even goed aan een vogelverschrikker kon toevertrouwen als aan den
meester, maar de goede Sampson verdroeg dit alles met zijn gewonen
ernst en bedaardheid. Geen ongeluk kon dezen geduldigen man iets anders
afpersen, dan het enkele woord: „wonderbaar!”
De heer Bertram had intusschen besloten, de Heidenen van Derncleugh met
wortel en tak uit te roeien. De oude bedienden schudden het hoofd over
zijn voornemen en ook Sampson waagde, hoewelk niet rechtstreeks, eene
tegenvoorstelling. Daar die echter in de orakeltaal: „Ne moveas
Camerinam,” ingekleed was, en noch de zinspeling, noch de taal, waarin
zij vervat was, voor Bertram berekend was, gingen de zaken tegen de
Heidenen haren wettelijken gang. Op iedere deur in het dorpje werd door
een’ gerechtsdienaar een teeken met krijt gemaakt, als eene plechtige
waarschuwing, om binnen den bepaalden tijd te vertrekken. De Heidenen
schenen nochtans niet geneigd, zich hieraan te onderwerpen. Eindelijk
verscheen de bepaalde tijd, de ongelukkige Sint-Maartensdag, en men
ging tot gewelddadige maatregelen over, om hen te verdrijven. Eene
groote menigte gerechtsdienaars, sterk genoeg om allen wederstand te
verijdelen, gelastte den inwoners voor de laatste maal, om vóor den
middag te vertrekken, en begonnen, toen deze niet gehoorzaamden,
volgens hunne bevelen, de daken van de hutten af te breken en de deuren
en vensters er uit te nemen, zoo als tegenwoordig nog in eenige
afgelegen streken van Schotland gebruikelijk is, wanneer een pachter
niet goedwillig vertrekken wil. De Heidenen aanschouwden dit werk der
vernieling eene poos werkeloos, onder een somber stilzwijgen, begonnen
toen hunne ezels op te zadelen en te pakken en zich gereed te maken om
te vertrekken. Hiermede waren zij, even als zwervende Tartaren, spoedig
gereed en begaven zich op weg, om nieuwe woonplaatsen te zoeken op een
grond, welks eigenaar geen vrederechter was.
Een gevoel van medelijden had den heer Bertram bewogen, geen getuige
van het verdrijven zijner oude huurlingen te zijn. Hij liet de
uitvoering zijner bevelen over aan de gerechtsdienaars, onder het
toezicht van Frans Kennedy, een ambtenaar bij het tolwezen, die sedert
eenigen tijd dikwijls op het slot kwam en van wien wij later meer te
vertellen zullen hebben. Bertram bezocht op dezen dag een oud, niet ver
van hem afwonenden vriend; maar, niettegenstaande zijne voorzorgen,
wilde het toeval, dat hij de Heidenen op hun aftocht van zijn
grondgebied niet vermijden kon. Hij ontmoette den troep in een hollen
weg tusschen steile hoogten, op de grenzen van het grondgebied van
Ellangowan. Vier of vijf mannen, in wijde jassen gekleed, welke hunne
hooge en tengere gestalten bedekten, terwijl groote hoeden met breede
neergeslagen randen, diep in de oogen gedrukt, hunne woeste trekken,
hun bruin gelaat en hunne zwarte oogen verborgen, maakten de voorhoede
uit. Twee van hen droegen lange jachtgeweren, één had een groot zwaard
zonder schede, en allen waren van den Hooglandschen dolk voorzien,
ofschoon zij niet openlijk met dit wapen praalden. Hierachter volgden
de beladene ezels en kleine karren, waarop de zwakken en hulpeloozen,
de grijsaards en kinderen van de verdreven gemeente geplaatst waren. De
vrouwen, met hare roode rokken en stroohoeden, en de oudere kinderen,
die blootshoofds, barrevoets en bijna geheel naakt liepen, waren belast
met het toezicht op den stoet. De weg was smal en liep tusschen twee
afgegraven zandheuvels door. Bertram’s rijknecht reed voor zijn heer
uit, klapte gebiedend met zijne zweep en beval den drijvers, om voor
hunne meerderen plaats te maken. Hierop werd geen acht gegeven, en nu
riep hij de mannen, die langzaam voortgingen, met eene forsche stem
toe: „Houdt toch stil met uwe beesten en maakt plaats voor den heer.”
„Hij zal zijn deel van den weg hebben,” antwoordde een Heiden van onder
zijn grooten neergeslagen hoed, zonder op te zien, „en meer zal hij ook
niet hebben; de straatweg is even vrij voor onze ezels, als voor zijn
klepper.”
Daar de toon van den man norsch, ja zelfs dreigend was, vond Bertram
het geraden, zijne waardigheid te vergeten, den trein bedaard voorbij
te gaan en zich met de ruimte, die zij hem gunnen wilden, en die
waarlijk klein genoeg was, tevreden te stellen. Om zijne gevoeligheid
over het gebrek aan achting, waarmede men hem behandelde, te verbergen,
sprak hij een van de mannen, die zonder groeten of zonder hem aan te
zien voorbijging, aan, en zeide: „Gilles Baillie! hebt gij al gehoord
of uw zoon Gabriel,” – dus heette de jonge man, die geprest was – „het
goed maakt?”
„Indien ik iets anders gehoord had,” antwoordde de oude man met een
norschen en dreigenden blik, „zoudt gij er ook van vernomen hebben,” en
hij vervolgde zijn weg, zonder verdere vragen af te wachten [6]. In het
gedrang, waardoor Bertram heen worstelen moest, ontdekte hij overal
bekende gezichten, waarop hij thans niets dan haat en verachting las,
ofschoon zij hem voorheen, zoo dikwijls hij in hunne nabijheid kwam,
een eerbied welke alleen hoogere wezens toekomt, betoond hadden. Toen
hij eindelijk het gewoel voorbij was, kon hij zich niet weerhouden,
zijn paard te wenden en den stoet achterna te zien. Eene heerlijke
groep voor het penseel van een Callot. Reeds had de voorhoede een klein
dicht kreupelbosch aan den voet van den heuvel bereikt, hetwelk den
trein langzamerhand verborg, tot dat eindelijk de laatste
achterblijvers ook verdwenen.
Nu welde een smartelijk gevoel in zijne ziel op. De menschen, welke hij
uit hun oud toevluchtsoord verdreven had, waren zeker lui en slecht;
maar had hij wel ooit iets gedaan, om hen beter te maken? Zij waren
niet slechter, dan toen zij zich als onderhoorigen van het huis van
Ellangowan beschouwen mochten; en moest juist zijne benoeming tot
vrederechter zulk eene verandering in zijn gedrag jegens hen te weeg
gebracht hebben? Hij had ten minste iets tot hunne verbetering moeten
beproeven, vóór dat hij zoo op eens zeven huisgezinnen in de wijde
wereld joeg, en hen van eene soort van bescherming beroofde, die hen
ten minste van groote misdaden terughield. Ook smartte het hem, van zoo
veel bekende gezichten te scheiden; een gevoel, waarvoor Godfried
Bertram bijzonder vatbaar was, daar zijn beperkte geest zich alleen met
de voorwerpen, die hem van nabij omringden, bemoeide. Toen hij zijn
paard weder omwenden wilde om zijn weg te vervolgen, trad Meg
Merrilies, die achter den stoet aankwam, onverwacht vóór hem.
Zij stond op eene van de hoogten, welke over den hollen weg heen
gingen, zoo dat zij veel hooger was dan Ellangowan, ofschoon deze te
paard zat, en hare lange gestalte, welke tegen den helderen blauwen
hemel nog grooter scheen, dan ze wezenlijk was, hem van bijna meer dan
menschelijke grootte voorkwam. Hare kleeding, of liever hare wijze van
die te schikken, was eenigszins vreemd. Zij had die opzettelijk
gekozen, hetzij om aan hare tooverspreuken en voorspellingen meer klem
te geven, hetzij uit gehechtheid aan eene oude overlevering betreffende
de kleeding harer voorouders. Bij deze gelegenheid droeg zij een
grooten lap rood katoen, als een tulband, om het hoofd gewonden,
waaronder hare oogen met een buitengewoon vuur schitterden. Hare lange
zwarte haren hingen in verwarde lokken van onder de plooien van dit
zonderling hoofdsieraad naar beneden. Zij stond in de houding van eene
bezielde waarzegster, en hield in hare uitgestrekte rechterhand een
takje, hetwelk zij juist scheen afgebroken te hebben.
„Ik mag verd...d zijn,” zei de rijknecht, „indien zij dit takje niet
van de jonge esschenboomen in het Dunkit-park afgesneden heeft.”
De heer antwoordde niet, en staarde onophoudelijk op de gestalte, die
boven den weg stond.
„Vervolg uw weg,” sprak de Heidin, „vervolg uw weg, heer van
Ellangowan! vervolg uw weg, Godfried Bertram! Heden hebt gij zeven
rookende haarden uitgedoofd; zie, of het vuur in uwe eigen woning
daarom helderder brandt. Van zeven hutten hebt gij het dak afgescheurd;
zie, of uw eigen dak des te vaster staat. Gij kunt uw vee in de
verwoeste woningen van Derncleugh stallen; zie toe, dat de haas zich
geen leger op de haardstede van Ellangowan maakt! Vervolg uw weg
Godfried Bertram! Waarom ziet gij ons volk achterna? Er zijn dertig
menschen; liever zouden zij honger geleden hebben, dan het u aan eene
lekkernij laten ontbreken; om u voor eene schram aan den vinger te
bewaren, zouden zij hun bloed vergoten hebben. Ja, dertig zijn er, van
het oude honderdjarige moedertje tot aan het knaapje, dat in de vorige
week geboren werd; en gij hebt ze van hunne woning beroofd, zoo dat zij
met de dieren des velds onder den blauwen hemel moeten slapen. Vervolg
uw weg, Ellangowan! onze kinderen hangen zwaar op onze moede ruggen;
zie toe, of het bed in uwe prachtige wieg daarom zachter is! Maar denk
niet, dat ik den jongen Hendrik, of het kind, dat nog geboren zal
worden, iets kwaads toewensch; daarvoor beware mij God en make uwe
kinderen liefderijk jegens de armen, en beter dan hun vader! En nu,
vervolg nu uw weg: want dit zijn de laatste woorden, welke gij ooit van
Meg Merrilies zult hooren, en dit is het laatste takje, dat ik ooit in
de beminde bosschen van Ellangowan snijden zal.”
Met deze woorden brak zij het takje, dat zij in de hand hield, smeet
het van zich op den weg, en wendde zich met de trotsche houding van een
Margaretha van Anjou, die hare vijanden verwenschte, van Bertram af.
Deze wilde spreken en tastte in den zak, om eenig geld te zoeken: maar
de Heidin wachtte noch op zijn antwoord, noch op zijne gift, en ging
den heuvel af, om hare tochtgenooten in te halen.
Ellangowan reed peinzend naar huis en, hetgeen opmerkelijk was, sprak
tegen niemand zijner huisgenooten van deze ontmoeting. De rijknecht was
echter niet zoo achterhoudend; hij verhaalde de geheele geschiedenis
aan zijne talrijke toehoorders in de keuken en eindigde met de
betuiging, dat, als de duivel ooit uit den mond van een wijf gesproken
had, hij het op dezen dag door den mond van Meg Merrilies gedaan had.